id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.055 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210401.4 Arrest- Rolnummer: 55/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-07-14 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 122, 4°, en 124 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Vrederechter van het kanton Dendermonde. Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Vlaams Gewest - Rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden - Bestuurlijke fase afgerond vóór 1 januari 2018 - Controle door de vrederechter van de hoogdringendheid - Overgangsrecht. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 24-02-2017 - 122,4° - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet Vlaamse Raad - 24-02-2017 - 124 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Tekst van de beslissing Rolnummer 7417 Arrest nr. 55/2021 van 1 april 2021 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 122, 4°, en 124 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Vrederechter van het kanton Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 juli 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 juli 2020, heeft de Vrederechter van het kanton Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 122, 4° van het Decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut (het ‘ Vlaams Onteigeningsdecreet ’) en 124 van datzelfde decreet, afzonderlijk of in samenlezing, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in samenlezing met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de toepassing of de interpretatie dat voor onteigeningsprocedures waarvan - de administratieve fase vóór de inwerkingtreding van het Vlaams Onteigeningsdecreet werd afgerond bij toepassing en onder gelding van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, - doch de gerechtelijke fase verloopt bij toepassing en onder gelding van het Vlaams Onteigeningsdecreet, het niet meer aan de bodemrechter zou toekomen om te verifiëren of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte en van de door die Wet van 26 juli 1962 gestelde vereiste van ‘ onontbeerlijke onmiddellijke inbezitneming ’, terwijl artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan ontzet worden dan in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Van Eynde, advocaat bij de balie te Dendermonde; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 3 maart 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 maart 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 maart 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij ministerieel besluit van 3 juli 2017 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken dat voor de herinrichting van de gewestweg N47 een onroerend goed dat eigendom is van Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » onteigend dient te worden overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » (hierna : de wet van 26 juli 1962). Op 6 januari 2020 dagvaardt het Vlaamse Gewest Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » voor de Vrederechter van het kanton Dendermonde, met toepassing van de artikelen 46 en volgende van het decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het decreet van 24 februari 2017). Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » voeren onder meer aan dat de onteigenende overheid ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de wet van 26 juli 1962, meer bepaald omdat er geen sprake zou zijn van hoogdringende omstandigheden die de onmiddellijke inbezitneming van het te onteigenen goed verantwoorden. Zij verzoeken de Vrederechter om het besluit van 3 juli 2017 buiten toepassing te laten op grond van artikel 159 van de Grondwet. Het Vlaamse Gewest meent dat de beoordeling van de hoogdringendheid niet relevant is, gelet op de inwerkingtreding van het decreet van 24 februari 2017 en de opheffing van de wet van 26 juli 1962 op 1 januari
- Alvorens uitspraak te doen, acht de Vrederechter het aangewezen bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De Vlaamse Regering zet uiteen dat het decreet van 24 februari 2017 in werking is getreden op 1 januari 2018 en dat de federale onteigeningswetten sinds die datum zijn opgeheven in het Vlaamse Gewest. Zij zet eveneens uiteen dat het decreet van 24 februari 2017 een uniforme procedure invoert die geldt voor alle onteigeningen, waardoor er geen specifieke procedure meer bestaat voor onteigeningen bij hoogdringende omstandigheden. Dit brengt volgens haar met zich mee dat de hoogdringendheid in beginsel niet meer moet worden gemotiveerd in het onteigeningsbesluit. Zij wijst erop dat de decreetgever een overgangsregeling heeft opgenomen in artikel 124 van het decreet van 24 februari 2017, inhoudende dat de bepalingen van het decreet die betrekking hebben op de bestuurlijke fase van de onteigening niet van toepassing zijn op onteigeningen waarvan de bestuurlijke fase nog lopende was op 1 januari 2018 en dat de bepalingen die betrekking hebben op de gerechtelijke fase van de onteigening niet van toepassing zijn op onteigeningen waarvan de gerechtelijke fase nog lopende was op die datum. Zij leidt daaruit af dat de federale onteigeningswetten in die gevallen van toepassing blijven op die fases. Wanneer de bestuurlijke fase is verlopen volgens de bepalingen van de federale onteigeningswetten en de gerechtelijke fase verloopt volgens de regels van het decreet van 24 februari 2017, moet de bevoegde rechter zich volgens de Vlaamse Regering allereerst uitspreken over de wettigheid van de onteigening, en dit krachtens artikel 50 van het decreet van 24 februari
- Die beoordeling moet volgens haar gebeuren op basis van het administratief dossier, zoals dit overeenkomstig de toepasselijke onteigeningswetgeving diende te zijn samengesteld. A.2.
- Wat het eigendomsrecht betreft, behoeft de prejudiciële vraag volgens de Vlaamse Regering geen antwoord, vermits ze steunt op een kennelijk onjuiste lezing van de in het geding zijnde bepalingen. Zij zet uiteen dat de verwijzende rechter die bepalingen interpreteert in die zin dat hij niet bevoegd is om te controleren of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de wet van 26 juli 1962 wanneer de bestuurlijke fase van de onteigening is verlopen volgens de bepalingen van die wet, maar de gerechtelijke fase verloopt volgens de bepalingen van het decreet van 24 februari
- De Vlaamse Regering meent dat uit geen enkele bepaling van het decreet van 24 februari 2017 blijkt dat de vrederechter niet bevoegd zou zijn om de wettigheid van de onteigening te controleren en, in voorkomend geval, toepassing te maken van artikel 159 van de Grondwet. Zij wijst erop dat artikel 50 van het decreet van 24 februari 2017 integendeel uitdrukkelijk bepaalt dat de rechter uitspraak moet doen over de wettigheid van het onteigeningsbesluit. De in het geding zijnde bepalingen staan volgens haar niet 4 eraan in de weg dat de rechter onderzoekt of aan de vereiste van hoogdringendheid in de zin van de wet van 26 juli 1962 is voldaan. A.2.
- De Vlaamse Regering beklemtoont dat het Vlaamse Gewest in het bodemgeschil niet heeft aangevoerd dat de rechter niet bevoegd is om te controleren of voldaan is aan de vereiste van hoogdringendheid in de zin van de wet van 26 juli
- Zij wijst erop dat het Vlaamse Gewest enkel heeft geargumenteerd dat er geen noodzaak is om te onderzoeken of al dan niet is voldaan aan de hoogdringendheidsvereiste, daar die vereiste in de wet van 26 juli 1962 is gekoppeld aan de mogelijkheid voor de onteigenende overheid tot onmiddellijke inbezitneming van het te onteigenen onroerend goed. A.3.
- In ondergeschikte orde en in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepalingen de bevoegdheid van de vrederechter beperken om de wettigheid van het onteigeningsbesluit te beoordelen, is de Vlaamse Regering van oordeel dat die bepalingen niet onverenigbaar zijn met artikel 16 van de Grondwet, volgens hetwelk een onteigening slechts mogelijk is in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald. De loutere omstandigheid dat de bestuurlijke fase van de onteigening verloopt volgens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 en de gerechtelijke fase volgens de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017, is volgens haar op zich niet problematisch in het licht van het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 16 van de Grondwet. Beide fases verlopen immers volgens een procedure die door de bevoegde wetgever is vastgesteld. A.3.
- Er is volgens de Vlaamse Regering evenmin sprake van rechtsonzekerheid of van een aantasting van de voorzienbaarheid van de desbetreffende wetskrachtige normen. Het is volgens haar niet onredelijk dat de rechter zich niet meer zou moeten uitspreken over de hoogdringendheidsvereiste bedoeld in de wet van 26 juli 1962, gelet op het feit dat de onmiddellijke inbezitneming in de gerechtelijke fase zoals geregeld bij het decreet van 24 februari 2017 niet langer mogelijk is en gelet op het feit dat de rechtswaarborgen van de onteigende aanzienlijk werden uitgebreid bij dat decreet. Zij wijst erop dat de inbezitneming van het onroerend goed, krachtens de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017, slechts mogelijk is nadat de vrederechter de wettigheid van de onteigening heeft beoordeeld, nadat de plaatsbeschrijving werd opgemaakt door de deskundige die door de vrederechter werd aangesteld, nadat de vrederechter uitspraak heeft gedaan over de provisionele onteigeningsvergoeding en nadat de onteigenende instantie een afschrift heeft betekend van het bewijs van volstorting van de provisionele onteigeningsvergoeding in de Deposito- en Consignatiekas of nadat de vrederechter zich heeft uitgesproken over het moment van inbezitneming. Zij meent dat de decreetgever een volwaardige procedure op tegenspraak heeft geïnstalleerd, waarbij zowel de onteigende als de onteigenende overheid over gelijke wapens beschikken. A.
- In uiterst ondergeschikte orde en in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepalingen in de interpretatie van de verwijzende rechter ongrondwettig zouden zijn, meent de Vlaamse Regering dat die bepalingen ook op een andere wijze kunnen worden geïnterpreteerd, meer bepaald in die zin dat zij zich niet ertegen verzetten dat de rechter beoordeelt of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de wet van 26 juli
- De loutere omstandigheid dat de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure verloopt volgens de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017, staat er immers volgens haar niet aan in de weg dat de vrederechter in het kader van de beoordeling van de wettigheid van de onteigening controleert of al dan niet is voldaan aan de vereiste van hoogdringendheid in de zin van de wet van 26 juli
- Zij wijst erop dat artikel 124, tweede lid, van het decreet van 24 februari 2017 bepaalt dat de onteigenende instantie het administratief dossier dat ter griffie moet worden neergelegd, moet samenstellen overeenkomstig de op de bestuurlijke fase van de onteigening toepasselijke regels. A.5.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, in zoverre ermee wordt gevraagd de in het geding zijnde bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij meent dat noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welke zin de in het geding zijnde bepalingen een schending zouden kunnen inhouden van die grondwetsartikelen. Met betrekking tot de stelling van Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » dat het Hof wordt gevraagd zich uit te spreken over een verschil in behandeling tussen personen die met toepassing van de wet van 26 juli 1962 worden onteigend, naargelang de dagvaarding betreffende de onteigening vóór dan wel na 1 januari 2018 wordt betekend, merkt de Vlaamse Regering op dat het niet aan de partijen voor het Hof staat de prejudiciële vraag te wijzigen. Zij meent dat noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat die categorieën van personen zouden moeten worden vergeleken. A.5.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de prejudiciële vraag, wat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, wel degelijk ontvankelijk is, is de Vlaamse Regering van oordeel dat die vraag geen antwoord 5 behoeft wegens kennelijk verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen en, in ondergeschikte orde, dat die bepalingen niet onverenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 ervan en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij verwijst daarbij naar haar argumentatie omtrent de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het eigendomsrecht. A.
- Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » betwisten de exceptie van de Vlaamse Regering met betrekking tot de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag wat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft. Ze zijn van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen in de interpretatie van de verwijzende rechter een niet verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen personen die met toepassing van de wet van 26 juli 1962 worden onteigend, naargelang de dagvaarding betreffende de onteigening vóór dan wel na 1 januari 2018 wordt betekend. Zij zetten uiteen dat wanneer de dagvaarding vóór 1 januari 2018 wordt betekend, de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure verloopt zoals bepaald in de wet van 26 juli 1962 en dat de rechter in die fase niet enkel dient te controleren of voldaan is aan de grondvoorwaarden voor een onteigening, maar ook of rechtmatig gebruik werd gemaakt van de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid. Wanneer de dagvaarding na 1 januari 2018 wordt betekend, verloopt de gerechtelijke fase evenwel volgens de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017 en zou de rechter niet bevoegd zijn om te controleren of rechtmatig gebruik werd gemaakt van de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid. Zij menen dat de personen die behoren tot de tweede categorie zich in een aanzienlijk minder voordelige positie bevinden dan zij die behoren tot de eerste categorie en dat dit verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord. Zij betwisten het argument van de Vlaamse Regering dat de opheffing van de mogelijkheid tot onmiddellijke inbezitneming van het onroerend goed met zich meebrengt dat een toetsing aan de hoogdringendheidsvereiste irrelevant wordt. Zij wijzen erop dat bij gebrek aan hoogdringendheid de onteigenende overheid gebruik diende te maken van de gemene onteigeningswetten, die de onteigende bijkomende waarborgen verschaffen, onder meer waarborgen die voortvloeien uit de verplichting om voorafgaand aan de onteigeningsmachtiging een openbaar onderzoek te organiseren. A.
- Sandrina Van Hulle en de cvoa « SAST » zijn bovendien van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar zijn met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij menen dat wanneer een onteigeningsmachtiging onwettig is, die machtiging door de rechter buiten toepassing moet worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet. De rechter moet daarbij volgens hen niet alleen de externe wettigheid van de machtiging controleren, maar ook de interne wettigheid ervan. De in het geding zijnde bepalingen zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter leiden volgens hen ertoe dat de rechter, wanneer hij een onwettigheid vaststelt met betrekking tot de toepassing van de wet van 26 juli 1962, die onwettigheid niet in aanmerking kan nemen om de onteigening in haar geheel onwettig te verklaren. Zij menen dat daaruit blijkt dat het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet en door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is geschonden. Er anders over oordelen zou volgens hen tot gevolg hebben dat talloze onwettige onteigeningsmachtigingen door de inwerkingtreding van het decreet van 24 februari 2017 zouden zijn gevalideerd en dat de rechter geen gebruik meer kan maken van artikel 159 van de Grondwet. -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft de artikelen 122, 4°, en 124 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het decreet van 24 februari 2017), die bepalen : « Art.
- De volgende regelingen worden opgeheven : […] 4° de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, gewijzigd bij de wet van 6 april 2000; 6 […]. Art.
- Titel 3 van dit decreet is niet van toepassing op lopende administratieve procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet. Voor de onteigeningen waarvan de administratieve fase heeft plaatsgevonden met toepassing van de regels zoals deze bestonden voor de inwerkingtreding van dit decreet, legt de onteigen[en]de instantie in afwijking van artikel 46, § 5, uiterlijk de tiende dag voorafgaand aan de inleidingszitting ter griffie van het vredegerecht het administratief dossier neer zoals die overeenkomstig deze regels diende te zijn samengesteld. Titel 4 van dit decreet is niet van toepassing op lopende gerechtelijke procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit decreet ». B.
- Het Hof wordt gevraagd te onderzoeken of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat het niet toekomt aan de rechter om, wanneer de bestuurlijke fase van de onteigeningsprocedure vóór de inwerkingtreding van het decreet van 24 februari 2017 werd afgerond met toepassing van de wet van 26 juli 1962 « betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte » (hierna : de wet van 26 juli 1962) en de gerechtelijke fase van die procedure aanvangt na de inwerkingtreding van het voormelde decreet en verloopt volgens de bepalingen van dat decreet, te controleren of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de wet van 26 juli 1962 en meer bepaald of de onteigenende instantie zich al dan niet terecht kon beroepen op hoogdringende omstandigheden die de toepassing van die wet zou kunnen verantwoorden (de door die wet gestelde vereiste van de « onontbeerlijke onmiddellijke inbezitneming »). B.3.
- Bij het decreet van 24 februari 2017 heeft de decreetgever één overkoepelende onteigeningsprocedure ingevoerd voor alle onteigeningen binnen het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de onteigeningen door de federale overheid of door de federale overheid gemachtigde instellingen die op federale bevoegdheden betrekking hebben. Die procedure bestaat uit twee fasen : een bestuurlijke en een gerechtelijke fase. B.3.
- De bestuurlijke fase vangt aan met een voorlopig onteigeningsbesluit, opgesteld door de onteigenende instantie (artikel 10), dat moet worden onderworpen aan een openbaar 7 onderzoek (artikelen 17 tot 23). Na afloop van het openbaar onderzoek kan de onteigenende instantie een definitief onteigeningsbesluit opstellen (artikel 28), dat door belanghebbenden kan worden aangevochten voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (artikel 43). Voor sommige onteigenende instanties is voorafgaand aan het definitieve onteigeningsbesluit een machtiging vereist (artikelen 8 en 9). De gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure vangt aan wanneer de onteigenende instantie, op basis van het definitieve onteigeningsbesluit, de zaak aanhangig maakt voor de vrederechter (artikel 46). Na de inleidingszitting dient de vrederechter allereerst uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening (artikel 50, § 1). Tegen dat vonnis kan hoger beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 54). Wanneer de vrederechter oordeelt dat de onteigening wettig is, stelt hij een deskundige aan en bepaalt hij de datum en het uur voor de installatievergadering op de plaats van het onroerend goed in aanwezigheid van de partijen en de aangestelde deskundige (artikel 50, § 2). Na de installatievergadering en na ontvangst van het verslag van de deskundige, bepaalt de vrederechter een provisionele onteigeningsvergoeding, die door de onteigenende instantie moet worden gestort in de Deposito- en Consignatiekas (artikelen 52 en 53, eerste lid). Na de betekening aan alle betrokken partijen van een afschrift van het bewijs van storting van de vergoeding, neemt de onteigenende instantie bezit van het onroerend goed, tenzij de vrederechter een ander ogenblik van inbezitneming heeft bepaald (artikel 53, derde lid). Na het overzenden van het deskundig eindverslag houdende het advies over de definitieve vergoeding, kan de meest gerede partij de vrederechter om de instaatstelling verzoeken van de beoordeling van de definitieve onteigeningsvergoeding (artikel 57). Tegen het vonnis waarbij de vrederechter uitspraak doet over de definitieve onteigeningsvergoeding, kan hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 59). B.
- Volgens artikel 125 van het decreet van 24 februari 2017 treedt het decreet in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum. Bij artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 « tot uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 » werd de datum van inwerkingtreding van het decreet bepaald op 1 januari
- B.5.
- Volgens het in het geding zijnde artikel 122 van het decreet van 24 februari 2017 zijn de wetten en decreten die vóór de inwerkingtreding van dat decreet de 8 onteigeningsprocedure regelden, waaronder de wet van 26 juli 1962 (artikel 122, 4°, van het decreet van 24 februari 2017), opgeheven in het Vlaamse Gewest. B.5.
- Het in het geding zijnde artikel 124 van het decreet van 24 februari 2017 bevat een overgangsregeling voor onteigeningsprocedures die op de datum van de inwerkingtreding van het decreet lopende waren. Die bepaling maakt een onderscheid, naargelang de bestuurlijke fase, dan wel de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure lopende was. Volgens het eerste lid van artikel 124 van het decreet van 24 februari 2017 is titel 3 van dat decreet, bevattende de bepalingen betreffende de bestuurlijke fase van de onteigening, niet van toepassing op lopende administratieve procedures en blijven die procedures onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het decreet. Volgens het tweede lid van dat artikel dient de onteigenende instantie voor de onteigeningen waarvan de bestuurlijke fase heeft plaatsgevonden met toepassing van de regels zoals die bestonden vóór de inwerkingtreding van het decreet, uiterlijk de tiende dag voorafgaand aan de inleidingszitting ter griffie van het vredegerecht het administratief dossier neer te leggen « zoals die overeenkomstig deze regels diende te zijn samengesteld ». Het derde lid van artikel 124 van het decreet van 24 februari 2017 bepaalt dat titel 4 van dat decreet, bevattende de bepalingen betreffende de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure, niet van toepassing is op lopende gerechtelijke procedures die onderworpen blijven aan de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het decreet. B.6.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter betrekking heeft op een onteigeningsprocedure, waarvan de bestuurlijke fase, die volgens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 was verlopen, afgerond werd vóór de inwerkingtreding van het decreet van 24 februari 2017, en waarvan de gerechtelijke fase is aangevangen na de inwerkingtreding van dat decreet, waardoor de relevante bepalingen van dat decreet van toepassing zijn op die fase. B.6.
- De verwijzende rechter interpreteert de artikelen 122, 4°, en 124 van het decreet van 24 februari 2017 in die zin dat wanneer de bestuurlijke fase is verlopen volgens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 en de gerechtelijke fase verloopt volgens de bepalingen 9 van het decreet van 24 februari 2017, het niet toekomt aan de rechter om te controleren of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de wet van 26 juli 1962 en meer bepaald of de onteigenende instantie zich al dan niet terecht kon beroepen op hoogdringende omstandigheden die de toepassing van de wet van 26 juli 1962 konden verantwoorden. B.
- De wet van 26 juli 1962 bevat een van het gemeen recht afwijkende onteigeningsprocedure, die kan worden toegepast in geval van « hoogdringende omstandigheden ». Op grond van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 kan de onteigening immers slechts volgens de regels van die wet geschieden wanneer de Koning, de gemeenschaps- of gewestregering of, bij wege van delegatie, de bevoegde minister « vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is ». Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat de rechter die op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 dient te oordelen of de vordering regelmatig is ingesteld, de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn en het plan van de grondinnemingen van toepassing is op het goed waarvan de onteigening wordt gevorderd, eveneens dient te onderzoeken of « de onteigenaar geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip hoogdringendheid te miskennen » (Cass., 22 januari 1998, Arr. Cass., 1998, nr. 45). B.8.
- Zoals is vermeld in B.5.2, moet de onteigenende instantie, wat de onteigeningen betreft waarvan de bestuurlijke fase heeft plaatsgevonden met toepassing van de regels zoals die bestonden vóór de inwerkingtreding van het decreet van 24 februari 2017, het administratief dossier dat ter griffie van de vrederechter moet worden ingediend, samenstellen overeenkomstig de regels die van toepassing waren op de bestuurlijke fase (artikel 124, tweede lid, van het decreet van 24 februari 2017). Wanneer de bestuurlijke fase van de onteigening is verlopen volgens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962, dient het aan de griffie van de vrederechter overgezonden administratief dossier aldus te zijn samengesteld overeenkomstig de bepalingen van die wet, ook wanneer de gerechtelijke fase van de onteigening verloopt volgens de bepalingen van het decreet van 24 februari
- Dit brengt met zich mee dat het administratief dossier in dat geval de « elementen [moet bevatten] die de hoogdringende omstandigheden kunnen verantwoorden » (RvSt, 17 oktober 2011, nr. 215.772; 17 januari 2012, nr. 217.247). 10 B.8.
- Volgens artikel 50, § 1, eerste lid, van het decreet van 24 februari 2017, dat deel uitmaakt van titel 4 (« De gerechtelijke fase ») van dat decreet, doet de vrederechter binnen drie maanden na de inleidingszitting uitspraak over de wettigheid van de onteigening. Pas nadat de vrederechter oordeelt dat de onteigening wettig is, stelt hij een deskundige aan met het oog op de opmaak van een plaatsbeschrijving en van een adviserend verslag over de onteigeningsvergoeding en bepaalt hij de datum en het uur voor de installatievergadering op de plaats van het onroerend goed in aanwezigheid van de partijen en de aangestelde deskundige (artikel 50, § 2). Tegen het vonnis waarbij de vrederechter uitspraak doet over de wettigheid van de onteigening, kan hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg door, afhankelijk van de beslissing van de vrederechter, de onteigenende instantie of elke partij die de wettigheid van de onteigening heeft betwist (artikel 54, § 1). B.
- De vrederechter dient, in het kader van de bij het decreet van 24 februari 2017 geregelde gerechtelijke fase van de onteigening, te oordelen over de wettigheid van de onteigening op basis van het door de onteigenende instantie neergelegd administratief dossier. Wanneer de bestuurlijke fase van de onteigening is verlopen met toepassing van de wet van 26 juli 1962, dient dat administratief dossier te zijn samengesteld overeenkomstig de regels van die wet. De in het geding zijnde bepalingen kunnen bijgevolg kennelijk niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het niet toekomt aan de rechter, in de in de prejudiciële vraag omschreven omstandigheden, om te controleren of de onteigenende instantie al dan niet correct toepassing heeft gemaakt van de wet van 26 juli 1962 en al dan niet machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip hoogdringendheid te miskennen. De omstandigheid dat het decreet van 24 februari 2017 niet voorziet in een mogelijkheid voor de onteigenende overheid om een onroerend goed onmiddellijk in bezit te nemen, kan kennelijk geen afbreuk doen aan de door de artikelen 50, § 1, eerste lid, en 124 van het decreet van 24 februari 2017 aan de vrederechter verleende bevoegdheid om de wettigheid te beoordelen van een op basis van de wet van 26 juli 1962 verlopen bestuurlijke onteigeningsfase. B.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de bepalingen die hij toepast te interpreteren. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd in een interpretatie die kennelijk verkeerd is, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van die bepalingen niet. 11 B.
- Daar de prejudiciële vraag berust op een kennelijk verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, behoeft die vraag geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div