id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.057 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.4 Arrest- Rolnummer: 57/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 1172 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 2, b), 3 tot 11 en 14 van de wet van 29 mei 2016 «betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie» en verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de wet van 29mei 2016 «betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie», ingesteld door de«Ordre des barreaux francophones et germanophone», door de vzw«Académie Fiscale» en JeanPierreRiquet, door de vzw«Liga voor Mensenrechten» en de vzw«Ligue des Droits de l'Homme» en door PatrickVanAssche en anderen. Telecommunicatie - Elektronische communicatie - Verzameling en bewaring van de gegevens. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-2016 - 2,
- b)- 03 ELI link Pub nr 2016009288 Wet - 29-05-2016 - 3 tot 11 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Wet - 29-05-2016 - 14 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Tekst van de beslissing Rolnummers 6590, 6597, 6599 en 6601 Arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet, door de vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » en door Patrick Van Assche en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 januari 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 januari 2017, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens en Mr. J.-F. Henrotte, advocaten bij de balie te Luik, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 2016). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 januari 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 januari 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Académie Fiscale » en Jean Pierre Riquet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 januari 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 januari 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vander Velpen, advocaat bij de balie van Antwerpen, en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Jespers, avocaat bij de balie van Antwerpen. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 januari 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door Patrick Van Assche, Christel Van Akeleyen en Karina De Hoog, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6590, 6597, 6599 en 6601 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij tussenarrest nr. 96/2018 van 19 juli 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 september 2018, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « 1. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met het recht op veiligheid, gewaarborgd bij artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en het recht op eerbiediging van de persoonsgegevens, zoals gewaarborgd bij de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en aanbieders van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van de richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van het aanbieden van die diensten, te bewaren, nationale regeling die niet alleen ten doel heeft het onderzoeken, opsporen en vervolgen van feiten van zware criminaliteit, maar ook het waarborgen van de nationale veiligheid, de verdediging van het grondgebied en van de openbare veiligheid, het onderzoeken, opsporen en vervolgen van andere feiten dan die van zware criminaliteit of het voorkomen van een verboden gebruik van de elektronische communicatiesystemen, of de verwezenlijking van een andere doelstelling die is geïdentificeerd bij artikel 23, lid 1, van de Verordening (EU) 2016/679 en die bovendien onderworpen is aan 3 nader in die regeling opgenomen waarborgen op het vlak van de bewaring van de gegevens en van de toegang ertoe ? 2. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 4, 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en aanbieders van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van de richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van het aanbieden van die diensten, te bewaren, indien die regeling mede tot doel heeft om de op de overheid rustende positieve verplichtingen ingevolge de artikelen 4 en 8 van het Handvest te bewerkstelligen om te voorzien in een wettelijk kader dat een effectief strafrechtelijk onderzoek en een daadwerkelijke bestraffing van seksueel misbruik van minderjarigen mogelijk maakt en het effectief mogelijk maakt om de pleger van het misdrijf te identificeren, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van elektronische communicatiemiddelen ? 3. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van het antwoord verstrekt op de eerste of de tweede prejudiciële vraag tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde en bewaarde gegevens alsnog kunnen gebruikt worden voor de door de wet beoogde doeleinden ? ». Bij arrest van 6 oktober 2020 in de zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord. Bij beschikking van 21 oktober 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey te hebben behoord, beslist : - de debatten te heropenen; - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 23 november 2020 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt mee te delen ten aanzien van de weerslag van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de thans voorliggende zaken; - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 25 november 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij in de zaak nr. 6590; - de verzoekende partijen in de zaak nr. 6599; 4 - de verzoekende partijen in de zaak nr. 6601; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. de Lophem en Mr. S. Depré, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaken nrs. 6590 en 6597); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen (in de zaken nrs. 6599 en 6601). Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 november 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 9 december 2020. Op de openbare terechtzitting van 9 december 2020 : - zijn verschenen : . Me E. Kiehl, advocaat bij de balie te Luik, loco Mr. E. Lemmens, en Mr. J.-F. Henrotte, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 6590; . Mr. R. Jespers en Mr. J. Fermon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6599; . D. Pattyn, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6601; . Mr. E. de Lophem, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad (in de zaken nrs. 6590 en 6597); . Mr. J. Vanpraet, voor de Ministerraad (in de zaken nrs. 6599 en 6601); - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de aanvullende memories ingediend na het op 6 oktober 2020 door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen arrest A.1.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : OBFG) betoogt dat de wet « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie » (hierna : de bestreden wet) aan geen enkele voorwaarde voldoet met betrekking tot de uitzonderingen op het verbod 5 op de algemene bewaring van de gegevens, die door het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn aanvaard bij zijn arrest van 6 oktober 2020, in zake La Quadrature du Net en andere (C-511/18, C-512/18 en C-520/18), en dat daarbij niet in de vereiste daadwerkelijke waarborgen wordt voorzien. A.1.2. Volgens de OBFG wordt bij de bestreden wet in geen enkel stadium van de procedure een jurisdictionele controle georganiseerd van het verzamelen van de gegevens, noch van het bewaren ervan. De rechterlijke controle op de toegang waarom wordt verzocht in het kader van een strafonderzoek of de door de BIM-commissie uitgeoefende controle, wat de inlichtingendiensten betreft, hebben immers alleen betrekking op de toegang tot de gegevens. Die controles zijn daarenboven geen rechtsmiddelen die openstaan voor belanghebbende derden. Wat betreft de mogelijkheid voor een lidstaat om wettelijke maatregelen te nemen die toelaten gebruik te maken van een bevel aan de aanbieders van diensten om over te gaan tot een algemene en ongedifferentieerde bewaring van bepaalde gegevens, los van de ontstentenis van voldoende waarborgen, beperkt de bestreden wet zich niet ertoe precieze situaties te beogen die te maken hebben met een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de nationale veiligheid. De bestreden wet voorziet evenmin in een verplichting tot gerichte bewaring van de verkeers- en locatiegegevens en maakt geen enkel onderscheid tussen de betrokken personen, ongeacht of zij al dan niet bij een onderzoek zijn betrokken of al dan niet aan een beroepsgeheim zijn onderworpen. Wat betreft de mogelijkheid om te voorzien in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van de aan de bron van een verbinding toegewezen IP-adressen, beoogt de bestreden wet drie categorieën van gegevens : identificatiegegevens, gegevens met betrekking tot toegang en verbinding, alsook communicatiegegevens. Bovendien wordt de periode niet beperkt tot het strikt noodzakelijke. De OBFG doet gelden dat de voorwaarden met betrekking tot de laatste twee door het Hof van Justitie aanvaarde uitzonderingen niet vervuld zijn, aangezien het nagestreefde doel, net zoals de bewaarde gegevens, te ruim is, en aangezien niet in enige daadwerkelijke controle wordt voorzien. De OBFG verwijst naar de punten 117 en 118 van het arrest van het Hof van Justitie met betrekking tot de advocaten en de andere personen die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, en preciseert dat de gegevens die krachtens de bestreden wet worden verzameld en bewaard, het mogelijk maken te bepalen of een advocaat is geraadpleegd door een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon, en die advocaat en zijn gesprekpartners, alsook de data en uren van de communicatie te identificeren. A.1.3. Tot slot is de OBFG van mening dat het Hof niet ertoe gemachtigd is om, in geval van vernietiging, de gevolgen van de bestreden wet te handhaven. A.2.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6599 betogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 volgt dat de middelen gegrond zijn en dat de bestreden wet in haar geheel moet worden vernietigd. Alle bepalingen van de bestreden wet zijn immers verbonden met de verplichting tot algemene en ongedifferentieerde bewaring van de verkeers- en locatiegegevens, die door het Hof van Justitie is afgekeurd. A.2.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat geen enkele van de bepalingen van de bestreden wet overeenstemt met een van de vijf hypotheses die het Hof van Justitie verenigbaar heeft geacht met artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie » (hierna : de richtlijn 2002/58/EG). Zo bevat de bestreden wet geen enkele specifieke bepaling met betrekking tot de bewaring van de IP-adressen voor een periode die vanuit een temporeel oogpunt tot het strikt noodzakelijke is beperkt, de bewaring van de gegevens inzake de burgerlijke identiteit van de gebruikers, de verplichting die aan diegenen die de gegevens bewaren en aan de operatoren zou kunnen worden opgelegd om realtime een analyse van de verkeers- en de locatiegegevens uit te voeren, of de realtimebewaring van technische gegevens met betrekking tot de locatie van de eindapparatuur. In elk geval bevat de bestreden wet geen duidelijke en nauwkeurige regels volgens dewelke de gegevens worden bewaard overeenkomstig de daaraan verbonden materiële en procedurele modaliteiten, noch daadwerkelijke waarborgen tegen het risico van misbruik, zoals het Hof van Justitie nochtans vereist. A.2.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat het arrest van het Hof van Justitie het niet mogelijk maakt in geval van vernietiging de gevolgen van de bestreden wet te handhaven en dat het de strafrechter niet is toegestaan informatie of bewijselementen die zijn verzameld met toepassing van die wet te gebruiken, zodat die informatie of die elementen bijgevolg uit het dossier moeten worden verwijderd. Zij vragen zich af of de drie door 6 het Hof van Justitie vermelde voorwaarden die, wanneer zij vervuld zijn, de strafrechter de verplichting opleggen de informatie of de bewijselementen terzijde te schuiven die door de algemene en ongedifferentieerde bewaring van de gegevens zijn verkregen, al dan niet cumulatief zijn, en zijn in ondergeschikte orde van mening dat het bestaan van een enkele van de drie voorwaarden volstaat om de voormelde informatie of elementen uit de debatten te weren. A.3.1. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 6601 gelden dat de bestreden wet geen systeem invoert dat een algemeen bevel tot bewaring van de gegevens, noch een gerichte bewaring, noch een bevel tot snelle bewaring in de zin waarin het Hof van Justitie dat begrijpt, mogelijk maakt. De verplichting tot bewaring is het directe en uitsluitende gevolg van de bestreden wet, zonder dat een bevoegde overheid daartoe de in de wet beoogde aanbieders en operatoren dat dient te gelasten. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden wet niet voorziet in een specifieke regeling ten aanzien van de IP-adressen en de identificatiegegevens. Artikel 126, § 3, vierde lid, van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005) verleent dienaangaande een delegatie aan de Koning. In die delegatie worden de te bewaren gegevens niet voldoende nauwkeurig beschreven en worden de essentiële voorwaarden waaraan die gegevens moeten voldoen, evenmin vastgelegd. Zij voldoet bijgevolg niet aan de vereisten van het Hof van Justitie. Bovendien bevat de bestreden wet geen enkel onderscheid, geen enkele beperking of geen enkele uitzondering naar gelang van het met de bewaring van de gegevens nagestreefde doel. Zij betreft alle personen die gebruikmaken van elektronische communicatiemiddelen, zelfs indien er geen enkele aanwijzing is dat hun gedrag verbonden is met ernstige strafbare feiten. De bewaring van die gegevens is evenmin beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is met het oog op de verwezenlijking van de nagestreefde doelen. Het staat aan de wetgever een geheel nieuwe volledige regeling in te voeren. Wat het derde onderdeel betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar punt 118 van het arrest van het Hof van Justitie over de weerslag van de verplichting tot algemene bewaring van de gegevens op personen die tot het beroepsgeheim zijn gehouden en op klokkenluiders. A.3.2. Wat het tweede middel betreft, betogen de verzoekende partijen dat de vernietiging van de verplichting tot bewaring van de gegevens noodzakelijkerwijs de vernietiging van de toegang tot die gegevens met zich meebrengt. Wat het eerste onderdeel betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden wet de gerechtelijke autoriteiten ertoe machtigt toegang te hebben tot de gegevens voor elk misdrijf. Bovendien kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het kader van een groot aantal onvoldoende afgebakende potentiële bedreigingen toegang hebben tot de gegevens, zonder dat hun machtiging voldoende wordt beperkt. De bestreden wet beperkt dus niet de toegang tot de gegevens die aldus worden bewaard teneinde de nationale veiligheid te waarborgen en de zware criminaliteit te bestrijden. De verzoekende partijen doen gelden dat in tegenstelling tot het arrest van 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal (C-207/16), dat betrekking heeft op identificatiegegevens van commerciële aard, waartoe de bevoegde autoriteiten toegang kunnen hebben zonder dat die toegang wordt beperkt tot de doeleinden van de strijd tegen zware criminaliteit, het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 de toegang tot de gegevens beperkt tot heel precieze doeleinden, namelijk de nationale veiligheid waarborgen, zware criminaliteit bestrijden en ernstige bedreigingen voor de openbare veiligheid voorkomen. De verzoekende partijen doen gelden dat het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 niet relevant is om het tweede onderdeel van het middel te beoordelen, dat de ontstentenis betreft van voorafgaande controle van de toegang tot de gegevens die een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit moet uitoefenen, aangezien de gegevens die zijn verzameld op basis van een met het Unierecht strijdig geachte verplichting tot bewaring niet mogen worden verwerkt, los van de vraag of een voorafgaande controle al dan niet is georganiseerd. Artikel 88bis van het Wetboek van strafvordering, zoals het is gewijzigd bij artikel 9 van de bestreden wet, biedt de onderzoeksrechter de mogelijkheid toegang te hebben tot de bewaarde gegevens voor het opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben. Met die toegang wordt het opsporen van de verkeersgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan en het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties beoogd. Die toegang betreft dus niet de identificatiegegevens. Het voormelde artikel 88bis kan dus niet worden gehandhaafd 7 teneinde de toegang tot die gegevens te verkrijgen. De (commerciële) identificatiegegevens mogen door de aanbieders en de operatoren pas worden medegedeeld nadat de onderzoeksrechter daartoe een bevel heeft gegeven, overeenkomstig artikel 88quater, § 2, van het Wetboek van strafvordering. A.3.3. Wat het derde middel betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat de vernietiging van de verplichting tot bewaring zich noodzakelijkerwijs ook uitstrekt tot de bewaringstermijnen van die gegevens en dat het aan de betrokken personen (aanbieders en operatoren, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, enz.) staat de met toepassing van de bestreden wet verzamelde telecommunicatiegegevens te wissen. A.3.4. Wat het vierde middel betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar het in het geding zijnde arrest van 16 juli 2020, Schrems II, waarbij het Hof van Justitie het uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 « overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming » vernietigt. A.3.5. De verzoekende partijen doen gelden dat in geval van vernietiging, het arrest van het Hof van Justitie C-511/18 zich verzet tegen de handhaving van de gevolgen van de bestreden wet. Artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering moet in die zin worden geïnterpreteerd dat het de rechter ertoe verplicht de met toepassing van de bestreden wet verzamelde gegevens als bewijs uit te sluiten. Het gebruik van die gegevens is immers strijdig met het recht op een eerlijk proces, indien de personen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, niet over een reële mogelijkheid beschikken om die informatie en de bewijselementen op dienstige wijze uit te leggen, indien die informatie en bewijselementen betrekking hebben op een technisch domein waarover de rechter geen kennis heeft en indien zij een beslissende invloed kunnen hebben op zijn beoordeling van de feiten. Voor het overige moeten de gegevens, wat betreft een ander gebruik ervan dan als bewijs in een strafprocedure, door de betrokken personen (aanbieders en operatoren, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, enz.) worden vernietigd. A.4.1. Volgens de Ministerraad volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 dat een algemene en ongedifferentieerde wettelijke verplichting tot bewaring, in elk geval wat betreft de aan de bron van een verbinding toegewezen IP-adressen en de gegevens inzake de burgerlijke identiteit van de gebruikers van elektronische communicatiemiddelen, verenigbaar is met de richtlijn 2002/58/EG en met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.4.2. De Ministerraad betoogt dat de verplichting tot bewaring van de aan de bron toegewezen IP-adressen, zoals bepaald bij de bestreden wet, er is « met het oog op de strijd tegen de zware criminaliteit en de preventie van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid […], net zoals de vrijwaring van de nationale veiligheid », zoals wordt aangetoond door het feit dat de toegang tot die gegevens wordt geregeld in artikel 126, § 2, van de wet van 13 juni 2005. Dat geldt des te meer daar bij de toegang tot de gegevens steeds de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit in acht moeten worden genomen. Zo is, volgens de Ministerraad, de toegang tot die gegevens in het kader van een strafonderzoek slechts mogelijk voor de opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 88bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering. In het kader van een opsporingsonderzoek, daarentegen, is het slechts mogelijk toegang te hebben tot de in artikel 46bis van hetzelfde Wetboek bedoelde identificatiegegevens teneinde misdaden en wanbedrijven op te sporen en onder voorbehoud dat de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit in acht worden genomen. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen slechts toegang hebben tot de aan de bron toegewezen IP-adressen in het belang van het vervullen van hun opdrachten, zoals zij wettelijk zijn beschreven. Elke officier van gerechtelijke politie van het BIPT kan slechts toegang hebben tot de gegevens met het oog op het opsporen, het onderzoek en de vervolging van inbreuken op de artikelen 114, 124 en 126 van de wet van 13 juni 2005. Tot slot draagt de toegang tot die gegevens door een officier van de Cel Vermiste Personen, voor een periode die tot 48 uren is beperkt, ook bij tot de door het Hof van Justitie bepaalde doelstellingen. Dienaangaande is de Ministerraad van oordeel dat de bewaringstermijn van de aan de bron toegewezen IP-adressen, die twaalf maanden bedraagt, niet verder reikt dan hetgeen strikt noodzakelijk is om de nagestreefde doelstelling te bereiken. Volgens de Ministerraad zijn de bewaring en de toegang tot de voormelde IP-adressen aan strikte voorwaarden onderworpen en maken zij het voorwerp uit van de vereiste controlemechanismen. A.4.3. De Ministerraad betoogt dat de verplichting tot bewaring van de civiele-identiteitsgegevens van de gebruikers van elektronische communicatiemiddelen verenigbaar is met de in de middelen aangevoerde bepalingen. Hij herinnert eraan dat die verplichting tot bewaring gepaard gaat met de noodzakelijke waarborgen op het vlak van toegang, bewaring en controle. 8 A.4.4. Wat betreft de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie op de bestreden wet, onderstreept de Ministerraad dat de aan de bron toegewezen IP-adressen identificatiegegevens vormen in de zin van artikel 126, § 3, eerste lid, van de wet van 13 juni 2005. Dat soort van gegevens vormen geen verkeersgegevens. Zowel de algemene en ongedifferentieerde verplichting tot het bewaren van de gegevens inzake de burgerlijke identiteit van de gebruikers van elektronische communicatie als de algemene en ongedifferentieerde verplichting tot het bewaren van de aan de bron van een verbinding toegewezen IP-adressen worden beoogd in artikel 126, § 3, eerste lid, van de wet van 13 juni 2005. Naar de mening van de Ministerraad is de bestreden wet dus in elk geval wat betreft die punten verenigbaar met de in de middelen aangevoerde bepalingen. Een eventuele vernietiging van de bestreden wet zou moeten worden beperkt tot artikel 126, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 13 juni 2005. Aangezien de algemene en ongedifferentieerde verplichting tot het bewaren van die twee soorten van gegevens verenigbaar is met de in de middelen aangevoerde bepalingen, zouden de andere bepalingen van de bestreden wet evenmin moeten worden vernietigd. Zij bevatten immers de noodzakelijke waarborgen op het vlak van bewaring en toegang tot die gegevens. -B– Ten aanzien van de bestreden wet en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie », die bepaalt : « HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie Art. 2. In artikel 2 van de wet [van] 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt : ‘ 11° “ operator ” : ieder persoon die onder de verplichting valt een kennisgeving te doen overeenkomstig artikel 9; ’;
- b)in de plaats van de bepaling onder 74°, vernietigd bij arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, wordt een als volgt luidende bepaling onder 74° ingevoegd : ‘ 74° “ Oproeppoging zonder resultaat ” : een communicatie waarbij een oproep wel tot een verbinding heeft geleid, maar onbeantwoord is gebleven of via het netwerkbeheer is beantwoord. ’. 9 Art. 3. Artikel 125, § 2, van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 4. In dezelfde wet wordt in de plaats van artikel 126, vernietigd bij arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 126 ingevoegd : ‘ Art. 126. § 1. Onverminderd de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, dienen de aanbieders aan het publiek van telefoniediensten, via internet inbegrepen, van internettoegang, van e-mail via het internet, de operatoren die openbare elektronische-communicatienetwerken aanbieden, alsook de operatoren die een van deze diensten verstrekken, de in paragraaf 3 bedoelde gegevens die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van de verstrekking van de betrokken communicatiediensten, te bewaren. Dit artikel heeft geen betrekking op de inhoud van de communicatie. De verplichting om de in paragraaf 3 bedoelde gegevens te bewaren, is ook van toepassing op oproeppogingen zonder resultaat, voor zover die gegevens in verband met de aanbieding van de bedoelde communicatiediensten : 1° wat de telefoniegegevens betreft, worden gegenereerd of verwerkt door de operatoren van openbare elektronische-communicatiediensten of van een openbaar netwerk voor elektronische communicatie, of 2° wat de internetgegevens betreft, door deze aanbieders worden gelogd. § 2. Enkel de volgende overheden mogen op eenvoudig verzoek van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde aanbieders en operatoren gegevens ontvangen die worden bewaard krachtens dit artikel om de doeleinden en volgens de hieronder opgesomde voorwaarden : 1° de gerechtelijke autoriteiten, met het oog op het opsporen, het onderzoek en de vervolging van inbreuken, voor de uitvoering van de in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering beoogde maatregelen en volgens de voorwaarden bepaald in die artikelen; 2° de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, teneinde de inlichtingenopdrachten met inzet van de methoden voor het vergaren van gegevens zoals bedoeld in de artikelen 16/2, 18/7 en 18/8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te vervullen en volgens de voorwaarden vastgelegd in die wet; 3° elke officier van gerechtelijke politie van het Instituut, met het oog op het opsporen, het onderzoek en de vervolging van inbreuken op de artikelen 114, 124 en dit artikel; 4° de hulpdiensten die hulp ter plaatse bieden, wanneer ze naar aanleiding van een noodoproep, van de betrokken aanbieder of operator niet de identificatiegegevens van de oproeper ontvangen met behulp van de databank beoogd in artikel 107, § 2, derde lid, of onvolledige of onjuiste gegevens krijgen. Enkel de identificatiegegevens van de oproeper mogen worden gevraagd en uiterlijk binnen 24 uur na de oproep; 5° de officier van gerechtelijke politie van de Cel Vermiste Personen van de federale politie, in het kader van zijn opdracht tot het verlenen van hulp aan personen in nood, opsporing 10 van personen van wie de verdwijning onrustwekkend is en wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen bestaan dat de fysieke integriteit van de vermiste persoon in onmiddellijk gevaar is. Enkel de gegevens die zijn beoogd in paragraaf 3, eerste en tweede lid, met betrekking tot de vermiste persoon en bewaard gedurende de 48 uur voorafgaand aan het verzoek om de gegevens te krijgen, mogen worden gevraagd aan de operator of de aanbieder in kwestie via een door de Koning aangewezen politiedienst; 6° de Ombudsdienst voor telecommunicatie, met het oog op de identificatie van de persoon die kwaadwillig gebruik heeft gemaakt van een elektronische-communicatienetwerk of -dienst, conform de voorwaarden beoogd in artikel 43bis, § 3, 7°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Enkel de identificatiegegevens mogen worden gevraagd. De aanbieders en operatoren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor dat de in paragraaf 3 bedoelde gegevens onbeperkt toegankelijk zijn vanuit België en dat deze gegevens, en alle andere daarmee verband houdende vereiste informatie onverwijld en uitsluitend aan de in deze paragraaf bedoelde autoriteiten kunnen worden meegedeeld. Onverminderd andere wettelijke voorschriften mogen de aanbieders en operatoren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, de krachtens paragraaf 3 bewaarde gegevens niet gebruiken voor andere doeleinden. § 3. De gegevens ter identificatie van de gebruiker of de abonnee en de communicatiemiddelen, met uitzondering van de gegevens waarin het tweede en derde lid specifiek voorzien, worden gedurende twaalf maanden bewaard vanaf de datum waarop communicatie voor de laatste maal mogelijk is via de gebruikte dienst. De gegevens met betrekking tot de toegang tot en de verbinding van de eindapparatuur met het netwerk en met de dienst en met betrekking tot de plaats van die apparatuur, inclusief het netwerkaansluitpunt, worden bewaard gedurende twaalf maanden, vanaf de datum van de communicatie. De communicatiegegevens, met uitzondering van de inhoud, met inbegrip van hun herkomst en hun bestemming, worden gedurende twaalf maanden bewaard vanaf de datum van de communicatie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van Justitie en van de minister, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de te bewaren gegevens per type van categorie bedoeld in het eerste tot derde lid alsook de vereisten waaraan deze gegevens moeten beantwoorden. § 4. Wat betreft de bewaring van de gegevens bedoeld in paragraaf 3, dienen de aanbieders en operatoren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid : 1° te garanderen dat de bewaarde gegevens dezelfde kwaliteit hebben en onderworpen worden aan dezelfde beveiligings- en beschermingsmaatregelen als de gegevens in het netwerk; 2° ervoor te zorgen dat de bewaarde gegevens worden onderworpen aan passende technische en organisatorische maatregelen om de gegevens te beveiligen tegen vernietiging, 11 hetzij per ongeluk, hetzij onrechtmatig, tegen verlies of wijziging per ongeluk, niet-toegelaten of onrechtmatige opslag, verwerking, toegang of openbaarmaking; 3° te garanderen dat de toegang tot de bewaarde gegevens om te antwoorden op de verzoeken van de autoriteiten bedoeld in paragraaf 2, enkel gebeurt door een of meer leden van de Coördinatiecel bedoeld in artikel 126/1, § 1; 4° de gegevens op het grondgebied van de Europese Unie te bewaren; 5° te zorgen voor maatregelen van technologische beveiliging die de bewaarde gegevens, vanaf hun registratie, onleesbaar en onbruikbaar maken voor elke persoon die niet gemachtigd is om er toegang toe te hebben; 6° ervoor te zorgen dat de bewaarde gegevens na afloop van de bewaringstermijn die voor die gegevens geldt zoals vastgelegd in paragraaf 3, worden verwijderd van elke drager, onverminderd de artikelen 122 en 123; 7° ervoor te zorgen dat het gebruik van de bewaarde gegevens kan worden opgespoord voor elk verzoek om deze gegevens te verkrijgen vanwege een autoriteit bedoeld in paragraaf 2. De in het eerste lid, 7°, bedoelde opspoorbaarheid wordt verwezenlijkt aan de hand van een logboek. Het Instituut en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer mogen dat logboek raadplegen of een kopie van een deel of van het geheel van dat logboek eisen. Het Instituut en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer sluiten een protocol tot samenwerking voor de raadpleging van en het toezicht op dat logboek. § 5. De minister en de minister van Justitie zorgen ervoor dat statistieken inzake de bewaring van de gegevens die worden gegenereerd of verwerkt in het kader van de verstrekking van openbaar toegankelijke communicatienetwerken en -diensten jaarlijks worden bezorgd aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Die statistieken omvatten met name : 1° de gevallen waarin overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen gegevens zijn verstrekt aan de bevoegde autoriteiten; 2° de tijd die is verstreken tussen de datum waarop de gegevens zijn bewaard en de datum waarop de bevoegde autoriteiten om de overdracht ervan verzochten; 3° de gevallen waarin verzoeken om gegevens niet konden worden ingewilligd. Die statistieken mogen geen persoonsgegevens omvatten. De gegevens die betrekking hebben op de toepassing van paragraaf 2, 1°, worden tevens bijgevoegd bij het verslag dat de minister van Justitie overeenkomstig artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering moet uitbrengen aan het Parlement. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie en de minister en op advies van het Instituut, de statistieken die de aanbieders en operatoren bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 12 jaarlijks bezorgen aan het Instituut en die welke het Instituut bezorgt aan de minister en aan de minister van Justitie. § 6. Onverminderd het verslag bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, brengen de minister en de minister van Justitie, twee jaar na de inwerkingtreding van het in paragraaf 3, vierde lid, bedoelde koninklijk besluit een evaluatieverslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over de toepassing van dit artikel, teneinde na te gaan of het nodig is bepalingen aan te passen, inzonderheid wat betreft de te bewaren gegevens en de bewaringstermijn. ’. Art. 5. In dezelfde wet wordt een artikel 126/1 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 126/1. § 1. Binnen elke operator en elke aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, wordt een Coördinatiecel opgericht, belast met het verstrekken aan de wettelijk bevoegde Belgische autoriteiten, op hun verzoek, van de gegevens bewaard krachtens de artikelen 122, 123 en 126, de identificatiegegevens van de oproeper krachtens artikel 107, § 2, eerste lid, of de gegevens die kunnen worden gevorderd krachtens de artikelen 46bis, 88bis en 90ter van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 18/7, 18/8, 18/16 en 18/17 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomend geval kunnen verscheidene operatoren of aanbieders een gemeenschappelijke Coördinatiecel oprichten. In dergelijk geval moet deze Coördinatiecel voorzien in dezelfde dienst voor elke operator of aanbieder. Om deel uit te maken van de Coördinatiecel dienen de leden : 1° het voorwerp [te] hebben uitgemaakt van een positief en niet-achterhaald veiligheidsadvies conform artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen; 2° niet het voorwerp [te] hebben uitgemaakt van een weigering door de minister van Justitie, waarbij die weigering met redenen moet worden omkleed en zich te allen tijde kan voordoen. Een advies wordt als achterhaald beschouwd 5 jaar na zijn verstrekking. De operatoren en aanbieders die geen van de diensten bedoeld in artikel 126, § 1, verstrekken, zijn vrijgesteld van de in het derde lid, 1°, beoogde voorwaarde. Enkel de leden van de Coördinatiecel mogen antwoorden op de verzoeken van de autoriteiten met betrekking tot de gegevens bedoeld in het eerste lid. Ze mogen echter, onder hun toezicht en binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke, technische hulp krijgen van aangestelden van de operator of van de aanbieder. De leden van de Coördinatiecel en de aangestelden die technische bijstand verlenen, zijn onderworpen aan het beroepsgeheim. Elke operator en elke aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, waakt over de vertrouwelijkheid van de gegevens die worden behandeld door de Coördinatiecel en deelt onverwijld aan het Instituut en aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke 13 levenssfeer de contactgegevens van de Coördinatiecel en van zijn leden mee alsook elke wijziging van die gegevens. § 2. Elke operator en elke aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, stelt een interne procedure op om te antwoorden op de verzoeken vanwege de autoriteiten om toegang tot de persoonsgegevens betreffende de gebruikers. Hij verstrekt aan het Instituut, op verzoek, gegevens over deze procedures, het aantal ontvangen verzoeken, de aangevoerde wettelijke grondslag en hun antwoord. Elke operator en elke aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, wordt beschouwd als verantwoordelijk voor de verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, voor de gegevens behandeld op basis van artikel 126 en dit artikel. De operatoren van openbare netwerken voor elektronische communicatie en de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, nemen artikel 114, § 2, in acht voor de toegang tot de gegevens bedoeld in paragraaf 1 en hun overdracht aan de autoriteiten. § 3. Elke aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, en elke operator bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, wijst een of meer aangestelden aan voor de bescherming van persoonsgegevens, die moet beantwoorden aan de cumulatieve voorwaarden opgesomd in paragraaf 1, derde lid. Deze aangestelde mag geen deel uitmaken van de Coördinatiecel. Verscheidene operatoren of aanbieders mogen een of meer gemeenschappelijke aangestelden voor de bescherming van de persoonsgegevens aanduiden. In dat geval moeten deze aangestelden dezelfde opdracht uitvoeren voor elke individuele operator of aanbieder. Bij de uitvoering van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de bescherming van de persoonsgegevens in volledige onafhankelijkheid, en heeft hij toegang tot alle persoonsgegevens die worden bezorgd aan de autoriteiten, alsook tot alle relevante lokalen van de aanbieder of de operator. De uitoefening van zijn opdrachten mag voor de aangestelde geen nadelen met zich brengen. Hij mag in het bijzonder als aangestelde niet worden ontslagen of vervangen wegens de uitvoering van de taken die hem zijn toevertrouwd, zonder grondige motivering. De aangestelde moet de mogelijkheid hebben om rechtstreeks te communiceren met de directie van de operator of de aanbieder. De aangestelde voor de gegevensbescherming zorgt ervoor dat : 1° de behandelingen door de Coördinatiecel worden uitgevoerd conform de wet; 2° de aanbieder of de operator enkel die gegevens verzamelt en bewaart die hij wettelijk mag bewaren; 3° enkel de wettelijk bevoegde autoriteiten toegang hebben tot de bewaarde gegevens; 14 4° de maatregelen voor beveiliging en bescherming van persoonsgegevens beschreven in deze wet en in het veiligheidsbeleid van de aanbieder of de operator ten uitvoer worden gebracht. Elke aanbieder en elke operator bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, deelt onverwijld aan het Instituut en aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de contactgegevens van de aangestelden voor de bescherming van persoonsgegevens mee alsook elke wijziging van die gegevens. § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut : 1° de nadere regels van het verzoek en de verstrekking van het veiligheidsadvies; 2° de vereisten waaraan de Coördinatiecel moet beantwoorden, door rekening te houden met de situatie van de operatoren en aanbieders die weinig verzoeken krijgen van de gerechtelijke overheden, die geen vestiging hebben in België of voornamelijk vanuit het buitenland handelen; 3° de informatie die moet worden verstrekt aan het Instituut en aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer conform de paragrafen 1 en 3 alsook de autoriteiten die toegang hebben tot die informatie; 4° de overige regels die de samenwerking van de operatoren en van de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, met de Belgische autoriteiten of met sommige van hen, regelen, voor de verstrekking van de in paragraaf 1 beoogde gegevens, in voorkomend geval en per betrokken overheid met inbegrip van de vorm en de inhoud van het verzoek. ’. Art. 6. In artikel 127 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 4 februari 2010, 10 juli 2012 en 27 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)in het eerste lid worden de woorden ‘ , aan de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ aan de operatoren ’ en de woorden ‘ of aan de eindgebruikers ’;
- b)in het tweede lid worden de woorden ‘ en de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ de operatoren ’ en de woorden ‘ aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde verrichtingen ’; 2° paragraaf 6 wordt opgeheven. Art. 7. In artikel 145 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007 en 27 maart 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden ‘ 126, 126/1, ’ worden ingevoegd tussen de woorden ‘ 124, ’ en ‘ 127 ’; 2° de woorden ‘ , 126, 126/1 ’ worden ingevoegd tussen de woorden ‘ 47 ’ en ‘ en 127 ’; 15 3° in de plaats van paragraaf 3ter, vernietigd bij arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, wordt een als volgt luidende paragraaf 3ter ingevoegd : ‘ § 3ter. Met geldboete van 50 euro tot 50 000 euro en met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft : 1° iedere persoon die, naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie, buiten de gevallen die de wet bepaalt of zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de gegevens bedoeld in artikel 126 op enige manier overneemt, onder zich houdt, of er enig gebruik van maakt; 2° hij die, terwijl hij weet dat de gegevens bekomen zijn door het plegen van het misdrijf bedoeld in 1°, deze gegevens bij zich houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of er enig gebruik van maakt. ’. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering Art. 8. In artikel 46bis, § 1, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 en vervangen bij de wet van 23 januari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)in de Franse tekst worden de woorden ‘ le concours de l'opérateur d'une réseau de communication ’ vervangen door de woorden ‘ le concours de l'opérateur d'un réseau de communication ’;
- b)de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ Voor strafbare feiten die geen correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, kunnen de procureur des Konings of, in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, de officier van gerechtelijke politie, de in het eerste lid bedoelde gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan zijn beslissing. ’. Art. 9. In artikel 88bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 1991, vervangen bij de wet van 10 juni 1998 en gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008 en 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : ‘ Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van elektronische communicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij, zo nodig rechtstreeks of via een door de Koning aangewezen politiedienst de medewerking vorderen van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst, om over te gaan of te doen overgaan tot : 1° het opsporen van de verkeersgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan; 16 2° het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties. ’;
- b)in paragraaf 1, tweede lid[,] wordt het woord ‘ telecommunicatiemiddel ’ vervangen door de woorden ‘ elektronisch communicatiemiddel ’ en het woord ‘ telecommunicatie ’ door [de woorden] ‘ elektronische communicatie ’;
- c)in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt : ‘ De onderzoeksrechter doet in een met redenen omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel rechtvaardigen, van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. ’;
- d)in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen als volgt : ‘ Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing en, in voorkomend geval, de periode in het verleden waarover de vordering zich uitstrekt overeenkomstig paragraaf 2. ’;
- e)paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ In spoedeisende gevallen kan de maatregel mondeling worden bevolen. Hij moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het derde en vierde lid. ’;
- f)paragraaf 2, waarvan de huidige tekst paragraaf 4 zal vormen, wordt vervangen als volgt : ‘ § 2. Wat betreft de toepassing van de maatregel bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, op de verkeers- of lokalisatiegegevens die worden bewaard krachtens artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, zijn de volgende bepalingen van toepassing : - voor een strafbaar feit bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek mag de onderzoeksrechter in zijn bevelschrift de gegevens opvragen voor een periode van twaalf maanden voorafgaand aan zijn bevelschrift; - voor een ander strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, dat niet bedoeld is in het eerste gedachtestreepje, of een strafbaar feit dat gepleegd is in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of een strafbaar feit dat een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, kan de onderzoeksrechter in zijn bevelschrift de gegevens vorderen voor een periode van negen maanden voorafgaand aan het bevelschrift; - voor andere strafbare feiten kan de onderzoeksrechter de gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan het bevelschrift. ’;
- g)het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende : 17 ‘ § 3. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de elektronische communicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een strafbaar feit bedoeld in paragraaf 1 te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een strafbaar feit bedoeld in paragraaf 1 te hebben gepleegd, gebruik maken van diens elektronische communicatiemiddelen. De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naar gelang het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Diezelfden zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem onder het beroepsgeheim valt. Deze gegevens worden niet opgenomen in het proces-verbaal. ’;
- h)in paragraaf 2, die tot paragraaf 4 vernummerd wordt, worden in het eerste lid de woorden ‘ Iedere operator van een telecommunicatienetwerk en iedere verstrekker van een telecommunicatiedienst ’ vervangen door de woorden ‘ Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst ’. Art. 10. Artikel 90decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 8 april 2002, 7 juli 2002, 6 januari 2003 en bij de wet van 30 juli 2013 vernietigd bij arrest nr. 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ Bij dit verslag wordt tevens het verslag gevoegd dat werd opgesteld met toepassing van artikel 126, § 5, vierde lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. ’. Art. 11. In artikel 464/25, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden ‘ artikel 88bis, § 2, eerste en derde lid, ’ vervangen door de woorden ‘ artikel 88bis, § 4, eerste en derde lid, ’. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst Art. 12. In artikel 13 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord ‘ inlichtingen ’ vervangen door het woord ‘ informatie ’; 2° het derde lid wordt vervangen als volgt : ‘ De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waken over de veiligheid van de gegevens die betrekking hebben op hun bronnen en van de informatie en persoonsgegevens die deze bronnen leveren. ’; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : 18 ‘ De agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben toegang tot de door hun dienst ingewonnen en verwerkte informatie, inlichtingen en persoonsgegevens, voor zover deze nuttig zijn voor de uitoefening van hun functie of opdracht. ’. Art. 13. In artikel 18/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)in paragraaf 1 zal het huidige derde lid paragraaf 5 vormen;
- b)in paragraaf 1, waarvan het vierde lid paragraaf 7 zal vormen, worden de woorden ‘ om de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens aan te wenden ’ vervangen door de woorden ‘ om de aanwending van de specifieke methode voor het verzamelen van gegevens op te volgen ’;
- c)paragraaf 2, waarvan het huidige tweede tot vijfde lid paragraaf 6 zullen vormen, wordt vervangen als volgt : ‘ § 2. De beslissing van het diensthoofd vermeldt : 1° de aard van de specifieke methode; 2° naargelang het geval, de natuurlijke personen of rechtspersonen, verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de specifieke methode; 3° de potentiële dreiging die de specifieke methode rechtvaardigt; 4° de feitelijke omstandigheden die de specifieke methode rechtvaardigen, de motivering inzake subsidiariteit en proportionaliteit, inbegrepen het verband tussen de bepalingen onder 2° en 3°; 5° de periode waarin de specifieke methode kan worden aangewend, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing aan de Commissie; 6° de naam van de inlichtingenofficier(
- en)verantwoordelijk om de aanwending van de specifieke methode op te volgen; 7° in voorkomend geval, het technisch middel dat gebruikt wordt bij de aanwending van de specifieke methode; 8° in voorkomend geval, de samenloop met een opsporings- of gerechtelijk onderzoek; 9° in voorkomend geval, de ernstige aanwijzingen waaruit blijkt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of de ontwikkeling van de potentiële dreiging; 10° in geval toepassing wordt gemaakt van artikel 18/8, de motivering van de duur van de periode waarop de inzameling van gegevens betrekking heeft; 11° de datum van de beslissing; 19 12° de handtekening van het diensthoofd. ’;
- d)paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : ‘ § 3. Op het einde van elke maand wordt, per specifieke methode, een lijst van de uitgevoerde maatregelen overgezonden aan de commissie. Deze lijsten bevatten de gegevens bedoeld in § 2, 1° tot 3°, 5° en 7°. ’.
- e)het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende : ‘ § 8. Het diensthoofd beëindigt de specifieke methode wanneer de potentiële dreiging die haar rechtvaardigt weggevallen is, wanneer de methode niet langer nuttig is voor het doel waarvoor zij werd ingesteld, of wanneer hij een onwettigheid heeft vastgesteld. Hij brengt zijn beslissing zo spoedig mogelijk ter kennis van de Commissie. ’. Art. 14. In artikel 18/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : ‘ De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, zo nodig door daartoe de medewerking van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst te vorderen, overgaan of doen overgaan tot : 1° het opsporen van de verkeersgegevens van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan; 2° het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties. ’;
- b)in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord ‘ oproepgegevens ’ vervangen door het woord ‘ verkeersgegevens ’.
- c)paragraaf 2, waarvan de huidige tekst paragraaf 4 zal vormen, wordt vervangen als volgt : ‘ § 2. Wat betreft de toepassing van de methode bedoeld in paragraaf 1 op de gegevens die worden bewaard krachtens artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° voor een potentiële dreiging die betrekking heeft op een activiteit die verband kan houden met criminele organisaties of schadelijke sektarische organisaties, kan het diensthoofd in zijn beslissing de gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan de beslissing; 20 2° voor een potentiële dreiging, andere dan deze bedoeld in de bepalingen onder 1° en 3°, kan het diensthoofd in zijn beslissing de gegevens vorderen voor een periode van negen maanden voorafgaand aan de beslissing; 3° voor een potentiële dreiging die betrekking heeft op een activiteit die verband kan houden met terrorisme of extremisme, kan het diensthoofd in zijn beslissing de gegevens vorderen voor een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de beslissing. ’. Art. 15. In artikel 43/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de woorden ‘ bedoeld in artikel 18/3, § 2 ’ vervangen door de woorden ‘ bedoeld in artikel 18/3, § 3 ’. Art. 16. In artikel 43/5, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden ‘ bedoeld in artikel 18/3, § 2 ’ vervangen door de woorden ‘ bedoeld in artikel 18/3, § 3 ’ ». B.2. Met de bestreden wet is de wetgever willen tegemoetkomen aan de vernietiging, bij het arrest nr. 84/2015 van het Hof van 11 juni 2015, van artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005), zoals het was gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013 « houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1567/001, p. 4). B.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever zowel het voormelde arrest van het Hof nr. 84/2015 van 11 juni 2015 als het daaraan ten grondslag liggende arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2014, in de gevoegde zaken Digital Rights Ireland Ltd (C-293/12) en Kärntner Landesregierung e.a. (C-594/12), waarbij het Hof van Justitie de richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 « betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG » ongeldig heeft verklaard, grondig heeft onderzocht. Het doel dat de wetgever met de bestreden wet nastreeft bestaat erin niet alleen terrorisme en kinderpornografie te bestrijden, maar ook de bewaarde gegevens te kunnen gebruiken in zeer veel verschillende situaties waarin die gegevens zowel het vertrekpunt als een fase van het strafonderzoek kunnen zijn (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1567/001, p. 6). 21 B.4. Uit de memorie van toelichting van de bestreden wet blijkt dat de wetgever een gerichte en gedifferentieerde bewaarplicht in het licht van de vooropgestelde doelstelling niet mogelijk heeft geacht en ervoor heeft gekozen om de algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht met strikte waarborgen te omringen, zowel op het vlak van de beveiliging van de bewaring, als op het vlak van de toegang, zodat de inmenging in het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer tot een minimum zou worden beperkt. In dat verband is erop gewezen dat een a priori differentiatie naar personen, periodes en geografische zones eenvoudigweg niet mogelijk zou zijn (ibid., pp. 10-18). Ten gronde B.5. Het enige middel in de zaken nrs. 6590 en 6597 is afgeleid uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.6.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone », verzoekende partij in de zaak nr. 6590, verwijt de bestreden wet dat zij de gebruikers van telecommunicatie- of elektronische-communicatiediensten die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, onder wie met name de advocaten, en de andere gebruikers van die diensten op identieke wijze behandelt. Die verzoekende partij stelt vast dat de wet eveneens een veralgemeende verplichting tot registratie en bewaring van bepaalde metagegevens inhoudt, die het mogelijk maken te bepalen of een advocaat werd geraadpleegd door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die advocaat te identificeren, zijn gesprekspartners en in het bijzonder zijn cliënten te identificeren, alsook de datum en het uur van de communicatie te bepalen. Die veralgemeende verplichting wordt opgelegd aan alle aanbieders van aan het publiek aangeboden vaste telefoniediensten, mobiele telefoniediensten, internettoegangdiensten, internet-e-maildiensten, internettelefoniediensten en openbare elektronische communicatienetwerken. B.6.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 6590 klaagt eveneens aan dat de bestreden wet in een veralgemeende verplichting tot het bewaren van gegevens voorziet zonder een onderscheid tussen de rechtzoekenden te maken naargelang zij al dan niet het voorwerp uitmaken van een onderzoeks- of vervolgingsmaatregel wegens feiten die aanleiding kunnen 22 geven tot strafrechtelijke veroordelingen. Zij voert eveneens aan dat de in de wet bedoelde categorieën van gegevens uitermate ruim en gevarieerd zijn, in zoverre zij betrekking hebben op de gegevens ter identificatie van de gebruiker of de abonnee en de communicatiemiddelen, de gegevens met betrekking tot de toegang tot en de verbinding van de eindapparatuur met het netwerk en met de dienst en met betrekking tot de plaats van die apparatuur, inclusief het netwerkaansluitpunt, alsook de communicatiegegevens, ook al wordt de inhoud ervan daarentegen uitgesloten. B.7.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6597 verwijten de bestreden wet dat zij de gebruikers van telecommunicatie- of elektronische communicatiediensten die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, onder wie met name de boekhoudkundige en fiscale professionals, en de andere gebruikers van die diensten op identieke wijze behandelt, zonder rekening te houden met het bijzondere statuut van de boekhoudkundige en fiscale professionals, het fundamentele karakter van het beroepsgeheim waaraan zij onderworpen zijn en de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen hen en hun cliënten. B.7.2. Zij verwijten de bestreden wet eveneens dat zij de rechtzoekenden die het voorwerp uitmaken van onderzoeks- of vervolgingsmaatregelen wegens feiten die mogelijk beantwoorden aan de doeleinden van de bewaring van de in het geding zijnde elektronische gegevens, en die welke niet het voorwerp van dergelijke maatregelen uitmaken, op identieke wijze behandelt. B.8.1. Het eerste middel in de zaak nr. 6599 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 15, 22 en 29 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5, 8, 9, 10, 11, 14, 15, 17 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met het algemene beginsel van rechtszekerheid, van evenredigheid, van het recht op informationele zelfbeschikking en met artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. B.8.2. De vzw « Liga voor Mensenrechten » en de vzw « Ligue des Droits de l’Homme » (intussen « Ligue des droits humains » geworden), verzoekende partijen in de zaak nr. 6599, verwijten de bestreden wet dat zij in een algemene verplichting tot het bewaren van gegevens 23 voorziet, hetgeen de operatoren en de aanbieders van openbare telefoniediensten (met inbegrip van internettelefonie), van internettoegang en van e-mail over het internet, alsook de aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken verplicht om de verkeersgegevens betreffende vaste telefonie, mobiele telefonie en internettelefonie en de gegevens betreffende internettoegang de facto voor alle - verdachte of niet-verdachte - Belgen gedurende twaalf maanden te bewaren en ter beschikking te stellen van de politie en van het gerecht, van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, van de hulpdiensten, van de Cel Vermiste Personen en van de Ombudsdienst voor telecommunicatie. B.9.1. Het eerste middel in de zaak nr. 6601 is afgeleid uit de schending, door de bestreden wet, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 7, 8, 11, lid 1, en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 10, 11, 19 en 22 van de Grondwet, van artikel 2, a), van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens », alsook van de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 9 en 15 van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) » (hierna : de richtlijn 2002/58/EG). B.9.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6601 zijn natuurlijke personen die in België wonen en verschillende elektronischecommunicatiediensten gebruiken in het kader van een met een operator gesloten overeenkomst. In het eerste onderdeel van het eerste middel klagen zij aan dat de bestreden wet voorziet in een algemene en ongedifferentieerde verplichting tot het bewaren van identificatie-, verbindings- en lokalisatiegegevens en van persoonlijke communicatiegegevens ten laste van de aanbieders van telefoniediensten, ook via internet, van internettoegang en van e-mail over het internet, ten laste van de operatoren die openbare elektronische communicatienetwerken aanbieden en ten laste van de operatoren die een van die diensten aanbieden. B.10. Rekening houdend met de onderlinge samenhang ervan, worden de in de diverse zaken aangevoerde middelen samen onderzocht. 24 B.11.1. Rekening houdend met, enerzijds, de verschillen in zienswijze, tussen de verzoekende partijen en de Ministerraad, over de interpretatie die moet worden gegeven aan meerdere bepalingen die het Hof in zijn toetsing van de bestreden wet dient te betrekken, inzonderheid artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG en de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en, anderzijds, de door de Ministerraad gegeven verklaringen om de verenigbaarheid van de bestreden wet met de door de verzoekende partijen aangevoerde referentienormen te verantwoorden, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 96/2018 van 19 juli 2018, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende drie prejudiciële vragen gesteld : « 1. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, in samenhang gelezen met het recht op veiligheid, gewaarborgd bij artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en het recht op eerbiediging van de persoonsgegevens, zoals gewaarborgd bij de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en aanbieders van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van de richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van het aanbieden van die diensten, te bewaren, nationale regeling die niet alleen ten doel heeft het onderzoeken, opsporen en vervolgen van feiten van zware criminaliteit, maar ook het waarborgen van de nationale veiligheid, de verdediging van het grondgebied en van de openbare veiligheid, het onderzoeken, opsporen en vervolgen van andere feiten dan die van zware criminaliteit of het voorkomen van een verboden gebruik van de elektronische communicatiesystemen, of de verwezenlijking van een andere doelstelling die is geïdentificeerd bij artikel 23, lid 1, van de Verordening (EU) 2016/679 en die bovendien onderworpen is aan nader in die regeling opgenomen waarborgen op het vlak van de bewaring van de gegevens en van de toegang ertoe ? 2. Dient artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 4, 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het geding is, die voorziet in een algemene verplichting voor de operatoren en aanbieders van elektronische communicatiediensten om de verkeers- en locatiegegevens in de zin van de richtlijn 2002/58/EG, die door hen worden gegenereerd of verwerkt in het kader van het aanbieden van die diensten, te bewaren, indien die regeling mede tot doel heeft om de op de overheid rustende positieve verplichtingen ingevolge de artikelen 4 en 8 van het Handvest te bewerkstelligen om te voorzien in een wettelijk kader dat een effectief strafrechtelijk onderzoek en een daadwerkelijke bestraffing van seksueel misbruik van minderjarigen mogelijk maakt en het effectief mogelijk maakt om de pleger van het misdrijf te identificeren, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van elektronische communicatiemiddelen ? 3. Zou het Grondwettelijk Hof, indien het op grond van het antwoord verstrekt op de eerste of de tweede prejudiciële vraag tot de conclusie zou komen dat de bestreden wet één of meer van de uit de in die vragen vermelde bepalingen voortvloeiende verplichtingen schendt, de gevolgen van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de 25 gegevens in de sector van de elektronische communicatie tijdelijk kunnen handhaven teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen en het mogelijk te maken dat de voorheen verzamelde en bewaarde gegevens alsnog kunnen gebruikt worden voor de door de wet beoogde doeleinden ? ». B.11.2. Artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG bepaalt : « De lidstaten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in de artikelen 5 en 6, artikel 8, leden 1, 2, 3 en 4, en artikel 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten, indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ter waarborging van de nationale, d.w.z. de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische- communicatiesysteem als bedoeld in artikel 13, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG. Daartoe kunnen de lidstaten o.a. wetgevingsmaatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren om de redenen die in dit lid worden genoemd. Alle in dit lid bedoelde maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie ». B.11.3. Het Hof heeft ook beslist het onderzoek van de zaken op te schorten totdat het Hof van Justitie uitspraak zal hebben gedaan in de zaken Ministerio Fiscal (C-207/16) en Privacy International t. Secretary of State for Foreign and Commonwealth Affairs e.a. (C-623/17). B.12. Bij zijn arrest van 2 oktober 2018, in zake Ministerio Fiscal (C-207/16), heeft het Hof van Justitie in grote kamer geoordeeld dat artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de identificatiegegevens van houders van met een gestolen mobiele telefoon geactiveerde simkaarten – zoals hun naam, voornaam en, in voorkomend geval, adres – geen zodanig ernstige inmenging in de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten van laatstgenoemden oplevert dat die toegang – op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten - moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit . Dat arrest steunt op volgende overwegingen : « Ten gronde 48. Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang 26 met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de identificatiegegevens van de houders van met een gestolen mobiele telefoon geactiveerde simkaarten – zoals hun naam, voornaam en, in voorkomend geval, adres – een zodanig ernstige inmenging in de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten van deze laatsten vormt dat die toegang, wat het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten betreft, zou moeten worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit en, zo ja, aan de hand van welke criteria de ernst van het betrokken delict moet worden beoordeeld. 49. In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, het verzoek om een prejudiciële beslissing er niet toe strekt om uit te maken of de aanbieders van elektronische-communicatiediensten de in het hoofdgeding aan de orde zijnde persoonsgegevens hebben bewaard met inachtneming van de voorwaarden van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Zoals uit punt 46 van het onderhavige arrest blijkt, betreft het verzoek uitsluitend de vraag of en in welke mate het doel dat met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt nagestreefd, kan rechtvaardigen dat overheidsinstanties zoals de gerechtelijke politie toegang hebben tot dergelijke gegevens, en gaat het verzoek niet over de andere toegangsvoorwaarden die uit voormeld artikel 15, lid 1, voortvloeien. 50. De verwijzende rechter vraagt zich in het bijzonder af welke elementen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of delicten waarvoor politiediensten in het kader van een onderzoek toegang kan worden verleend tot persoonsgegevens die door aanbieders van elektronische-communicatiediensten worden bewaard, voldoende ernstig zijn om de inmenging die een dergelijke toegang betekent in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238), en in het arrest Tele2 Sverige en Watson e.a., te rechtvaardigen. 51. Wat betreft de vraag of sprake is van inmenging in die grondrechten, zij eraan herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 76 en 77 van zijn conclusie heeft aangegeven, de toegang van overheidsinstanties tot dergelijke gegevens inmenging in het in artikel 7 van het Handvest neergelegde grondrecht op eerbiediging van het privéleven vormt, zelfs al kan die inmenging om bepaalde redenen niet als ‘ ernstig ’ worden aangemerkt en zonder dat van belang is of de informatie over het privéleven al dan niet gevoelig is en of de betrokkenen door die inmenging enig nadeel hebben ondervonden. Een dergelijke toegang vormt tevens inmenging in het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op bescherming van persoonsgegevens, aangezien die toegang een verwerking van persoonsgegevens is [zie in die zin advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punten 124 en 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. 52. Wat betreft de doelstellingen die een rechtvaardiging kunnen vormen voor een nationale regeling als die in het hoofdgeding, die de toegang van overheidsinstanties tot door aanbieders van elektronische-communicatiediensten bewaarde gegevens regelt en die aldus afwijkt van het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zij eraan herinnerd dat de in artikel 15, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2002/58 gegeven opsomming van doelstellingen exhaustief is, zodat die toegang daadwerkelijk en strikt op een van die doelstellingen moet berusten (zie in die zin arrest Tele2 Sverige en Watson e.a., punten 90 en 115). 27 53. Aangaande de doelstelling strafbare feiten te voorkomen, te onderzoeken, op te sporen en te vervolgen, dient te worden geconstateerd dat het daarbij volgens de bewoordingen van artikel 15, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2002/58 evenwel niet alleen over de bestrijding van ernstige delicten maar over ‘ strafbare feiten ’ in het algemeen gaat 54. Stellig heeft het Hof in dit verband geoordeeld dat ter zake van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, alleen de bestrijding van zware criminaliteit kan rechtvaardigen dat overheidsinstanties toegang krijgen tot door aanbieders van elektronische-communicatiediensten bewaarde persoonsgegevens waaruit, in hun geheel beschouwd, precieze conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokken personen (zie in die zin arrest Tele2 Sverige en Watson e.a., punt 99). 55. Het Hof heeft die uitlegging echter gemotiveerd met de overweging dat de met een toegangsregeling nagestreefde doelstelling in verhouding moet staan tot de ernst van de inmenging in de betrokken grondrechten die deze ingreep meebrengt (zie in die zin arrest Tele2 Sverige en Watson e.a., punt 115). 56. Volgens het evenredigheidsbeginsel kan ter zake van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, ernstige inmenging immers slechts worden gerechtvaardigd door de doelstelling om – eveneens ‘ ernstige ’ – criminaliteit te bestrijden. 57. Is de inmenging die een dergelijke toegang veroorzaakt daarentegen niet ernstig, dan kan die toegang worden gerechtvaardigd door de doelstelling van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van ‘ strafbare feiten ’ in het algemeen. 58. Allereerst moet dus worden uitgemaakt of in casu, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten die zou voortvloeien uit het feit dat aan de gerechtelijke politie toegang tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gegevens wordt verleend, als ‘ ernstig ’ moet worden beschouwd. 59. In dit verband heeft het verzoek in het hoofdgeding, waarmee de gerechtelijke politie in een strafrechtelijk onderzoek via rechterlijke toestemming toegang wil verkrijgen tot door aanbieders van elektronische-communicatiediensten bewaarde persoonsgegevens, louter tot doel de houders te identificeren van de simkaarten die gedurende een periode van twaalf dagen met het IMEI-nummer van de gestolen mobiele telefoon zijn geactiveerd. Zoals in punt 40 van het onderhavige arrest is uiteengezet, strekt dat verzoek er enkel toe om toegang te verkrijgen tot de telefoonnummers die overeenstemmen met die simkaarten en tot de civiele-identiteitsgegevens van de houders van die kaarten, zoals hun naam, voornaam en, in voorkomend geval, adres. Zoals zowel de Spaanse regering als het openbaar ministerie ter terechtzitting heeft bevestigd, gaat het daarbij echter niet over de communicatie die met de gestolen mobiele telefoon tot stand is gebracht of over de locatie van die telefoon. 60. Met de via het toegangsverzoek in het hoofdgeding beoogde gegevens is het dus blijkbaar alleen mogelijk om, gedurende een bepaalde periode, de met de gestolen mobiele telefoon geactiveerde simkaart(
- en)in verband te brengen met de civiele identiteit van de houders van die simkaarten. Zonder aanvullende gegevens over de communicatie die met die simkaarten tot stand is gebracht en over de locatie, kan met die gegevens noch de datum, het uur, de duur of de ontvanger van de met de betrokken simkaart(
- en)verrichte oproepen worden achterhaald, noch waar die communicatie heeft plaatsgevonden of hoe vaak in een gegeven 28 periode met bepaalde personen is gecommuniceerd. Uit die gegevens kunnen dus geen nauwkeurige conclusies over het privéleven van de betrokken personen worden getrokken. 61. In die omstandigheden kan de toegang tot de in het verzoek in het hoofdgeding bedoelde gegevens niet worden aangemerkt als een ‘ ernstige ’ inmenging in de grondrechten van de personen waarop de gegevens betrekking hebben. 62. Zoals uit de punten 53 tot en met 57 van dit arrest blijkt, kan de inmenging die een dergelijke gegevenstoegang zou veroorzaken dus worden gerechtvaardigd door de in artikel 15, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2002/58 vermelde doelstelling om ‘ strafbare feiten ’ in het algemeen te voorkomen, te onderzoeken, op te sporen en te vervolgen, zonder dat deze strafbare feiten als ‘ ernstig ’ moeten worden aangemerkt. 63. Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de identificatiegegevens van houders van met een gestolen mobiele telefoon geactiveerde simkaarten – zoals hun naam, voornaam en, in voorkomend geval, adres – geen zodanig ernstige inmenging in de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten van laatstgenoemden oplevert dat die toegang – op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten – moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit ». In het dictum van het arrest heeft het Hof van Justitie verklaard voor recht : « Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de toegang van overheidsinstanties tot de identificatiegegevens van houders van met een gestolen mobiele telefoon geactiveerde simkaarten – zoals hun naam, voornaam en, in voorkomend geval, adres – geen zodanig ernstige inmenging in de door die artikelen van het Handvest gewaarborgde grondrechten van laatstgenoemden oplevert dat die toegang – op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten – moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit ». B.13. Bij zijn arrest van 6 oktober 2020, in zake Privacy International (C-623/17), uitgesproken in grote kamer, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een overheidsorgaan ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten een verplichting tot 29 algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen. Dat arrest steunt op volgende overwegingen : « Tweede vraag 50. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, VEU en de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een overheidsorgaan ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen. 51. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat section 94 van de wet van 1984 volgens de informatie in het verzoek om een prejudiciële beslissing de Secretary of State de mogelijkheid biedt om aanbieders van elektronischecommunicatiediensten door middel van aanwijzingen de verplichting op te leggen om bulkcommunicatiegegevens door te zenden aan de veiligheids- en inlichtingendiensten, indien hij dit noodzakelijk acht in het belang van de nationale veiligheid of de betrekkingen met een buitenlandse regering. Deze gegevens omvatten verkeers- en locatiegegevens alsmede informatie over de gebruikte diensten, in de zin van section 21, leden 4 en 6, RIPA. Deze laatste bepaling ziet onder meer op de gegevens die nodig zijn om de bron en de bestemming van een communicatie te identificeren, de datum, het tijdstip, de duur en de aard van die communicatie te bepalen, het gebruikte materiaal te identificeren en de eindapparatuur en de communicatie te lokaliseren. Tot die gegevens behoren met name de naam en het adres van de gebruiker, het telefoonnummer van de beller en het gebelde nummer, het bron- en het doel-IP-adres en de adressen van de bezochte websites. 52. Een dergelijke verstrekking van gegevens door middel van doorzending betreft alle gebruikers van elektronischecommunicatiemiddelen, zonder dat wordt gespecificeerd of die doorzending wel of niet in real time moet plaatsvinden. De doorgezonden gegevens worden volgens de informatie in het verzoek om een prejudiciële beslissing door de veiligheids- en inlichtingendiensten bewaard en blijven ter beschikking van deze diensten ten behoeve van hun activiteiten, net zoals de andere databases van deze diensten. Met name kunnen de aldus verworven gegevens, waarop automatische bulkverwerking en -analyse worden toegepast, worden onderworpen aan kruiscontroles met andere databases die verschillende categorieën bulkpersoonsgegevens bevatten, of buiten die diensten worden bekendgemaakt, ook aan derde staten. Tot slot is voor die bewerkingen geen voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan vereist en geldt er geen verplichting om de betrokkenen te informeren. 53. Zoals met name uit de overwegingen 6 en 7 van richtlijn 2002/58 volgt, heeft deze richtlijn tot doel om de gebruikers van elektronischecommunicatiediensten te beschermen tegen de gevaren die de nieuwe technologieën en, met name, de steeds grotere mogelijkheden van geautomatiseerde opslag en verwerking van gegevens voor de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van die gebruikers meebrengen. Zoals in overweging 2 van richtlijn 30 2002/58 wordt verklaard, beoogt deze richtlijn in het bijzonder de volledige eerbiediging van de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest bedoelde rechten te waarborgen. Dienaangaande blijkt uit de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie [COM
(2000)385 definitief], waaruit richtlijn 2002/58 is voortgekomen, dat de Uniewetgever heeft willen ‘ zorgen voor een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer voor alle elektronischecommunicatiediensten, ongeacht de gebruikte technologie ’.
- Daartoe bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/58 dat ‘ [d]e lidstaten […] via nationale wetgeving het vertrouwelijke karakter van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens via openbare communicatienetwerken en via openbare elektronischecommunicatiediensten [garanderen] ’. In diezelfde bepaling wordt benadrukt dat de lidstaten ‘ met name het afluisteren, aftappen, opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens door anderen dan de gebruikers [verbieden], indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat bij wet is toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1 ’, en gepreciseerd dat ‘ [d]it lid […] de technische opslag die nodig is voor het overbrengen van informatie onverlet [laat], onverminderd het vertrouwelijkheidsbeginsel ’.
- Artikel 5, lid 1, legt aldus het beginsel van vertrouwelijkheid van zowel de elektronische communicatie als de daarmee verband houdende verkeersgegevens vast en impliceert met name dat het anderen dan de gebruikers in beginsel moet worden verboden die communicatie en die gegevens op te slaan, indien de gebruikers daarin niet hebben toegestemd. Gelet op haar algemene bewoordingen, bestrijkt die bepaling noodzakelijkerwijs elke voor andere doeleinden dan het overbrengen van informatie uitgevoerde bewerking die derden in staat stelt om kennis te nemen van de communicatie en de daarmee verband houdende gegevens.
- Het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/58 neergelegde verbod op het onderscheppen van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens omvat dus elke vorm van beschikbaarstelling door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten van verkeers- en locatiegegevens aan overheidsinstanties, zoals veiligheids- en inlichtingendiensten, alsmede de bewaring van de beschikbaar gestelde gegevens door die instanties, ongeacht het latere gebruik van die gegevens.
- Met de vaststelling van richtlijn 2002/58 heeft de Uniewetgever dus de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde rechten geconcretiseerd, zodat de gebruikers van elektronischecommunicatiemiddelen in beginsel erop mogen vertrouwen dat hun communicatie en de daarmee verband houdende gegevens anoniem blijven en niet mogen worden vastgelegd, tenzij zij daarin hebben toegestemd (arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punt 109).
- Artikel 15, lid 1, van richtlijn staat 2002/58 staat de lidstaten echter toe, te voorzien in uitzonderingen op de in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn geformuleerde principeverplichting om de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens te waarborgen, en op de met name in de artikelen 6 en 9 van deze richtlijn vermelde overeenkomstige verplichtingen, indien dat in een democratische samenleving een noodzakelijke, redelijke en proportionele maatregel vormt om de nationale veiligheid, de landsverdediging en de openbare veiligheid te waarborgen, of om strafbare feiten of onbevoegd gebruik van het elektronischecommunicatiesysteem te 31 voorkomen, te onderzoeken, op te sporen en te vervolgen. Daartoe kunnen de lidstaten onder meer wettelijke maatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren indien dat om een van die redenen gerechtvaardigd is.
- De mogelijkheid om af te wijken van de in de artikelen 5, 6 en 9 van richtlijn 2002/58 vastgestelde rechten en verplichtingen kan echter niet rechtvaardigen dat de uitzondering op de principeverplichting tot waarborging van de vertrouwelijkheid van de elektronische communicatie en van de daarmee verband houdende gegevens en, in het bijzonder, op het verbod om deze gegevens op te slaan de regel wordt (zie in die zin arresten van 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punten 89 en 104, en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punt 111).
- Bovendien volgt uit artikel 15, lid 1, derde zin, van richtlijn 2002/58 dat de lidstaten slechts wettelijke maatregelen ter beperking van de omvang van de in de artikelen 5, 6 en 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten mogen nemen voor zover deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, en met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door een lidstaat bij een nationale regeling aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten opgelegde verplichting om de verkeersgegevens te bewaren teneinde de bevoegde nationale autoriteiten in voorkomend geval toegang tot die gegevens te kunnen geven, niet alleen vragen doet rijzen betreffende de eerbiediging van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, die betrekking hebben op, respectievelijk, de bescherming van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens, maar ook betreffende de eerbiediging van artikel 11 van het Handvest, dat betrekking heeft op de vrijheid van meningsuiting (zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punten 25 en 70, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punten 91 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Diezelfde vragen rijzen ook voor andere vormen van gegevensverwerking, zoals de doorzending van gegevens aan anderen dan de gebruikers of de toegang tot die gegevens met het oog op het gebruik ervan [zie naar analogie advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punten 122 en 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
- Bij de uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 moet derhalve zowel het belang van het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven als dat van het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals dat blijkt uit de rechtspraak van het Hof, in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor het recht op vrijheid van meningsuiting, aangezien dit in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde grondrecht een van de wezenlijke grondslagen is van een democratische en pluralistische samenleving, die behoort tot de waarden waarop de Unie overeenkomstig artikel 2 VEU is gebaseerd (zie in die zin arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C-274/99 P, EU:C:2001:127, punt 39, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- De in de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest verankerde rechten hebben echter geen absolute gelding, maar moeten worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C-311/18, EU:C:2020:559, punt 172 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 32
- Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, staat het Handvest immers beperkingen op de uitoefening van die rechten toe, mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
- Hieraan dient te worden toegevoegd dat het vereiste dat elke beperking op de uitoefening van grondrechten bij wet wordt gesteld, inhoudt dat de rechtsgrond die de inmenging in die rechten toestaat, zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen (arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C-311/18, EU:C:2020:559, punt 175 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Wat de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel betreft, staat in artikel 15, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2002/58 te lezen dat de lidstaten een maatregel waarbij wordt afgeweken van het beginsel van vertrouwelijkheid van de communicatie en van de daarmee verband houdende verkeersgegevens kunnen treffen wanneer een dergelijke maatregel ‘ in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ’ in het licht van de in die bepaling genoemde doelstellingen. In overweging 11 van deze richtlijn wordt gepreciseerd dat een dergelijke maatregel ‘ strikt ’ evenredig moet zijn aan het nagestreefde doel.
- In dit verband zij eraan herinnerd dat de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat de uitzonderingen op de bescherming van de persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven. Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat deze doelstelling moet worden verzoend met de door de maatregel aangetaste grondrechten, zulks via een evenwichtige afweging tussen de doelstelling en de op het spel staande belangen en rechten [zie in die zin arresten van 16 december 2008, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia, C-73/07, EU:C:2008:727, punt 56; 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert, C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662, punten 76, 77 en 86, en 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punt 52; advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 140].
- Om aan het evenredigheidsvereiste te voldoen, dient een regeling duidelijke en nauwkeurige regels te bevatten over de reikwijdte en de toepassing van de betrokken maatregel, zodat degenen van wie de persoonsgegevens aan de orde zijn, over voldoende waarborgen beschikken dat die gegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik. Die regeling moet wettelijk verbindend zijn naar intern recht en in het bijzonder aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een maatregel die voorziet in de verwerking van dergelijke gegevens kan worden genomen, en aldus waarborgen dat de inmenging tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt. De noodzaak om over dergelijke waarborgen te beschikken is des te groter wanneer de persoonsgegevens op geautomatiseerde wijze worden verwerkt, met name wanneer er een aanzienlijk risico bestaat dat deze gegevens op onrechtmatige wijze zullen worden geraadpleegd. Deze overwegingen gelden in het bijzonder wanneer het gaat om de bescherming van een bijzondere categorie persoonsgegevens, te weten gevoelige gegevens [zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punten 54 en 55, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 117; advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 141]. 33
- Wat de vraag betreft of een nationale regeling als die van het hoofdgeding voldoet aan de vereisten van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, dient te worden opgemerkt dat de doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan anderen dan de gebruikers, zoals de veiligheids- en inlichtingendiensten, afwijkt van het vertrouwelijkheidsbeginsel. Wanneer die bewerking, zoals in casu, op algemene en ongedifferentieerde wijze wordt uitgevoerd, heeft zij tot gevolg dat de afwijking van de principeverplichting tot waarborging van de vertrouwelijkheid van de gegevens de regel wordt, terwijl het bij richtlijn 2002/58 ingevoerde stelsel eist dat die afwijking de uitzondering blijft.
- Voorts vormt de doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan een derde volgens vaste rechtspraak van het Hof een inmenging in de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten, ongeacht het latere gebruik van die gegevens. In dit verband is het van weinig belang of de gegevens betreffende het privéleven al dan niet gevoelig zijn en of de betrokkenen door die inmenging enig nadeel hebben ondervonden [zie in die zin advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punten 124 en 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punten 115 en 116].
- De inmenging die de doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten vormt in het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht, moet als bijzonder ernstig worden beschouwd, met name gelet op het gevoelige karakter van de informatie die deze gegevens kunnen prijsgeven, en op de mogelijkheid om aan de hand van deze gegevens het profiel van de betrokken personen te bepalen, informatie die even gevoelig is als de inhoud zelf van de communicatie. Die inmenging kan bovendien bij de betrokken personen het gevoel opwekken dat hun privéleven constant in de gaten wordt gehouden (zie naar analogie arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punten 27 en 37, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punten 99 en 100).
- Tevens moet worden opgemerkt dat de doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan overheidsinstanties voor veiligheidsdoeleinden op zichzelf afbreuk kan doen aan het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op eerbiediging van communicatie, en de gebruikers van elektronischecommunicatiemiddelen kan ontmoedigen om hun door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting uit te oefenen. Dit laatste geldt in het bijzonder voor personen van wie de communicatie naar nationaal recht onder het beroepsgeheim valt, en voor klokkenluiders van wie de activiteiten worden beschermd door richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17). Dat ontmoedigende effect is bovendien des te ernstiger omdat de bewaarde gegevens talrijk en gevarieerd zijn (zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punt 28; 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 101, en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punt 118).
- Ten slotte is het zo dat, gelet op de aanzienlijke hoeveelheid verkeers- en locatiegegevens die continu kunnen worden bewaard op grond van een algemene bewaringsmaatregel, en op het gevoelige karakter van de informatie die deze gegevens kunnen prijsgeven, het enkele feit dat die gegevens door aanbieders van 34 elektronischecommunicatiediensten worden bewaard, risico’s van misbruik en onrechtmatige toegang tot de gegevens inhoudt.
- Wat de doelstellingen betreft die dergelijke inmengingen kunnen rechtvaardigen, meer in het bijzonder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde doelstelling van bescherming van de nationale veiligheid, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de nationale veiligheid volgens artikel 4, lid 2, VEU tot de uitsluitende verantwoordelijkheid van elke lidstaat behoort. Deze verantwoordelijkheid strookt met het grote belang dat wordt gehecht aan de bescherming van de essentiële staatsfuncties en de fundamentele belangen van de samenleving, en omvat het voorkomen en bestrijden van activiteiten die de fundamentele constitutionele, politieke, economische of sociale structuren van een land ernstig kunnen destabiliseren en, met name, een rechtstreekse bedreiging kunnen vormen voor de samenleving, de bevolking of de staat als zodanig, zoals terroristische activiteiten (arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punt 135).
- Het belang van de doelstelling van bescherming van de nationale veiligheid, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, VEU, overstijgt dat van de andere doelstellingen die worden genoemd in artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, met name de doelstellingen van bestrijding van – zelfs ernstige – criminaliteit in het algemeen, en van bescherming van de openbare veiligheid. Bedreigingen als die waaraan in het voorgaande punt wordt gerefereerd, verschillen door hun aard en hun bijzondere ernst immers van het algemene risico dat zich – zelfs ernstige – spanningen of wanordelijkheden zullen voordoen die de openbare veiligheid ondermijnen. Mits aan de overige in artikel 52, lid 1, van het Handvest geformuleerde vereisten wordt voldaan, kan de doelstelling van bescherming van de nationale veiligheid derhalve maatregelen rechtvaardigen die ernstigere inmengingen in de grondrechten met zich brengen dan die welke door die andere doelstellingen zouden kunnen worden gerechtvaardigd (arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, punt 136).
- Om te voldoen aan het in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte evenredigheidsvereiste, dat verlangt dat uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven, dient een nationale regeling die een inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten met zich brengt, evenwel in overeenstemming te zijn met de eisen die voortvloeien uit de in de punten 65, 67 en 68 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
- Wat in het bijzonder de toegang van een autoriteit tot persoonsgegevens betreft, mag een regeling zich niet ertoe beperken te eisen dat de toegang tot deze gegevens wordt verleend voor het met die regeling beoogde doel, maar moet zij ook de materiële en procedurele voorwaarden voor dit gebruik bepalen [zie naar analogie advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
- Een nationale regeling die de toegang tot locatie- en verkeersgegevens regelt, moet dus aan de hand van objectieve criteria bepalen in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden aan de bevoegde nationale autoriteiten toegang tot de betrokken gegevens moet worden verleend, aangezien een algemene toegang tot alle bewaarde gegevens, los van enig – zelfs maar indirect – verband met het nagestreefde doel, niet kan worden geacht tot het strikt noodzakelijke te zijn beperkt, (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 35
- Die vereisten zijn a fortiori van toepassing op een wettelijke maatregel als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan de bevoegde nationale autoriteit aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen. Een dergelijke doorzending heeft immers tot gevolg dat die gegevens ter beschikking worden gesteld aan overheidsinstanties [zie naar analogie advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 212].
- Het feit dat de doorzending van de verkeers- en locatiegegevens geschiedt op algemene en ongedifferentieerde wijze, betekent dat die doorzending algemeen alle personen betreft die gebruikmaken van elektronischecommunicatiediensten, dat wil zeggen zelfs personen voor wie er geen enkele aanwijzing bestaat dat hun gedrag – zelfs maar indirect of van ver – een verband vertoont met de doelstelling van bescherming van de nationale veiligheid. Met name is er geen enkel verband vereist tussen de gegevens die moeten worden doorgezonden en een bedreiging van de nationale veiligheid (zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punten 57 en 58, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 105). Gelet op het feit dat de doorzending van dergelijke gegevens aan overheidsinstanties – overeenkomstig de vaststelling in punt 79 van het onderhavige arrest – gelijkstaat aan het verlenen van toegang tot deze gegevens, moet worden geoordeeld dat een regeling die de algemene en ongedifferentieerde doorzending van gegevens aan overheidsinstanties mogelijk maakt, een algemene toegang tot die gegevens impliceert.
- Daaruit volgt dat een nationale regeling die aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten oplegt, verder gaat dan strikt noodzakelijk is en niet kan worden beschouwd als een regeling die in een democratische samenleving gerechtvaardigd is, zoals artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, eist.
- Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, VEU en de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een overheidsorgaan ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen ». In het dictum van het arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard : « 2) Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in het licht van artikel 4, lid 2, VEU en de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een overheidsorgaan ten behoeve van de bescherming van de nationale veiligheid aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde 36 doorzending van verkeers- en locatiegegevens aan de veiligheids- en inlichtingendiensten kan opleggen ». B.
- Bij zijn arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18), uitgesproken in grote kamer, heeft het Hof van Justitie de eerste twee door het Hof bij zijn arrest nr. 96/2018 gestelde vragen als volgt beantwoord : « Eerste vraag in de zaken C-511/18 en C-512/18 en eerste en tweede vraag in zaak C-520/18
- Met de eerste vraag in de zaken C-511/18 en C-512/18 en de eerste en de tweede vraag in zaak C-520/18, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die voor de in deze bepaling genoemde doeleinden aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens oplegt. […] Uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58
- Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling, de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt en, met name, de ontstaansgeschiedenis van die regeling (zie in die zin arrest van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 44).
- Zoals met name uit de overwegingen 6 en 7 van richtlijn 2002/58 volgt, heeft deze richtlijn tot doel om de gebruikers van elektronischecommunicatiediensten te beschermen tegen de gevaren die de nieuwe technologieën en, met name, de steeds grotere mogelijkheden van geautomatiseerde opslag en verwerking van gegevens voor de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van die gebruikers meebrengen. Zoals in overweging 2 van richtlijn 2002/58 wordt verklaard, beoogt deze richtlijn in het bijzonder de volledige eerbiediging van de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest bedoelde rechten te waarborgen. Dienaangaande blijkt uit de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie [COM
(2000)385 definitief], waaruit richtlijn 2002/58 is voortgekomen, dat de Uniewetgever heeft willen ‘ zorgen voor een hoge mate van bescherming van de persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer voor alle elektronischecommunicatiediensten, ongeacht de gebruikte technologie ’.
- Daartoe legt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/58 het beginsel van vertrouwelijkheid van zowel de elektronische communicatie als de daarmee verband houdende verkeersgegevens vast en impliceert het met name dat het anderen dan de gebruikers in beginsel moet worden verboden die communicatie en die gegevens op te slaan, indien de gebruikers daarin niet hebben toegestemd. 37
- Wat in het bijzonder de verwerking en de opslag van verkeersgegevens door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten betreft, blijkt uit artikel 6 en de overwegingen 22 en 26 van richtlijn 2002/58 dat een dergelijke verwerking slechts is toegestaan voor zover en zolang dat nodig is voor de marketing en de facturering van de diensten en voor de levering van diensten met toegevoegde waarde. Zodra die periode is verstreken, moeten de verwerkte en opgeslagen gegevens worden gewist of geanonimiseerd. Wat de andere locatiegegevens dan de verkeersgegevens betreft, bepaalt artikel 9, lid 1, van richtlijn 2002/58 dat die gegevens slechts onder bepaalde voorwaarden mogen worden verwerkt nadat zij zijn geanonimiseerd of wanneer de gebruikers of abonnees daarvoor hun toestemming hebben gegeven (arrest van 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Met de vaststelling van richtlijn 2002/58 heeft de Uniewetgever dus de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde rechten geconcretiseerd, zodat de gebruikers van elektronischecommunicatiemiddelen in beginsel erop mogen vertrouwen dat hun communicatie en de daarmee verband houdende gegevens anoniem blijven en niet mogen worden vastgelegd, tenzij zij daarin hebben toegestemd.
- Artikel 15, lid 1, van richtlijn staat 2002/58 staat de lidstaten echter toe, te voorzien in uitzonderingen op de in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn geformuleerde principeverplichting om de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens te waarborgen, en op de met name in de artikelen 6 en 9 van deze richtlijn vermelde overeenkomstige verplichtingen, indien dat in een democratische samenleving een noodzakelijke, redelijke en proportionele maatregel vormt om de nationale veiligheid, de landsverdediging en de openbare veiligheid te waarborgen, of om strafbare feiten of onbevoegd gebruik van het elektronischecommunicatiesysteem te voorkomen, te onderzoeken, op te sporen en te vervolgen. Daartoe kunnen de lidstaten onder meer wettelijke maatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren indien dat om een van die redenen gerechtvaardigd is.
- De mogelijkheid om af te wijken van de in de artikelen 5, 6 en 9 van richtlijn 2002/58 vastgestelde rechten en verplichtingen kan echter niet rechtvaardigen dat de uitzondering op de principeverplichting tot waarborging van de vertrouwelijkheid van de elektronische communicatie en van de daarmee verband houdende gegevens en, in het bijzonder, op het verbod om deze gegevens op te slaan de regel wordt (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punten 89 en 104).
- Met betrekking tot de doelstellingen die een beperking van de met name in de artikelen 5, 6 en 9 van richtlijn 2002/58 vastgestelde rechten en verplichtingen kunnen rechtvaardigen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de in artikel 15, lid 1, eerste zin, van deze richtlijn gegeven opsomming van doelstellingen exhaustief is, zodat een op grond van die bepaling vastgestelde wettelijke maatregel daadwerkelijk en strikt moet berusten op een van die doelstellingen (zie in die zin arrest van 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal, C-207/16, EU:C:2018:788, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Bovendien volgt uit artikel 15, lid 1, derde zin, van richtlijn 2002/58 dat de lidstaten slechts wettelijke maatregelen ter beperking van de omvang van de in de artikelen 5, 6 en 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten mogen nemen voor zover deze maatregelen in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het 38 evenredigheidsbeginsel, en met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door een lidstaat bij een nationale regeling aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten opgelegde verplichting om de verkeersgegevens te bewaren teneinde de bevoegde nationale autoriteiten in voorkomend geval toegang tot die gegevens te kunnen geven, niet alleen vragen doet rijzen betreffende de eerbiediging van de artikelen 7 en 8 van het Handvest, die betrekking hebben op, respectievelijk, de bescherming van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens, maar ook betreffende de eerbiediging van artikel 11 van het Handvest, dat betrekking heeft op de vrijheid van meningsuiting (zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punten 25 en 70, en 21 december 2016, Tele2, C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punten 91 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Bij de uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 moet derhalve zowel het belang van het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van het privéleven als dat van het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals dat blijkt uit de rechtspraak van het Hof, in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor het recht op vrijheid van meningsuiting, aangezien dit in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde grondrecht een van de wezenlijke grondslagen i