id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.061 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.8 Arrest- Rolnummer: 61/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 347 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 mei 2019 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen en van het decreet van 15 maart 2018 betreffende de woninghuurovereenkomst », ingesteld door de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » en de vzw « Ligue des familles ». Huisvesting - Waals Gewest - Cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » - Oprichting van een intern auditcomité. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 02-05-2019 - 10 - 38 ELI link Pub nr 2019202569 Tekst van de beslissing Rolnummer 7299 Arrest nr. 61/2021 van 22 april 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 mei 2019 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen en van het decreet van 15 maart 2018 betreffende de woninghuurovereenkomst », ingesteld door de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » en de vzw « Ligue des familles ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 mei 2019 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen en van het decreet van 15 maart 2018 betreffende de woninghuurovereenkomst » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2019, tweede editie) door de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » en de vzw « Ligue des familles », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Van Nuffel, advocaat bij de balie te Brussel. De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 10 februari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 maart 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 3 maart 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- Om te doen blijken van het belang bij het beroep van de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » (Woningfonds van de Grote Gezinnen van Wallonië) (hierna : het « Fonds du logement »), zetten de verzoekende partijen uiteen dat het « Fonds du logement » een privaatrechtelijke rechtspersoon is, zonder deelneming van een overheidsbestuur in het kapitaal. De hoofdaandeelhouder is de vzw « Ligue des familles ». De invloed van het Waalse Gewest op de organen van het « Fonds du logement » is beperkt tot een recht om een aantal bestuurders voor benoeming voor te dragen. Het feit dat het « Fonds du logement » wordt betrokken bij het door het Waalse Gewest gevoerde huisvestingsbeleid en dat het een financiering geniet voor zijn opdrachten heeft niet tot gevolg dat het zijn hoedanigheid van privaatrechtelijke rechtspersoon verliest. A.1.
- De verzoekende partijen zijn wel degelijk op de hoogte van het arrest nr. 196/2004 van 8 december 2004, waarbij het Hof van oordeel lijkt te zijn dat het « Fonds du logement » een publiekrechtelijke rechtspersoon is en, steunend op het specialiteitsbeginsel, het Fonds een belang bij het beroep heeft ontzegd. De juridische kwalificatie van de privaatrechtelijke entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van 3 overheidsbeleid, zoals het « Fonds du logement », heeft echter een ontwikkeling in de rechtspraak gekend. Zo blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat privaatrechtelijke rechtspersonen met een opdracht van openbare dienst louter administratieve overheden zijn indien zij een eenzijdige beslissingsbevoegdheid ten aanzien van derden uitoefenen. In lijn met die rechtspraak heeft het Hof van Cassatie, bij een arrest van 5 februari 2016, geoordeeld dat het feit dat een privaatrechtelijke entiteit opdrachten van openbare dienst uitoefent en aan overheidscontrole is onderworpen, niet bepalend is om die entiteit haar privaatrechtelijke aard te doen verliezen. Het Hof van Cassatie heeft aldus een halt toegeroepen aan de rechtspraak van de Raad van State volgens welke een entiteit zoals het « Fonds du logement » een publiekrechtelijke rechtspersoon zou zijn door het loutere feit dat zij een opdracht van openbare dienst heeft en dat zij door de overheid wordt gecontroleerd. A.1.
- De verzoekende partijen doen gelden dat de beheersovereenkomst die het « Fonds du logement » met het Waalse Gewest heeft gesloten niet kan worden gelijkgesteld met een klassieke administratiefrechtelijke beheersovereenkomst, aangezien zij niet gepaard gaat met de functionele decentralisering van een overheidsdienst. Zij dient enkel om de aan het « Fonds du logement » toevertrouwde opdrachten aan te passen aan de verplichtingen van de huisvestingssector en schrijft overigens voor dat het « Fonds du logement » zijn functies volledig autonoom uitoefent. A.1.
- De verzoekende partijen besluiten dat de rechtspraak van het Hof over het belang van de publiekrechtelijke rechtspersonen niet van toepassing is op het « Fonds du logement ». A.1.
- Volgens de verzoekende partijen beschikt het « Fonds du logement » als privaatrechtelijke rechtspersoon over een belang bij het beroep. Ten eerste wordt het Fonds bij de bestreden bepaling immers de oprichting opgelegd van een orgaan volgens dezelfde nadere regels als de « Société wallonne du Logement » (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en de « Société wallonne du Crédit social » (Waalse Maatschappij voor Sociaal Krediet), hetgeen afbreuk doet aan de autonomie van het « Fonds du logement ». Ten tweede is het intern auditcomité een orgaan voor de actieve en preventieve controle van het financieel beheer van de entiteit, in zoverre het comité het toezicht op de financiële beslissingen van de raad van bestuur als opdracht heeft. Ten derde, hoewel het intern auditcomité uitsluitend uit leden van de raad van bestuur bestaat, wordt de bijstand van derden, in het bijzonder van door de Waalse Regering aangewezen ambtenaren, opgelegd. Bijgevolg wordt met de bestreden bepaling rechtstreeks ingegrepen in de interne werking van het « Fonds du logement » en wordt dat onderworpen aan een externe overheidscontrole, die komt bovenop de reeds bestaande controlemechanismen. A.1.
- De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de bestreden bepaling de organieke positie en de operationele werking van het « Fonds du logement » ongunstig raakt. Zij stelt het « Fonds du logement » gelijk met de openbare entiteiten van de Waalse huisvestingssector, terwijl het zich ervan onderscheidt door zijn aard en zijn banden met het Waalse Gewest. Daarenboven doet de bestreden bepaling afbreuk aan de zowel organisatorische als operationele autonomie van het « Fonds du logement », door het Fonds de oprichting van een orgaan op te leggen en door het aan een controle door het Waalse Gewest te onderwerpen. Bovendien voegt de bestreden bepaling een controleniveau toe, hetgeen het besluitvormingsproces zwaarder maakt. De bestreden bepaling ontmantelt voorts de structuur van de hiërarchie van de functies door aan de besluitvorming personen toe te wijzen die reeds een controle a posteriori op die beslissingen uitoefenen. Tot slot wordt bij de bestreden bepaling een overtollige regeling ingevoerd in een instelling waarin het financieel beheer reeds wordt opgenomen door de diensten en organen van de instelling. A.1.
- Ten aanzien van het belang bij het beroep van de vzw « Ligue des familles » herinneren de verzoekende partijen eraan dat die vzw de meerderheidsvennoot van het « Fonds du logement » is, die over bevoegdheden beschikt tot benoeming en tot voordracht voor de benoeming van de leden van de raad van bestuur. Die positie biedt de « Ligue des familles » de mogelijkheid de strategische beslissingen van het « Fonds du logement » te bepalen en te wegen op de beslissingen van de raad van bestuur. De verplichte oprichting van een intern auditcomité, dat een hefboom is die het Waalse Gewest de mogelijkheid biedt zijn invloed op de strategische beslissingen van de raad van bestuur van het « Fonds du logement » nog te vergroten, heeft als rechtstreeks gevolg dat de positie van de vzw « Ligue des familles » er wordt verzwakt. Die vzw doet bijgevolg blijken van een belang bij het beroep. A.2.
- Wat betreft het belang bij het beroep van het « Fonds du logement », verwijst de Waalse Regering naar het arrest nr. 196/2004 van 8 december
- In dat arrest heeft het Hof de exceptie van niet- ontvankelijkheid die is opgeworpen tegen het beroep dat door het « Fonds du logement » is ingesteld tegen artikel 185bis, §§ 1 en 2, van de Waalse Huisvestingscode en artikel 174 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, gunstig onthaald. Vanuit een bekommernis om coherentie voert de Waalse Regering thans dezelfde exceptie van niet-ontvankelijkheid aan ten aanzien van het « Fonds du 4 logement », aangezien de bestreden bepaling ook een door de decreetgever in het algemeen belang ingestelde en georganiseerde financiële controle van dat Fonds betreft. A.2.
- De Waalse Regering is van mening dat de verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 5 februari 2016 te dezen niet relevant is. Het Hof van Cassatie diende zich uit te spreken over een arrest van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die van oordeel was dat de cvba « Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » niet als een privaatrechtelijke rechtspersoon kon worden beschouwd. De inzet van het geschil was echter gelegen in de vraag of dat Fonds als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State diende te worden beschouwd. Te dezen, echter, is het probleem heel anders en dient het Hof niet te bepalen of het « Fonds du logement » al dan niet een administratieve overheid is. Trouwens, het is het feit dat het « Fonds du logement » door de wetgever ermee belast is deel te nemen aan het beheer van een overheidsdienst, wat een functioneel element is, dat door het Hof bepalend is geacht om aan het « Fonds du logement » geen belang om in rechte te treden, toe te kennen. Daarentegen heeft het Hof zich niet uitgesproken over de juridische aard van het Fonds en heeft het dus niet een organieke benadering gevolgd om tegemoet te komen aan de exceptie van niet-ontvankelijkheid. A.2.
- De Waalse Regering verwijst ook naar het arrest nr. 12/2001 van 7 februari 2001, waarin het Hof geweigerd heeft aan de provincie Henegouwen een belang om in rechte te treden, toe te kennen, niet wegens haar hoedanigheid van overheid, maar omdat zij een instrument is ten dienste van het belang van de burgers. A.2.
- De Waalse Regering besluit tot de ontstentenis van belang van het « Fonds du logement » om in rechte te treden. A.2.
- Ten aanzien van het belang van de vzw « Ligue des familles » (hierna : de Ligue des familles) om in rechte te treden, wijst de Waalse Regering erop dat indien het Hof aan het « Fonds du logement » geen belang toekent om in rechte te treden, het ook moet weigeren het belang van de « Ligue des familles » te erkennen. Daarentegen, indien het Hof de exceptie van niet-ontvankelijkheid verwerpt, kan het aan de « Ligue des familles » daarom nog geen belang toekennen. A.2.
- De Waalse Regering betwist het feit dat de oprichting van een intern auditcomité de positie van de « Ligue des familles » als meerderheidsvennoot van het « Fonds du logement » verzwakt. De bestreden bepaling tast de bevoegdheid van de « Ligue des familles » niet aan, waaronder de bevoegdheid om leden van de raad van bestuur te benoemen. De « Ligue des familles » kan dus de strategische beslissingen van het « Fonds du logement » blijven bepalen. Daarenboven bestaat het intern auditcomité slechts uit drie leden, allen uit de raad van bestuur. Het omvat geen enkele vertegenwoordiger van het Waalse Gewest. De twee vertegenwoordigers van het Waalse Gewest staan de drie leden van het auditcomité enkel bij, dat bovendien geen beslissingsmacht, maar alleen een zuiver raadgevende opdracht heeft. Tot slot, indien het optreden van het auditcomité het mogelijk kan maken de inwerkingstelling van een controle a posteriori te vermijden, zouden zowel het « Fonds du logement » als de « Ligue des familles » zich daarover moeten verheugen. A.2.
- De Waalse Regering besluit dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang. A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de Waalse Regering een contradictorische argumentatie uiteenzet. Hoewel zij, wat de ontvankelijkheid betreft, betoogt dat het criterium van het belang niet organiek maar functioneel is, baseert zij zich evenwel, teneinde de annulatiemiddelen te weerleggen, op een organiek criterium van een publiekrechtelijke rechtspersoon om te betogen dat de vrijheid van vereniging niet van toepassing is op het « Fonds du logement ». Vervolgens is de rechtspraak van het Hof genuanceerd en in zijn arrest nr. 9/2020 van 16 januari 2020 heeft het Hof de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Waalse Regering afgewezen, die zij heeft opgeworpen tegen het beroep dat is ingesteld door een vennootschap die door de overheid wordt gecontroleerd en die betrokken is bij de verwezenlijking van opdrachten van openbare dienst. De regels in verband met de ontvankelijkheid moeten niet op overdreven formalistische wijze worden toegepast, zoals blijkt uit het arrest van het Hof nr. 48/2012 van 22 maart
- A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden vervolgens dat het door de Waalse Regering gelegde verband tussen het belang en de grond van de zaak gelegen is in de hoedanigheid van diegene die in rechte treedt : de openbare entiteit die een opdracht van openbare dienst uitoefent, geniet de vrijheid van vereniging niet en heeft bijgevolg geen belang erbij de grondwettigheid te betwisten van een bepaling die geacht wordt die vrijheid aan te tasten. Het « Fonds du logement » is echter geen publiekrechtelijke rechtspersoon. Het is niet voortgekomen uit de functionele decentralisering en is geen geleding van het Waalse Gewest. Het is evenmin geïntegreerd in de 5 administratieve structuren van de sector van de openbare huisvesting zoals de openbare vennootschappen dat zijn. De exceptie van niet-ontvankelijkheid is slechts van toepassing op de publiekrechtelijke rechtspersonen alleen. A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden ook dat de draagwijdte van het arrest van het Hof nr. 196/2004 moet worden gepreciseerd. Het feit dat het belang van de verzoekende partij wordt beperkt tot de maatregel die een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op de uitoefening van de activiteiten van openbare dienst, betekent dat de maatregel de instelling moet raken in de uitoefening van haar activiteit omdat hij afbreuk doet aan die activiteit als dusdanig of aan de operationele autonomie van die instelling. Het is echter niet omdat de betwiste maatregel tot doel heeft de goede uitvoering te waarborgen van de aan de instelling toevertrouwde opdracht van openbare dienst dat hij geen afbreuk kan doen aan de autonomie van de instelling. De verplichting om een intern auditcomité op te richten betekent niet louter een bron van ongemak, maar zij is noch verantwoord, noch evenredig, noch relevant. Aangezien zij verbonden is met de oplossing ten gronde, dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen. A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de lering van het arrest van het Hof nr. 9/2020 het Hof ertoe zou moeten brengen de exceptie van niet-ontvankelijkheid te dezen te verwerpen. Er is immers niets dat een vennootschap waarin de overheden een bevoegdheid uitoefenen en die bijdraagt aan de verwezenlijking van opdrachten van openbaar belang, functioneel onderscheidt van een vennootschap die niet structureel verbonden is met een overheid en die opdrachten van openbaar belang uitoefent die haar door een overheid zijn toevertrouwd. A.3.
- Ten aanzien van het belang van de « Ligue des familles » om in rechte te treden, antwoorden de verzoekende partijen dat de door de Waalse Regering uiteengezette argumentatie, volgens welke het intern auditcomité geen invloed heeft op de beslissingen van de organen van het « Fonds du logement », verbonden is met de grond van de zaak. Het kan niet worden betwist dat de oprichting van het intern auditcomité als rechtstreeks gevolg heeft dat de positie van de « Ligue des familles » wordt verzwakt, zodat haar belang om in rechte te treden is aangetoond. A.4.
- De Waalse Regering repliceert dat haar argumentatie niet contradictorisch is. Het is niet omdat de kwestie van de juridische aard van het « Fonds du logement » geen weerslag heeft op de ontvankelijkheid dat zij geen enkel gevolg kan hebben op het onderzoek van de middelen. Dienaangaande is het onjuist te betogen dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid slechts van toepassing zou zijn op publiekrechtelijke rechtspersonen. De vaststelling waarop de exceptie van niet-ontvankelijkheid berust, namelijk dat het « Fonds du logement » belast is met opdrachten van openbare dienst, veronderstelt niet dat de organieke aard van het « Fonds du logement » vaststaat. A.4.
- De Waalse Regering repliceert dat er geen enkele nuance dient te worden aangebracht tussen de leringen van het arrest nr. 9/2020 en van het arrest nr. 196/
- Het arrest nr. 9/2020 vormt veeleer een bevestiging van het arrest nr. 196/
- Uit die beide arresten vloeit immers voort dat, voor zover een instelling die wettelijk ermee belast is deel te nemen aan het beheer van een openbare dienst, kan aantonen dat de bepalingen die zij aanvecht de uitoefening van haar activiteiten van openbare dienst rechtstreeks en ongunstig kunnen raken, zij doet blijken van het vereiste belang. Te dezen is zulks niet het geval. De bestreden bepaling legt geen enkele extra verplichting op aan het « Fonds du logement » en onderwerpt het aan geen enkele extra controle. Ten eerste raakt de bestreden bepaling immers niet aan de samenstelling van de raad van bestuur. Ten tweede heeft het intern auditcomité geen enkele beslissingsbevoegdheid, aangezien zijn opdracht zich beperkt tot een raadgevende opdracht. Ten derde is het optreden van het intern auditcomité van dien aard dat kan worden vermeden dat een controle a posteriori in werking dient te worden gesteld. Tot slot zou de toekenning aan het « Fonds du logement » van een belang om in rechte te treden verbazingwekkend zijn, want de bestreden bepaling in het beroep dat heeft geleid tot het arrest van niet- ontvankelijkheid nr. 196/2004, had een soortgelijk doel als dat van de bestreden bepaling. A.4.
- De Waalse Regering repliceert dat het Hof in het arrest nr. 48/2012 eenvoudigweg heeft geantwoord op een exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van een vermeende niet-inachtneming van zuiver vormelijke vereisten. Het bestaan van een belang om in rechte te treden is geen vormelijke vereiste die zich zou lenen tot min of meer formalistische toepassingen. Het in die zaak betwiste belang was fundamenteel verschillend van het belang dat te dezen wordt betwist. 6 A.4.
- De Waalse Regering repliceert dat de verzoekende partijen enkel trachten aan te tonen dat de bestreden bepaling een rechtstreekse weerslag heeft op de activiteiten van openbare dienst van het « Fonds du logement », maar geen enkele ongunstige weerslag. De bestreden bepaling is zelfs geen bron van ongemak. A.4.
- In verband met het belang van de « Ligue des familles » verwijst de Waalse Regering naar haar memorie. Zij verwijst ook naar de elementen die aantonen dat de bestreden bepaling geen enkele extra verplichting oplegt en het « Fonds du logement » aan geen enkele extra controle onderwerpt. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.5.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 27 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling een inmenging vormt in de interne organisatie en de werking van het « Fonds du logement » die niet verenigbaar is met de vrijheid van vereniging. De bestreden bepaling legt het « Fonds du logement » de oprichting van een intern orgaan op, waarbij de raad van bestuur aldus wordt onderworpen aan een permanente controle a priori, die wordt uitgeoefend door het Waalse Gewest en die dat Gewest de mogelijkheid biedt de beheersbeslissingen te beïnvloeden. A.5.
- De verzoekende partijen voeren verscheidene adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State aan waaruit volgt dat, hoewel de wetgever regels kan uitvaardigen die de werking bepalen van privaatrechtelijke entiteiten die betrokken zijn bij de realisatie van overheidsbeleid en die door overheden financieel worden ondersteund, die regels de aard van die entiteiten niet mogen aantasten, noch hun bestaan, organisatie en werking op onevenredige wijze mogen raken. Volgens de verzoekende partijen doet de bestreden bepaling echter afbreuk aan de organisatie en de werking van het « Fonds du logement » en voert het een mechanisme in van invloed van het Waalse Gewest op de beheersbeslissingen. Het gaat om een beperking van de vrijheid van vereniging, zowel van het « Fonds du logement » als van de « Ligue des familles ». A.5.
- De verzoekende partijen betogen vervolgens dat de aantasting van de vrijheid van vereniging niet verantwoord is. In de parlementaire voorbereiding wordt niet de doelstelling gepreciseerd die wordt nagestreefd met de beperking van de vrijheid van vereniging. Daarin wordt enkel de wil uitgedrukt om de « Governance-decreten » en het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen te harmoniseren. Die wil is echter niet aanvaardbaar, aangezien hij berust op de ontkenning van het verschil tussen het « Fonds du logement », een zuiver private entiteit, en de andere huisvestingsmaatschappijen, publiekrechtelijke rechtspersonen. De harmonisering van de controles en van de wijzen van werking van die openbare entiteiten en van het « Fonds du logement » is dus geen wettige reden, noch voldoende om de beperking van de vrijheid van vereniging te verantwoorden. Met de bestreden bepaling wordt geen doelstelling van bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, zoals het recht op huisvesting, nagestreefd. Noch de transpositie van een intern beheerscomité binnen het « Fonds du logement », noch de gelijkstelling van het « Fonds du logement » met de andere vennootschappen die actief zijn op het gebied van de huisvesting in het Waalse Gewest, zijn relevant om de doelstelling van bescherming van het recht op huisvesting te bereiken. A.5.
- Tot slot zijn de verzoekende partijen van mening dat de aantasting van de vrijheid van vereniging niet evenredig is, in de veronderstelling dat zij relevant is om de door het Waalse Gewest aan het « Fonds du logement » toegekende dotaties efficiënter en transparanter te beheren. Hoewel de openbare financiering van het « Fonds du logement » een controle door het Waalse Gewest kan verantwoorden, beschikt dat Gewest immers reeds over talrijke instrumenten om het efficiënte gebruik van zijn financiële ondersteuning te controleren. Concreet stelt het voor leden van de raad van bestuur aan te wijzen en oefent het via regeringscommissarissen een controle a posteriori uit. De regeringscommissarissen en de leden van het gewestelijk bestuur hebben daarenboven zitting in het « Asset Liability Management »comité, dat door het « Fonds du logement » is opgericht om de financiële risico’s van zijn kredietactiviteit te beheren. De bestaande controles maken het dus reeds mogelijk de doelstelling van de doeltreffende toewijzing van de financiële middelen te beheren. De betwiste maatregel is noch noodzakelijk, noch evenredig. Bovendien had de nagestreefde doelstelling, in de veronderstelling dat de bestaande controles onvolledig zijn, kunnen worden bereikt met maatregelen die minder 7 afbreuk doen aan de vrijheid van vereniging en die de juridische aard van privaatrechtelijke entiteit van het « Fonds du logement » in acht nemen, zoals een aanpassing van de beheersovereenkomst. A.6.
- De Waalse Regering betoogt dat, mocht het Hof van oordeel zijn dat het « Fonds du logement » een publiekrechtelijke rechtspersoon vormt, dat Fonds zich niet zal kunnen beroepen op een schending van de vrijheid van vereniging, die enkel de oprichting van private verenigingen beschermt. A.6.
- Ten aanzien van de beperkingen van de vrijheid van vereniging betoogt de Waalse Regering dat de betwiste inmenging ertoe strekt « de rechten en vrijheden van anderen » te beschermen, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 48/2005 van 1 maart
- De met de bestreden bepaling nagestreefde doelstelling bestaat erin toe te zien op het gezond, transparant en efficiënt financieel beheer van het « Fonds du logement », waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat grote gezinnen met gemiddelde of bescheiden inkomens te helpen om de aankoop van een woning te financieren en arme gezinnen te helpen om een woning te huren. De doelstelling is dus duidelijk het waarborgen van het recht op een behoorlijke huisvesting, dat is verankerd in artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet en in talrijke internationale Verdragen. A.6.
- De Waalse Regering voegt eraan toe dat de inmenging in de vrijheid van vereniging evenredig is met het nagestreefde doel en dus noodzakelijk is in een democratische samenleving. De verzoekende partijen brengen niet het minste bewijselement aan waaruit zou blijken dat de bestreden bepaling tot gevolg zou hebben dat de organisatie of de werking van het « Fonds du logement », en zelfs het bestaan ervan, in hun aard worden aangetast of op onevenredige wijze worden geraakt. A.6.
- De Waalse Regering stelt allereerst immers vast dat de met de betwiste maatregel nagestreefde doelstelling erin bestaat de controle op het financieel beheer van de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen bedoeld in het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen te harmoniseren met die van het decreet van 12 februari 2004 « betreffende het statuut van de overheidsbestuurder », gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen ». In dat decreet van 29 maart 2018 was het reeds de wil van de wetgever om de samenstelling te regelen van het orgaan dat belast is met de audit, zodat het zijn opdracht ten volle kan uitoefenen met de grootst mogelijke afstand en onafhankelijkheid. Hij laat zich door diezelfde bezorgdheid leiden wat betreft de bestreden bepaling. Vervolgens wijzigt de bestreden bepaling niet de samenstelling van de raad van bestuur van het « Fonds du logement », noch de procedure en de voorwaarden voor de benoeming van de bestuurders. Bovendien heeft het auditcomité geen enkele beslissingsbevoegdheid. Het gaat om een raadgevend orgaan en niet om een controleorgaan. Het optreden van het intern auditcomité maakt het net mogelijk te vermijden dat een controle a posteriori in werking moet worden gesteld, door financiële onregelmatigheden te voorkomen. De beslissing om een instrument toe te voegen aan de bestaande mechanismen behoort uitsluitend tot de politieke beoordeling van de Waalse wetgever. Het feit dat het « Fonds du logement » belast is met opdrachten van openbare dienst, verantwoordt zelfs dat aan de Waalse wetgever een ruimere beoordelingsmarge wordt toegekend. Het optreden waarin is voorzien bij de bestreden bepaling is marginaal en zeer verschillend van de inmengingen, zoals het instellen van een vervangend toezicht, waarvan sprake is in de door de verzoekende partijen aangehaalde adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.6.
- De Waalse Regering besluit dat het middel niet gegrond is. A.7.
- In hun memorie van antwoord herhalen de verzoekende partijen dat het « Fonds du logement » geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, zodat het de bescherming van de vrijheid van vereniging kan opeisen. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het Waalse Gewest niet getracht heeft te handelen ten aanzien van de doelstelling grote gezinnen met gemiddelde of bescheiden inkomens in staat te stellen toegang te hebben tot een behoorlijke huisvesting. Wanneer de Waalse Regering beslist heeft de oprichting van een intern auditcomité op te leggen, heeft zij het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen en het « Governance-decreet » willen harmoniseren wat betreft de organen waarvan zij de oprichting voorschrijven. Het Fonds heeft trouwens niet gewacht tot het van het Waalse Gewest de verplichting opgelegd kreeg zich te voorzien van instrumenten aan de hand waarvan het de doeltreffendheid van zijn financieel beheer kon evalueren. Het heeft in 1999 reeds een « Asset Liability Management » comité opgericht, waar het Waalse Gewest bij betrokken is. Ten aanzien van de doelstelling van professionalisering van het financiële beheer is de maatregel dus niet verantwoord. De Waalse wetgever heeft het « Fonds du logement » alleen maar gelijkgesteld met de openbare vennootschappen om het Fonds een identieke maatregel op te leggen. 8 A.7.
- Ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel antwoorden de verzoekende partijen, ten eerste, dat de Waalse Regering formele argumenten aanvoert, waarbij geen rekening wordt gehouden met de concrete situatie van het « Fonds du logement », om te betogen dat de bestreden maatregel niet ertoe strekt de invloed van het Waalse Gewest in de organen van het Fonds te vergroten. De controle van het Waalse Gewest was reeds aanzienlijk vóór de bekritiseerde maatregel. Het maakt dan geen verschil dat het intern auditcomité slechts over een adviesbevoegdheid beschikt en geen leden van het gewestbestuur omvat. Zijn rol bestaat erin invloed over te brengen en die invloed kan worden uitgeoefend door de leden van het gewestbestuur die ermee belast zijn dat comité bij te staan. Trouwens, de noodzakelijke deskundigheid is eerst aanwezig in de groep van de leden van het gewestbestuur die het comité bijstaan. De macht om de raad van bestuur te beïnvloeden bevindt zich buiten het orgaan, bij de vertegenwoordigers van het Waalse Gewest. A.7.
- De verzoekende partijen antwoorden, ten tweede, dat het intern auditcomité over bevoegdheden beschikt die, behoudens de aangelegenheid van het financieel beheer, identiek zijn met die van het auditcomité, waarvan de oprichting « binnen » de raad van bestuur is voorgeschreven bij artikel 15quater van het decreet van 12 februari
- De bestreden bepaling schaft dat orgaan echter niet af, dat dus blijft bestaan. De doelstelling die erin bestaat de professionalisering van het financieel beheer binnen het « Fonds du logement » te versterken is onjuist. In werkelijkheid heeft de Waalse wetgever leden van het gewestbestuur willen laten optreden binnen de raad van bestuur, al was het maar via het advies van diegenen die de raad van bestuur « bijstaan ». Het enige doel en het gevolg van de betwiste maatregel zijn dus de aanwezigheid van het Waalse Gewest binnen het « Fonds du logement » te versterken en zijn invloed te vergroten. A.7.
- De verzoekende partijen besluiten dat de maatregel onevenredig is en de beoordelingsmarge van de Waalse wetgever overschrijdt, want de doelstelling die de Waalse Regering beweert na te streven, wordt reeds bereikt. De betwiste maatregel is strijdig met de vrijheid van vereniging. A.8.
- In haar memorie van wederantwoord oppert de Waalse Regering dat de controverse tussen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Cassatie aantoont dat de bewering van de verzoekende partijen volgens welke het « Fonds du logement » een privaatrechtelijke rechtspersoon zou zijn, betwistbaar is. A.8.
- De Waalse Regering repliceert vervolgens dat het verband tussen de bestreden bepaling en het grondrecht op een behoorlijke huisvesting niet ernstig kan worden betwist, tenzij wordt ontkend dat een instelling die ermee belast is bescheiden of arme grote gezinnen te helpen toegang te hebben tot een behoorlijke huisvesting, bijdraagt tot de verwezenlijking van het grondwettelijk recht op huisvesting. A.8.
- De Waalse Regering formuleert vervolgens drie replieken. Ten eerste wordt de wil van de wetgever om, voor het « Fonds du logement », de «Governance-decreten » en het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen te harmoniseren wat het financiel beheer betreft, verklaard door de wil om het « Fonds du logement » het voordeel te laten genieten van dezelfde regeling inzake financiële audit als die waarin is voorzien voor met het Fonds vergelijkbare instellingen. In het bestreden decreet van 2 mei 2019 staat trouwens opnieuw de bekommernis, die reeds is uitgedrukt bij de wijziging van het decreet van 12 februari 2004 bij het decreet van 29 maart 2018, om de samenstelling te regelen van het met de audit belaste orgaan, opdat het zijn opdracht ten volle kan uitvoeren, met de grootst mogelijke afstand en onafhankelijkheid. Ten tweede betreft de bewering volgens welke de huidige werking van het « Fonds du logement » niet onder de doelstelling van professionalisering van het financieel beheer valt, een louter opportuniteitsoordeel. Het staat aan de wetgever, en niet aan het Hof, te oordelen of een maatregel opportuun of wenselijk is. In sociaal- economische aangelegenheden heeft de wetgever trouwens een ruime beoordelingsbevoegdheid. Ten derde is het gewettigd dat het Waalse Gewest waakt over het gezonde, transparante en efficiënte karakter van de instellingen die een opdracht van openbare dienst verzekeren. Aan het « Fonds du logement » kan worden toegestaan door het Gewest gewaarborgde leningen aan te gaan en zijn activiteiten worden gesubsidieerd. A.8.
- De Waalse Regering verwijst vervolgens naar haar memorie waarin wordt aangetoond dat de bewering volgens welke bij de bestreden bepaling aan het « Fonds du logement » zodanige verplichtingen zouden worden opgelegd dat het een loutere uitvoerder van het Waalse gewestelijke beleid zou worden en dat de wezenskenmerken ervan zouden worden vervormd, weinig ernstig is. 9 A.8.
- De Waalse Regering repliceert dat de bestreden bepaling niet overbodig is. Het is niet de bedoeling dat zij met die bepaling in concurrentie treedt met reeds bestaande instrumenten voor financiële controle. Het gaat niet erom een nieuwe controle toe te voegen. Het gaat, in een preventieve logica, erom te vermijden dat controles a posteriori moeten worden opgestart. Wat betreft het tweede middel A.9.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling berust op de gelijkstelling van het « Fonds du logement », een privaatrechtelijke rechtspersoon, met de andere vennootschappen die actief zijn op het gebied van huisvesting en die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, terwijl zij zich in aanzienlijk verschillende situaties bevinden. A.9.
- De verzoekende partijen doen gelden dat de situatie van het « Fonds du logement » en die van de « Société wallonne du Logement » (Waalse Huisvestingsmaatschappij) en van de « Société wallonne du Crédit social » (Waalse Maatschappij voor Sociaal Krediet) niet vergelijkbaar zijn. A.9.
- Volgens de verzoekende partijen druist de gelijkstelling van het « Fonds du logement » met de « Société wallonne du logement » (hierna : de « SWL ») en met de « Société wallonne du Crédit social » (hierna : de « SWCS ») in tegen de verschillende behandeling van het Fonds en die openbare entiteiten, bedoeld in het decreet van 15 december 2011 « houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de verslaggeving van de Waalse openbare bestuurseenheid ». Wegens hun aard van publiekrechtelijk rechtspersoon worden de « SWL » en de « SWCS » daarin aan striktere regels onderworpen dan het « Fonds du logement ». Om die reden kan het verschil in behandeling niet worden verantwoord. De bekritiseerde gelijke behandeling blijkt uit de tekst van het decreet van 2 mei
- Zij betreft niet alleen het principe zelf van de omzetting van een intern auditcomité, maar ook de samenstelling van dat comité en de opdrachten ervan, zoals blijkt uit een parallelle lezing van de artikelen 4, 8 en 10 van het decreet van 2 mei
- Die gelijke behandeling wordt ook weerspiegeld in de parlementaire voorbereiding, die dezelfde verantwoording bevat voor de omzetting van dat orgaan binnen die entiteiten. A.9.
- De verzoekende partijen opperen dat de gelijke behandeling niet verantwoord is. Zij is niet evenredig met de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. De verzoekende partijen verwijzen voor het overige naar de uiteenzetting van het eerste middel. A.10.
- De Waalse Regering betoogt dat de vergeleken categorieën van personen zich niet in aanzienlijk verschillende situaties bevinden. De bewering van de verzoekende partijen volgens welke het « Fonds du logement » een privaatrechtelijke rechtspersoon zou zijn, in tegenstelling tot de andere vennootschappen die actief zijn op het gebied van huisvesting, is immers juridisch betwistbaar. Hetgeen bepalend is bij de gelijke behandeling van de huisvestingsmaatschappijen is niet het feit dat, vanuit organiek oogpunt, beide dezelfde juridische aard hebben, maar het feit dat, vanuit functioneel oogpunt, zij ermee belast zijn deel te nemen aan het beheer van de openbare dienst van de huisvesting. Voor het overige behoort het alleen tot de beoordeling van de decreetgever om het mechanisme van een intern auditcomité al dan niet toe te passen op verscheidene actoren van het gewestelijk huisvestingsbeleid. Tot slot, mochten de huisvestingsmaatschappijen zich niettemin in aanzienlijk verschillende situaties bevinden, veroorzaakt de gelijke behandeling die hun bij de bestreden bepaling wordt opgelegd geen enkel onevenredig gevolg. De Waalse Regering verwijst op dat punt naar haar uiteenzetting met betrekking tot het eerste middel. A.10.
- De Waalse Regering besluit dat het middel niet gegrond is. A.11.
- De verzoekende partijen antwoorden dat het feit dat het « Fonds du logement » deelneemt aan het gewestelijk huisvestingsbeleid op zich niet betekent dat het zich in een situatie zou bevinden die vergelijkbaar is met die van de openbare huisvestingsmaatschappijen. Het Fonds is van een andere aard en de betrokkenheid ervan bij het gewestelijk huisvestingsbeleid komt vanuit een andere hoek. A.11.
- De verzoekende partijen antwoorden, ten eerste, dat het onjuist is te beweren dat het onderscheid tussen privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen betwist zou zijn. Het is stevig verankerd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Dat essentiële onderscheid verantwoordt een verschillende behandeling van de entiteiten, zelfs indien de privaatrechtelijke rechtspersonen die zich in een aanzienlijk andere 10 situatie bevinden dan de publiekrechtelijke rechtspersonen, vergelijkbare diensten verstrekken, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. De afdeling wetgeving van de Raad van State herinnert ook eraan dat de wetgever privaatrechtelijke rechtspersonen aan wie hij opdrachten van algemeen belang toevertrouwt, niet mag onderwerpen aan een controleregeling en aan inmengingen in hun werking die zouden moeten worden voorbehouden aan de administratieve overheden. A.11.
- De verzoekende partijen antwoorden, ten tweede, dat in de argumentatie van de Waalse Regering geen rekening wordt gehouden met de plaats van het « Fonds du logement » in het gewestelijk huisvestingsbeleid. De activiteit van het « Fonds du logement » is niet voortgekomen uit de decentralisering van de overheidsdienst. Zij is eerst georganiseerd door de Bond der Kroostrijke Gezinnen van België en is vervolgens verbonden met het overheidsbeleid inzake huisvesting van de Staat en daarna van het Waalse Gewest, omdat zij dat aanvulde. De openbare huisvestingsmaatschappijen zijn niet actief op de markt als dusdanig maar handelen via openbare vastgoedmaatschappijen en de loketten voor sociaal krediet door de overdracht van overheidsfinanciering en door het toezicht. A.11.
- De verzoekende partijen antwoorden, ten derde, dat indien het « Fonds du logement » een drijvende kracht vormt in het gewestelijk huisvestingsbeleid, dat hoofdzakelijk zo is wegens zijn autonomie, waarover de openbare actoren op het vlak van huisvesting niet beschikken. De betwiste maatregel doet afbreuk aan die autonomie. A.12.
- De Waalse Regering repliceert dat zij nooit heeft betoogd dat met een opdracht van openbare dienst belaste privaatrechtelijke rechtspersonen aan exact dezelfde regeling moeten worden onderworpen als publiekrechtelijke rechtspersonen. Het feit dat zij nauw betrokken zijn bij de verwezenlijking van overheidsbeleid verantwoordt evenwel dat sommige regels die publiekrechtelijke rechtspersonen beogen, eveneens op hen van toepassing worden gemaakt. A.12.
- De Waalse Regering herinnert eraan dat het intern auditcomité een louter adviserend orgaan is, dat uitsluitend preventief optreedt. De context van de oprichting van het « Fonds du logement », die niet fundamenteel verschillend is van die van elke private instelling die betrokken is bij een opdracht van openbare dienst, is niet relevant in het debat. A.12.
- De Waalse Regering betwist tot slot het oorzakelijk verband tussen de autonomie van het « Fonds du logement » en het bepalende karakter van de rol die het vervult inzake huisvesting. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.
- Bij het bestreden artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 mei 2019 « tot wijziging van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen en van het decreet van 15 maart 2018 betreffende woninghuurovereenkomst » (hierna : het decreet van 2 mei 2019) wordt een artikel 185ter ingevoegd in het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen, thans het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen, onder titel III (« Actoren van het gewestelijke huisvestingsbeleid »), hoofdstuk IV (« Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie (Woningfonds van de Grote Gezinnen van Wallonië)), afdeling 4 (« Bestuur en controle »). 11 Artikel 185ter bepaalt : « §
- Overeenkomstig de bepalingen van artikel 15quater van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de overheidsbestuurder, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2008 [lees : 2018] betreffende de Regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut om belangenconflicten te voorkomen en om de transparantie van de activiteiten en particuliere inkomsten te verzekeren [lees : tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen] richt de raad van bestuur van het Fonds in zijn midden een auditcomité genoemd ‘ intern Auditcomité ’ op. Het intern Auditcomité bestaat uit drie leden uit de Raad van bestuur. De voorzitter van het intern Auditcomité wordt door de leden van het Comité aangewezen. Minstens één lid van het intern Auditcomité beschikt over een praktische ervaring of technische kennis inzake boekhouding en audit. De Directeur-generaal van het Fonds wordt met raadgevende stem op de vergaderingen uitgenodigd. §
- Het intern Auditcomité wordt bijgestaan door :
- een vertegenwoordiger van het Rekenhof; 2° de overeenkomstig artikel 185bis aangewezen revisoren; 3° de Regeringscommissarissen onder de in artikel 185 gestelde voorwaarden; 4° een lid van de financiële Informatiecel; 5° twee vertegenwoordigers van het Gewest, die de Regering aanwijst binnen het Departement Thesaurie van de Waalse Overheidsdienst Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologieën en van de Inspectie van financiën. §
- De Raad van bestuur bepaalt de opdrachten van het intern Auditcomité, die minimum de volgende opdrachten omvatten : 1° de mededeling aan de Raad van bestuur van inlichtingen over de resultaten van de wettelijke controle op de jaarrekeningen en van uitleg over de wijze waarop de wettelijke controle op de jaarrekeningen bijgedragen heeft tot de integriteit van de financiële informatie en over de rol die het intern Auditcomité in dit proces heeft gespeeld; 2° de opvolging van het proces voor de uitwerking van de financiële informatie en aanbevelingen of voorstellen om er de integriteit van te waarborgen; 12 3° de opvolging van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en beheersing van de risico's van de instelling, evenals de opvolging van de interne audit en de doeltreffendheid ervan; 4° de opvolging van de wettelijke controle van de jaarrekeningen, met inbegrip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen die door de Regeringscommissarissen worden geformuleerd; 5° het opstellen van adviezen, aanbevelingen en voorstellen voor de Raad van bestuur die het adviseert inzake financieel beheer. Het intern Auditcomité brengt regelmatig verslag uit aan de Raad van bestuur over de uitoefening van zijn opdrachten, minstens bij de opstelling door laatstgenoemde van de jaarrekeningen. §
- De werkwijze van het intern Auditcomité en de bezoldiging van de leden ervan worden in de statuten van het Fonds vastgelegd. Het aantal vergaderingen van het intern Auditcomité die aanleiding geven tot de toekenning van een presentiegeld mag niet hoger zijn dan drie per jaar ». B.2.
- In artikel 179 van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen worden de opdrachten van de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » gedefinieerd. Het bepaalt : « Om het recht op wonen aan te wenden, streeft de coöperatieve vereniging ‘ Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie ’, hierna het Fonds te noemen, de volgende opdrachten van openbaar nut na : 1° de grote gezinnen van categorie 1, 2 of 3, de middelen of energiebesparende leningen bezorgen om een eerste woning, die voor het persoonlijk gebruik bestemd is, te renoveren, te herstructureren, aan te passen, aan te kopen, op te bouwen of de eigendom ervan te vrijwaren; 2° vooral de grote gezinnen van categorie 1 of 2, de middelen bezorgen om een woning te huren; 3° de Regering de erkenning voor te stellen van de sociale instellingen bedoeld in hoofdstuk VI van deze titel, ze van raad te voorzien, ze te controleren, in hun coördinatie en financiering te voorzien; 4° de experimentatie en de reflectie te bevorderen in die gebieden en de Regering nieuwe beleidslijnen voor te stellen. 13 De begroting van het Fonds wordt door het beheersorgaan opgemaakt en goedgekeurd. De begroting of, bij gebreke daarvan, een ontwerp van begroting, wordt gevoegd bij de bijzondere toelichting bedoeld in artikel 9, § 1, 2°, van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, van de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden. De Regering legt de definitieve begroting van het Fonds ter informatie aan het Waals Parlement over binnen twee maanden na de goedkeuring ervan ». B.2.
- De activiteiten van de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » worden door de Waalse Regering gesubsidieerd. Bovendien kan het Fonds een gewestwaarborg genieten voor de leningen die het aangaat. Artikel 183 van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen bepaalt : « §
- De Regering kan het Fonds machtigen leningen aan te gaan die door het Gewest gewaarborgd worden. Die waarborg dekt ook de verrichtingen van financieel beheer die betrekking hebben op deze leningen. Het bedrag van deze leningen, de voorwaarden waaronder en de wijze waarop ze worden aangegaan, alsook de voorwaarden voor en de wijze van het doorvoeren van de verrichtingen worden door de Regering goedgekeurd. In afwijking van het eerste lid kan het Fonds, mits toestemming van de Regering, leningen aangaan op de kapitaalmarkten die niet gedekt zijn door het Gewest met het oog op de financiering van energiebesparende leningen. §
- Binnen de perken van de begrotingskredieten en met inachtneming van artikel 180 subsidieert de Regering de activiteiten van het Fonds, inzonderheid door de dekking van de verliezen op interest van de aangegane leningen en door kapitaaldotaties. § 2bis. Het Gewest kan een toelage aan het Fonds toekennen voor de sloop, de bouw, de aankoop, de renovatie of de herstructurering van woningen. De Regering bepaalt de voorwaarden betreffende de terbeschikkingstelling, de berekeningswijze, de bepaling en betalingsmodaliteiten van de toelage. De Regering kan specifieke tegemoetkomingen toekennen of de toelage aanpassen overeenkomstig artikel
- §
- Het Gewest verleent slechts zijn waarborg van honorering aan de in § 1 bedoelde leningen als het Fonds zich voorafgaandelijk verbonden heeft om een door de Regering te bepalen deel van zijn investeringsprogramma’s te besteden aan de financiering van de aankoop, de bouw, de renovatie, de herstructurering of de aanpassing van woningen bestemd om verhuurd of verkocht te worden aan personen die een al dan niet verbeterbare woning bewonen ». 14 B.3.
- Bij paragraaf 1 van artikel 185ter van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen, ingevoegd bij de bestreden bepaling, wordt voorzien in de oprichting, binnen de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie », van een intern auditcomité « overeenkomstig » artikel 15quater van het decreet van het Waalse Gewest van 12 februari 2004 « betreffende de overheidsbestuurder » (hierna : het decreet van 12 februari 2004). B.3.2.
- Het voormelde artikel 15quater, zoals het is ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissaris en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut, met het oog op een sterker bestuur en een sterkere ethiek binnen de Waalse instellingen », bepaalt : « §
- Het beheersorgaan van een instelling richt uit zijn midden een auditcomité op. Het auditcomité bestaat uit leden van de raad van bestuur die geen lid zijn van het uitvoerend bureau. Het maximumaantal leden van het auditcomité is niet hoger dan 25 % van het aantal leden van de raad van bestuur. De voorzitter van het auditcomité wordt door de leden van het comité aangewezen. Minstens één lid van het auditcomité beschikt over een praktische ervaring of over technische kennis inzake boekhouding of audit. De beheerder van de instelling wordt met raadgevende stem op de vergaderingen uitgenodigd. §
- De raad van bestuur bepaalt de opdrachten van het auditcomité die minstens de volgende opdrachten omvatten : 1° de mededeling aan de raad van bestuur van inlichtingen over de resultaten van de wettelijke controle op de jaarrekeningen en van uitleg over de wijze waarop de wettelijke controle op de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen bijgedragen hebben tot de integriteit van de financiële informatie en over de rol die het auditcomité in dit proces heeft gespeeld; 2° de opvolging van het proces voor de uitwerking van de financiële informatie en aanbevelingen of voorstellen om er de integriteit van te waarborgen; 3° de opvolging van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en beheer van de risico's van de instelling en van de opvolging van de interne audit en van de doeltreffendheid ervan; 15 4° de opvolging van de wettelijke controle van de jaarrekeningen, met inbegrip van de opvolging van de vragen en aanbevelingen die door de Regeringscommissaris worden geformuleerd. Het auditcomité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over de uitoefening van zijn opdrachten, en dit, minstens bij de vaststelling door laatstgenoemde van de jaarrekeningen ». B.3.2.
- De « instelling » waarvan sprake in het voormelde artikel 15quater, § 1, wordt bij artikel 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 12 februari 2004 gedefinieerd als « een publiekrechtelijke rechtspersoon; of een entiteit gecontroleerd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon een gekwalificeerde deelneming bezit ». Met « bestuursorgaan » wordt zijnerzijds bedoeld « de raad van bestuur van de rechtspersoon bedoeld in de artikelen 3 en 17 of, bij ontstentenis, elk ander orgaan, ongeacht diens benaming, [dat] over alle bevoegdheden beschikt die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de opdracht of het maatschappelijk doel van de rechtspersoon » (artikel 2, eerste lid, 3°, van het decreet van 12 februari 2004). De cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » (Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië) is een rechtspersoon die uitdrukkelijk wordt beoogd bij artikel 3, § 1, 32°, van het decreet van 12 februari
- Artikel 15quater is dus erop van toepassing, hetgeen wordt bevestigd bij artikel 3, § 1, van het decreet van 12 februari 2004, waarbij de artikelen 1 tot 16, 18, 18bis en 19 uitdrukkelijk van toepassing worden gemaakt op de overheidsbestuurders en op de beheerders die hun ambt uitoefenen bij de daarin vermelde rechtspersonen. B.3.
- Krachtens artikel 3, § 4, ervan geldt het decreet van 12 februari 2004 echter niet voor de bestaande of op te richten rechtspersonen die de vorm hebben van een vereniging zonder winstoogmerk. Zulks is het geval voor de vzw « Ligue des familles ». 16 B.4.
- Bij artikel 185bis van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen, zoals het is ingevoegd bij artikel 398 van het programmadecreet van 17 juli 2018 « houdende verschillende maatregelen inzake tewerkstelling, vorming, economie, industrie, onderzoek, innovatie, digitale technologieën, leefmilieu, ecologische overgang, ruimtelijke ordening, openbare werken, mobiliteit en vervoer, energie, klimaat, luchthavenbeleid, toerisme, landbouw, natuur, bossen, plaatselijke besturen en huisvesting » en vóór de vervanging ervan bij artikel 9 van het decreet van 2 mei 2019, was voorzien in de oprichting van een financieel beheerscomité binnen de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie ». Het bepaalde : « §
- Het financieel beheerscomité geeft de raad van bestuur advies inzake het financiële beheer. §
- Het financieel beheerscomité bestaat uit zes leden : 1° vier bestuurders die aangewezen worden door de raad van bestuur van het Fonds; 2° twee vertegenwoordigers van het Gewest, die de Regering aanwijst binnen het Departement Thesaurie van het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologieën van de Waalse Overheidsdienst en de Inspectie van Financiën. Het financieel beheerscomité kiest een voorzitter uit zijn midden. Het financieel beheerscomité wordt bijgestaan door : 1° een vertegenwoordiger van het Rekenhof; 2° de overeenkomstig artikel 185bis aangewezen revisoren; 3° de Regeringscommissarissen, onder de in artikel 185 gestelde voorwaarden; 4° de directeur-generaal van het Fonds; 5° een lid van de cel voor financiële informatie. §
- Het financieel beheerscomité komt bijeen om de drie maanden. De werkingswijze van het financieel beheerscomité wordt in de statuten van het Fonds bepaald ». 17 B.4.
- Tegen die bepaling is voor het Hof beroep tot vernietiging ingesteld door de verzoekende partijen (zaak ingeschreven onder het rolnummer 7160). B.4.
- Sinds de vervanging ervan bij artikel 9 van het decreet van 2 mei 2019 bepaalt artikel 185bis van het genoemde Wetboek : « §
- De controle op de financiële toestand, de jaarrekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen die in de jaarrekeningen vastgesteld dienen te worden, meer bepaald ten opzichte van het Wetboek van vennootschappen en van de statuten van de ‘ Société ’, wordt toevertrouwd aan één of meerdere revisoren [en aan een vertegenwoordiger] van het Rekenhof, die collegiaal handelen. §
- De revisor of de revisoren worden door de algemene vergadering uit de leden, natuurlijke of rechtspersonen, van het Instituut der Bedrijfsrevisoren benoemd. De vertegenwoordiger van het Rekenhof wordt door de algemene vergadering op voordracht van laatstgenoemde aangewezen. §
- Het in artikel 143 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde verslag wordt tegelijkertijd als het aan de raad van bestuur van de ‘ Société ’ wordt overgemaakt, aan de Regering overgemaakt ». B.4.
- Ingevolge die vervanging en de bestreden bepaling hebben de verzoekende partijen afstand gedaan van hun beroep tot vernietiging in de zaak nr.
- Die afstand is door het Hof toegewezen in het arrest nr. 45/2020 van 12 maart
- Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Waalse Regering werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op door aan te voeren dat noch de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie », noch de vzw « Ligue des familles » over een belang beschikken om in rechte te treden. Zij baseert zich dienaangaande op het arrest nr. 196/2004 van 8 december 2004, waarbij het Hof niet het belang heeft erkend van de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen artikel 185bis, §§ 1 en 2, van de Waalse Huisvestingscode, ingevoegd bij artikel 117 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « tot wijziging van de Waalse Huisvestingscode en artikel 174 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium ». Krachtens die bepaling is de controle op de financiële toestand, de 18 jaarrekeningen en de regelmatigheid van de verrichtingen die in de jaarrekeningen van de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » vastgesteld dienen te worden, aan meerdere revisoren en aan één vertegenwoordiger van het Rekenhof toevertrouwd. B.
- Om hun belang om in rechte te treden te verantwoorden, baseren de verzoekende partijen zich op hun beurt op het arrest nr. 9/2020 van 16 januari 2020, waarbij het Hof het belang om in rechte te treden van de nv « Integrale », maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie, die een beroep tot vernietiging had ingesteld tegen het decreet van het Waalse Gewest van 29 maart 2018 « tot wijziging van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen », heeft erkend. Krachtens dat decreet is de nv « Integrale » onderworpen aan extra controles vanwege het Waalse Gewest en aan een reeks verplichtingen in haar interne werking. B.7.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.7.
- Hoewel zij via decretale weg belast is met opdrachten van openbaar nut en zij een financiering door het Waalse Gewest geniet, doet de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » blijken van het vereiste belang om een beroep in te stellen tegen een bepaling waarbij haar de verplichting wordt opgelegd om in haar midden een nieuw orgaan op te richten, dat informatie- en controleopdrachten dient uit te voeren. In dat verband is het niet van belang dat de oprichting van dat orgaan ertoe strekt openbare belangen te beschermen die tot het algemeen belang behoren. Voor het overige valt het onderzoek van de exacte reikwijdte van de opdrachten van dat nieuwe orgaan samen met het onderzoek ten gronde. 19 Aangezien de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » over een belang beschikt om in rechte te treden, is het niet nodig te onderzoeken of de vzw « Ligue des familles » een belang heeft. B.7.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Ten aanzien van het eerste middel B.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 27 van de Grondwet, in zoverre bij de bestreden bepaling de oprichting wordt opgelegd van een intern auditcomité binnen de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » dat de raad van bestuur zou controleren en dat diens beslissingen zou kunnen beïnvloeden. B.9.
- Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». B.9.
- Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
- De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ». B.9.
- Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in 20 die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat het Hof, bij de toetsing aan artikel 27 van de Grondwet, rekening houdt met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat analoge rechten of vrijheden waarborgt. B.9.
- De vrijheid van vereniging verankerd in artikel 27 van de Grondwet heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen. Zij impliceert het recht om zich te verenigen en de interne organisatie van de vereniging vrij te bepalen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. De organisatorische autonomie van verenigingen vormt een belangrijk aspect van de bij artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermde vrijheid van vereniging (EHRM, 4 april 2017, Lovrić t. Kroatië, § 71). B.
- Los van de vraag of zij een administratieve overheid vormt in de zin van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » een private vereniging in de zin van artikel 27 van de Grondwet, aangezien zij voortkomt uit een privé-initiatief. De omstandigheid dat de opdrachten van algemeen belang die zij vervult, bij decreet zijn bepaald en dat zij een overheidssubsidiëring geniet, wijzigt die vaststelling niet. B.11.
- Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 2 mei 2019 blijkt dat verscheidene bepalingen, waaronder de bestreden bepaling, ertoe strekken het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen en het decreet van 12 februari 2004 « betreffende de overheidsbestuurder », zoals het is gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2018, te harmoniseren wat betreft de financiële beheers- en auditorganen van de drie voornaamste actoren van het gewestelijk huisvestingsbeleid. Concreet heeft de decreetgever het « auditcomité » waarin is voorzien bij artikel 15quater van het decreet van 12 februari 2004, ingevoegd bij het decreet van 29 maart 2018, en de « financiële beheerscomités » waarin is voorzien bij het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen binnen de publiekrechtelijke nv « Société wallonne du Logement », de 21 publiekrechtelijke nv « Société wallonne du Crédit social » en de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » willen fuseren (Parl. St., Waals Parlement, 2018- 2019, nr. 1313/1, pp. 3 tot 5; ibid., nr. 1313/2, p. 3). Zoals een van de indieners van het voorstel van decreet in de commissie uiteenzet : « Het thans voorliggende voorstel van decreet [strekt] in zekere zin ertoe het financieel beheerscomité en het auditcomité ‘ good governance ’ te fuseren, veeleer dan een aanvullend orgaan te moeten oprichten, teneinde zich te conformeren aan het decreet ‘ good governance ’, wetende dat de opdrachten van dat laatste thans reeds worden uitgevoerd » (Parl. St., Waals Parlement, 2018-2019, nr. 1313/2, p. 3). B.11.
- Door de voorschriften van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen en die van het decreet van 12 februari 2004, zoals gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2018, te harmoniseren voor wat de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » betreft, door de fusie van het « financieel beheerscomité », met het « auditcomité » , heeft de decreetgever de nieuwe regels inzake « good governance » en transparantie inzake huisvesting, opgesteld op grond van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie die ermee belast was de transparantie en de werking van de Groep PUBLIFIN te onderzoeken, op het « Fonds du logement » van toepassing gemaakt (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 861/1). Het auditcomité zoals bepaald bij het decreet van 29 maart 2018 strekt immers ertoe gevolg te geven aan de aanbevelingen van die parlementaire onderzoekscommissie (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1051/1, p. 9). B.
- Door de regels inzake « good governance » en transparantie van toepassing te maken op de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie », die overheidssubsidiëring geniet, streeft de decreetgever een wettig doel na. Het gaat erom het Waalse Gewest en de burgers de mogelijkheid te bieden over betrouwbare informatie te beschikken over de financiële en boekhoudkundige situatie van die gesubsidieerde vennootschap en een transparant gebruik van de haar toegekende overheidsmiddelen te waarborgen. Het nastreven van dat wettig doel draagt indirect bij tot het daadwerkelijke karakter van het bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op een behoorlijke huisvesting. 22 B.13.
- De verplichting om een « intern auditcomité » op te richten, beperkt de organisatievrijheid van de vereniging. B.13.
- Die inmenging in de vrijheid van vereniging is echter niet zonder redelijke verantwoording. B.13.3.
- Artikel 27 van de Grondwet verbiedt de vrijheid van vereniging aan preventieve maatregelen te onderwerpen, maar belet het anderzijds niet dat verenigingen die deelnemen aan de verwezenlijking van een opdracht van algemeen belang en die overheidssubsidies ontvangen, aan voorwaarden inzake werking en toezicht kunnen worden onderworpen, voor zover zij de inhoudelijke kern van die vrijheid niet aantasten. B.13.3.
- Te dezen is de door de gewestelijke overheden via het interne auditcomité uitgeoefende controle zeer beperkt. Uitsluitend samengesteld uit leden van de raad van bestuur, is het interne auditcomité slechts een emanatie ervan. Hoewel de regeringscommissarissen die toezicht uitoefenen op het Fonds, vertegenwoordigers van het Waalse Gewest en een lid van de financiële Informatiecel van het Waalse Gewest het interne auditcomité bijstaan, maken zij geen deel ervan uit. Uit paragraaf 3 van de bestreden bepaling kan worden afgeleid dat de via decretale weg bepaalde opdrachten van het interne auditcomité beperkt zijn tot informatie en advies, alsook tot de opvolging van de bestaande boekhoudkundige en financiële controles. Hoewel het doel van die opdrachten erin bestaat de raad van bestuur in te lichten en hem te begeleiden wanneer hij beslissingen neemt in verband met de boekhoudkundige en financiële situatie van het Fonds, blijft de beslissingsmacht uitsluitend in handen van de raad van bestuur. B.
- Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre bij de bestreden bepaling aan de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » de oprichting wordt opgelegd van een 23 intern auditcomité, net zoals aan de nv « Société wallonne du Logement » en de nv « Société wallonne du Crédit social », die echter publiekrechtelijke rechtspersonen zijn. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Zoals in B.11 en B.12 is vermeld, bestaat de nagestreefde doelstelling erin een harmonische toepassing te verzekeren van de regels van het Waalse Gewest inzake « good governance » en transparantie op de drie voornaamste actoren van het gewestelijk huisvestingsbeleid, teneinde te beschikken over een getrouw en juist beeld van hun financiële en boekhoudkundige situatie en, bijgevolg, een transparant gebruik te waarborgen van de overheidsmiddelen die hun worden toegekend. B.
- De oprichting van een intern auditcomité bij de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » is een pertinente maatregel om die doelstelling te bereiken. Om de in B.13 vermelde redenen is die maatregel daarenboven evenredig. B.
- Los van de vraag of de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie », die een private vereniging is, enerzijds, en de nv « Société wallonne du Logement » en de nv « Société wallonne du Crédit social », die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn die actief zijn in de openbare dienst van de huisvesting, anderzijds, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, is de bekritiseerde gelijke behandeling redelijk verantwoord. 24 B.20.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de gelijke behandeling des te minder verantwoord is daar op de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » de minder strikte regels worden toegepast van het decreet van het Waalse Gewest van 15 december 2011 « houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de verslaggeving van de Waalse openbare bestuurseenheid » (hierna : het decreet van 15 december 2011) dan de regels van hetzelfde decreet die worden toegepast op de « Société wallonne du Logement » en op de « Société wallonne du Crédit social ». B.20.
- Het feit dat de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie », krachtens het decreet van 15 december 2011, onderworpen is aan minder strikte regels inzake begroting, boekhouding en verslaggeving dan de twee voormelde vennootschappen, betekent niet dat wat betreft de oprichting van een intern auditcomité er noodzakelijkerwijs ook een verschil in behandeling dient te bestaan tussen het « Fonds du logement » en de twee openbare actoren van de openbare dienst van de huisvesting. Integendeel, de toepassing van dat decreet van 15 december 2011 getuigt veeleer van het feit dat zowel de cvba « Fonds du Logement des Familles Nombreuses de Wallonie » als de nv « Société wallonne du Logement » en de nv « Société wallonne du Crédit social » « openbare bestuurseenheden » (artikel 2, 27°, van het decreet van 15 december 2011) inzake huisvesting vormen en bijgevolg integrerend deel uitmaken van de « consolidatieperimeter » van het Waalse Gewest ten aanzien van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, het zogenaamde ESR 2010 (artikel 2, 25° en 26°, van het decreet van 15 december 2011). Dat betekent dat met de financiële informatie afkomstig uit de rekeningen van die eenheden rekening wordt gehouden voor de berekening van het overheidstekort en de overheidsschuld van het Waalse Gewest en dus van België, informatie die vervolgens door België aan de Europese autoriteiten (Eurostat) wordt bezorgd. B.20.
- Rekening houdend met die omstandigheid, vermocht de decreetgever redelijkerwijs de oprichting op te leggen van een intern auditcomité voor alle openbare bestuurseenheden inzake huisvesting, ongeacht of zij privaatrechtelijke dan wel publiekrechtelijke rechtspersonen vormen. B.
- Het tweede middel is niet gegrond. 25 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div