← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.042

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.042 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210311.3 Arrest- Rolnummer: 42/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-03 Raadplegingen: 733 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 314 van het Strafwetboek, aldus geïnterpreteerd dat het de opdrachten gesloten met de Staat of een publiekrechtelijk persoon volgens de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel314 van het Strafwetboek, gesteld door de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel. Strafrecht - Belemmering van de mededinging - Opdracht die is gesloten bij onderhandelingsprocedure / Overheidsopdracht die is gesloten volgens een open of beperkte procedure Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 314 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Rolnummer 7193 Arrest nr. 42/2021 van 11 maart 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 314 van het Strafwetboek, gesteld door de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, R. Leysen, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 mei 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juni 2019, heeft de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 314 van het Strafwetboek, zo geïnterpreteerd dat het alleen de openbare inschrijving of het openbaar opbod, of de inschrijving of het opbod in het kader van overheidsopdrachten volgens een open of beperkte procedure beoogt, met uitsluiting van de opdrachten gesloten met de Staat of een publiekrechtelijk persoon via een onderhandelingsprocedure, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel (MIVB), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Roger France en Mr. A. Schurmans, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. C. Dupret Torres, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft het Hof, na de verslaggevers T. Detienne en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Vier beklaagden (twee voormalige werknemers van de « Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel » (MIVB) en twee ondernemers) worden vervolgd voor de Correctionele kamer van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, met name wegens een misdrijf bestaande in de belemmering van de vrijheid van de inschrijvingen inzake overheidsopdrachten, zoals bestraft bij artikel 314 van het Strafwetboek. De beklaagden wordt verweten op bedrieglijke wijze te hebben afgesproken de wezenlijke regels inzake overheidsopdrachten niet in acht te nemen teneinde, met name, sommigen onder hen rechtstreeks te bevoordelen ten nadele van de MIVB, die zich burgerlijke partij heeft gesteld. Die stelselmatige schending van de regels, buiten het medeweten van de MIVB, heeft het mogelijk gemaakt een systeem van fictieve mededinging in te voeren door middel van valse documenten waardoor « de opdrachten worden opgesplitst » teneinde onder de wettelijke drempels te blijven en waardoor verborgen wordt gehouden dat alle opdrachten in werkelijkheid exclusief werden gegund aan een enkele entiteit die vijf vennootschappen groepeert die worden gecontroleerd door twee dezelfde personen, namelijk twee van de vier beklaagden. 3 Te dezen deden de feiten zich voor in de context van de gunning van opdrachten in het kader van « het onderhoud en kleine herstellingen » van metrostations van de MIVB. Tijdens de debatten voor de Rechtbank is de vraag gerezen of artikel 314 van het Strafwetboek van toepassing is op de overheidsopdrachten bij onderhandelingsprocedure. Bij een arrest van 9 maart 2016 (P.16.0103.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.4) heeft het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat de bij dat artikel beschermde mededinging alleen vereist is onder de personen die hebben geantwoord op een overheidsopdracht die vooraf werd bekendgemaakt (met uitsluiting van de overheidsopdrachten die worden gegund ingevolge een onderhandelingsprocedure). In zijn vordering heeft het openbaar ministerie die interpretatie van artikel 314 van het Strafwetboek betwist, waarbij een discriminatie wordt aangeklaagd die onverantwoord zou kunnen zijn naargelang de door de aanbestedende overheid gekozen procedure al dan niet gepaard gaat met een voorafgaande bekendmaking en dus al dan niet de bescherming van artikel 314 van het Strafwetboek geniet. Het openbaar ministerie heeft de Rechtbank bijgevolg verzocht aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. In haar twee memories is de MIVB, burgerlijke partij voor de verwijzende rechter, van mening dat, in tegenstelling tot wat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 maart 2016 heeft geoordeeld, het woord « toewijzing » vermeld in artikel 314 van het Strafwetboek op zich wordt gebruikt, zonder dat wordt gepreciseerd dat het gaat om een « openbare » toewijzing. Het Hof van Cassatie kent die bepaling dus een element toe dat daarin niet is opgenomen, namelijk dat zij alleen van toepassing zou zijn op de procedures die vooraf worden bekendgemaakt, met uitzondering bijgevolg van de andere procedures, met name de onderhandelingsprocedures. Voor de MIVB is het bij ongeacht welke aanbestedingsprocedure essentieel dat de inschrijvers aan mededinging worden onderworpen. Alle wetten betreffende de overheidsopdrachten, namelijk de wet van 24 december 1993 « betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten » (van toepassing op de onderhavige zaak), de wet van 15 juni 2006 « overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten » en de wet van 17 juni 2016 « betreffende de concessieovereenkomsten » verwijzen naar de volgende drie beginselen : niet-discriminatie, transparantie en verplichte niet-vervalste werkelijke mededinging. De MIVB voert aan dat de wetgever klaarblijkelijk steeds de vrije mededinging en de gelijkheid onder de inschrijvers heeft willen waarborgen, los van de gekozen aanbestedingsprocedure. Te dezen hebben zowel de ambtenaren als de ondernemers, door de markt op te splitsen en valse vennootschappen op te richten die zogenaamd met elkaar concurreren, die mededinging duidelijk kunstmatig willen beperken en de opdracht willen onttrekken aan het toepassingsgebied van sommige regels. De door het Hof van Cassatie gegeven interpretatie aan artikel 314 van het Strafwetboek heeft tot gevolg dat een onverantwoorde discriminatie tot stand wordt gebracht tussen de slachtoffers van de niet-naleving van de algemene beginselen in het kader van de gunning van overheidsopdrachten volgens een open procedure, die de bescherming van artikel 314 van het Strafwetboek zouden genieten, en de slachtoffers van diezelfde niet-naleving in het kader van een onderhandelingsprocedure, die die bescherming niet zouden genieten. Een dergelijke interpretatie is niet verantwoord, aldus de MIVB. Die laatste steunt op het arrest Parking Brixen gewezen door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 13 oktober 2005 (C-458/03), inzake de gunning van een concessie, en voert aan dat een « openbare oproep » dient te gebeuren opdat de beginselen van transparantie en niet-discriminatie in acht worden genomen, dus ook in een onderhandelingsprocedure. 4 De prejudiciële vraag beantwoorden door aan artikel 314 van het Strafwetboek dezelfde interpretatie te geven als het Hof van Cassatie, zou erop neerkomen een discriminatie in te voeren die volkomen indruist tegen de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsook tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, daar de onderhandelingsprocedure niet te vergelijken is met de open of beperkte procedures, zodat de situaties van de slachtoffers van de niet-naleving van de regels betreffende die twee soorten procedures evenmin vergelijkbaar zijn. Het begrip « onderhandelingsprocedure » dat voortvloeit uit het recht van de Europese Unie is in het Belgisch recht omgezet bij de voormelde wet van 24 december 1993, dat het begrip « onderhandse overeenkomst » door het begrip « onderhandelingsprocedure » heeft vervangen. Die procedure wordt gekenmerkt door

(1)de keuze door de aanbestedende overheid van de kandidaten die ertoe gemachtigd zijn deel te nemen aan de overheidsopdracht en
(2)de onderhandeling over de voorwaarden van de overheidsopdracht tussen de aanbestedende overheid en de gekozen inschrijvers. De open of gesloten procedure, ongeacht of het gaat om een aanbesteding of om een offerteaanvraag, wordt gekenmerkt door
(1)een openbare opening van de aanbiedingen en
(2)de eenzijdige vaststelling van de aanbiedingen door de inschrijvers, zonder onderhandeling. Die procedure is veel strikter dan de eerstgenoemde. Beide procedures kunnen niet redelijkerwijs met elkaar worden vergeleken, zo besluit de Ministerraad. A.2.
  1. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling berust op een objectief criterium : het organiseren van een openbare aanbesteding in de loop van de procedure in kwestie. Het is een bestanddeel van het misdrijf bepaald in artikel 314 van het Strafwetboek, hetgeen bijgevolg de niet-openbare aanbesteding van het toepassingsgebied ervan uitsluit. De Ministerraad is ook van mening dat artikel 314 van het Strafwetboek, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 maart 2016, verantwoord is en met het daarbij nagestreefde doel evenredig is. Die bepaling strekt immers niet ertoe de corruptie inzake overheidsopdrachten te bestraffen. A.2.
  2. In zeer ondergeschikte orde stelt de Ministerraad voor dat het Hof aan artikel 314 van het Strafwetboek een conforme interpretatie geeft. Gelet op de ontwikkeling die de « onderhandse overeenkomst » heeft gekend sinds die de « onderhandelingsprocedure » is geworden, geeft de Ministerraad toe dat de onderhandelingsprocedure, in sommige vormen ervan, aansluit bij de procedures die zijn onderworpen aan artikel 314 van het Strafwetboek, met name in zoverre zij de bekendmaking van een aankondiging van opdracht kan vereisen. De Ministerraad leidt hieruit af dat alleen de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking werkelijk overeenstemt met de hypothese van de onderhandse overeenkomst die duidelijk uitgesloten is van het toepassingsgebied van artikel 314 van het Strafwetboek. Hij stelt het Hof dus het volgende antwoord voor : « Zo geïnterpreteerd dat het de openbare inschrijving of het openbare opbod, of de inschrijving of het opbod in het kader van overheidsopdrachten volgens een open of beperkte procedure beoogt, met uitsluiting van de opdrachten gesloten met de Staat of een publiekrechtelijk persoon via een onderhandelingsprocedure, schendt artikel 314 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zo geïnterpreteerd dat het de openbare inschrijving of het openbare opbod, of de inschrijving of het opbod in het kader van overheidsopdrachten volgens een open of beperkte procedure beoogt, met uitsluiting van de opdrachten gesloten met de Staat of een publiekrechtelijk persoon via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, schendt artikel 314 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet ». A.2.
  3. De Ministerraad antwoordt op de door de MIVB uiteengezette argumenten dat de definitie die laatstgenoemde geeft van de aanbesteding een hedendaagse definitie is die niet de betekenis dekt die aan die term is gegeven toen die in artikel 314 van het Strafwetboek is opgenomen. De aanbesteding was opgevat als de manier waarop een opdracht door de Staat wordt gesloten, in tegenstelling tot de alternatieve en uitzonderlijke manier die de onderhandse opdracht was. Het ging dus wel degelijk om de openbare aanbesteding van een opdracht. Slechts een eeuw later is het begrip « aanbesteding » uitgebreid tot andere manieren om overheidsopdrachten te gunnen. 5 Ook de onderhandelingsprocedures hebben diverse vormen aangenomen : concurrentieprocedure met onderhandeling, rechtstreekse onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking en onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. Hoewel de beginselen die de MIVB als essentieel beschouwt, namelijk de vrijwaring van de gelijkheid en de vrije mededinging, dat werkelijk ook zijn, bepalen zij daarentegen niet, aldus de Ministerraad, het toepassingsgebied van artikel 314 van het Strafwetboek. De bestanddelen van die bepaling zijn het openbare karakter van de aanbesteding en de ontstentenis van een onderhandelingsprocedure, daar het erom gaat het risico van afspraken onder partijen te voorkomen. Het arrest Parking Brixen van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de MIVB aanvoert, betrof een dienstenconcessie, en dus een contractvorm die niet geregeld was door de Europese richtlijnen. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de grondbeginselen van de Europese Unie daarop van toepassing waren, met inbegrip van het beginsel van transparantie. De Ministerraad betwist de relevantie van de aangevoerde rechtspraak alsook de conclusie die de MIVB hieruit trekt. -B- B.1.
  4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 314 van het Strafwetboek, dat bepaalt : « Zij die bij toewijzingen van de eigendom, van het vruchtgebruik of van de huur van roerende of onroerende zaken, van een aanneming, van een levering, van een bedrijf of van enige dienst, de vrijheid van opbod of van inschrijving door geweld of bedreiging of door schenkingen of beloften of door gelijk welk ander frauduleus middel belemmeren of storen, worden gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot drieduizend euro ». B.1.
  5. De verwijzende rechter vraagt het Hof die bepaling te toetsen in die interpretatie dat zij geen betrekking heeft op de overheidsopdrachten die bij onderhandelingsprocedure zijn gesloten. Hij verwijst in dat verband naar een arrest van het Hof van Cassatie van 9 maart 2016, waarbij dat Hof heeft geoordeeld : « Enerzijds veronderstelt de toewijzing bedoeld in artikel 314 Strafwetboek, een openbare oproep tot mededinging tussen de verschillende gegadigden van een goed of van een opdracht die voor de gunning ervan in aanmerking komen door na opbod of inschrijving het meest voordelige bod uit te brengen. 6 Anderzijds omschrijft het voormelde artikel 17, § 1, Overheidsopdrachtenwet 1993, de overheidsopdracht bij onderhandelingsprocedure als de opdracht waarvoor de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de aanbesteding met één of meer van hen onderhandelt. De paragrafen 2 en 3 van dat artikel vermelden de gevallen waarin de overheidsopdrachten respectievelijk met of zonder naleving van de bekendmakingsregels bij de aanvang van de procedure, bij onderhandelingsprocedure tussen de aanbesteder en meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners kunnen geschieden. De overheidsopdrachten bij onderhandelingsprocedure worden dus niet gekenmerkt door de bekendmakingsregels waarmee ze al dan niet omringd zijn of door de eventuele mededinging tussen kandidaten. Ze worden gekenmerkt door de onderhandeling van de voorwaarden van de opdracht tussen de aanbesteder of één of meerdere van de voormelde aannemers, leveranciers of dienstenverleners die de aanbesteder vooraf heeft gekozen, los van een eventueel voorafgaandelijke openbare offerte gericht aan alle potentiële kandidaten. Aangezien de mededinging, vereist bij artikel 314 Strafwetboek, moet spelen tussen personen die zich naar aanleiding van een openbare offerte hebben aangemeld, heeft het misdrijf belemmeren of storen van de vrijheid van opbod of van inschrijving enkel betrekking op de toewijzing van overheidsopdrachten volgens de open of beperkte procedures. Het houdt evenwel geen verband met de overheidsopdrachten die bij onderhandelingsprocedure worden afgesloten, ongeacht de mededinging tussen de door de aanbesteder aangezochte kandidaten, de mogelijkheid tot opbod en de maatregelen van openbaarheid die met het afsluiten van de overeenkomst gepaard gaan » (Cass., 9 maart 2016, P.16.0103.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.4). B.1.
  6. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling, aldus geïnterpreteerd, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te onderzoeken, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan onder de slachtoffers van een belemmering van de mededinging naargelang die laatste is gepleegd in het kader van een opdracht die is gesloten bij onderhandelingsprocedure dan wel in het kader van een overheidsopdracht die is gesloten volgens een open of beperkte procedure. B.2.
  7. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de beklaagden worden vervolgd wegens diverse inbreuken die zijn gepleegd « met het opzet de bepalingen van de wet betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van 24 december 1993 te omzeilen ». Teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient derhalve rekening te worden gehouden met de reglementering betreffende de overheidsopdrachten zoals die was vastgesteld bij de wet van 24 december 1993 « betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten » (hierna : de wet van 24 december 1993), zonder rekening te houden met de latere wijzigingen in de wetgeving en reglementering op dat gebied. 7 B.2.
  8. Uit het verwijzingsvonnis blijkt eveneens dat de in het geding zijnde opdrachten « wel degelijk worden geanalyseerd als opdrachten die zijn gesloten bij onderhandelingsprocedure ». Het blijkt te gaan om onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking. Het staat niet aan het Hof zich uit te spreken over de vraag of de in het geding zijnde opdrachten al dan niet aanleiding konden geven tot die procedure. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.2.
  9. Artikel 17, § 1, van de wet van 24 december 1993 definieerde de overheidsopdracht bij onderhandelingsprocedure als volgt : « De overheidsopdracht geschiedt ‘ bij onderhandelingsprocedure ’ wanneer de aanbestedende overheid meerdere aannemers, leveranciers of dienstenverleners van haar keuze raadpleegt en over de voorwaarden van de opdracht onderhandelt met één of meer van hen ». Artikel 17, § 2, van dezelfde wet somde op beperkende wijze de hypothesen op waarin gebruik kon worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Artikel 17, § 3, van dezelfde wet somde op beperkende wijze de hypothesen op waarin gebruik kon worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Buiten die hypothesen moesten de overheidsopdrachten worden gegund bij openbare of beperkte aanbesteding of algemene of beperkte offerteaanvraag. B.
  10. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 8 B.4.
  11. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het soort van betrokken overheidsopdracht. De in het geding zijnde bepaling is niet van toepassing wanneer de overheidsopdracht kan worden en wordt gegund volgens de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Zij is dat daarentegen wel wanneer de overheidsopdracht moet worden gegund volgens de procedure van de openbare of beperkte aanbesteding of volgens de procedure van de algemene of beperkte offerteaanvraag. De onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking onderscheidt zich van de procedure van de openbare aanbesteding en van de procedure van de offerteaanvraag, enerzijds, door het gegeven dat een of meer aannemers, leveranciers of dienstenverleners vooraf zijn geselecteerd door de overheid, die daartoe beschikt over een keuzemogelijkheid, en, anderzijds, door de mogelijkheid om over de opdrachtvoorwaarden te onderhandelen tussen de overheid en een of meer gekozen aannemers, leveranciers of dienstenverleners. Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt derhalve op die twee kenmerken. B.4.
  12. Artikel 314 van het Strafwetboek is geïnspireerd op artikel 412 van het Strafwetboek van 1810, dat de personen strafbaar stelde die « de vrijheid van opbod of van inschrijving door feitelijkheden, geweld of bedreiging [zouden] belemmeren of storen ». De huidige redactie ervan vloeit voort uit de vervanging van de oorspronkelijke bepaling bij artikel 66 van de wet van 24 december
  13. Met die wijziging wilde de wetgever niet alleen geweld of bedreiging bestrijden, maar ook « de ongeoorloofde afspraken tussen aannemers, leveranciers of dienstenverleners beter […] bestraffen », teneinde « het verbod [te] versterken van handelwijzen die de normale mededingingsvoorwaarden kunnen vervalsen en die strijdig zijn met de openbare orde » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 656/1, p. 48). B.
  14. De laakbaarheid van bepaalde feiten, de vaststelling ervan als een misdrijf, de ernst van dat misdrijf en de zwaarwichtigheid waarmee het kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van verschillen in gedragingen, waarvan sommige strafbaar worden gesteld en andere niet, telkens een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten ten opzichte van andere niet- strafbare feiten en zijn onderzoek niet zou beperken tot de gevallen waarin de keuze van de 9 wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf. B.6.
  15. Door geweld, bedreiging of afspraken te bestraffen die tot doel hebben de mededinging te vervalsen bij opbod of inschrijving, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat het, in de context van de reglementering van de overheidsopdrachten zoals die was vastgesteld bij de wet van 24 december 1993, niet vereist was de bestraffing uit te breiden tot de handelingen gepleegd tijdens de gunning van overheidsopdrachten in het kader van onderhandelingsprocedures. Hij vermocht immers van oordeel te zijn dat de kenmerken van die procedures, vermeld in B.4.1, moeilijk te verzoenen waren met een misdrijf dat is bedacht om de mededinging onder de inschrijvers te waarborgen door het vrije en openbare karakter van het opbod of de inschrijving. B.6.
  16. De uitsluiting van gedragingen die in strijd zijn met de openbare orde bij de gunning van overheidsopdrachten volgens de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, uit het toepassingsgebied van artikel 314 van het Strafwetboek, heeft overigens geen onevenredige gevolgen voor de slachtoffers van die handelingen, daar de daders van die handelingen strafrechtelijk kunnen worden vervolgd op basis van andere kwalificaties, zoals, met name, valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken, corruptie, belangenneming, schending van het beroepsgeheim, bendevorming of oplichting. Bij de gunning van een overheidsopdracht kan het ongeoorloofd gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, terwijl de opdracht moest worden gegund volgens de openbare aanbestedingsprocedure of volgens de procedure van de offerteaanvraag, met name door het gebruik van technieken waarbij de opdracht wordt opgesplitst, ten slotte een belemmering of verstoring vormen van de vrijheid van opbod en inschrijving en in die zin vallen onder artikel 314 van het Strafwetboek. B.
  17. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Dat besluit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de wetgever om na te gaan of het opportuun is de strafbaarstelling bedoeld in artikel 314 van het Strafwetboek te wijzigen, met name rekening houdend met de ontwikkeling van de wetgeving inzake de reglementering van de overheidsopdrachten. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 314 van het Strafwetboek, aldus geïnterpreteerd dat het de opdrachten gesloten met de Staat of een publiekrechtelijk persoon volgens de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking uitsluit, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 maart
  18. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.042 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.