← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.048

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.048 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210318.7 Arrest- Rolnummer: 48/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 384 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 15 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen »; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 15 en 16 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen », ingesteld door Jean-Pierre Luxen en Fanny François. Sociale zekerheid - Pensioenen - Houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen - Aanvullende voordelen - Berekening van het bedrag - Geen recht om de mandaatperioden te valoriseren die zijn volbracht vooraleer zij zijn opgenomen in de regeling van de aanvullende voordelen. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-2019 - 15 - 08 ELI link Pub nr 2019041057 Wet - 13-04-2019 - 16 - 08 ELI link Pub nr 2019041057 Tekst van de beslissing Rolnummer 7269 Arrest nr. 48/2021 van 18 maart 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 15 en 16 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen », ingesteld door Jean-Pierre Luxen en Fanny François. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 oktober 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 oktober 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 15 en 16 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 april 2019) door Jean-Pierre Luxen en Fanny François, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.

  1. De eerste verzoekende partij verantwoordt haar belang bij het beroep door de omstandigheid dat zij vanaf 15 juli 2012 is aangesteld als houder van de managementfunctie directeur-generaal van het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil). Na afloop van haar mandaat is dat verlengd voor perioden van zes maanden die normaal gezien op 15 januari 2020 eindigen. De tweede verzoekende partij verantwoordt haar belang door de omstandigheid dat zij vanaf 1 juni 2007 is aangesteld als houder van de managementfunctie « directeur netwerkbeheer en –controle » bij Fedasil. Haar mandaat is met ingang van 1 juni 2014 voor een periode van zes jaar hernieuwd. Beide verzoekende partijen doen gelden dat bij artikel 13 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen » (hierna : de wet van 13 april 2019) onder meer de houders van een managementfunctie bij Fedasil worden opgenomen in de lijst van de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie te bekleden (hierna : houders van een management- of staffunctie) die de aanvullende voordelen inzake rustpensioen genieten die worden georganiseerd bij de wet van 4 maart 2004 « houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst » (hierna : de wet van 4 maart 2004). Zij leiden daaruit af dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van artikel 15 van de wet van 13 april 3 2019, krachtens hetwelk slechts de mandaatperioden na 1 januari 2019 in aanmerking worden genomen voor de berekening van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen. A.1.
  2. Om redenen van rechtszekerheid vorderen de verzoekende partijen ook de vernietiging van artikel 16 van de wet van 13 april 2019, dat de inwerkingtreding regelt van hoofdstuk 6 van de wet, dat de aan de wet van 4 maart 2004 aangebrachte wijzigingen groepeert, in zoverre die bepaling de uitwerking van de voor de verzoekende partijen gunstige bepalingen ook tot 1 januari 2019 beperkt. A.1.
  3. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen niet. Ten gronde A.2.
  4. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet door artikel 15 van de wet van 13 april
  5. A.2.
  6. Zij doen gelden dat artikel 23 van de Grondwet de overheden positieve verplichtingen oplegt, door hen ertoe te verplichten alle passende maatregelen te treffen teneinde de economische, sociale en culturele rechten te verwezenlijken, met name het recht op een billijke beloning en het recht op sociale zekerheid. Zij wijzen erop dat de artikelen 13 en 14 van de wet van 13 april 2019 te hunnen voordele het principe verankeren volgens hetwelk het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een management- of staffunctie een maandelijkse brutowedde bevat en de deelname aan een stelsel van aanvullende voordelen bij het rustpensioen dat wordt gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen. A.2.
  7. De verzoekende partijen betogen dat in artikel 15 van de wet van 13 april 2019, waarbij een artikel 18, vijfde lid, wordt ingevoegd in de wet van 4 maart 2004, een verschil in behandeling is verankerd tussen, enerzijds, de houders van een management- of staffunctie die werden aangesteld met toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 november 2006 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut » (hierna : het koninklijk besluit van 16 november 2006) voor zover de betrokken instelling van openbaar nut niet is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld bij de wet van 28 april 1958 « betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden » (hierna : de wet van 28 april 1958) en, anderzijds, de houders van een management- of staffunctie in de federale openbare diensten of in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld bij de wet van 28 april 1958 (hierna : instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen). Uit de lezing van de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 april 2019 blijkt dat door het toepassingsgebied ratione personae van de wet van 4 maart 2004 uit te breiden tot de eerste categorie van personen, de wetgever hoofdzakelijk de bedoeling had het recht op de aanvullende voordelen bij het rustpensioen uit te breiden tot de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil. A.2.
  8. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de personen die, zoals bij hen het geval is, tot de eerste categorie van personen behoren, voor de berekening van het bedrag van het aanvullend voordeel inzake rustpensioen, niet het recht genieten om de perioden te valoriseren die vóór 1 januari 2019 in een management- of staffunctie werden volbracht, in tegenstelling tot de personen die tot de tweede categorie behoren. Zij voegen, vanuit een andere gezichtshoek, eraan toe dat ten aanzien van de personen die tot de eerste categorie behoren, artikel 15 van de wet van 13 april 2019 de perioden van prestaties die vóór 1 januari 2019 in het kader van een management- of staffunctie werden verricht en die welke na die datum werden verricht, verschillend behandelt, aangezien alleen die laatste worden gevaloriseerd in het kader van de toekenning van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen. A.2.
  9. De verzoekende partijen zijn van mening dat het criterium van onderscheid waarop dat verschil in behandeling berust, namelijk de datum van het verrichten van de prestaties, objectief kan lijken, maar niet relevant is. Volgens hen vult het feit dat de regeling van de aanvullende voordelen bij het rustpensioen wordt uitgebreid tot de houders van een management- of staffunctie in de instellingen van openbaar nut die niet zijn aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld bij de wet van 28 april 1958 (hierna : de instellingen van openbaar nut die niet zijn aangesloten bij de pool der parastatalen) een leemte op, die erin bestond dat de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil geen recht hadden op een aanvullend voordeel bij het pensioen voor de prestaties verricht in het kader van hun mandaat. De verzoekende partijen wijzen erop dat in de parlementaire voorbereiding echter niet wordt verantwoord dat hun opname in de bij de wet van 4 maart 2004 georganiseerde regeling wordt beperkt 4 tot de vanaf 1 januari 2019 volbrachte mandaatperioden. Zij betogen dat die uitsluiting des te minder verantwoord is daar het koninklijk besluit van 16 november 2006, waarbij onder meer de mandatenregeling voor Fedasil is ingesteld, in artikel 17, § 5, ervan de deelname aan een aanvullende pensioenregeling gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen waarborgt en tot doel heeft de regels met betrekking tot het federaal openbaar ambt te harmoniseren. A.2.
  10. De verzoekende partijen doen gelden dat de wetgever, voor de personen die tot de eerste categorie behoren, ervoor heeft gezorgd een mechanisme in te stellen voor het afkopen van de vóór de datum van inwerkingtreding van de wet volbrachte perioden, door het storten van de persoonlijke bijdragen met betrekking tot die perioden. Het bestreden artikel 15 van de wet van 13 april 2019 wijkt af van dat « afkoopmechanisme ». A.2.
  11. In ondergeschikte orde doen de verzoekende partijen gelden dat in de veronderstelling dat het criterium van onderscheid relevant zou worden geacht, vastgesteld zou dienen te worden dat de maatregel op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten op het rustpensioen van de betrokken personen, aangezien hij de facto de rechten afschaft die zij zouden hebben kunnen doen gelden na afloop van hun mandaat. A.3.
  12. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen in werkelijkheid de discriminerende ontstentenis bekritiseren van een overgangsmaatregel die verbonden is met de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de wet van 13 april
  13. Hij herinnert aan de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot de beleidswijziging waartoe de wetgever heeft besloten, en met betrekking tot de overgangsmaatregelen. Hij leidt daaruit af dat de wetgever in beginsel het recht heeft de regelgeving voor de toekomst te wijzigen, zonder dat daaruit een discriminatie volgt ten aanzien van de aan de nieuwe regelgeving onderworpen personen. A.3.
  14. Volgens de Ministerraad kan, op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de wetgever niet worden verweten dat hij de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de wet van 13 april 2019 niet gepaard heeft doen gaan met een overgangsmaatregel ten voordele van de houders van een management- of staffunctie in instellingen van openbaar nut die niet zijn aangesloten bij de pool der parastatalen, aangezien het in het geding zijnde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. A.3.
  15. De Ministerraad wijst erop dat de doelstelling van de wet van 13 april 2019 erin bestaat de houders van een management- of staffunctie in instellingen van openbaar nut die niet zijn aangesloten bij de pool der parastatalen, zoals Fedasil, op te nemen in de regeling van aanvullende voordelen bij het rustpensioen waarin is voorzien bij de wet van 4 maart 2004, terwijl zij voordien daarvan waren uitgesloten. Volgens de Ministerraad vult de wet van 13 april 2019 aldus een leemte op. A.3.
  16. De Ministerraad onderstreept dat de verzoekende partijen de legitimiteit van de door de wetgever nagestreefde doelstelling niet ter discussie stellen. Hij herinnert eraan dat de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil geen enkel aanvullend voordeel inzake rustpensioen genoten, aangezien Fedasil niet is aangesloten bij de pool der parastatalen en bovendien geen extralegaal aanvullend pensioenvoordeel heeft ingesteld voor zijn mandaathouders. De Ministerraad is van mening dat de vastgestelde leemte geen « lacune in de wetgeving » was die een discriminatie vormt. Hij merkt ook op dat het optreden van de wetgever niet noodzakelijk vereist was teneinde de vastgestelde leemte te verhelpen, aangezien Fedasil zelf had kunnen voorzien in een extralegale aanvullende pensioenregeling. Insgelijks stelt hij in het licht dat het optreden van de wetgever evenmin vereist was krachtens artikel 17, § 5, van het koninklijk besluit van 16 november 2006, aangezien bij die bepaling de verplichting wordt opgelegd dat een gedeelte van de beloning van de mandaathouders van Fedasil bestaat uit de deelname aan een aanvullende pensioenregeling gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen, zonder een deelname aan een bij de wet van 4 maart 2004 georganiseerde regeling van aanvullende voordelen te vereisen. A.3.
  17. De Ministerraad is ook van mening dat het de wetgever, in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid die hem bij de rechtspraak van het Hof inzake rust- en overlevingspensioenen wordt toegekend, toekomt de nadere regels te bepalen van de inwerkingtreding van een nieuwe wet die bedoeld is om een leemte op te vullen, en te beslissen haar niet met overgangsmaatregelen gepaard te doen gaan. Volgens de Ministerraad vermocht de wetgever dus rechtmatig te beslissen dat, teneinde een extra kostprijs inzake rust- en overlevingspensioenen te vermijden, de opname van de voormelde personen in de regeling van aanvullende voordelen bij het rustpensioen niet met terugwerkende kracht diende te gebeuren. 5 A.3.
  18. De Ministerraad beroept zich op het arrest nr. 22/2006 van 15 februari 2006, waarbij het Hof in fiscale aangelegenheden heeft geoordeeld dat de administratieve moeilijkheden die verbonden zijn met het in het geding brengen van definitief verworven situaties, redelijkerwijs in aanmerking konden worden genomen bij de keuze van de wetgever om de inwerkingtreding van een wet al dan niet met overgangsmaatregelen gepaard te doen gaan. Hij is van mening dat de lering van dat arrest kan worden overgenomen bij het thans voorliggende beroep, aangezien de inaanmerkingneming van de perioden die vóór 1 januari 2019 als houder van een management- of staffunctie bij Fedasil zijn volbracht, en de aanrekening ervan bij de berekening van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen waarin is voorzien bij de wet van 4 maart 2004, administratieve moeilijkheden met zich zouden meebrengen. De Ministerraad legt uit dat die administratieve moeilijkheden het gevolg zouden zijn van het niet aangesloten zijn van Fedasil bij de pool der parastatalen, die wordt gevormd door alle instellingen van openbaar nut die zijn opgenomen in de pensioenregeling die bij de wet van 28 april 1958 is georganiseerd. Hij is ook van mening dat het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling berust op het criterium van het bij de pool der parastatalen aangesloten zijn van de instelling van openbaar nut waarin de management- of staffunctie wordt uitgeoefend, en niet op de scharnierdatum van 1 januari
  19. Hij voert het feit aan dat de bij de pool der parastatalen aangesloten instellingen van openbaar nut deelnemen in de financiering van de pensioenregeling van de statutaire personeelsleden van het algemeen bestuur van het Rijk, waarvan de in vast verband benoemde of tot de stage toegelaten personeelsleden het voordeel genieten, terwijl de instellingen die niet bij die pool zijn aangesloten, alleen moeten instaan voor de financiering van de rustpensioenen die zij aan hun personeelsleden wensen toe te kennen. Volgens de Ministerraad wenste de wetgever de kosten en de administratieve moeilijkheden die het gevolg zouden zijn van de terugwerkende kracht van de wet van 13 april 2019 te beperken door de leemte alleen voor de toekomst op te vullen. Hij leidt daaruit af dat het criterium van onderscheid waarop de wetgever een beroep heeft gedaan, relevant is. A.3.
  20. De Ministerraad is van mening dat door de inwerkingtreding van de wet van 13 april 2019 niet gepaard te doen gaan met een soortgelijke overgangsmaatregel als die welke is geformuleerd in artikel 18, vierde lid, van de wet van 4 maart 2004, de wetgever het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geenszins heeft geschonden, aangezien het hem vrij staat terug te komen op een vroeger gemaakte keuze. De door de wetgever gekozen optie is, volgens de Ministerraad, des te meer passend daar een overgangsmaatregel in de regeling van de wet van 4 maart 2004 alle prestaties had moeten opnemen die zijn verricht door de houders van een management- of staffunctie die bij Fedasil zijn aangesteld sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 16 november 2006 tot 31 december 2018, en daar de kosten van een dergelijke maatregel niet te vergelijken zijn met de kosten van de overgangsmaatregel waarin is voorzien bij artikel 18, vierde lid, van de wet van 4 maart 2004, dat destijds slechts een periode van maximaal drie jaar prestaties dekte, dat wil zeggen vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten » (hierna : het koninklijk besluit van 29 oktober 2001). De Ministerraad voegt eraan toe dat de administratieve moeilijkheden die verbonden zijn met de invoering van een overgangsregeling des te aanzienlijker zouden zijn geweest daar de Federale Pensioendienst, voor de betrokken personen, pas sinds het laatste kwartaal van het jaar 2019 en met betrekking tot de vanaf 1 januari 2019 verrichte prestaties, over de gegevens beschikt die nodig zijn voor de berekening van het aanvullend voordeel waarin is voorzien bij de wet van 4 maart
  21. De Ministerraad wijst tot slot erop dat Fedasil pas in het systeem dat de elektronische loopbaangegevensbank en het elektronisch pensioendossier voor het overheidspersoneel groepeert, waarin is voorzien in het enig hoofdstuk van titel 13 van de wet van 29 december 2010 « houdende diverse bepalingen (I) », is opgenomen op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 13 april
  22. A.4.
  23. De verzoekende partijen antwoorden dat het juist is dat elke wetswijziging onmogelijk zou zijn indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt. Zij erkennen dat de rechtspraak van het Hof in die zin vaststaat dat indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, hij vermag te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en hij, in beginsel, niet ertoe gehouden is in een overgangsregeling te voorzien, aangezien de artikelen 10 en 11 van de Grondwet slechts geschonden zijn indien 6 de ontstentenis van een overgangsmaatregel leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Zij geven ook toe dat het Hof erkent dat, aangezien de pensioenen met overheidsgeld worden gefinancierd, de last die op de Staat weegt, moet kunnen worden gewijzigd wanneer de noodzaak om de openbare financiën te saneren dat vereist of wanneer dat geboden is door het tekort in de sociale zekerheid. A.4.
  24. De verzoekende partijen zijn echter van mening dat de voormelde leringen in de thans voorliggende zaak niet relevant zijn, aangezien het te dezen de regels zijn inzake de inwerkingtreding in de tijd van een maatregel tot herstel van een lacune in de wetgeving waartegen beroep wordt ingesteld, en niet een wijziging van de overgangsregeling waarin is voorzien bij artikel 18, vierde lid, van de wet van 4 maart 2004 naar aanleiding van een beleidswijziging. Zij voegen eraan toe dat de opname van de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil in de bij de wet van 4 maart 2004 georganiseerde regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen niet voortkomt uit een beleidswijziging van de wetgever, maar geboden is om een einde te maken aan de discriminatie waarvan die laatsten het slachtoffer waren omdat zij niet in die regeling waren opgenomen. De verzoekende partijen zijn immers van mening dat de inachtneming van de in het middel aangevoerde bepalingen vereist dat alle houders van een management- of staffunctie de aanvullende voordelen inzake rustpensioen genieten. A.4.
  25. De verzoekende partijen doen daarenboven gelden dat de opname van de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil in de regeling van de wet van 4 maart 2004 aan de gewettigde verwachtingen van de betrokken personen beantwoordt, aangezien het recht op een aanvullende pensioenregeling die wordt gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen, wat het beginsel ervan betreft, aan alle houders van een managementfunctie wordt gewaarborgd bij artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 en, wat Fedasil betreft, bij artikel 17, § 5, van het koninklijk besluit van 16 november
  26. A.4.
  27. De verzoekende partijen zijn van mening dat door de bestreden bepalingen te verantwoorden door budgettaire redenen, de Ministerraad in werkelijkheid de vertraging van de wetgever aanvoert bij het wegwerken van de lacune in de wetgeving of bij het aansluiten van Fedasil bij de pool der parastatalen. Het gaat, volgens hen, dus niet om een reden van algemeen belang die de bestreden bepalingen geldig kan verantwoorden. De verzoekende partijen herinneren eraan dat inzake pensioenen, het Hof, bij zijn arrest nr. 11/2019 van 31 januari 2019, heeft geoordeeld dat louter budgettaire motieven een verschil in behandeling tussen personeelsleden die daadwerkelijk dezelfde functies uitoefenen, niet kunnen verantwoorden. Zij leiden daaruit af dat budgettaire motieven evenmin kunnen verantwoorden dat zij de arbeidsperioden niet op dezelfde wijze kunnen valoriseren als de andere houders van een management- of staffunctie. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat men niet inziet wat zou verantwoorden dat de loopbaan van de betrokken personen niet kan worden gereconstrueerd, ofwel op basis van de besparingen die zijn gerealiseerd door de ontstentenis van betaling van de werkgeversbijdragen voor de perioden vóór 1 januari 2019, ofwel door rekening te houden met het feit dat Fedasil in werkelijkheid tot 31 december 2018 bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) heeft betaald ten belope van 13,07 %, waarbij dat percentage trouwens hoger is dan het percentage dat, sinds 1 januari 2019, ten laste wordt genomen onder de nieuwe regeling, en dat nog slechts 11,05 % bedraagt. A.5.
  28. De Ministerraad repliceert dat het optreden van de wetgever overeenstemt met een werkelijke keuze om ter zake wetgevend op te treden, die verschilt van de keuze – die, volgens de Ministerraad, voordien werd bepleit – om aan Fedasil de zorg over te laten om voor zijn mandaathouders zijn eigen extralegale aanvullende pensioenregeling uit te werken. De Ministerraad is van mening dat het vastleggen van de datum waartegen de leemte moet zijn opgevuld, tot de bevoegdheid van de wetgever alleen behoort, temeer omdat belangrijke budgettaire gevolgen eruit voortvloeien. Daaruit volgt, volgens de Ministerraad, dat de inwerkingtreding van de bestreden wet het gevolg is van een nieuwe beleidslijn en dat de ontstentenis van overgangsregeling door het Hof niet kan worden afgekeurd tenzij zij een verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording of een overdreven aantasting van het beginsel van het gewettigd vertrouwen met zich meebrengt. A.5.
  29. Dienaangaande is de Ministerraad van mening dat het optreden van de wetgever teneinde de in de wet van 4 maart 2004 vastgestelde leemte op te vullen, niet vereist was krachtens een gewettigde verwachting van de verzoekende partijen, die gegrond is op artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 en op artikel 17, § 5, van het koninklijk besluit van 16 november
  30. Volgens de Ministerraad kunnen de verzoekende partijen zich in elk geval niet op een gewettigde verwachting beroepen, aangezien de wetgevende macht niet kan worden gedwongen door de besluiten van reglementaire aard van de uitvoerende macht. De Ministerraad herinnert eraan dat zulks des te meer geldt omdat de voormelde koninklijke besluiten zich ertoe beperken, zonder nadere 7 precisering, de verplichting op te leggen dat een gedeelte van de beloning van de beoogde houders van een management- of staffunctie wordt gevormd door de deelname aan een aanvullende pensioenregeling die wordt gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen. Een hypothetische gewettigde verwachting op grond van de voormelde besluiten zou dus niet noodzakelijkerwijs de deelname aan een regeling van aanvullende voordelen inzake rustpensioen zoals de regeling die is georganiseerd bij de wet van 4 maart 2004 betreffen. A.5.
  31. De Ministerraad is bovendien van mening dat de verzoekende partijen niet rechtmatig konden verwachten het voordeel van overgangsmaatregelen te genieten enkel op grond van de omstandigheid dat de andere bij de wet van 4 maart 2004 beoogde houders van een management- of staffunctie onder de gelding van de vroegere wet het voordeel van overgangsmaatregelen hebben genoten. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepalingen worden verantwoord door de bekommernis de objectieve verschillen in acht te nemen die bestaan tussen de wijzen van financiering van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen die worden toegekend aan de houders van de management- of staffuncties in de instellingen van openbaar nut naargelang die al dan niet bij de pool der parastatalen zijn aangesloten. De Ministerraad herinnert eraan dat aangezien Fedasil niet is aangesloten bij de pool der parastatalen, het agentschap alle financiële en administratieve lasten die verbonden zijn met de inwerkingstelling van de voormelde aanvullende voordelen alleen moet dragen. Volgens de Ministerraad raakt de beperking van de uitgaven van Fedasil, al was het maar indirect, de openbare financiën en verantwoordt dus de beslissing van de wetgever om de opname van de mandaathouders van Fedasil in de bij de wet van 4 maart 2004 georganiseerde regeling van aanvullende voordelen inzake rustpensioen te beperken tot de prestaties verricht vanaf 1 januari
  32. A.5.
  33. De Ministerraad doet gelden dat het niet aan het Hof staat uitspraak te doen over het feit of het opportuun is een overgangsmaatregel in te voeren, zodat de verzoekende partijen niet kunnen worden gevolgd wanneer zij de ontvankelijkheid van de aangevoerde budgettaire redenen in twijfel trekken. De Ministerraad is insgelijks van mening dat het Hof zich zou mengen in de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever inzake pensioen beschikt, mocht het van oordeel zijn, zoals de verzoekende partijen voorstellen, dat de loopbaan van de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil zou kunnen worden gereconstrueerd door rekening te houden met het feit dat Fedasil in werkelijkheid tot 31 december 2018 aan de RSZ bijdragen heeft betaald ten belope van 13,07 %. A.5.
  34. De Ministerraad stelt dat de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil tot 30 juni 2016 onderworpen waren aan alle takken van de sociale zekerheid voor werknemers, hetgeen verklaart dat een persoonlijke bijdrage van 13,07 % is afgehouden van hun wedde. Hij wijst erop dat vanaf 1 juli 2017 de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil, krachtens artikel 11, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 « tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », moeten worden geacht alleen onderworpen te zijn aan de verplichte ziekteverzekering en aan het pensioenstelsel voor werknemers. Volgens de Ministerraad hadden de persoonlijke bijdragen die zijn afgehouden van de wedden van de voormelde mandaathouders bijgevolg vanaf 1 juli 2017 moeten zijn verminderd tot 11,05 %. De Ministerraad erkent dat geen enkele duidelijke reden het mogelijk maakt te verantwoorden dat persoonlijke bijdragen van 13,07 % na 1 juli 2017 zijn afgehouden van de wedden van de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil. De Ministerraad is echter van mening dat die overtollige bijdragen in geen geval zouden kunnen volstaan om te verantwoorden dat de terugwerkende kracht met betrekking tot het aanvullend voordeel inzake pensioen dat wordt toegekend aan de mandaathouders die houder zijn van een management- of staffunctie bij Fedasil, zich uitstrekt over een periode van meer dan twaalf jaar. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
  35. Het beroep is gericht tegen de artikelen 15 en 16 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen » (hierna : de wet van 13 april 2019). Beide bestreden bepalingen maken deel uit van hoofdstuk 6 van de wet van 13 april 2019, waarbij 8 verscheidene wijzigingen worden aangebracht in de wet van 4 maart 2004 « houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst » (hierna : de wet van 4 maart 2004). B.2.
  36. Bij de wet van 4 maart 2004 wordt een regeling ingevoerd van aanvullende voordelen inzake rustpensioen voor bepaalde categorieën van houders van een management- of staffunctie. B.2.
  37. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 maart 2004 wordt vermeld : « Het wetsontwerp dat voorgelegd wordt aan de Commissie heeft tot doel een aanvullend pensioenstelsel van een bijzonder type in te richten. Aan de basis van het ontwerp liggen de koninklijke besluiten van 29 oktober 2001 en 2 oktober 2002, die de statutaire toestand regelen van de personen die aangesteld zijn om een management- of staffunctie uit te oefenen in de federale overheidsdiensten. Met deze teksten heeft de Regering duidelijk geopteerd de personen met een management- of staffunctie te onderwerpen aan de pensioenregeling van de werknemers. Ze heeft eveneens beslist omtrent de deelname van de betrokkenen aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen, toegevoegd aan het wettelijk pensioen van de [eerste] pijler waarop ze aanspraak zullen kunnen maken. Vervolgens werd besloten hetzelfde stelsel toe te passen op personen aangesteld om een analoge management- of staffunctie uit te oefenen in de instellingen van openbaar nut aangesloten bij het pensioenregime voorzien door de wet van 28 april 1958 (Pool der Parastatalen) en die gedurende hun mandaat onderworpen zijn aan het pensioenregime van de werknemers. Hetzelfde geldt voor de […] wetenschappelijke instellingen van de Staat. De gefedereerde entiteiten zullen ook, indien ze dit wensen, hetzelfde regime kunnen toepassen op hun managers. Het is belangrijk op te merken dat de personen waarvan sprake in het wetsontwerp en die dus een management- of staffunctie uitoefenen, tijdelijk aangesteld zijn binnen het kader van een statutaire relatie. Met andere woorden, de sociale bescherming voor de managers ressorteert niet onder de tweede pensioenpijler (sectoriële en ondernemingspensioenen). Het betreft een sociale bescherming sui generis geregeld door de wet met als doel beter te beantwoorden aan de specifieke situatie van de betrokkenen. Het voorgesteld aanvullend pensioenregime richt zich enigszins naar een stelsel met vastgestelde prestaties, wat een resultaatsverbintenis [ten] laste legt van de publieke werkgever. Daar dit stelsel wettelijk en reglementair is, bestaat de verplichting eraan deel te nemen gedurende de periode van het mandaat. 9 Het pensioen van de mandatarissen bestaat in deze optiek dus uit drie bestanddelen (het totaal maakt het te bereiken doel uit) : - het pensioen van werknemer - het aanvullend deel uit de door de mandataris gestorte persoonlijke bijdragen - het aanvullend deel gedragen door de Staat. De persoonlijke bijdrage van de mandataris is vastgesteld op 1,5 % van de refertewedde en is gestort aan het Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels. Dit fonds zal de budgettaire last dragen van de voordelen voortspruitend uit de persoonlijke bijdrage. Het bestanddeel van het ‘ te bereiken doel ’ gevormd door het pensioen van werknemer beantwoordt aan het maximale pensioen dat op jaarbasis kan bekomen worden in de pensioenregeling der werknemers, hetzij aan de huidige index een bedrag van 531,19 euro per jaar (1/45 van 60 % van het huidig inkomensplafond). Dit bestanddeel zal derhalve ruimschoots gedekt zijn door de werkgevers (8,86 %) en de persoonlijke bijdragen (7,5 %) inzake pensioen gestort aan de sociale zekerheid, daar de bijdragen berekend zijn op de totaliteit van een verhoogd loon, daar waar het bekomen pensioenbedrag beperkt is. Het bijkomend bestanddeel van het ‘ te bereiken doel ’ ten laste van de openbare Schatkist is voorzien in de begroting. Ze beantwoordt aan het verschil tussen enerzijds de vastgestelde te bereiken prestatie, en anderzijds het totaal van het werknemerspensioen en van de rente uit de persoonlijke bijdragen, verhoogd met de hieruit voortvloeiende interesten. Het pensioen wordt berekend voor ieder uitgeoefend mandaat. Voor ieder van deze mandaten, is het het ontvangen loon, aangepast aan de evolutie van de index, [dat] als basis dient voor de berekening van het pensioen. […] Gedurende de periode van het mandaat, leveren de managers, of ze nu uit de privé of de publieke sector komen, identieke prestaties in het kader van een statutaire aanstelling voor eenzelfde werkgever en moeten ze derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. […] Om te besluiten, zou ik de nadruk willen leggen op het feit dat niettegenstaande de aanpassingen die zullen aangebracht worden aan de zogenaamde ‘ Copernicus ’- hervorming, de nieuwe regels dringend moeten geïntegreerd worden in het rechtssysteem, daar de eerste personen die aangesteld werden om een managementfunctie uit te oefenen in dienst zijn getreden eind 2001 » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0357/003, pp. 3-5). B.2.3.
  38. Vóór de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van de wet van 13 april 2019 bepaalde artikel 2 van de wet van 4 maart 2004 : 10 « Dit hoofdstuk is van toepassing : 1°) op de personen die werden aangesteld om een managementfunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten; 2°) op de personen die werden aangesteld om een staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten; 3°) op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een instelling van openbaar nut die aangesloten is bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden en die onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers; 4°) op de personen die, ten gevolge van hun aanstelling om een management- of staffunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° of in 2° in een wettenschappelijke instelling van de Staat of in een gefedereerde entiteit, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers; 5°) op de personen die ten gevolge van hun aanstelling om een managementfunctie uit te oefenen die vergelijkbaar is met deze bedoeld in 1° bij de Pensioendienst voor de overheidssector vóór [zijn] ontbinding, onderworpen zijn aan de pensioenregeling van de werknemers ». B.2.3.
  39. Bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementsfuncties in de federale overheidsdiensten », waarvan het opschrift is gewijzigd in koninklijk besluit van 29 oktober 2001 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementsfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten », en bij het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten », waarvan het opschrift is gewijzigd in koninklijk besluit van 2 oktober 2002 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de staffuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten », wordt binnen de federale overheidsdiensten de mandaatregeling ingesteld voor de houders van een management- of staffunctie. B.2.3.
  40. Het pensioenstelsel dat is ingesteld bij de wet van 28 april 1958 « betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden » is een repartitiesysteem voor pensioenen dat solidair wordt gefinancierd met het geheel van de bijdragen van de aan de wet onderworpen instellingen van openbaar nut. Het 11 geheel van de bij dat stelsel aangesloten instellingen van openbaar nut wordt aangeduid met de uitdrukking « Pool der Parastatalen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0357/001, pp. 5-6, 8-9 en 11; ibid., DOC 51-0357/003, pp. 3 en 11; Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3577/001, pp. 12-13). Luidens artikel 12 van de wet van 28 april 1958 stemmen de bijdragen overeen met een percentage van de maandwedden die door de voormelde instellingen van openbaar nut worden uitbetaald aan hun personeelsleden die bekleed zijn met een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming. Dat percentage is gelijk aan de verhouding die de kostprijs van de pensioenen van het lopende jaar vertegenwoordigt ten opzichte van het voor datzelfde jaar geraamde bedrag van de weddemassa van het geheel van de bij de pool der parastatalen aangesloten instellingen. B.2.4.
  41. Bij het niet-bestreden artikel 13 van de wet van 13 april 2019 wordt het toepassingsgebied ratione personae van de wet van 4 maart 2004 uitgebreid tot een nieuwe categorie van gerechtigden door in artikel 2 ervan een bepaling onder 2°/1 in te voegen, luidende : « 2°/
  42. op de personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen met toepassing van artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut en voor zover de betrokken instelling van openbaar nut niet is aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden ». B.2.4.
  43. Bij het koninklijk besluit van 16 november 2006 « betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut » (hierna : het koninklijk besluit van 16 november 2006) wordt de mandaatregeling ingesteld voor de houders van een management- of staffunctie in de bij artikel 1 ervan beoogde instellingen van openbaar nut, waaronder het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil). B.2.4.
  44. Ook al wordt de in artikel 2, 2°/1, van de wet van 4 maart 2004 beoogde categorie van personen in algemene termen beschreven, uit de toelichting bij het wetsvoorstel « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen », dat geleid heeft tot de wet van 13 april 2019, blijkt dat de wetgever hoofdzakelijk de bedoeling had het recht op de aanvullende voordelen inzake rustpensioen uit te breiden tot de houders van een management- of staffunctie bij Fedasil : 12 « Hoofdstuk 5 breidt het toepassingsveld van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst uit tot de personen die een management- of staffunctie uitoefenen bij FEDASIL » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3577/001, p. 3). B.2.4.
  45. In de bespreking van artikel 11 van het wetsvoorstel, dat artikel 13 van de wet van 13 april 2019 is geworden, wordt uiteengezet : « Het mandaatstelsel voor de management- en staffuncties werd bij de federale overheidsdiensten ingevoerd bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van managementfuncties binnen de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten en bij het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 betreffende de aanduiding en de uitoefening van staffuncties binnen de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten. Met het oog op de harmonisering van de regels inzake het federaal administratief openbaar ambt werd het systeem van management- en staffuncties veralgemeend tot andere federale overheidsinstellingen. In dat kader heeft het koninklijk besluit van 16 november 2006 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in sommige instellingen van openbaar nut het systeem van management- en staffuncties ingevoerd in een aantal instellingen van openbaar nut. Het merendeel van deze instellingen van openbaar nut is voor zijn statutaire personeelsleden aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden (Pool der parastatalen) waardoor aan de personen die binnen deze instellingen werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen – bovenop het werknemerspensioen – een aanvullend pensioenvoordeel wordt toegekend op grond van artikel 2, 3°) van de wet van 4 maart 2004 houdende toekenning van aanvullende voordelen inzake rustpensioen aan personen die werden aangesteld om een management- of staffunctie uit te oefenen in een overheidsdienst. Dit is evenwel niet het geval voor de personen die een management- of staffunctie uitoefenen bij het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (FEDASIL). FEDASIL is immers niet aangesloten bij de Pool der parastatalen waardoor het niet onder het toepassingsgebied van de wet van 4 maart 2004 valt. Bijgevolg hebben de personen die een management- of staffunctie uitoefenen bij FEDASIL in de huidige stand van de wetgeving geen recht op een aanvullend pensioenvoordeel voor hun mandaatdiensten. Artikel 11 maakt deze lacune ongedaan en voorziet dat ook aan de personen die een management- of staffunctie uitoefenen bij FEDASIL een aanvullend voordeel wordt toegekend, door middel van toevoeging van een punt 2°/1 in artikel 2 van de voormelde wet van 4 maart 2004 » (ibid., pp. 11-12). B.2.
  46. De artikelen 3 tot 6 van de wet van 4 maart 2004 bepalen : 13 « Art.
  47. §
  48. De in artikel 2 bedoelde persoon heeft, voor elke maand diensttijd in een management- of staffunctie, recht op aanvullende voordelen inzake rustpensioen die beantwoorden aan het verschil tussen enerzijds 1/720 van de in § 2 bepaalde referentiewedde en anderzijds het rustpensioen ten laste van de pensioenregeling van de werknemers waarop hij aanspraak kan maken voor de uitoefening van deze functie. De perioden die geen volledige kalendermaand vormen, worden in aanmerking genomen ten belope van hun duur uitgedrukt in maanden met twee decimalen. §
  49. De in § 1 bedoelde referentiewedde is de jaarwedde van de klas waaraan de functie is gekoppeld ten gevolge van haar weging en die werkelijk werd toegekend tijdens de uitoefening van de functie. De referentiewedde en het rustpensioen van werknemer worden vastgesteld aan het spilindexcijfer 138,
  50. §
  51. In geval van toepassing van artikel 6, § 1 wordt de fictieve rente die beantwoordt aan het uitgekeerde kapitaal, afgetrokken van de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omzetting van het kapitaal in een rente uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels bepaald in het koninklijk besluit van 24 maart 1994 houdende diverse wijzigingen in de regeling inzake de pensioenen van de openbare sector. §
  52. De in § 1 bedoelde aanvullende voordelen gaan in op de eerste dag van de maand van de inbetalingstelling van het wettelijk pensioen waarop de in artikel 2 bedoelde persoon aanspraak kan maken ten laste van de pensioenregeling van de werknemers. In afwijking van het eerste lid kan de in artikel 2 bedoelde persoon die, uit hoofde van een andere functie dan zijn management- of staffunctie, aanspraak kan maken op een rustpensioen met toepassing van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, vragen dat de in § 1 bedoelde aanvullende voordelen ingaan op de ingangsdatum van dat rustpensioen. §
  53. Het overeenkomstig de bepalingen van § 1 berekende bedrag van de aanvullende voordelen is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 en evolueert op dezelfde manier als de pensioenen ten laste van de Staatskas. Art.
  54. De in artikel 3, § 1, bepaalde aanvullende voordelen die toegekend worden aan de in artikel 2, 1°, 2° en 4° bedoelde personen, worden uitbetaald door de Federale Pensioendienst. Art.
  55. De in artikel 3, § 2, eerste lid bepaalde referentiewedde is onderworpen aan een verplichte persoonlijke bijdrage vastgesteld op 1,5 pct. De opbrengst van deze persoonlijke bijdrage wordt elke maand door de dienst die de wedde betaalt, gestort aan de Federale Pensioendienst. Deze storting moet bij deze pensioendienst toekomen uiterlijk de vijfde werkdag die volgt op de dag van de betaling van de wedde. Indien de opbrengst van de in het vorige lid bedoelde bijdrage ontoereikend is om de in artikel 4 bedoelde aanvullende voordelen te betalen, zal de Federale Pensioendienst de in 14 artikel 68ter, § 5, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen bedoelde ontvangsten aanwenden om deze voordelen te financieren. Art.
  56. §
  57. Indien de in artikel 2 bedoelde persoon dit vóór de ingangsdatum van de in artikel 3, § 1 bepaalde aanvullende voordelen vraagt, kan een deel van die voordelen hem worden uitgekeerd in de vorm van een kapitaal. Het in het eerste lid bedoelde deel van de aanvullende voordelen is gelijk aan de opbrengst van de in artikel 5, eerste lid bedoelde persoonlijke bijdragen, verhoogd met interest die, per volledige kalendermaand, berekend wordt op basis van de rentevoet van 3,5 pct. per jaar. Deze interest heeft betrekking op de periode begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde en de laatste dag van de maand die de ingangsdatum van de aanvullende voordelen voorafgaat. De Koning kan de in het tweede lid bepaalde rentevoet wijzigen overeenkomstig de evolutie van de rentevoeten van de markt. §
  58. In geval van overlijden van een in artikel 2 bedoelde persoon vóór de ingangsdatum van de aanvullende voordelen, wordt het in § 1 bedoelde kapitaal gestort aan de langstlevende echtgenoot. Als er geen langstlevende echtgenoot is, wordt dit kapitaal gestort aan de kinderen van de overledene die op de datum van het overlijden kinderbijslag genieten. Als er geen langstlevende echtgenoot en geen hiervoor bepaalde kinderen zijn, wordt het gedeelte van dit kapitaal dat beantwoordt aan de tijdens het huwelijk met de uit de echt gescheiden echtgenoot gestorte bijdragen, gestort aan die echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste niet opnieuw in het huwelijk is getreden. In deze gevallen wordt de interest berekend tot de laatste dag van de maand van het overlijden. Het eerste lid wordt toegepast op aanvraag van de betrokkenen. §
  59. De krachtens dit artikel toegekende kapitalen worden uitbetaald door de Federale Pensioendienst ». B.2.6.
  60. Artikel 9 van de wet van 4 maart 2004 bepaalt : « De aan de in artikel 2, 3° bedoelde personen toegekende aanvullende voordelen inzake rustpensioen, met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door de Federale Pensioendienst, zijn ten laste van het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden. De bepalingen van artikel 12 van voormelde wet van 28 april 1958 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bepaalde aanvullende voordelen. Voor de in artikel 2, 3° bedoelde personen wordt het percentage dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 12, § 2 van die wet, evenwel verminderd ten belope van de som van het in artikel 5, eerste lid bepaalde percentage en van dat bepaald in artikel 38, § 3, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. 15 Om het uit de toepassing van artikel 12, § 2 van voormelde wet van 28 april 1958 voortvloeiende percentage te bepalen, worden de uitgaven inzake de in het eerste lid bedoelde aanvullende voordelen alsook de opbrengst van de in het tweede lid bedoelde bijdragen in aanmerking genomen ». B.2.6.
  61. In de memorie van toelichting bij de wet van 4 maart 2004 wordt vermeld : « De aansluiting bij de Pool der Parastatalen heeft tot gevolg dat alle wettelijke wijzigingen die aangebracht worden aan het pensioenstelsel dat voorzien is door de wet van 28 april 1958 automatisch toepasselijk zullen zijn op de personeelsleden van de aangesloten instellingen, ongeacht of het instellingen betreft die afhangen van de federale Staat, een Gemeenschap of een Gewest, alsook op hun rechthebbenden. In dit opzicht kan men eveneens verduidelijken dat het ontwerp enkel uitdrukkelijk verwijst naar de instellingen van openbaar nut die aangesloten zijn bij de Pool der Parastatalen omdat bijzondere nadere regels inzake de financiering bepaald moeten worden (gezien het feit dat de Pool der Parastatalen een repartitiestelsel is dat gefinancierd wordt door pensioenbijdragen van de werkgevers, in tegenstelling tot de pensioenen ten laste van de Staatskas). Een uitdrukkelijke verwijzing naar dat stelsel is evenwel niet nodig in alle wetsontwerpen die wijzigingen aanbrengen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de personeelsleden van de Staat in de mate waarin elke wijziging die aangebracht wordt aan dat pensioenstelsel ipso facto toepasselijk is op de personeelsleden van de instellingen die aangesloten zijn bij de Pool der Parastatalen. Als gevolg van het feit dat zij uit eigen beweging hun aansluiting gevraagd hebben, genieten zij immers, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 28 april 1958, een pensioenstelsel dat ‘ identiek ’ is aan dat van de personeelsleden van de Staat » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0357/001, p. 5). B.2.6.
  62. De memorie van toelichting biedt ook opheldering over de samenhang tussen de artikelen 5, 6 en 9 van de wet van 4 maart 2004 : « Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen de budgettaire last die voortvloeit uit de opbrengst van de verplichte persoonlijke bijdrage van 1,5 %, zoals voorzien in artikel 5, en de budgettaire last van de aanvullende voordelen inzake pensioenen, zoals bedoeld in artikel 9, en die niet overeenstemt met de opbrengst van de persoonlijke bijdrage van 1,5 %. De persoonlijke bijdrage van 1,5 % wordt zowel voor de managers van de FOD’s als voor de personen die aangeduid zijn in een rechtspersoon van publiek recht die aangesloten is bij de Pool, steeds gestort aan het Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels. Dat fonds zal steeds de budgettaire last dragen van de voordelen die voortvloeien uit deze persoonlijke bijdrage, ongeacht of zij betaald worden in de vorm van een rente of een kapitaal. De Pool der Parastatalen zal dus slechts de last van de andere, in artikel 9 bedoelde aanvullende voordelen dragen, namelijk zoals wordt bepaald in dit artikel de aanvullende voordelen … ‘ met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door het Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels ’. 16 Bijgevolg is het niet nodig de opbrengst van de persoonlijke bijdragen van aangesloten personen te laten storten aan de Pool der Parastatalen (in plaats van aan het Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels), omdat het niet de Pool der Parastatalen is die de last draagt van de aanvullende voordelen die voortvloeien uit de persoonlijke stortingen en de eraan verbonden interesten » (ibid., p. 6). B.2.6.
  63. Uit het voorgaande blijkt dat de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen een kapitaal opbouwen door het storten van verplichte persoonlijke bijdragen aan de Federale Pensioendienst – die het Fonds voor het Evenwicht van de Pensioenstelsels heeft vervangen sinds de inwerkingtreding van de wet van 18 maart 2016 « tot wijziging van de benaming van de Rijksdienst voor Pensioenen in Federale Pensioendienst, tot integratie van de bevoegdheden en het personeel van de Pensioendienst voor de Overheidssector, van de opdrachten ‘ Pensioenen ’ van de lokale en provinciale sectoren van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels en van HR Rail en tot overname van de gemeenschappelijke sociale dienst van de Dienst voor de Bijzondere socialezekerheidsstelsels ». Vóór de ingangsdatum van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen, kunnen die houders vragen dat dat kapitaal, alsook de interesten die het heeft opgebracht, hun worden uitbetaald. Indien zij die aanvraag niet doen, wordt hun door de Federale Pensioendienst vanaf de ingangsdatum van de aanvullende voordelen een rente uitbetaald die met dat kapitaal overeenstemt. Bijgevolg is de financiële tegemoetkoming van de pool der parastatalen beperkt tot het bedrag van de aanvullende voordelen, dat wordt berekend met toepassing van artikel 3 van de wet van 4 maart 2004 en na aftrek van het voormelde kapitaal of de voormelde rente. B.2.7.
  64. Bij het niet-bestreden artikel 14 van de wet van 13 april 2019 wordt een artikel 9/1 ingevoegd in de wet van 4 maart
  65. Die bepaling betreft de financiering van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen die worden toegekend aan de houders van een management- of staffunctie die met toepassing van het koninklijk besluit van 16 november 2006 zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen. Artikel 9/1 bepaalt : « De aan de in artikel 2, 2°/1 bedoelde personen toegekende aanvullende voordelen inzake rustpensioen, met uitzondering van het in artikel 6 bepaalde kapitaal of van de aan dit kapitaal beantwoordende rente waarvan de last gedragen wordt door de Federale Pensioendienst, zijn ten laste van de instelling waar zij hun management- of staffunctie hebben uitgeoefend ». 17 B.2.7.
  66. In de bespreking van die bepaling wordt vermeld : « Overeenkomstig artikel 9 van de wet van 4 maart 2004 valt het aanvullend voordeel ten laste van de Pool der parastatalen indien de instelling van openbaar nut bij dit pensioenstelsel is aangesloten. Aangezien – zoals hierboven gesteld – FEDASIL een instelling van openbaar nut is die niet bij de Pool der parastatalen is aangesloten, dient FEDASIL zelf de last van het aanvullend pensioenvoordeel te dragen. Huidig artikel voegt hiertoe een artikel 9/1 in de wet van 4 maart 2004 in » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3577/001, p. 12). B.2.7.
  67. De financiering van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen is dus ten laste van Fedasil, na aftrek van het in artikel 6 van de wet van 4 maart 2004 bedoelde kapitaal of van de rente die met dat kapitaal overeenstemt. B.2.
  68. Artikel 18, eerste lid, van de wet van 4 maart 2004 bepaalt : « Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». B.2.9.
  69. De wetgever heeft echter een mechanisme ingesteld dat het mogelijk maakt om, voor de berekening van het bedrag van de voormelde aanvullende voordelen, de vóór die datum volbrachte mandaatperioden te valoriseren (hierna : het afkoopmechanisme). Immers, artikel 18, vierde lid, van dezelfde wet bepaalt : « Voor de in artikel 2 bedoelde personen die management- of staffuncties uitgeoefend hebben vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden de mandaatsperioden vóór deze datum slechts in aanmerking genomen, op voorwaarde dat betrokkene de in artikel 5 bedoelde persoonlijke bijdragen stort aan Federale Pensioendienst uiterlijk de laatste dag van de zesde maand die volgt op voormelde datum. In dat geval wordt de in artikel 6, § 1, tweede lid bepaalde eerste dag van de maand die volgt op de betaling van de wedde vervangen door de eerste dag van de maand die volgt op de storting ». B.2.9.
  70. In de bespreking van die bepaling wordt vermeld : « Verder kunnen personen die thans reeds een managementfunctie uitoefenen, hun toestand regulariseren voor de periode vóór de bekendmaking van de wet door de verschuldigde stortingen te doen binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van de wet » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0357/001, p. 12). 18 B.2.10.
  71. Bij artikel 15 van de wet van 13 april 2019 wordt in artikel 18 van de wet van 4 maart 2004 een vijfde lid ingevoegd, dat luidt : « In afwijking van het vorige lid worden voor de in artikel 2, 2°/1, bedoelde personen slechts de mandaatperioden vanaf 1 januari 2019 in aanmerking genomen ». Het gaat om de eerste bestreden bepaling. B.2.10.
  72. In de bespreking van dat artikel (dat destijds het nummer 13 draagt) wordt vermeld : « De personen die een management- of staffunctie uitoefenen bij een instelling van openbaar nut zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 november 2006 die niet is aangesloten bij de Pool der parastatalen kunnen enkel voor de mandaatdiensten die zij ná 31 december 2018 verrichten aanspraak maken op een aanvullend pensioenvoordeel zoals bedoeld in de wet van 4 maart
  73. Dit is niet het geval voor hun vóór 1 januari 2019 verrichte mandaatdiensten » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3577/001, p. 13). B.2.
  74. Bij artikel 16 van de wet van 13 april 2019, de tweede bestreden bepaling, wordt erin voorzien dat hoofdstuk 6 van de voormelde wet uitwerking heeft met ingang van 1 januari
  75. Ten gronde B.
  76. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet door artikel 15 van de wet van 13 april
  77. De verzoekende partijen betogen dat het bestreden artikel 15 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in zoverre de houders van een management- of staffunctie die, met toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 november 2006, zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen, voor de berekening van het bedrag van het aanvullend voordeel inzake rustpensioen, niet het recht genieten om de mandaatperioden te valoriseren die zijn volbracht vooraleer zij zijn opgenomen in de regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen, terwijl de houders van een 19 management- of staffunctie in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen, dat recht wel kunnen genieten. B.
  78. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  79. Enerzijds, is het inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Anderzijds, is het eigen aan een overgangsregel dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de personen op wie rechtstoestanden betrekking hebben die onder het toepassingsgebied van die regel vallen en de personen op wie rechtstoestanden betrekking hebben die onder het toepassingsgebied van een nieuwe regel vallen. B.6.
  80. Te dezen heeft de wetgever, bij hoofdstuk 6 van de wet van 13 april 2019, een recht dat hij sinds de wet van 4 maart 2004 toekent aan de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in de federale overheidsdiensten of de instellingen van openbaar nut die zijn aangesloten bij de pool der parastatalen, uitgebreid tot de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen. B.6.
  81. Uit de in B.2.4.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding van de wet van 13 april 2019 blijkt dat de doelstelling van de wetgever erin bestond de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld bij Fedasil de mogelijkheid te bieden ook het voordeel van de 20 regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen te genieten, terwijl Fedasil niet is aangesloten bij de pool der parastatalen. B.
  82. De wetgever heeft bepaald dat, wat de bij Fedasil aangestelde mandaathouders betreft, alleen rekening wordt gehouden met de mandaatperioden na 1 januari 2019 voor de berekening van het bedrag van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen. De wetgever heeft, voor de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen, de valorisatie van de vroegere mandaatperioden echter niet afgeschaft bij de bestreden wet, zodat die mandaathouders bij hun pensionering een hoger bedrag aan aanvullende voordelen blijven genieten. B.8.
  83. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad betoogt, is de wetgever dus niet van mening geweest dat voor de berekening van het bedrag van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen een beleidswijziging geboden was. Hij heeft artikel 18, vierde lid, van de wet van 4 maart 2004 immers niet opgeheven, maar hij heeft ervoor gekozen om in het voormelde artikel een, als afwijkingsbepaling aangemerkt, extra lid in te voeren. Uit het voorgaande volgt dat de eerste bestreden bepaling geen verschil in behandeling doet ontstaan voor de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen naargelang zij zich zouden bevinden in een toestand die door de vroegere wetgeving wordt geregeld of in een toestand die door de nieuwe wetgeving wordt geregeld. B.8.
  84. Het verschil in behandeling is ook onbestaande wat betreft de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen, zoals Fedasil, aangezien de mandaatperioden die zij vóór 1 januari 2019 hebben volbracht, niet worden gevaloriseerd in het kader van de nieuwe wetgeving en dat evenmin waren in het kader van de vroegere wetgeving, die die mandaathouders uitsloot van het voordeel van de regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen. 21 B.9 In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad voorts betoogt, vormt de eerste bestreden bepaling overigens geen overgangsregel of voorziet zij niet in een overgangsregeling, aangezien voor alle personen op wie de nieuwe regel betrekking heeft, dat wil zeggen de houders van een managementfunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen, de mandaatperioden vóór 1 januari 2019 van de berekening van het bedrag van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen zijn uitgesloten. B.
  85. Artikel 15 van de wet van 13 april 2019 doet daarentegen een verschil in behandeling ontstaan tussen, enerzijds, de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die is aangesloten bij de pool der parastatalen en, anderzijds, de houders van een management- of staffunctie die zijn aangesteld in een instelling van openbaar nut die niet is aangesloten bij de pool der parastatalen, in zoverre de tweeden, in tegenstelling tot de eersten, de mandaatperioden die zij hebben volbracht alvorens zij zijn opgenomen in de regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen niet kunnen valoriseren, aangezien het hun niet is toegestaan de betrokken perioden « af te kopen » door aan de Federale Pensioendienst de met die perioden overeenstemmende persoonlijke bijdragen te storten. B.
  86. Het in B.10 beschreven verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of de instelling van openbaar nut waarbij de houder van een management- of staffunctie is aangesteld al dan niet bij de pool der parastatalen is aangesloten. B.
  87. Bij het bepalen van zijn pensioenbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Indien evenwel een recht wordt toegekend aan een categorie van personen en niet aan een andere, dient het Hof te onderzoeken of de bestreden bepalingen evenredig zijn met het nagestreefde doel en of zij geen onevenredige gevolgen hebben ten aanzien van de situatie van de ene of de andere van die categorieën van personen. Van discriminatie zou derhalve slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van de pensioenregels een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich zou meebrengen. 22 B.
  88. Uit de memories van de Ministerraad blijkt dat het in B.10 beschreven verschil in behandeling door budgettaire en administratieve redenen is verantwoord. B.
  89. De omstandigheid dat Fedasil op de wedde van de houders van een managementfunctie een persoonlijke socialezekerheidsbijdrage van 13,07 % heeft ingehouden, heeft geen belang bij het bepalen van de financiële last die op de begroting van Fedasil en vervolgens op de begroting van de Staat zou wegen, aangezien die sociale bijdrage is geheven in het kader van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers, dat andere financieringsregels volgt dan die welke van toepassing zijn op de regeling van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen. B.15.
  90. Zoals in B.2.7.3 is vermeld, blijkt uit artikel 9/1 van de wet van 4 maart 2004 dat de last van de financiering van de aanvullende voordelen bij het rustpensioen dat wordt toegekend aan de houders van een management- of staffunctie slechts op Fedasil rust na aftrek van het in artikel 6 van de wet van 4 maart 2004 bedoelde kapitaal of van de rente die met dat kapitaal overeenstemt. Dat kapitaal of die rente worden gevormd door de verplichte persoonlijke bijdragen die de houder van een management- of staffunctie krachtens artikel 5 van de wet dient te betalen. B.15.
  91. Hoewel het juist is dat de inaanmerkingneming van de vóór 1 januari 2019 volbrachte mandaatperioden voor de berekening van de aanvullende voordelen bij het rustpensioen dat wordt toegekend aan de houders van een management- of staffunctie een financiële last vormt voor de begroting van Fedasil en, bijgevolg, voor de begroting van de Staat, toont de Ministerraad niet aan dat ten opzichte van het beperkte aantal betrokken personen, die financiële last onevenredig zou zijn. B.16.
  92. Uit artikel 3, §§ 1 en 2, van de wet van 4 maart 2004 blijkt dat de berekening van het bedrag van de aanvullende voordelen inzake rustpensioen gebeurt volgens de volgende formule : voor elke maand diensttijd in een management- of staffunctie, heeft de gerechtige recht op voordelen die overeenstemmen met het verschil tussen enerzijds 1/720 van de in artikel 3, § 2, bepaalde referentiewedde en anderzijds het rustpensioen ten laste van de pensioenregeling van de 23 werknemers waarop hij aanspraak kan maken voor de uitoefening van die functie. De perioden die geen volledige kalendermaand vormen, worden in aanmerking genomen ten belope van hun duur uitgedrukt in maanden met twee decimalen. De referentiewedde wordt gedefinieerd als de jaarwedde van de klas waaraan de functie is gekoppeld ten gevolge van haar weging en die werkelijk werd toegekend tijdens de uitoefening van de functie. De referentiewedde en het rustpensioen van werknemer worden vastgesteld aan het spilindexcijfer 138,
  93. De persoonlijke bijdragen van 1,5 % die de houders van een management- of staffunctie dienen te betalen wanneer zij wensen dat de mandaatperioden die zij vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 maart 2004 hebben volbracht, worden gevaloriseerd, worden, overeenkomstig artikel 5 van de wet, ook berekend op basis van de referentiewedde. B.16.
  94. De Ministerraad toont niet aan dat het opmaken van het loopbaanoverzicht van de houders van een management- of staffunctie in de instellingen van openbaar nut die niet zijn aangesloten bij de pool der parastatalen en, in het bijzonder, het bepalen van het bedrag van de referentiewedde een overdreven administratieve last voor de Federale Pensioendienst zouden veroorzaken. B.16.
  95. De omstandigheid dat Fedasil pas in het systeem van een elektronische loopbaangegevensbank en een elektronisch pensioendossier is opgenomen bij de wet van 13 april 2019 zet die vaststelling niet op losse schroeven, in het bijzonder ten opzichte van het beperkte aantal betrokken personen. Bovendien was titel 13 van de wet van 29 december 2010 « houdende diverse bepalingen (I) », waarbij het systeem van een elektronische loopbaangegevensbank en een elektronisch pensioendossier wordt ingesteld, nog niet aangenomen bij het opmaken van het loopbaanoverzicht van de houders van een management- of staffunctie in de instellingen van openbaar nut die zijn aangesloten bij de pool der parastatalen, in het kader van het bij artikel 18, vierde lid, van de wet van 4 maart 2004 ingestelde afkoopmechanisme. Hoewel het juist is dat het opmaken van het loopbaanoverzicht destijds slechts betrekking had op maximaal drie jaar, betrof het echter de houders van een management- of staffunctie die waren aangesteld in het geheel van de FOD’s en de instellingen van openbaar nut die zijn aangesloten bij de pool der parastatalen, zodat de veroorzaakte werklast niet aanzienlijk minder belangrijk was. 24 B.
  96. Het verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. In zoverre het gericht is tegen artikel 15 van de wet van 13 april 2019, is het enige middel gegrond. Artikel 15 van de wet van 13 april 2019, dat een artikel 18, vijfde lid, invoegt in de wet van 4 maart 2004, moet bijgevolg worden vernietigd. B.
  97. Het onderzoek van het voormelde artikel 15 ten aanzien van artikel 23 van de Grondwet zou niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden. B.
  98. Het beroep tot vernietiging is ook gericht tegen artikel 16 van de wet van 13 april 2019, dat bepaalt dat hoofdstuk 6 van de voormelde wet uitwerking heeft met ingang van 1 januari
  99. De vernietiging van artikel 16 van de wet van 13 april 2019 kan de verzoekende partijen echter geen extra voordeel verschaffen, zodat zij geen belang erbij hebben de vernietiging van die bepaling te vorderen. 25 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 15 van de wet van 13 april 2019 « houdende diverse bepalingen inzake pensioenen »; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 maart
  100. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.