id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.067 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210429.4 Arrest- Rolnummer: 67/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 376 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 66bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 144 ervan, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 66bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg », gesteld door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen. Personenvervoer op de weg - Vlaams Gewest - Strafbepalingen - Administratieve geldboete - Beroep - Jurisdictionele bevoegdheid - Raad van State. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 20-04-2001 - 66bis - 45 ELI link Pub nr 2001035930 Tekst van de beslissing Rolnummer 7403 Arrest nr. 67/2021 van 29 april 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 66bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg », gesteld door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, R. Leysen, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 juni 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 juni 2020, heeft de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt het Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, meer in het bijzonder het artikel 66bis, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inzake het gelijkheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 144 dat bepaalt dat geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken en 13 van de Grondwet en/of met het artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, in zoverre de in het geding zijnde decreet, meer bepaald het voormelde artikel 66bis, niet bepaalt dat de Politierechtbank bevoegd is inzake het beroep tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete zoals voorzien door voormeld artikel 66bis, terwijl, ten eerste, het artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek zoals het van toepassing is in het Vlaams Gewest, het artikel 47, § 1, van de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen voor wat betreft de administratieve geldboetes bedoeld in de artikelen 29 en 30 en het artikel 10, § 5, van het Decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones, de Politierechtbank in deze (vergelijkbare) materies bevoegd is; ten tweede, voor zover de Raad van State deze bevoegdheid wel zou bezitten, dit rechtscollege in deze materie waar een minisanctierecht aan de orde is, een daarmee buitenproportioneel en weinig toegankelijk beroepsinstantie is, waardoor de toegang tot de rechter op een onevenredige wijze beperkt wordt ? »;
- « Schendt het Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, meer in het bijzonder het artikel 66bis, het artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, het recht op toegang tot de rechter, in zoverre de in het geding zijnde decreet, meer bepaald het artikel 66bis, niet bepaalt dat de beslissingen inzake de administratieve geldboete zoals voorzien door voormeld artikel 66bis niet voor beroep bij enig rechtscollege vatbaar zijn, terwijl, het een essentieel recht uitmaakt dat een beslissing van een administratieve overheid aan de controle a posteriori van een rechtscollege met volle rechtsmacht kan worden onderworpen ? »;
- « Schendt het Decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, meer bepaald het artikel 66bis, het artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, het recht op toegang tot de rechter, in zoverre de in het geding zijnde decreet, meer bepaald het artikel 66bis, niet voorziet dat bij de betekening van de beslissing tot het opleggen van de administratieve boete zoals voorzien door het artikel 66bis van voormeld decreet en die omwille van de aard een repressief en strafrechtelijk karakter heeft, de rechtzoekende over de termijn waarbinnen en de modaliteiten waaronder hij tegen deze beslissing kan opkomen, expliciet dient te worden ingelicht ? ». 3 Memories zijn ingediend door : - Marc Hendrickx, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Lansbergen, advocaat bij de balie te Leuven; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Marc Hendrickx heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 3 maart 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 maart 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 17 maart 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op een administratieve geldboete die op 19 april 2018 door de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn (hierna : « De Lijn ») werd opgelegd aan Marc Hendrickx, wegens een inbreuk op artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 « betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM ». Er wordt hem ten laste gelegd op 22 februari 2018 zijn voertuig te hebben geparkeerd op minder dan 15 meter van een bushalte. Op 2 augustus 2019 stelt Marc Hendrickx bij de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, beroep in tegen de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete. De Lijn betwist echter de materiële bevoegdheid erin van de politierechtbank vermits het Gerechtelijk Wetboek niet erin voorziet dat de politierechtbank de bevoegde rechtbank is om kennis te nemen van het beroep tegen de administratieve geldboete die wordt opgelegd door De Lijn. Volgens De Lijn is de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de enige bevoegde rechter. In haar verwijzingsvonnis stelt de Politierechtbank vast dat artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het geldt in het Vlaamse Gewest, een lijst bevat van administratieve geldboeten waarvoor de politierechtbank bevoegd is, maar dat in die lijst geen melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete met toepassing van artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg ». Dienvolgens stelt zij bovenvermelde prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de eerste ongrondwettigheid voortvloeit uit de ongelijke behandeling van fundamenteel vergelijkbare gevallen. Voor een zelfde of soortgelijke overtreding, bijvoorbeeld wanneer een beroep tegen de administratieve geldboete opgelegd met toepassing van de artikelen 29 en 30 van de wet van 27 april 2018 « op de politie van de spoorwegen » (hierna : de wet van 27 april 2018) of van artikel 10, § 5, van het decreet van 27 november 2015 « betreffende lage-emissiezones » (hierna : het decreet van 27 november 2015) bij haar aanhangig wordt gemaakt, is een beoordeling door de politierechtbank wel mogelijk, terwijl dit voor de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg » (hierna : het decreet van 20 april 2001) niet mogelijk is. Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. A.2.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de federale overheid in beginsel bevoegd is om te bepalen welk rechtscollege kennis kan nemen van beroepen tegen administratieve geldboeten en dit binnen de grenzen van de artikelen 144 tot 146 van de Grondwet. Artikel 145 van de Grondwet bepaalt dat geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, « behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ». Er is sprake van een politiek recht in de zin van artikel 145 van de Grondwet wanneer de overheid optreedt in de uitoefening van een functie die betrekking heeft op de prerogatieven van het openbaar gezag van een Staat. In artikel 160 van de Grondwet, ten slotte, is het bestaan van de Raad van State als administratief rechtscollege verankerd. Op grond van artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), komt het aan de Raad van State toe om kennis te nemen van beroepen die ingesteld worden tegen administratieve geldboeten van administratieve overheden. De Raad van State is de natuurlijke rechter ter zake, ongeacht of de administratieve geldboeten worden opgelegd in het kader van een federale bevoegdheid, dan wel in het kader van een gemeenschaps- of gewestbevoegdheid. De bevoegdheid van de Raad van State vindt haar grondslag in artikel 145 van de Grondwet, waarbij is voorzien in de mogelijkheid om geschillen over politieke rechten te onttrekken aan de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken, en in artikel 160 van de Grondwet, waarbij de Raad van State wordt opgericht. Het aangevoerde verschil in behandeling volgt derhalve uit een keuze van de Grondwetgever. A.2.
- Volgens de Vlaamse Regering is de verwijzing naar artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, naar artikel 47, § 1, van de wet van 27 april 2018 en naar artikel 10, § 5, van het decreet van 27 november 2015 slechts een verwijzing naar een afwijking op de algemene bevoegdheidsregel dat de Raad van State de natuurlijke rechter is om kennis te nemen van beroepen tegen administratieve geldboeten. Niet de bevoegdheid van de Raad van State is de uitzondering, maar de bevoegdheid van de politierechtbank, voor zover een specifieke bepaling daarin voorziet. Artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 kan, volgens de Vlaamse Regering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden om reden dat er in geen afwijking is voorzien op de algemene regel. Bovendien is het de federale wetgever die bevoegd is om te bepalen welk rechtscollege bevoegd is om kennis te nemen van een bepaald geschil. Een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel kan derhalve nooit haar grondslag vinden in het ontbreken van een decretale bepaling in het Vlaamse Gewest. Het verschil in behandeling heeft betrekking op een verschil in behandeling dat wordt gecreëerd door artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, enerzijds, en de afwijkingen waarin is voorzien in artikel 601ter, 1° tot 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, anderzijds, waardoor het geen betrekking heeft op artikel 66bis van het decreet van 20 april
- A.2.
- Uit het feit dat de Vlaamse decreetgever, in artikel 601ter, 4° tot 7°, van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 10, § 5, van het decreet van 27 november 2015, de politierechtbank bevoegd heeft gemaakt om kennis te nemen van bepaalde geschillen omtrent administratieve geldboeten die worden opgelegd in gewestmateries, volgt niet dat de decreetgever ook in andere materies de politierechtbank bevoegd diende te maken. De Vlaamse decreetgever heeft in beginsel niet de mogelijkheid om de bevoegdheden van rechtsinstanties te omschrijven. 5 A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat het bodemgeschil geen geschil is over een politiek recht, zodat de verwijzing naar artikel 145 van de Grondwet niet relevant is. De politierechtbank kan dus bezwaarlijk als uitzonderingsrechtbank worden beschouwd. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
- De tweede ongrondwettigheid vloeit, volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter, voort uit de schending van het recht op toegang tot de rechter. Er moet immers in de mogelijkheid worden voorzien dat de beslissingen over een administratieve geldboete in hoger beroep worden voorgelegd aan een rechtscollege met volle bevoegdheid en rechtsmacht. Dit is niet het geval bij de Raad van State, die een administratief rechtscollege is waarbij de procedure veel te omslachtig is in verhouding tot het beoogde doel. Het recht op toegang tot de rechter vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en vereist dat een beslissing van een administratieve overheid kan worden onderworpen aan de controle a posteriori van een rechtscollege met volle rechtsmacht. A.
- De Vlaamse Regering herhaalt dat de Raad van State de natuurlijke rechter is om uitspraak te doen over betwistingen aangaande beslissingen genomen door administratieve overheden, en dus ook de beslissingen omtrent het opleggen van een administratieve geldboete. Het recht op een behoorlijke rechtsbedeling sluit niet uit dat een administratieve sanctie door een ambtenaar wordt opgelegd, op voorwaarde dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op die administratieve beslissing. Volgens vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State en het Hof van Cassatie voldoet het vernietigingsberoep bij de Raad van State aan voormelde vereisten. A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de toetsing door de Raad van State zich doorgaans beperkt tot de interne en externe wettigheid van de administratieve rechtshandeling aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zonder opportuniteitstoetsing. Ook de toetsing aan het redelijkheidsbeginsel geschiedt marginaal. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist echter een volledige opportuniteitstoetsing, vooraleer een rechtscollege volle rechtsmacht heeft, hetgeen evenwel niet door de Raad van State gebeurt. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.
- Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter bestaat één van de waarborgen van het recht op toegang tot de rechter erin dat, bij de definitieve oplegging van de administratieve geldboete, de expliciete mededeling, in de akte van betekening, van de termijn waarbinnen en de modaliteiten waaronder de rechtzoekende tegen die beslissing kan opkomen, dient te gebeuren, hetgeen te dezen niet is gebeurd. A.8.
- De Vlaamse Regering verwijst naar het arrest nr. 107/2020 van 16 juli 2020, waarin het Hof oordeelde dat de vermelding van het bestaan van rechtsmiddelen in de betekening van een jurisdictionele beslissing « een essentieel element van het algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht op toegang tot de rechter, dat voortvloeit uit artikel 13 van de Grondwet » is. Aangezien de Raad van State de bevoegde rechter is om kennis te nemen van het vernietigingsberoep tegen de beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd met toepassing van artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001, dient eveneens rekening te worden gehouden met artikel 19, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Daaruit volgt, volgens de Vlaamse Regering, dat de beroepstermijn bij de Raad van State alleen een aanvang neemt op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid het bestaan van die beroepen vermeldt, alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan, dan neemt de beroepstermijn pas een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht. De derde prejudiciële vraag gaat er verkeerdelijk van uit dat de wetgeving niet erin zou voorzien dat bij de betekening van de bestreden beslissing het bestaan van de beroepsmogelijkheid moet worden vermeld, alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. 6 A.8.
- Subsidiair merkt de Vlaamse Regering op dat, indien het Hof zou oordelen dat artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zouden zijn geschonden omdat de vermelding van de beroepsmogelijkheden ontoereikend is, de schending niet is gelegen in artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001, maar in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter herhaalt dat zij nooit op vormvoorschriften of termijnen is gewezen. Daarnaast ontbreken in artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 de modaliteiten inzake de termijnen waarbinnen en de wijze waarop het beroep moet worden ingediend. -B- B.
- De drie prejudiciële vragen betreffen artikel 66bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg » (hierna : het decreet van 20 april 2001), dat bepaalt : « §
- In afwijking van artikel 66, § 1, 3°, kunnen de personeelsleden, aangewezen door de Vlaamse regering, een administratieve geldboete opleggen in geval van overtreding van artikel 15 of de uitvoeringsbesluiten ervan. Het aangewezen personeelslid brengt de overtreder op de hoogte van zijn voornemen. §
- Het bedrag van de administratieve geldboete mag niet hoger zijn dan 500 euro. De Vlaamse regering legt de nadere regels vast omtrent de wijze van inning en omtrent de termijnen waarover de overtreder beschikt. §
- De Vlaamse regering of haar afgevaardigde spreekt zich uit over de verzoeken tot vermindering of kwijtschelding van deze boetes overeenkomstig de door haar vastgestelde procedure. §
- Als de overtreder in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse regering wijst de personeelsleden aan die gelast zijn dwangbevelen te geven en uitvoerbaar te verklaren. De dwangbevelen worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling. §
- De Vlaamse regering kan bepalen voor welke inbreuken de VVM een tegenprestatie moet leveren op voorwaarde dat de overtreder de administratieve geldboete heeft betaald, met inbegrip van de eventuele kosten van tenuitvoerlegging ». B.
- In de verwijzingsbeslissing stelt de verwijzende rechter vast dat artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het geldt in het Vlaamse Gewest, een lijst bevat van de beroepen die bij de politierechtbank kunnen worden ingesteld tegen beslissingen waarbij administratieve geldboeten worden opgelegd. In die lijst wordt evenwel geen melding gemaakt van een beroep tegen een beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel 66bis van het decreet van 20 april
- 7 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 144 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, omdat het niet bepaalt dat de politierechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep ingesteld tegen de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete zoals bedoeld in die bepaling, terwijl die rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van vergelijkbare beroepen, en omdat de Raad van State dan bevoegd zou zijn, waarbij dat rechtscollege nochtans een « buitenproportionele en weinig toegankelijke beroepsinstantie » is. B.4.
- De Vlaamse Regering doet gelden dat het verschil in behandeling niet voortvloeit uit het in het geding zijnde artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001, maar uit de afwijkingen die door de onderscheiden wet- en decreetgever zijn ingevoerd op artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), waardoor de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. B.4.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. De exceptie hangt nauw samen met de draagwijdte die aan de in het geding zijnde bepaling dient te worden gegeven, zodat het onderzoek van de exceptie samenvalt met dat van de grond van de zaak. B.5.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht op toegang tot de bevoegde rechter in. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 B.5.
- Bij artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt aan de Raad van State de bevoegdheid toegewezen om kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring van de akten van de onderscheiden administratieve overheden, behalve indien het geschil door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend. Bij de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » (artikel 2, 1°) is artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State immers gewijzigd en is die precisering uitdrukkelijk eraan toegevoegd. Die bevoegdheid van de Raad van State vloeit voort uit zijn bevoegdheid als « administratieve rechter » in de zin van artikel 160 van de Grondwet. Het beroep tot nietigverklaring van een beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd, heeft niet een burgerlijk recht tot voorwerp, waarvan de kennisneming bij artikel 144 van de Grondwet aan de rechtbanken wordt voorbehouden. Omdat het niet aan een ander rechtscollege is toegewezen, valt het beroep tegen de beslissing om een administratieve geldboete zoals bedoeld in artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 op te leggen, onder die algemene vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State. De wetgever geniet een ruime beoordelingsbevoegdheid wat de vaststelling van de bevoegdheden van de rechtscolleges betreft, met inachtneming van de bij de Grondwet vastgelegde regels. De omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling niet afwijkt van de algemene vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State - hetgeen de decreetgever overigens slechts zou kunnen doen door een beroep te doen op de toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, aangezien de federale wetgever als enige bevoegd is om de bevoegdheid te regelen van de hoven en rechtbanken en van de administratieve rechtscolleges - kan op zich geen schending met zich meebrengen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 144 van de Grondwet. B.6.
- Het beroep tot nietigverklaring van een bestuurshandeling, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is een beroep, in eerste en in laatste aanleg, waarbij de wettigheid van een bestuurshandeling zowel in feite als in rechte kan worden betwist. 9 De Raad van State oefent dienaangaande een volwaardige jurisdictionele toetsing uit, zowel aan de wet als aan de algemene rechtsbeginselen en gaat daarbij na of de aan zijn toezicht voorgelegde bestuurshandeling de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing uitgaat van correcte juridische kwalificaties en of de maatregel niet onevenredig is gelet op de ten laste gelegde feiten. In geval van vernietiging, dient de overheid zich te schikken naar het arrest van de Raad van State : indien de overheid een nieuwe beslissing neemt, mag zij de motieven van het arrest dat de eerste beslissing heeft vernietigd niet negeren; indien zij in de vernietiging berust, wordt de aangevochten akte geacht nooit te hebben bestaan. B.6.
- De rechtzoekenden beschikken derhalve over een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg, voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, tegen de administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 66bis van het decreet van 20 april
- B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 artikel 13 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter, omdat het in het geding zijnde artikel niet bepaalt dat de beslissingen om een administratieve geldboete op te leggen voor beroep bij enig rechtscollege vatbaar zijn, terwijl « het een essentieel recht uitmaakt dat een beslissing van een administratieve overheid aan de controle a posteriori van een rechtscollege met volle rechtsmacht kan worden onderworpen ». B.9.
- Zoals in B.5.2 is vermeld, is de Raad van State de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van beroepen tegen administratieve geldboeten die worden opgelegd met toepassing van artikel 66bis van het decreet van 20 april
- Zoals in B.6.2 is vermeld, zijn die beroepen daadwerkelijk, aangezien de Raad van State op de aangevochten beslissingen een controle met volle rechtsmacht uitoefent. 10 B.9.
- De in de prejudiciële vraag opgeworpen schending van het recht op toegang tot de rechter berust op een verkeerd uitgangspunt. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
- Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 artikel 13 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter, omdat het in het geding zijnde artikel niet expliciet erin voorziet dat bij de betekening van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete de rechtzoekende moet worden geïnformeerd « over de termijn waarbinnen en de modaliteiten waaronder hij tegen deze beslissing kan opkomen ». B.12.
- Zoals in B.5.1 is vermeld, waarborgen artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een recht op toegang tot de bevoegde rechter. B.12.
- Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.13.
- Aangezien de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de bevoegde rechter is om kennis te nemen van de beroepen tegen administratieve geldboeten die zijn opgelegd overeenkomstig artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001, dient rekening te worden gehouden met de procedure zoals vastgesteld in de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 11 Artikel 19, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « De aanvragen, moeilijkheden en beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht ». B.13.
- De beroepstermijn bij de Raad van State neemt derhalve pas een aanvang op voorwaarde dat de kennisgeving, door de administratieve overheid, van de beslissing om de administratieve geldboete op te leggen het bestaan van die beroepen vermeldt, alsmede de in acht te nemen termijnen. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan, neemt de beroepstermijn pas een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de beslissing ter kennis is gebracht. B.
- De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 66bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 april 2001 « betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 144 ervan, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 april
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div