← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.059

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.059 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.6 Arrest- Rolnummer: 59/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 341 - laatst gezien 2026-06-19 18:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 457bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet erin voorziet dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen integraal in het Duits verloopt. - Onder het in B.9.2 vermelde voorbehoud, schendt artikel 457, § 5, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet erin voorziet dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen verloopt voor een kamer van de tuchtraad waarvan alle leden de Duitse taal beheersen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 457bis, 457, § 5, tweede lid, en 466 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Tuchtraad van de advocaten van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik. Gerechtelijk recht - Balie - Tucht - Tuchtraad - Tuchtraad bij het Hof van Beroep te Luik - Duitstalige advocaat -

  1. Taal van de rechtspleging -
  2. Samenstelling van de zetel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 457bis - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 457,§5,L2 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 466 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Tekst van de beslissing Rolnummer 7243 Arrest nr. 59/2021 van 22 april 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 457bis, 457, § 5, tweede lid, en 466 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Tuchtraad van de advocaten van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 7 augustus 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 augustus 2019, heeft de Tuchtraad van de advocaten van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 457bis, 457, § 5, tweede lid, en 466 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen niet erin voorzien dat een procedure betreffende een Duitstalige advocaat in haar geheel in het Duits kan verlopen voor een kamer van de Tuchtraad van het Hof van Beroep te Luik (en de Tuchtraad van beroep) waarvan alle leden die taal spreken, terwijl de tuchtprocedure betreffende Franstalige of Nederlandstalige advocaten wel in haar geheel in hun taal verloopt voor een kamer van de Tuchtraad (eventueel van beroep) waarvan alle leden de taal van de rechtspleging beheersen en terwijl om het even welke Duitstalige rechtzoekende van het Duitse taalgebied een recht op een procedure in het Duits kan doen gelden voor de Rechtbank van eerste aanleg, de Ondernemingsrechtbank en de Arbeidsrechtbank te Eupen en voor het Hof van Beroep en het Arbeidshof te Luik ? ». Memories zijn ingediend door : - Mr. XX, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Kittel, advocaat bij de balie te Eupen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft het Hof, na de verslaggevers T. Detienne en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 27 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 27 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Mr. XX, advocaat bij de balie te Eupen, wordt opgeroepen voor de Tuchtraad van de advocaten bij de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik, op initiatief van twee stafhouders. Er worden hem handelwijzen verweten die afbreuk doen aan de eer van de Orde en aan de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid van de advocaat. 3 De zaak wordt gehoord in het Frans door de Tuchtraad van de advocaten bij de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik. Mr. XX aanvaardt dat de beëdigd vertaler de communicatie niet vertaalt in het Duits. De voor de verwijzende rechter vervolgde partij is echter van mening dat het discriminerend is dat hij moet verschijnen voor een tuchtrechtelijke instantie waarvan geen enkel lid Duits spreekt en waarvan de proceduretaal het Frans is, en verzoekt die rechter daarover een vraag te stellen aan het Hof. Bij beslissing van 7 augustus 2019 stelt de Tuchtraad van de advocaten bij de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  3. De voor de verwijzende rechter vervolgde partij herinnert eraan dat haar moedertaal het Duits is en dat zij verblijf houdt in de stad Eupen, die gelegen is in het Duitse taalgebied en in het gerechtelijk arrondissement Eupen, waarbinnen de proceduretaal het Duits is. In hoofdorde voert de voor de verwijzende rechter vervolgde partij aan dat uit de in het geding zijnde bepalingen kan worden afgeleid dat, wanneer de procedure betrekking heeft op een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen, de taal van de procedure voor de Tuchtraad van de advocaten bij de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik het Duits moet zijn. Artikel 457bis van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt immers de taal van « de Orde » waartoe de advocaat behoort. Wanneer die orde die van de balie te Eupen is, is het logisch dat het Duits de taal van de procedure is. Diezelfde conclusie dringt zich op met betrekking tot de tuchtprocedure in hoger beroep. Aangezien de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen duidelijk is, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. Voor het overige is de voor de verwijzende rechter vervolgde partij van mening dat het onbegrijpelijk zou zijn dat een advocaat geen procedure in zijn moedertaal kan genieten wanneer hij een rechtzoekende is voor een tuchtrechtelijke instantie. De taal van het behaalde rechtendiploma is van weinig belang omdat het perfect denkbaar is dat een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen houder is van een in het Nederlands behaald diploma en dat hij in de praktijk enkel het Duits als andere taal beheerst. In dat opzicht vormt de mogelijkheid voor de vervolgde advocaat om zich met toepassing van artikel 457bis in het Duits uit te drukken, geen voldoende bijsturing. A.1.
  4. In ondergeschikte orde voert de voor de verwijzende rechter vervolgde partij aan dat de in het geding zijnde bepalingen, in de interpretatie van de verwijzende rechter, kennelijk discriminerend zijn voor de Duitstalige advocaten, in zoverre de Franstalige en Nederlandstalige advocaten wel steeds een tuchtprocedure in hun moedertaal kunnen genieten, en in zoverre iedere Duitstalige rechtzoekende eveneens recht heeft op een gerechtelijke procedure in zijn moedertaal, ongeacht of die voor de vredegerechten of voor de hoven van beroep verloopt, of zelfs voor de Raad van State. A.2.
  5. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil in zoverre zij betrekking heeft op artikel 466 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien het niet zeker is dat de zaak voor de Tuchtraad van beroep zal moeten worden gebracht. A.2.
  6. De Ministerraad herinnert eraan dat de in het geding zijnde bepalingen zijn aangenomen in 2006, in het kader van een ruime hervorming van de werking van de balies. Het ging erom de organisatie ervan te moderniseren, om ze aan te passen aan de nieuwe beroepspraktijken. Wat de hervorming van de tuchtprocedure van de advocaten betreft, wilde de wetgever, uitgaande van het principe dat de vroegere wettelijke regeling gekenmerkt werd door amateurisme, inefficiëntie en wanpraktijken, dat contentieux doeltreffender, transparanter en professioneler maken. Hij heeft dan ook beslist om de tuchtraden te hergroeperen op het niveau van de rechtsgebieden van de hoven van beroep. In die context werd ingegaan op de kwestie van de proceduretaal in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik, hoofdzakelijk via amendementen. 4 A.2.
  7. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag berust op een kennelijk onjuiste interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen door de verwijzende rechter, die van oordeel is dat uit die bepalingen volgt dat de taal van de tuchtprocedure tegen een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen noodzakelijkerwijs het Frans is. Volgens de Ministerraad kan daarentegen uit artikel 457bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden afgeleid dat de procedure in het Duits moet verlopen wanneer de orde waartoe de vervolgde advocaat behoort Duitstalig is. De voor de verwijzende rechter vervolgde partij is wel degelijk ingeschreven bij de Orde van advocaten bij de balie te Eupen. Het feit dat, luidens artikel 457, § 5, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (waarnaar artikel 457bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek verwijst), slechts een deel van de leden van de tuchtraad de Duitse taal moet kennen, volstaat niet om die interpretatie te ontkrachten. Volgens de Ministerraad dient de voormelde bepaling immers te worden begrepen in die zin dat zij de tweetalige leden ermee belast hun eentalige collega’s de nodige opheldering te geven. Artikel 457bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is ten slotte een bijkomende aanwijzing ter ondersteuning van de door de Ministerraad voorgestane interpretatie, omdat het de advocaat uitdrukkelijk toestaat om zich in het Duits uit te drukken. Om al die redenen is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. -B- B.1.
  8. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 457, § 5, 457bis en 466 van het Gerechtelijk Wetboek, die bepalen : « Art.
  9. […] §
  10. De tuchtraad houdt zitting met een kamervoorzitter, vier assessoren en een secretaris, die niet deelneemt aan de beraadslaging. De tuchtraad bevat ten minste één lid van de balie waartoe de advocaat tegen wie de tuchtrechtelijke vervolging is ingesteld, behoort. De tuchtraad bij het hof van beroep te Luik heeft een kamer die is samengesteld uit ten minste twee leden die de Duitse en de Franse taal kennen en die geen deel uitmaken van de balie van Eupen. Art. 457bis. De rechtspleging voor de tuchtraad wordt gevoerd in de taal van de Orde waartoe de vervolgde advocaat behoort. Onverminderd de toepassing van artikel 457, § 5, tweede lid, moeten alle leden van de zetel de taal van de rechtspleging kennen. Wanneer de tuchtrechtelijke rechtspleging echter een Duitstalige advocaat betreft, mag deze zich in het Duits uitdrukken ». « Art.
  11. De rechtspleging voor de tuchtraad van beroep wordt gevoerd in de taal van de beslissing waartegen hoger beroep werd ingesteld. Onverminderd de toepassing van artikel 457, § 5, tweede lid, moeten alle leden van de zetel de taal van de rechtspleging kennen. Wanneer de tuchtprocedure evenwel een Duitstalige advocaat betreft, mag laatstgenoemde Duits spreken ». 5 B.1.
  12. De tuchtregeling van de advocaten werd grondig herwerkt met de wet van 21 juni 2006 « tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden » (hierna : de wet van 21 juni 2006). Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de hervorming tot doel had « een nieuwe tuchtprocedure vast [te stellen] die meer in overeenstemming is met de moderne opvattingen over het publiek belang » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1724/001, p. 3). Het uitgangspunt dat de tuchtrechtelijke bevoegdheid en beoordeling over advocaten door advocaten zelf moet worden uitgeoefend, is door de wetgever behouden (ibid., p. 5). Uitgaande van de overtuiging dat het tuchtrecht hoort bij het kwaliteitsbeleid van een vertrouwensberoep, was de wetgever de opvatting toegedaan dat het tuchtrecht ten dienste moet staan van het algemeen belang in die zin dat het een behoorlijke uitoefening van het advocatenberoep moet waarborgen (ibid., pp. 6-14). Met die wet wilde de wetgever de tuchtprocedure vereenvoudigen en professionaliseren, door het aantal tuchtraden te verminderen, namelijk één per rechtsgebied van hof van beroep (artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 juni 2006) en twee tuchtraden van beroep met zetel te Brussel (artikel 464 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 17 van de wet van 21 juni 2006). B.1.
  13. Artikel 457, § 5, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd via een amendement dat als volgt werd verantwoord : « Dit amendement strekt ertoe te waarborgen dat bij tuchtrechtelijke vervolging van een advocaat van de balie van Eupen die advocaat zich kan verantwoorden voor een kamer van vijf leden die bestaat uit een vertegenwoordiger van de balie van Eupen (zoals het wetsvoorstel bepaalt), twee leden die geen lid zijn van de balie van Eupen maar de Duitse taal kennen, en twee leden die zuiver Franstalig zijn » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1724/002, p. 1). In de bevoegde commissie werd datzelfde amendement als volgt toegelicht : « De advocaten van de balie van Eupen hebben recht op een procedure die volledig in het Duits gevoerd wordt […]. De kamer, die zal oordelen over de advocaten verbonden aan de balie van Eupen, moet daarom minstens twee leden tellen die ook Duits spreken en die geen lid zijn van de balie van Eupen. Deze leden van de tuchtraad zijn dus niet noodzakelijk Duitstaligen, dat lijkt trouwens niet mogelijk aangezien de meeste Duitstalige advocaten aan de balie van Eupen zullen verbonden zijn. Deze kamer moet de procedure in het Duits kunnen voeren maar tegelijk moet een zekere afstand behouden worden tot de advocaat die het voorwerp van de tuchtprocedure is » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1724/003, p. 6). 6 B.1.
  14. Artikel 457bis werd eveneens geamendeerd, wat in de parlementaire voorbereiding als volgt werd verantwoord : « Het amendement bepaalt uitdrukkelijk dat de tuchtrechtelijke procedure wordt gevoerd in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de orde van balies (OVB of OBFG) waartoe de vervolgde advocaat behoort. Het gaat om de tegenhanger van artikel 18, dat de taal van de procedure voor de tuchtraad van beroep regelt. Om evenwel te voorzien in een zekere eerbiediging van de rechten van de verdediging van de Duitstalige advocaat die tuchtrechtelijk wordt vervolgd, wordt hem in het amendement de mogelijkheid gegeven eventueel Duits te spreken » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1724/002, p. 2). B.1.
  15. Uit de wetgevende context en de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepalingen, met het begrip « Duitstalige advocaat », de advocaten die zijn ingeschreven bij de balie te Eupen beogen. B.
  16. De Ministerraad wijst erop dat artikel 466 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op de voor de verwijzende tuchtraad hangende zaak en dat het dus niet nuttig is voor de oplossing van het geschil. Artikel 466 van het Gerechtelijk Wetboek betreft de procedure voor de tuchtraad van beroep. Aangezien de verwijzende rechter slechts bevoegd is voor de procedure in eerste aanleg, is het antwoord op de prejudiciële vraag, in zoverre zij betrekking heeft op artikel 466 van het Gerechtelijk Wetboek, kennelijk niet nuttig voor de oplossing van het geschil ten gronde. Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot de artikelen 457, § 5, tweede lid, en 457bis van het Gerechtelijk Wetboek. B.3.
  17. De Tuchtraad bij het Hof van Beroep te Luik, die het verwijzende rechtscollege is, interpreteert de in het geding zijnde bepalingen in die zin dat het Frans wordt beschouwd als de taal van de procedure voor die tuchtraad, zelfs wanneer de vervolgde advocaat is ingeschreven bij de balie te Eupen. 7 B.3.
  18. De voor de verwijzende tuchtraad vervolgde partij en de Ministerraad voeren aan dat die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen verkeerd is. Volgens hen volgt uit de formulering van die bepalingen en uit de wil van de wetgever dat de procedure integraal in het Duits moet worden gevoerd indien de vervolgde advocaat is ingeschreven bij de balie te Eupen. B.3.
  19. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen werden tegenstrijdige verklaringen gegeven inzake de betekenis van die bepalingen, wat de taal van de tuchtprocedure lastens een advocaat bij de balie te Eupen betreft. Terwijl in de in B.1.3 geciteerde parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk wordt gesteld dat « de advocaten van de balie van Eupen […] recht [hebben] op een procedure die volledig in het Duits gevoerd wordt » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1724/003, p. 6), wordt in de in B.1.4 geciteerde parlementaire voorbereiding gesteld dat de woorden « de taal van de Orde », vervat in artikel 457bis van het Gerechtelijk Wetboek, verwijzen naar het Frans voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1724/002, p. 2). Hieruit volgt dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen door het verwijzende rechtscollege, volgens welke de taal van een tuchtprocedure lastens een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen het Frans is, niet kennelijk verkeerd is. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepalingen dan ook in die interpretatie. B.
  20. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet erin voorzien dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen integraal in het Duits verloopt voor een kamer van de tuchtraad waarvan alle leden die taal spreken, terwijl de advocaten die zijn ingeschreven bij een andere balie van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » of bij een balie van de « Orde van Vlaamse balies » wel recht hebben op een tuchtprocedure die volledig verloopt in respectievelijk het Frans of het Nederlands voor een kamer van de tuchtraad waarvan alle leden die taal spreken, en terwijl iedere Duitstalige rechtzoekende in het Duitse taalgebied een procedure in het Duits kan genieten voor de rechtbanken te Eupen en voor het Hof van Beroep en het Arbeidshof te Luik. 8 De prejudiciële vraag betreft aldus, enerzijds, de taal van de rechtspleging en, anderzijds, de samenstelling van de tuchtraad in een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag eerst in zoverre zij betrekking heeft op de taal van de rechtspleging (artikel 457bis) en vervolgens in zoverre zij betrekking heeft op de samenstelling van de tuchtraad (artikel 457, § 5). Ten aanzien van de taal van de rechtspleging B.
  21. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  22. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen. B.
  23. Uit de in B.1.2 geciteerde parlementaire voorbereiding van de wet van 21 juni 2006 blijkt dat de wetgever tot doel had de tuchtprocedure voor de advocatuur te vereenvoudigen en te professionaliseren. Dat doel is legitiem. B.8.
  24. Aangezien de wetgever heeft vastgesteld dat een « verspreiding van de tuchtprocedures van de advocaten over 28 raden in eerste aanleg en 6 in graad van beroep […] oubollig, amateuristisch en inefficiënt [is] » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1724/001, p. 10), is het, in het licht van de doelstellingen inzake professionalisering en vereenvoudiging, pertinent dat de tuchtraden voortaan worden ondergebracht bij de zetels van de hoven van 9 beroep en dat de tuchtprocedures lastens de advocaten die zijn ingeschreven bij de balie te Eupen bijgevolg worden behandeld door de Tuchtraad bij het Hof van Beroep te Luik. B.8.
  25. Ten aanzien van het voormelde doel om de tuchtprocedure voor de advocatuur te vereenvoudigen en te professionaliseren, is het evenwel niet pertinent dat de advocaten die zijn ingeschreven bij de balie te Eupen het recht wordt ontzegd om een tuchtprocedure te genieten die integraal in het Duits verloopt, noch dat de tuchtprocedure lastens hen in een taal verloopt die zij niet noodzakelijk machtig zijn. Uit geen enkel element in de parlementaire voorbereiding blijkt om welke reden dat doel niet evenzeer zou worden bereikt indien de tuchtprocedure ten aanzien van de advocaten die zijn ingeschreven bij de balie te Eupen in het Duits wordt gevoerd. Het beperkte aantal advocaten dat is ingeschreven bij de balie te Eupen kan niet rechtvaardigen dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van verdediging van die advocaten. B.8.
  26. Artikel 457bis van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het niet toelaat dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen integraal in het Duits verloopt, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten aanzien van de samenstelling van de tuchtraad B.9.
  27. De wetgever heeft, wat de samenstelling van de tuchtraad betreft, rekening gehouden met de specifieke situatie van de advocaten die zijn ingeschreven bij de balie te Eupen, door te bepalen dat zij worden berecht door een kamer die is samengesteld uit ten minste twee leden die kennis hebben van het Duits (artikel 457, § 5, tweede lid). Daarenboven, zoals dat het geval is voor alle tuchtraden, telt de kamer ten minste één lid van de balie waartoe de advocaat behoort tegen wie de tuchtrechtelijke vervolging is ingesteld (artikel 457, § 5, eerste lid), in onderhavig geval de balie te Eupen. 10 Het feit dat de kamer mogelijkerwijs twee leden telt die geen kennis hebben van het Duits, doet geen afbreuk aan de rechten van verdediging van de betrokken advocaat, aangezien wordt gewaarborgd dat de beslissing jegens de advocaat kan worden genomen met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak. Daartoe is vereist dat de verklaringen in het Duits en minstens de voor de procedure essentiële stukken naar het Frans worden vertaald opdat ze ook voor de leden van de tuchtraad die het Duits niet machtig zijn, begrijpbaar zouden zijn. B.9.
  28. Onder voorbehoud dat de verklaringen in het Duits en minstens de voor de procedure essentiële stukken naar het Frans worden vertaald opdat ze ook voor de leden van de tuchtraad die het Duits niet machtig zijn, begrijpbaar zouden zijn, is artikel 457, § 5, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet verplicht dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen verloopt voor een kamer van de tuchtraad waarvan alle leden de Duitse taal beheersen. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 457bis van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het niet erin voorziet dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen integraal in het Duits verloopt. - Onder het in B.9.2 vermelde voorbehoud, schendt artikel 457, § 5, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet erin voorziet dat een tuchtprocedure betreffende een advocaat die is ingeschreven bij de balie te Eupen verloopt voor een kamer van de tuchtraad waarvan alle leden de Duitse taal beheersen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 april
  29. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.