id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.062 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210422.9 Arrest- Rolnummer: 62/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-19 23:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Verzoek tot kwijtschelding - Termijn voor het indienen van het verzoek - Vervaltermijn. Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - XX.173,§2 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Rolnummer 7355 Arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 februari 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 februari 2020, heeft de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XX.173 § 2 WER de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke de termijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen een vervaltermijn betreft, doordat de gefailleerde natuurlijke persoon die niet tijdig een verzoek tot kwijtschelding indient daarmee onherroepelijk en integraal het recht op kwijtschelding verliest, in tegenstelling tot de gefailleerde natuurlijke persoon die wel tijdig een verzoek tot kwijtschelding indient, en (bij gebreke van verzet conform artikel XX.173 § 3 WER) automatisch en zonder appreciatiebevoegdheid van de rechtbank de kwijtschelding zal verkrijgen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Regine Schurmans, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Driessen, advocaat bij de balie van Limburg; - Marthy Valley, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Schiepers, advocaat bij de balie van Limburg; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 10 februari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 maart 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 3 maart 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Regine Schurmans deed op 25 augustus 2018 aangifte van staking van betaling via de website van het Centraal Register Solvabiliteit « RegSol ». Op 4 september 2018 sprak de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Tongeren, het faillissementsvonnis uit. Bij een verstekvonnis van 28 mei 2019 sloot de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren, het faillissement en verleende zij kwijting aan de curatoren. Zij verleende geen kwijtschelding van restschulden aan Regine Schurmans, die immers geen verzoek in die zin had geformuleerd. 3 Met een dagvaarding van 5 november 2019 tekende Regine Schurmans verzet aan tegen dat vonnis, teneinde alsnog kwijtschelding van restschulden te verkrijgen. De Ondernemingsrechtbank stelt vast dat de vervaltermijn bedoeld in de in het geding zijnde bepaling is verstreken en dat het verzoek dus laattijdig is geformuleerd. Op verzoek van Regine Schurmans stelt zij de onderhavige prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- Volgens Regine Schurmans blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de in het geding zijnde termijn een vervaltermijn is. De gefailleerde natuurlijke persoon die zijn verzoek tot kwijtschelding van restschulden niet binnen die termijn indient, verliest dus onherroepelijk elke aanspraak daarop. De gefailleerde natuurlijke persoon die zijn verzoek tot kwijtschelding wel tijdig indient, krijgt daarentegen nagenoeg automatisch de gunst van kwijtschelding van restschulden. De ondernemingsrechtbank heeft immers geen enkele appreciatiemarge indien de curator of een schuldeiser zich niet tegen dat verzoek verzetten. Een laattijdig verzoek tot kwijtschelding van restschulden vertraagt de afhandeling van het faillissement nochtans niet. Dat geldt des te meer indien het verzoek tot kwijtschelding pas na het sluiten van het faillissement wordt geformuleerd. De in het geding zijnde bepaling beoogt de gefailleerde natuurlijke persoon toe te laten een nieuwe activiteit te starten. De in het geding zijnde vervaltermijn is niet pertinent in het licht van die doelstelling, aangezien zij die tweede kans uitsluit voor de gefailleerde die zijn verzoek tot kwijtschelding te laat indient. Die termijn heeft bovendien onevenredige gevolgen voor de gefailleerde, gelet op het onherroepelijke karakter van het overschrijden ervan en gelet op het gebrek aan beoordelingsmarge van de rechter. A.1.
- Regine Schurmans wijst er daarnaast op dat in het nieuwe faillissementsrecht de gefailleerde alleen het beheer verliest over de goederen die in zijn vermogen waren op het ogenblik van het faillissementsvonnis en over de goederen die hij in de loop van de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat. De goederen die hij in de loop van de procedure verkrijgt en een latere oorzaak dan de datum van het faillissement hebben, vallen, in tegenstelling tot het vroegere faillissementsrecht, niet meer in de boedel. In dat opzicht heeft de gefailleerde weinig voordeel bij het vragen van een vervroegde kwijtschelding voorafgaand aan de sluiting van het faillissement. Ook voor de schuldeisers is de kwijtschelding pas aan de orde bij de sluiting van het faillissement, omdat hun executierechten zijn opgeschort zolang de faillissementsprocedure loopt. A.
- Volgens de tussenkomende partij, Marthy Valley, schendt de in het geding zijnde bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat zij de gefailleerde natuurlijke persoon die zijn verzoek tot kwijtschelding niet tijdig formuleert, zijn recht op die kwijtschelding integraal en definitief ontneemt. Zijn tweede kans, die het uitgangspunt van de in het geding zijnde regeling vormt, wordt aldus tenietgedaan, ook al is hij te goeder trouw. Daarnaast heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg dat de gefailleerde natuurlijke persoon wiens faillissementsprocedure langer dan drie maanden duurt, niet om kwijtschelding van restschulden kan verzoeken na het vonnis waarmee het faillissement wordt gesloten. Tot slot draagt de in het geding zijnde bepaling geenszins bij tot de efficiënte afwikkeling van het faillissement, maar legt zij veeleer een bijkomende en onevenredig zware administratieve formaliteit op aan de gefailleerde natuurlijke persoon. A.3.
- De Ministerraad wijst erop dat de partijen de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet mogen wijzigen. De verwijzende rechter wil van het Hof vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre de termijn van drie maanden een vervaltermijn is. Hij vraagt het Hof niet om te onderzoeken of die termijn voldoende lang is. Hij vraagt het Hof evenmin om een verschil in behandeling te onderzoeken tussen gefailleerde natuurlijke personen naargelang hun faillissementsprocedure meer of minder dan drie maanden in beslag neemt. 4 A.3.
- Volgens de Ministerraad heeft het nieuwe boek XX van het Wetboek van economisch recht onder meer als doel het tweedekansondernemerschap te bevorderen. Daarom laat de in het geding zijnde bepaling toe dat de gefailleerde natuurlijke persoon wordt bevrijd van zijn restschulden. Die kwijtschelding is een recht voor de gefailleerde natuurlijke persoon, voor zover hij er uitdrukkelijk om verzoekt en andere belanghebbenden zich er niet tegen verzetten. De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat de termijn van drie maanden waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend, inderdaad een vervaltermijn is. A.3.
- De Ministerraad beklemtoont dat de kwijtschelding van restschulden op een zeer laagdrempelige manier kan worden gevraagd, aangezien het standaardformulier op de website van het Centraal Register Solvabiliteit « RegSol » waarmee een natuurlijke persoon aangifte van staking van betaling doet, een rubriek bevat waarin hem wordt gevraagd of hij kwijtschelding wenst te verkrijgen. Indien hij wordt gedagvaard in faillissement, beschikt hij over een termijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis in het Belgisch Staatsblad om dat verzoek in te dienen. A.3.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling dient volgens de Ministerraad een wettig doel. Het beoogt de rechter immers duidelijkheid te verschaffen over de belangrijke vraag of de betrokkene de kwijtschelding wenst te verkrijgen. Die duidelijkheid is van belang, aangezien de kwijtschelding geen automatisme is. De in het geding zijnde vervaltermijn is een pertinente maatregel om die doelstelling te bereiken. De wetgever vermag immers van oordeel te zijn dat de kwijtschelding van restschulden geen automatisch gevolg van het faillissementsvonnis is en dat de gefailleerde natuurlijke persoon er impliciet van mag afzien. A.3.
- De Ministerraad wijst er tot slot op dat het verzoek om een kwijtschelding van restschulden te verkrijgen, ook gevolgen heeft voor andere betrokkenen. Krachtens de in het geding zijnde bepaling moet de curator immers uiterlijk één maand na het verzoek tot kwijtschelding een verslag neerleggen over de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement. Die verplichting ontstaat pas wanneer het verzoek tot kwijtschelding is geformuleerd. De schuldeisers en het openbaar ministerie kunnen zich na dat verzoek verzetten tegen de kwijtschelding. Dat verzet kunnen zij pas doen nadat het verzoek tot kwijtschelding is geformuleerd. Bijgevolg draagt de in het geding zijnde bepaling wel degelijk bij tot de vlotte afwikkeling van het faillissement. -B- B.1.
- Bij artikel 70, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » werd de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgeheven, onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die liepen op 1 mei
- De faillissementsprocedures die werden geopend vanaf 1 mei 2018 vallen krachtens artikel 76 van de wet van 11 augustus 2017 onder het toepassingsgebied van het nieuwe boek XX van het Wetboek van economisch recht. Met die hervorming van het faillissementsrecht streeft de wetgever diverse doelstellingen na, waaronder het bevorderen van « de tweede kans, die het ondernemerschap aanmoedigt en een nieuwe start mogelijk maakt » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 3). Die doelstelling wordt onder meer 5 nagestreefd met de vervanging van het stelsel van de verschoonbaarheid van de gefailleerde door het stelsel van de kwijtschelding van diens restschulden bij de sluiting van het faillissement (ibid., pp. 4 en 98). B.1.
- De kwijtschelding van restschulden wordt geregeld in artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt : « §
- Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. De kwijtschelding heeft gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. §
- De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn. Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in §
- Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding. De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek. Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. §
- Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de publicatie van het vonnis van kwijtschelding. 6 Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd ». B.1.
- De kwijtschelding van restschulden verschilt aanzienlijk van de verschoonbaarheid van de gefailleerde die was geregeld in de vroegere artikelen 80 tot 82 van de faillissementswet. B.1.
- De kwijtschelding van restschulden is een subjectief recht van de gefailleerde, waarover de ondernemingsrechtbank zich in beginsel uitspreekt op het ogenblik van de sluiting van het faillissement. Dat vonnis heeft declaratoire werking en impliceert dat de restschulden die na de vereffening van de voor beslag vatbare goederen overblijven, gewist worden (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, pp. 89 en 97-98). Dat recht is evenwel aan twee voorwaarden onderworpen : « Vooreerst moet de gefailleerde de kwijtschelding vragen. Eens hij dit gedaan heeft kan hij de quasi zekerheid hebben dat hij van de restschulden bevrijd is en kan hij een nieuwe activiteit aanvatten waarvan de winst alleen voor hem zal zijn. Vervolgens kunnen belanghebbenden in uitzonderingsgevallen hiertegen opkomen » (ibid., p. 97). Indien de gefailleerde de kwijtschelding van restschulden vraagt, brengt de griffier de curator daarvan op de hoogte. De curator brengt vervolgens uiterlijk een maand later verslag uit over de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten (artikel XX.173, § 2, eerste lid). De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek tot kwijtschelding op dat ogenblik nog niet is ingediend, binnen een maand na het verzoek (artikel XX.173, § 2, derde lid). Indien na het verstrijken van een termijn van zes maanden sinds het verzoek tot kwijtschelding geen vonnis is uitgesproken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Indien de rechtbank zich een jaar na de opening van het faillissement nog niet heeft uitgesproken, kan de gefailleerde haar verzoeken om de redenen mee te delen die deze vertraging rechtvaardigen, zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding (artikel XX.173, § 2, tweede lid). Elke belanghebbende, met inbegrip van de curator en van het openbaar ministerie, kan vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig wordt geweigerd (artikel XX.173, § 3). Het staat aan de partij die een dergelijk bezwaar indient om aan te tonen 7 dat de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Indien geen bezwaar wordt ingediend, beschikt de rechter niet over enige beoordelingsmarge en dient hij de tijdig gevraagde kwijtschelding van de restschulden te bevelen. Indien de gefailleerde geen kwijtschelding van restschulden vraagt of indien de ondernemingsrechtbank als gevolg van het bezwaar van een belanghebbende zijn verzoek afwijst, « herwint de schuldeiser zijn rechten en kan hij, bij gebreke van een uitvoerbare titel, een rechterlijke uitspraak bekomen voor zijn schuldvordering. Indien daarentegen de schuldeiser reeds over een uitvoerbare titel beschikt, dan kan hij tot uitvoering overgaan volgens de gewone regels van tenuitvoerlegging » (ibid., p. 98). B.1.
- Krachtens het in het geding zijnde artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht kan de gefailleerde die op eigen initiatief failliet wordt verklaard, ervoor kiezen het verzoek tot kwijtschelding van restschulden in te dienen samen met zijn aangifte van het faillissement, of het afzonderlijk neer te leggen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. De gefailleerde die in faillissement wordt gedagvaard, beschikt enkel over die laatste mogelijkheid. Krachtens de in het geding zijnde bepaling en krachtens artikel XX.102, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht dient dat verzoek in beide hypothesen in elektronische vorm te worden ingediend via het Centraal Register Solvabiliteit (hierna : « RegSol »). Een neerlegging van dat verzoek ter griffie is slechts mogelijk wanneer de schuldenaar niet de mogelijkheid heeft een elektronische aangifte te doen. In dat geval wordt de aangifte geconverteerd in elektronische vorm. RegSol bevat standaardformulieren die door de gefailleerde dienen te worden gebruikt. Het standaardformulier dat hij dient te gebruiken wanneer hij aangifte doet van zijn faillissement « [bevat] een rubriek […] waarin hij uitgenodigd wordt te bepalen of hij een kwijtschelding ambieert » (ibid., p. 89). 8 B.2.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, in de interpretatie dat de termijn van drie maanden vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen, een vervaltermijn is, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre een gefailleerde natuurlijke persoon die binnen die termijn geen verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, zijn recht op kwijtschelding onherroepelijk verliest, terwijl een gefailleerde natuurlijke persoon die wel binnen die termijn een verzoek tot kwijtschelding indient, er nagenoeg zeker van kan zijn dat zijn restschulden zullen worden kwijtgescholden. B.2.
- De partijen vermogen niet de draagwijdte van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen. Het Hof onderzoekt bijgevolg niet het door de tussenkomende partij opgeworpen verschil in behandeling tussen gefailleerde natuurlijke personen naargelang hun faillissementsprocedure meer of minder dan drie maanden duurt. B.
- In de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, voorziet artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht in een vervaltermijn van drie maanden om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, wat te dezen niet het geval is. Hoewel de in het geding zijnde bepaling dit niet uitdrukkelijk vermeldt, dient de termijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis om de kwijtschelding van restschulden te vorderen, als een vervaltermijn te worden beschouwd. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers dat « als zij niet gevraagd is bij de aangifte van faillissement of binnen een zekere tijd erna, […] de schuldenaar elk recht daarop [heeft] verloren » (ibid., p. 89). Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling bijgevolg in de interpretatie die de verwijzende rechter heeft voorgelegd. 9 B.4.
- Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan eveneens worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière t. België, § 36; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 64; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, § 43). Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Bovendien « dienen de rechtbanken, bij het toepassen van de procedureregels, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden » (EHRM, 26 juli 2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. Tsjechische Republiek, § 26). « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Güneş t. Turkije, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 66). B.4.
- Inzake vervaltermijnen moet de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid kunnen beschikken. Het verschil in behandeling tussen personen die hun rechten binnen de toepasselijke vervaltermijn uitoefenen en personen die dat niet doen, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien de toepassing van de vervaltermijn een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. 10 B.5.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt niet waarom de wetgever ervoor heeft gekozen de uitspraak over de kwijtschelding van restschulden afhankelijk te maken van een uitdrukkelijk verzoek van de gefailleerde, noch waarom hij dat verzoek aan een vervaltermijn onderwerpt. Overigens houdt de wetgever er geen rekening mee dat de noodzaak van de kwijtschelding pas later tot uiting zou kunnen komen. B.5.
- Niettegenstaande de laagdrempelige manier waarop de kwijtschelding van restschulden door de gefailleerde kan worden gevraagd, legt de in het geding zijnde bepaling een vormvereiste op waaraan hij dient te voldoen, op straffe van verval, om voor die kwijtschelding in aanmerking te komen. Daaruit volgt dat, wanneer de gefailleerde nalaat tijdig een kwijtschelding van restschulden te vragen, de door de wetgever nagestreefde doelstelling het tweedekansondernemerschap te bevorderen, die als essentieel wordt beschouwd, in het gedrang komt als gevolg van de in het geding zijnde bepaling. B.5.
- Het tijdstip waarop de gefailleerde om die kwijtschelding verzoekt, heeft geen invloed op het beheer van de boedel, op de aangifte en de verificatie van de schuldvorderingen of op de vereffening van het faillissement. Ook het tijdstip waarop de schuldeisers, het openbaar ministerie of de curator krachtens artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig wordt geweigerd, heeft daarop geen invloed. Die bepaling laat hun overigens toe die vordering al in te stellen vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien de gefailleerde op dat ogenblik nog niet om kwijtschelding heeft verzocht. Die bepaling onderwerpt hun vordering tijdens de faillissementsprocedure overigens niet aan enige vervaltermijn en laat hun zelfs toe haar bij wijze van derdenverzet in te stellen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van kwijtschelding. Hoewel het verzoek tot kwijtschelding krachtens de in het geding zijnde bepaling uitgaat van de gefailleerde, rust de bewijslast van de kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement overigens bij de partijen die zich tegen de volledige kwijtschelding verzetten. 11 In die omstandigheden kan de in het geding zijnde vervaltermijn niet als een pertinente maatregel voor de spoedige afwikkeling van het faillissement worden beschouwd. B.5.
- Bovendien heeft het overschrijden van de in het geding zijnde vervaltermijn onevenredige gevolgen voor de gefailleerde natuurlijke persoon, die daardoor elke mogelijkheid verliest om een rechter over de kwijtschelding van zijn restschulden te laten oordelen en bijgevolg onherroepelijk met zijn ganse vermogen moet blijven instaan voor de schulden die niet zijn afgelost door de vereffening van de boedel. B.5.
- De in het geding zijnde bepaling heeft eveneens onevenredige gevolgen voor de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende partner van de gefailleerde die persoonlijk verbonden is voor de schuld die de gefailleerde tijdens de duur van het huwelijk of de duur van de wettelijke samenwoning was aangegaan. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.062 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div