← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.047

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.047 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210318.6 Arrest- Rolnummer: 47/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing », ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie. Nationaliteit - Verkrijging van de Belgische nationaliteit - Verkrijging door nationaliteitsverklaring - Voorwaarden - Bewijs van de maatschappelijke integratie - Het met succes volgen van een inburgeringstraject, onthaaltraject of integratieparcours - Bevoegdheidsverdeling. Wettelijke bepalingen: Wet - 18-06-2018 - 141,

  1. c)- 03 ELI link Pub nr 2018012858 Tekst van de beslissing Rolnummer 7086 Arrest nr. 47/2021 van 18 maart 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing », ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 december 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 december 2018, heeft het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. D. Neven en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2018). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen A.1. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert aan dat, in zoverre het een vreemdeling die de Belgische nationaliteit wenst te verkrijgen toestaat zijn « maatschappelijke integratie » te bewijzen door het feit dat hij « met succes » een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours » heeft gevolgd waarin is voorzien door een component van de federale Staat die bevoegd is om het « beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen » te voeren, artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het werd gewijzigd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing » (hierna : de wet van 18 juni 2018), inbreuk maakt op de bevoegdheden van de andere componenten van de federale Staat dan de federale overheid. Volgens de verzoekende partij valt de voormelde regel, die in de bestreden federale wetsbepaling is geformuleerd, onder het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen dat echter, volgens artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, een gemeenschapsaangelegenheid is. 3 Het College onderstreept dat het de voor die aangelegenheid bevoegde deelentiteiten toekomt te beslissen over de invoering en de organisatie van een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours » voor de vreemdelingen. Het preciseert dat het diezelfde overheden zijn die exclusief bevoegd zijn om te beslissen of de betrokken vreemdeling zich aan het einde van dat « parcours » of « traject » aan een evaluatie moet onderwerpen. Het College oordeelt dat de woorden « met succes » die in de bestreden bepaling worden gebruikt alle betrokken deelentiteiten verplichten om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die de vreemdeling gedurende dat « parcours » of « traject » heeft verworven, terwijl thans, aan het einde van een « parcours » of « traject », de meeste entiteiten een attest uitreiken aan de vreemdeling zonder voorafgaandelijk de kennis te evalueren die hij heeft verworven. Het College preciseert dat, in die deelentiteiten, dat attest slechts wordt uitgereikt op voorwaarde dat de vreemdeling voldoende aanwezig is geweest gedurende het « parcours » of « traject ». Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voegt eraan toe dat, ook al laat de bestreden bepaling de bevoegde deelentiteiten de vrijheid om de evaluatiemethode te bepalen, zij die laatsten toch verplicht, indien zij een van de essentiële nuttige effecten van hun beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen willen waarborgen, om een evaluatieprocedure in te voeren die zij niet noodzakelijk wensen in te voeren. A.2.1. De Ministerraad oordeelt dat de bestreden bepaling de bevoegdheidsverdeling tussen de componenten van de federale Staat in acht neemt, en dat bijgevolg het middel niet gegrond is. A.2.2. De Ministerraad leidt uit artikel 8, eerste lid, van de Grondwet af dat de federale overheid bevoegd is om de voorwaarden te bepalen voor het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. Hij merkt op dat de federale overheid bijgevolg niet alleen kan eisen, van de vreemdeling welke die nationaliteit wenst te verkrijgen, dat hij zijn « maatschappelijke integratie » aantoont, maar ook dat laatste begrip kan definiëren zonder verplicht te zijn dat op dezelfde manier te doen als de componenten van de Staat die bevoegd zijn om de integratie van inwijkelingen te regelen. De Ministerraad is daarnaast van mening dat het de federale overheid toekomt aan te geven welke de door de bevoegde overheden georganiseerde activiteiten voor integratie van inwijkelingen zijn die in aanmerking komen om de « maatschappelijke integratie » te bewijzen in de zin van de federale regels betreffende het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. De Ministerraad onderstreept bovendien dat die laatste regels niet noodzakelijk hetzelfde doel nastreven als het door de deelentiteiten gevoerde beleid inzake integratie van inwijkelingen, en dat dit beleid niet uitsluitend kan worden opgevat als een middel om de toegang tot de Belgische nationaliteit te vergemakkelijken. Hij merkt op dat de federale overheid niet verplicht kan worden om haar regels voor het verkrijgen van de nationaliteit aan te passen aan de vrije keuze van een deelentiteit om een beleid inzake integratie van inwijkelingen te voeren waarbij aan de vreemdelingen makkelijker toegang tot de hoedanigheid van Belg wordt verleend. A.2.3. De Ministerraad antwoordt ten slotte dat de woorden « met succes » van de bestreden bepaling de deelentiteiten die bevoegd zijn voor het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen geenszins verplichten om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die de vreemdeling heeft verworven gedurende een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours ». Hij leidt af uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling dat het de deelentiteiten die het « traject » of « parcours » organiseren toekomt het « succes » te definiëren waarnaar die bepaling verwijst. Hij is van mening dat, gezien de gebruikelijke betekenis van dat woord, dat « succes » evenzeer het resultaat kan zijn van een evaluatie van de verworven kennis als dat van een deelname aan het geheel of aan een groot deel van de activiteiten van het « traject » of « parcours ». Ten aanzien van het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van artikel 143, § 1, van de Grondwet Wat het eerste onderdeel betreft A.3.1. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert aan dat artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, de federale loyauteit niet in acht neemt omdat de bestreden federale bepaling, doordat zij de Franse Gemeenschapscommissie verplicht om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die een vreemdeling heeft verworven gedurende het « onthaaltraject » dat door die deelentiteit is ingesteld, tot gevolg zou hebben dat het voor die deelentiteit uitermate moeilijk zou worden om een doeltreffend beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen te voeren. 4 A.3.2. Het College stelt daarnaast dat artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018 de federale loyauteit evenmin in acht neemt in zoverre het de verwijzing naar een « inburgeringscursus » in de vorige versie van artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit vervangt door een verwijzing naar een « onthaaltraject ». Het voert aan dat die wetswijziging tot gevolg heeft dat het bijwonen van de door de Franse Gemeenschapscommissie georganiseerde « inburgeringscursus » de vreemdeling welke die cursus volgt niet langer toelaat om zijn « maatschappelijke integratie » te bewijzen in de zin van artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het genoemde Wetboek. Het College is dus van mening dat de bestreden bepaling de Franse Gemeenschapscommissie verplicht om de toegang tot het « onthaaltraject » dat zij instelde bij het decreet van 18 juli 2013 « betreffende het onthaaltraject voor nieuwkomers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : het decreet van 18 juli 2013), uit te breiden tot de vreemdelingen die, doordat zij voorheen geen toegang hadden tot dat traject, de voormelde cursus volgden, indien zij die vreemdelingen de mogelijkheid wil bieden om een opleiding te volgen die zij kunnen doen gelden bij hun aanvraag tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. Volgens het College maakt die verplichting, waarvan het begrotingseffect aanzienlijk zou zijn, het voeren van een beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen uitermate moeilijk. A.4. De Ministerraad antwoordt dat de verzoeker niet aantoont dat de bestreden federale bepaling het voeren van een beleid inzake integratie van inwijkelingen onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken, zodat het middel dat is afgeleid uit een aantasting van de federale loyauteit in die mate niet gegrond is. Hij onderstreept dat de bestreden bepaling de Franse Gemeenschapscommissie geenszins verplicht om de toegang tot het « onthaaltraject » dat werd ingesteld bij het decreet van 18 juli 2013, uit te breiden. Hij merkt op dat de bestreden bepaling de Franse Gemeenschapscommissie overigens niet het recht ontneemt om van de verkrijging van de Belgische nationaliteit een van de doelstellingen te maken van haar beleid inzake integratie van inwijkelingen, noch om, in dat geval, te beslissen tot een uitbreiding van de toegang tot het door haar ingestelde « onthaaltraject ». De Ministerraad is van mening dat de omstandigheid dat een dergelijke beslissing van de Franse Gemeenschapscommissie tot gevolg zal hebben dat zij het budget voor dat « onthaaltraject » zal moeten verhogen, niet volstaat om aan te tonen dat de bestreden federale bepaling voor die deelentiteit onevenredige gevolgen zou hebben. De Ministerraad onderstreept dat het federale beleid inzake het verkrijgen van de Belgische nationaliteit en het beleid van een gemeenschap of een gewest inzake integratie van inwijkelingen geen vergelijkbare doelstellingen moeten nastreven. Hij merkt op dat de invoering van een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours » niet noodzakelijk tot doel heeft de begunstigde van dat « traject » of « parcours » ertoe te brengen dat hij de Belgische nationaliteit verkrijgt, en dat het verwerven van die nationaliteit geen noodzakelijke voorwaarde is voor de integratie van een vreemdeling in de Belgische samenleving. Hij is van mening dat het elke deelentiteit die bevoegd is voor het beleid inzake integratie van inwijkelingen toekomt te beslissen of die laatsten makkelijker de Belgische nationaliteit dienen te krijgen, en of een « traject » of « parcours » moet worden georganiseerd waarmee het doel dat die autonome entiteit voor ogen heeft kan worden bereikt. De Ministerraad voert ten slotte aan dat, volgens het arrest van het Hof nr. 126/2018, gewezen op 4 oktober 2018, het doel van het beleid van de gemeenschappen of gewesten inzake integratie van inwijkelingen de integratie van de vreemdelingen in de samenleving is. Wat het tweede onderdeel betreft A.5. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert aan dat de bestreden bepaling de federale loyauteit niet in acht neemt omdat zij de verwijzing naar een « inburgeringscursus » in de vroegere versie van artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit vervangt door een verwijzing naar onder meer een « onthaaltraject » en omdat zij in die tekst de voorwaarde invoegt dat de vreemdeling « met succes » een « onthaaltraject » moet hebben gevolgd, zonder dat voorafgaandelijk een samenwerkingsakkoord werd gesloten tussen de federale overheid en de deelentiteiten die bevoegd zijn voor het beleid inzake integratie van inwijkelingen, of althans zonder dat een overleg tussen die overheid en die entiteiten heeft plaatsgehad. Het College voert aan dat die verplichting tot samenwerking, die de federale overheid niet zou zijn nagekomen, voortvloeit uit het feit dat de federale aangelegenheid van de nationaliteit sterk verweven is met de gemeenschapsaangelegenheid van het beleid inzake integratie van inwijkelingen. 5 Het College erkent dat, in de herfst van 2016, de bevoegde federale minister twee rondetafels heeft georganiseerd met het merendeel van de deelentiteiten die betrokken zijn bij de integratie van inwijkelingen. Het merkt niettemin op dat die vergaderingen hoofdzakelijk hebben gediend om de regels van de gemeenschappen inzake integratie van inwijkelingen uiteen te zetten, en dat aan het voorstel tot wijziging van artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat destijds werd meegedeeld, geen enkele bespreking noch onderhandeling werd gewijd, ondanks de talrijke bezwaren van de Franse Gemeenschapscommissie. A.6. De Ministerraad antwoordt dat de federale overheid geenszins verplicht was de deelentiteiten te raadplegen die bevoegd zijn inzake de integratie van inwijkelingen noch met hen een samenwerkingsakkoord te sluiten, alvorens de bestreden bepaling aan te nemen. Hij is dus van mening dat het middel dat is afgeleid uit een aantasting van de federale loyauteit, in die mate niet gegrond is. Hij merkt op dat, net zoals zij dat niet had gedaan tijdens de procedure tot aanneming van de vroegere versie van artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, waarbij het controversiële onderwerp reeds aan bod kwam, de afdeling wetgeving van de Raad van State de federale overheid niet heeft aanbevolen om te onderhandelen over een samenwerkingsakkoord, in zijn advies over de tekst die ten grondslag ligt aan de bestreden bepaling. De Ministerraad herinnert eraan dat die bepaling interfereert met het beleid inzake integratie van inwijkelingen en geenszins de inhoud of organisatie regelt van de « parcours » of « trajecten » die in dat verband door de bevoegde deelentiteiten zijn ingevoerd, waarnaar de bestreden bepaling verwijst. Hij onderstreept dat die loutere verwijzing niet toelaat ervan uit te gaan dat de in het geding zijnde aangelegenheden dermate verweven zijn dat de federale overheid de bestreden bepaling slechts had mogen aannemen na het sluiten van een samenwerkingsakkoord. In uiterst ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat, ook al was hij wettelijk niet ertoe verplicht, de bevoegde federale minister in 2016 twee vergaderingen heeft georganiseerd waaraan de Franse Gemeenschapscommissie heeft deelgenomen en na afloop waarvan geen consensus worden bereikt over de voorgestelde federale hervorming, wegens de tegenstand van de Franse Gemeenschapscommissie die tijdens die vergaderingen niet heeft aangevoerd dat de federale overheid verplicht was om een samenwerkingsakkoord te sluiten. Hij benadrukt dat de organisatie van die vergaderingen geenszins zo kan worden geïnterpreteerd dat daarbij aan de uitgenodigde entiteiten de bevoegdheid wordt toegekend om het exclusief federale beleid inzake verkrijging van de nationaliteit te beïnvloeden. Ten aanzien van het derde middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet A.7.1. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie voert aan dat de woorden « inburgeringstraject […] onthaaltraject of […] integratieparcours » vervat in artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingevoegd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen de vreemdelingen die hun « maatschappelijke integratie » willen bewijzen in de zin van artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dat Wetboek, naar gelang zij in een bepaald taalgebied gedomicilieerd zijn, omdat de nadere regels voor de aflevering van het « bewijs » van de « maatschappelijke integratie » waarvan sprake is in die bepaling niet in alle taalgebieden dezelfde zijn. Het College beweert uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 49.941/AG/2V af te leiden dat de omstandigheid dat het bekritiseerde verschil in behandeling voortvloeit uit de diversiteit van het beleid dat door de bevoegde deelentiteiten wordt gevoerd, de federale wetgevende macht niet van de verplichting ontslaat om de keuze waaruit dat verschil in behandeling tussen vreemdelingen voortvloeit te verantwoorden. Het College zet vervolgens uiteen dat dit verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is omdat de voormelde woorden die bij de bestreden bepaling worden ingevoegd in artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit niet toelaten het nagestreefde doel te bereiken – namelijk een einde maken aan het verschil in behandeling tussen vreemdelingen dat was gecreëerd door de vroegere versie van artikel 12bis van het genoemde Wetboek –, en omdat zij bovendien een nieuwe bron van rechtsonzekerheid vormen wegens hun gebrek aan precisie. A.7.2. Het College van de Franse Gemeenschapscommissie stelt ook dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling tussen vreemdelingen doet ontstaan, in zoverre zij de vreemdelingen die sinds meer dan drie jaar wettig in België verblijven en die hun hoofdverblijfplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad elke 6 mogelijkheid ontzegt om de verkrijging van de Belgische nationaliteit te vragen, omdat het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 juli 2013 hun geen toegang geeft tot het onthaaltraject dat erbij is ingesteld. A.8. De Ministerraad is van mening dat het middel niet gegrond is. Hij herinnert in de eerste plaats eraan dat, volgens de vaste rechtspraak van het Hof, een verschil in behandeling dat het gevolg is van het naast elkaar bestaan van normen die verschillen naar gelang van de deelentiteiten inherent is aan de federale structuur van een Staat en op zich niet discriminerend is, en dat de afdeling wetgeving van de Raad van State uit dat oogpunt geen enkele opmerking heeft geformuleerd over de tekst die aan de bestreden bepaling ten grondslag ligt. Hij voert ook aan dat, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, de federale overheid het door de verzoekende partij bekritiseerde verschil in behandeling enkel zou kunnen wegwerken door inbreuk te maken op de bevoegdheden van de Franse Gemeenschapscommissie en van de andere betrokken deelentiteiten. De Ministerraad wijst erop dat de Franse Gemeenschapscommissie de situatie waarover haar College zich beklaagt zelf zou kunnen verhelpen door het decreet van 18 juli 2013 te wijzigen. De Ministerraad merkt daarnaast op dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet onevenredig zou kunnen worden geacht, niet alleen wegens de overgangsmaatregel die is vastgelegd in artikel 31 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat werd ingevoegd bij artikel 153 van de wet van 18 juni 2018, maar ook omdat artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit in meerdere wijzen van bewijsvoering voorziet om de maatschappelijke integratie aan te tonen van een vreemdeling die met toepassing van die bepaling de Belgische nationaliteit wenst te verkrijgen. Hij is ten slotte van mening dat de betwiste termen van de bestreden bepaling niet de aangevoerde rechtsonzekerheid creëren, en dat niet kan worden beweerd dat die bepaling niet toelaat het door de federale overheid nagestreefde doel te bereiken. -B- B.1. Artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit maakt deel uit van afdeling 1 (« Verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring ») van hoofdstuk III (« Verkrijging van de Belgische nationaliteit ») van dat Wetboek. Vóór de wijziging ervan bij artikel 141 van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing » (hierna : de wet van 18 juni 2018), bepaalde artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit : « Kunnen de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig artikel 15 : 1° de vreemdeling die :
  2. a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  3. b)en in België geboren is en er sedert zijn geboorte wettelijk verblijft; 7 2° de vreemdeling die :
  4. a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  5. b)en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
  6. c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
  7. d)en zijn maatschappelijke integratie bewijst door : - hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs; - hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd; - hetzij een inburgeringscursus te hebben gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat; - hetzij gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep te hebben gewerkt;
  8. e)en zijn economische participatie bewijst door : - hetzij als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gedurende de voorbije vijf jaar minimaal 468 arbeidsdagen te hebben gewerkt; - hetzij in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep de voorbije vijf jaar gedurende minstens zes kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald; De duur van de opleiding gevolgd tijdens de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek bedoeld in 2°, d), eerste en/of tweede streepje, wordt in mindering gebracht van de duur van de vereiste beroepsactiviteit van minstens 468 dagen of van de duur van de zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep. 3° de vreemdeling die :
  9. a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  10. b)en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
  11. c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
  12. d)en gehuwd is met een Belg, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België hebben samengeleefd, of de ouder of adoptant is van een Belgisch kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd; 8
  13. e)en zijn maatschappelijke integratie bewijst door : - hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs; - hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd en in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gewerkt te hebben gedurende ten minste 234 arbeidsdagen of in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald; - hetzij een inburgeringscursus te hebben gevolgd waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij zijn inburgeringscursus aanvat; 4° de vreemdeling die :
  14. a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  15. b)en vijf jaar wettelijk verblijf in België heeft;
  16. c)en het bewijs levert omwille van een handicap of invaliditeit geen betrekking of economische activiteit te kunnen uitoefenen of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; 5° de vreemdeling die :
  17. a)de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
  18. b)en tien jaar wettelijk verblijf in België heeft;
  19. c)en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
  20. d)en het bewijs levert van zijn deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden, en bevat elementen waaruit blijkt dat de aanvrager deelneemt aan het economische en/of socioculturele leven van die onthaalgemeenschap ». B.2. Sinds de wijziging ervan bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, bepaalt artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit : « en zijn maatschappelijke integratie bewijst door : […] 9 - hetzij naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat; ». Ten aanzien van het eerste middel B.3. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), door artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, omdat artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, de deelentiteiten bedoeld in artikel 128 van de Grondwet zou verplichten om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die de vreemdeling heeft verworven in het kader van zijn maatschappelijke integratie, hetgeen afbreuk zou doen aan de bevoegdheden van die deelentiteiten. B.4.1. Artikel 128 van de Grondwet bepaalt : « § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen. § 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». B.4.2. Artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij artikel 46, 4°, van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, bepaalt : 10 « De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet, zijn : […] II. Wat de bijstand aan personen betreft : […] 3° Het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen ». B.5.1. Artikel 138 van de Grondwet bepaalt : « Het Parlement van de Franse Gemeenschap enerzijds en het Parlement van het Waalse Gewest en de Franse taalgroep van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest anderzijds kunnen in onderlinge overeenstemming en elk bij decreet beslissen dat het Parlement van het Waalse Gewest en zijn regering in het Franse taalgebied en de Franse taalgroep van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en zijn College in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van de Franse Gemeenschap uitoefenen. Deze decreten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in het Parlement van de Franse Gemeenschap en met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in het Parlement van het Waalse Gewest en in de Franse taalgroep van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement of de betrokken taalgroep aanwezig is. Zij kunnen de financiering van de bevoegdheden die zij aanduiden, regelen, alsook de overdracht van het personeel, de goederen, rechten en verplichtingen die erop betrekking hebben. Deze bevoegdheden worden, naar gelang van het geval, uitgeoefend bij wege van decreten, besluiten of verordeningen ». B.5.2. Aangenomen ter uitvoering van artikel 138 van de Grondwet, bepaalt artikel 3, 7°, van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 3 april 2014 « betreffende de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap waarvan de uitoefening naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie wordt overgedragen » : « Het Gewest en de Commissie, het eerste op het grondgebied van het Franse taalgebied, en de tweede op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, oefenen de bevoegdheden van de Gemeenschap in de volgende aangelegenheden uit : […] 7° de bijstand aan personen, bedoeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet, met uitzondering van : 11
  21. a)wat behoort tot de opdrachten die aan de ‘ Office de la Naissance et de l'Enfance ’ worden toegekend;
  22. b)de diensten ‘ Espaces-Rencontres ’;
  23. c)de sociale hulpverlening aan rechtzoekenden;
  24. d)de jeugdbescherming;
  25. e)de sociale hulpverlening aan gedetineerden;
  26. f)de juridische eerstelijnsbijstand ». Artikel 3, 7°, van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 4 april 2014 « betreffende de overdracht van de uitoefening van de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie » en artikel 3, 7°, van het decreet van het Waalse Gewest van 11 april 2014 « betreffende de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap waarvan de uitoefening aan het Waalse Gewest en aan de Franse Gemeenschapscommissie overgedragen wordt » hebben dezelfde inhoud. B.6. De bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende componenten van de federale Staat berust op het exclusiviteitsbeginsel, dat veronderstelt dat elke rechtssituatie in beginsel slechts door één wetgever wordt geregeld. B.7. Het vaststellen van de voorwaarden tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. B.8.1. Een « verkrijging » van de nationaliteit, in de zin van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, veronderstelt een vrijwillige handeling van de betrokken vreemdeling (artikel 1, § 1, van dat Wetboek). B.8.2. Artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziet erin dat bepaalde categorieën van vreemdelingen, om die nationaliteit te verkrijgen via de procedure van « verklaring », hun « maatschappelijke integratie » moeten bewijzen op één van de manieren die erin worden vermeld. 12 B.8.3. De bestreden bepaling wijzigt één van die manieren om de « maatschappelijke integratie » te bewijzen. Zij bepaalt dat een vreemdeling die de Belgische nationaliteit wenst te verkrijgen die integratie kan bewijzen door aan te tonen dat hij « met succes » het door een ter zake bevoegde overheid ingesteld « inburgeringstraject », « onthaaltraject » of « integratieparcours » heeft gevolgd. Die regel maakt deel uit van de voorwaarden waaronder een vreemdeling het recht heeft om de Belgische nationaliteit te verkrijgen en die uitsluitend de federale overheid vermag te bepalen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, legt de bestreden bepaling de gemeenschappen geen enkele verplichting op met betrekking tot het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours dat zij organiseren. De bestreden bepaling regelt dus niet het « beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen » in de zin van artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.9. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel Wat het eerste onderdeel betreft B.10. Het eerste onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 143, § 1, van de Grondwet, door artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, omdat artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, de Franse Gemeenschapscommissie zou verplichten om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die de vreemdeling heeft verworven gedurende het « onthaaltraject » zoals ingesteld bij het decreet van 18 juli 2013 « betreffende het onthaaltraject voor nieuwkomers in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : het decreet van 18 juli 2013), en om de toegang tot 13 dat traject uit te breiden tot andere vreemdelingen dan de « nieuwkomers », hetgeen tot gevolg zou hebben dat het voor de Franse Gemeenschapscommissie uitermate moeilijk zou worden om een beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen te voeren. B.11. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.12.1. Artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, vermeldt niet de minste verplichting ten laste van de deelentiteiten die bevoegd zijn voor het « beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen » in de zin van artikel 5, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De bestreden bepaling ontneemt de Franse Gemeenschapscommissie niet het recht om, in het kader van het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen dat zij wil voeren, te beslissen of zij, gelet op de regels die door de federale overheid zijn aangenomen in de in B.7 bedoelde aangelegenheid, het wenselijk acht om een procedure in te voeren voor de evaluatie van de kennis die de vreemdeling heeft verworven gedurende het « onthaaltraject voor nieuwkomers » zoals ingesteld bij het decreet van 18 juli 2013. Zoals de Ministerraad onderstreept, betekenen de woorden « met succes » vervat in de bestreden bepaling niet dat de overheden die bevoegd zijn voor de organisatie van het « inburgeringstraject », het « onthaaltraject » of het « integratieparcours » noodzakelijkerwijs dat traject of parcours zouden moeten koppelen aan een evaluatie om te kunnen aantonen dat het « met succes » is 14 gevolgd opdat de persoon die de verklaring bedoeld in artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit heeft afgelegd kan bewijzen dat hij maatschappelijk is geïntegreerd. De bestreden bepaling ontneemt de Franse Gemeenschapscommissie evenmin het recht om te beslissen voor welke categorieën van vreemdelingen het door haar georganiseerde onthaaltraject bedoeld is, en verplicht haar niet om de toegang tot dat traject uit te breiden tot andere vreemdelingen dan de « nieuwkomers ». B.12.2. Het middel berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. B.13. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Wat het tweede onderdeel betreft B.14. Het tweede onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 143, § 1, van de Grondwet, door artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, in zoverre de aanneming van artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, had moeten zijn voorafgegaan door het sluiten van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de deelentiteiten bevoegd voor het beleid inzake integratie van inwijkelingen, of minstens door een overleg met die entiteiten, rekening houdend met de mate van verwevenheid van het voormelde beleid met de aangelegenheid die door de bestreden bepaling wordt geregeld. B.15. Zoals in B.11 is vermeld, verplicht het beginsel van de federale loyauteit elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Wanneer de aangelegenheid die hij wenst te regelen dermate verweven is met de aangelegenheid die onder de bevoegdheid van een andere wetgever valt, kan hij zijn bevoegdheid slechts uitoefenen na vooraf die andere wetgever te hebben geraadpleegd. B.16. Het feit dat de federale overheid de voorwaarden bepaalt waaronder een vreemdeling het recht heeft om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, kan een weerslag hebben op het beleid inzake integratie van bepaalde categorieën van inwijkelingen. 15 Die vaststelling volstaat echter niet om te oordelen dat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit tot een aangelegenheid behoort die dermate verweven is met het beleid inzake integratie van inwijkelingen dat de federale overheid, alvorens haar bevoegdheid uit te oefenen, de overheden die voor die laatste aangelegenheid bevoegd zijn zou moeten raadplegen. Het bewijs van zijn maatschappelijke integratie kan de vreemdeling niet alleen aantonen door « het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats », maar ook op één van de andere wijzen vermeld in artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. B.17. De aanneming van de bestreden bepaling diende dus niet te worden voorafgegaan door het sluiten van een samenwerkingsakkoord of door een overleg met de deelentiteiten die bevoegd zijn voor het beleid inzake integratie van inwijkelingen. B.18. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Ten aanzien van het derde middel Wat het eerste onderdeel betreft B.19. Het eerste onderdeel van het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 191, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, om reden dat de woorden « inburgeringstraject, […] onthaaltraject of […] integratieparcours » van artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingevoegd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen de vreemdelingen die hun « maatschappelijke integratie » wensen te bewijzen in de zin van artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dat Wetboek, naar gelang van het taalgebied waarin zij gedomicilieerd zijn, omdat de nadere regels voor het verkrijgen van het « bewijs » waarvan sprake is in die bepaling niet identiek zijn in de vier taalgebieden van België. 16 B.20.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, zowel ten behoeve van de Belgen als ten behoeve van de vreemdelingen. B.20.2. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt : « Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ». B.20.3. Artikel 191 van de Grondwet kan enkel geschonden zijn in zoverre de bestreden bepaling een verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen bepaalde vreemdelingen en de Belgen. B.21.1. Zoals is vermeld in B.4, is het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen een persoonsgebonden aangelegenheid, die in principe door de gemeenschappen moet worden geregeld. B.21.2. In het Nederlandse taalgebied wordt de aangelegenheid geregeld door de Vlaamse Gemeenschap, die het « inburgeringstraject » heeft ingesteld zoals bedoeld in artikel 28 van het Vlaamse decreet van 7 juni 2013 « betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid » (hierna : het decreet van 7 juni 2013). In het Duitse taalgebied wordt de aangelegenheid geregeld door de Duitstalige Gemeenschap krachtens artikel 130 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, § 2, van de wet van 31 december 1983 « tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ». Het in dat kader ingevoerde « integratietraject » wordt omschreven bij de artikelen 3, 5°, en 5 van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 11 december 2017 « betreffende integratie en samenleven in diversiteit ». In het Franse taalgebied heeft het Waalse Gewest, krachtens de in B.5.2 geciteerde decreten van april 2014, een « integratietraject » ingevoerd, dat wordt omschreven in artikel 152 van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid. 17 B.21.3. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zijn de regels die zijn aangenomen door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen slechts van toepassing ten aanzien van de instellingen gevestigd in dat gebied die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot die gemeenschap (artikel 128, § 2, van de Grondwet). Het is dus enkel in die mate dat de regels betreffende het « inburgeringstraject » zoals ingesteld bij het decreet van 7 juni 2013 er van toepassing zijn. Zoals is vermeld in B.5.2, is de Franse Gemeenschapscommissie ook bevoegd om in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen te voeren. Het is in dat kader dat zij een « onthaaltraject » heeft ingesteld, dat is omschreven in de artikelen 4 tot 6 van het decreet van 18 juli 2013, en waarvan de regels slechts van toepassing zijn ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Franse Gemeenschap (artikelen 128, § 2, en 138, van de Grondwet). De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is bevoegd om de aspecten van het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen die, op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap en die van de Franse Gemeenschapscommissie overschrijden, te regelen (artikel 135 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 60, vierde lid, en 63, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen). In dat kader heeft de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een « inburgeringstraject » ingesteld dat is omschreven in artikel 3 van de ordonnantie van 11 mei 2017 « betreffende het inburgeringstraject voor de nieuwkomers » en heeft zij, om de uitvoering van die ordonnantie mogelijk te maken, op 20 december 2018 met de Vlaamse Gemeenschap en met de Franse Gemeenschapscommissie een samenwerkingsakkoord gesloten « in verband met het verplichte inburgeringstraject van nieuwkomers in Brussel-Hoofdstad ». B.22. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 18 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.23. Het in B.19 bedoelde verschil in behandeling tussen vreemdelingen vloeit voort uit de omstandigheid dat, zoals in B.21 is uiteengezet, de « overheid die bevoegd is » om te voorzien in een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours » in de zin van de bestreden bepaling, krachtens de Grondwet verschillend is in elk van de vier taalgebieden van het Belgische grondgebied, alsook uit het feit dat die overheden ter zake niet dezelfde regels hebben aangenomen. Het komt elk van die deelentiteiten toe volledig autonoom te beslissen om te voorzien in een « inburgeringstraject », een « onthaaltraject » of een « integratieparcours » in de zin van artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, en om regels aan te nemen betreffende het uitreiken van een bewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling dat « traject » of dat « parcours » heeft gevolgd (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2919/001, p. 184; ibid., DOC 54-2919/006, p. 59). B.24. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die autonomie zou geen betekenis hebben, mocht een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de verschillende gemeenschappen en gewesten toepasselijk zijn, als zodanig geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.25. Het in B.19 bedoelde verschil in behandeling tussen vreemdelingen vloeit voort uit de omstandigheid dat de deelentiteiten die bevoegd zijn om het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen te bepalen in een of twee taalgebieden, niet allemaal dezelfde regels hebben aangenomen met betrekking tot het bewijs dat het « inburgeringstraject », het « onthaaltraject » of het « integratieparcours » werd gevolgd. 19 Dat verschil in behandeling kan niet strijdig worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.26. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet gegrond. Wat het tweede onderdeel betreft B.27. Het tweede onderdeel van het derde middel verwijt artikel 12bis, § 1, 2°, d), derde streepje, en 3°, e), derde streepje, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingevoegd bij artikel 141, c), van de wet van 18 juni 2018, ook dat het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen vreemdelingen doordat het de vreemdelingen die sinds meer dan drie jaar wettig in België verblijven en van wie de hoofdverblijfplaats gelegen is in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad elke mogelijkheid zou ontzeggen om het verkrijgen van de Belgische nationaliteit te vragen, omdat het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 juli 2013 hun geen toegang geeft tot het bij dat decreet ingestelde onthaaltraject. B.28. Een vreemdeling die sinds meer dan drie jaar wettig in België verblijft en van wie de hoofdverblijfplaats gelegen is in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad kan, mits hij voldoet aan andere voorwaarden dan de « maatschappelijke integratie », de Belgische nationaliteit op een andere wijze verkrijgen dan met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Bovendien kan het bewijs van de « maatschappelijke integratie », luidens artikel 12bis, § 1, 2° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat in B.1 is weergegeven ook worden geleverd, door de vreemdeling die de toepassing van die bepaling vraagt, door middel van een « diploma » of een « studiegetuigschrift », door een « beroepsopleiding » te hebben gevolgd of door te hebben gewerkt. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker beweert, kan de bestreden bepaling dus niet worden begrepen in die zin dat zij de vreemdelingen die sinds meer dan drie jaar wettig in België verblijven en van wie de hoofdverblijfplaats gelegen is in het Brusselse Gewest, elke mogelijkheid ontzegt om het verkrijgen van de Belgische nationaliteit te vragen. 20 B.29. Het tweede onderdeel van het middel berust op een verkeerde lezing van de wet. B.30. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 maart 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.047 Gerelateerde publicatie(
  27. s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.