id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.068 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210429.5 Arrest- Rolnummer: 68/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 18, 19, 51 en 53 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » schenden niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. - Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 18, 19, 39 tot 44 en 50 tot 54 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » en artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Jeugdbescherming - Maatregelen met betrekking tot het ouderlijk gezag die verband houden met de tijdelijke huisvesting van een kind buiten zijn leefomgeving - Bevoegdheid van de jeugdrechtbank / Bevoegdheid van de directeur voor jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 18 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 19 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 39 à 44 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 50 à 54 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 51 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Decreet Franse Gemeenschap - 18-01-2018 - 53 - 32 ELI link Pub nr 2018011568 Wet - 08-04-1965 - 7 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Rolnummer 7486 Arrest nr. 68/2021 van 29 april 2021 ___________ In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 18, 19, 39 tot 44 en 50 tot 54 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » en artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 15 december 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 december 2020, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, en in het bijzonder de artikelen 18, 19, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 50, 51, 52, 53 en 54, alsook, in voorkomend geval, elke andere relevante bepaling van dat decreet, afzonderlijk of in samenhang gelezen, in die zin geïnterpreteerd dat de directeur voor jeugdbescherming, administratieve overheid belast met het uitvoeren van de beschermingsmaatregel vanuit het oogpunt van dejudicialisering, als enige bevoegd is om de kwesties inzake het ouderlijk gezag met betrekking tot de uitvoering van de plaatsing te regelen, die de nadere regels inhouden betreffende contacten die tussen het kind en zijn gezin moeten worden onderhouden, en zelfs elke andere kwestie die nauw verbonden is met de plaatsing, zoals de keuze van de school, van een arts, van een medische behandeling, van een activiteit, van vertrek naar het buitenland …, met uitsluiting van de jeugdrechtbank, bij wie de zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel 7 dat in de wet van 8 april 1965 is hersteld bij artikel 20 van de wet van 17 maart 2019 [lees : 19 maart 2017], niet met name de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen, en met name de artikelen 6, 8, 13 en 22 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind ? 2. Schendt artikel 7 van de wet van 8 april 1965, in de Franse Gemeenschap in die zin geïnterpreteerd dat het de jeugdrechtbank niet toestaat uitspraak te doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag [die verband houden] met de beschermingsmaatregel die strekt tot een verwijdering uit het gezin, wegens het beginsel van dejudicialisering en de uitvoering van de beschermingsmaatregel door een administratieve overheid, terwijl de jeugdrechtbank én in de andere gewesten van het land (waarvan de rechtscolleges kunnen optreden na territoriale uithandengeving) én soms zelfs binnen een zelfde gewest (waarbij de rechtspraak soms binnen een zelfde rechtscollege sterk uiteenlopend is), in de andere interpretatie die wordt gegeven, over een bevoegdheid in die aangelegenheid beschikt voor alle vorderingen betreffende het ouderlijk gezag die samenhangen met de beschermingsmaatregel, ongeacht of die al dan niet strekken tot de verwijdering uit het gezin, niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen, en met name de artikelen 6, 8, 13 en 22 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind ? 3. Schendt daarenboven en meer in het bijzonder wat de Franse Gemeenschap betreft, het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, en in het bijzonder de artikelen 18, 19, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 50, 51, 52, 53 en 54, alsook, in voorkomend geval, elke andere relevante bepaling van dat decreet, afzonderlijk of in samenhang gelezen, in die zin geïnterpreteerd dat de door de wetgeving van de Franse Gemeenschap geregelde gezinnen van een minderjarige in gevaar niet de volledige bevoegdheid van de jeugdrechtbank kunnen genieten voor alle vorderingen inzake het ouderlijk gezag die samenhangen met de bevolen beschermingsmaatregel, hetgeen in dat geval inhoudt dat ofwel, indien het geschil een geschil is ten aanzien van de beslissing van de directeur voor jeugdbescherming, enkel een beroep a posteriori kan worden ingesteld op grond van artikel 54 van het decreet (met controverse over de omvang van de bevoegdheid van de rechtbank die een bevoegdheid met volle rechtsmacht uitoefent of die wordt beperkt door een marginale toetsing) 3 bij verzoekschrift op tegenspraak dat wordt ingediend en behandeld volgens de burgerlijke rechtspleging voor de jeugdrechtbank, ofwel, indien de ouders tegenover elkaar staan in het geschil, enkel een vordering zal moeten worden ingesteld voor de jeugdrechtbank (met de hiervoor bedoelde vertragingen en onzekerheden), terwijl in de andere gemeenschappen, en zelfs binnen de Franse Gemeenschap voor de rechtscolleges die de ruimere opvatting aannemen, de in dezelfde omstandigheden geplaatste gezinnen de in artikel 7 bedoelde bevoegdheid van de jeugdrechtbank genieten, die bijkomstig naast de strafvordering wordt uitgeoefend en bijgevolg vooraleer hun een beslissing wordt opgelegd door een administratieve overheid, niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen, en met name de artikelen 6, 8, 13 en 22 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind ? ». Memories zijn ingediend door : - M.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Delplancke, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, Mr. S. Leroy en Mr. C. Aron, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad; - de Franse Gemeenschapsregering. Bij beschikking van 31 maart 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 21 april 2021, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 april 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 april 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.B., die in september 2016 is geboren, is het kind van A. V.N. en van J.B. 4 De gezinssituatie van M.B. werd kort na zijn geboorte gemeld aan de dienst voor hulpverlening aan de jeugd. In oktober 2016 werd het kind door de jeugdrechtbank te Charleroi toevertrouwd aan het ziekenhuis te Jolimont en vervolgens aan een crisisgezin. Bij vonnis van 17 november 2016 heeft de jeugdrechtbank een maatregel tot begeleiding van educatieve aard bevolen, die werd uitgevoerd door de directeur voor jeugdbescherming. Die maatregel werd vernieuwd bij vonnis van 9 november 2017. Bovendien heeft de rechtbank de plaatsing van het kind in een opvangmilieu bevolen en heeft zij de zaak territoriaal uit handen gegeven aan de Franstalige jeugdrechtbank te Brussel. Dat vonnis kon niet ten uitvoer worden gelegd. Op 4 maart 2019 heeft de Franstalige jeugdrechtbank te Brussel M.B. voorlopig toevertrouwd aan een lid van zijn familie en J.B. verboden te verschijnen op de woonplaats van die laatste. Bij beschikking van 29 maart 2019 heeft dezelfde rechtbank het kind onder toezicht van de dienst voor jeugdbescherming geplaatst, het toevertrouwd aan een ander familielid in afwachting van institutionele zorg en het contactverbod van J.B. met het kind verlengd. Bij beschikking van 26 april 2019 heeft de jeugdrechtbank het kind toevertrouwd aan een instelling gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en heeft hij tevens begeleide contacten met de ouders toegestaan. Het Hof van Beroep te Brussel heeft die maatregelen bevestigd bij een arrest van 3 juli 2019. Het personeel van de instelling waar M.B. werd geplaatst, heeft grote bezorgdheden geuit over de psychologische toestand en de gezinssituatie van het kind. Die laatste wordt beschreven als een kind dat gekweld wordt door enorme en allesoverheersende angstgevoelens, een situatie die nog verslechtert in geval van een bezoek van zijn ouders. Er werd eveneens gewezen op de totale ontkenning door de ouders van de moeilijkheden die hun kind ervaart en van hun eigen moeilijkheden. Bij vonnis van 18 oktober 2019 heeft de jeugdrechtbank de maatregel van toezicht en de plaatsing van het kind in een instelling verlengd, waarbij evenwel contacten onder toezicht met de ouders werden toegestaan. Het personeel van de instelling heeft vervolgens blijk gegeven van hun onvermogen om het kind te beschermen tegen de psychische disfunctie van de ouders en van het gebrek aan een mogelijke dialoog met de ouders. A. V.N. en J.B. hebben zich gevestigd te La Louvière en zijn er gedomicilieerd sedert 15 augustus 2020. Bij vonnis van 16 oktober 2020 heeft de jeugdrechtbank geweigerd om de zaak territoriaal uit handen te geven, heeft zij de maatregel van toezicht en de plaatsing van het kind in de instelling verlengd en de contacten tussen het kind en zijn ouders opgeschort. De dienst voor jeugdbescherming is daarenboven ermee belast pleegzorgers en een dienst voor geestelijke gezondheidszorg te zoeken om de contacten tussen M.B. en zijn ouders te begeleiden. De ouders en de procureur des Konings hebben hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Voor het Hof van Beroep te Brussel betwisten de ouders, in hoofdorde, de territoriale bevoegdheid van de eerste rechter en vorderen zij de re-integratie van het kind in het gezin en een educatieve begeleiding die moet worden uitgevoerd door de directeur voor jeugdbescherming van Bergen. In ondergeschikte orde vragen zij om, in geval van verlenging van de verwijdering uit het gezin, de contacten met hun kind te herstellen. Het openbaar ministerie en de raadsman van M.B. vorderen de bevestiging van het vonnis. In ondergeschikte orde, in geval van territoriale uithandengeving, vorderen zij dat het Hof van Beroep een dubbele beschermingsmaatregel beveelt die moet worden uitgevoerd door de directeur voor jeugdbescherming van Bergen. Het is in het kader van dat geschil dat de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vragen stelt. 5 III. In rechte -A- A.1.1. M.B. stelt vast dat de verwijzende rechter zich vragen stelt bij zijn bevoegdheid om maatregelen inzake het ouderlijk gezag te nemen, in het geval waarin hij een territoriale uithandengeving beveelt. Steunend op de omzendbrief van het College van procureurs-generaal nr. 3/2011 van 29 april 2011, waarvan de instructies actueel blijven, geeft M.B. aan dat een wijziging van de verblijfplaats van de ouders enkel tot de uithandengeving door de jeugdrechtbank kan leiden indien zij de uiting is van een werkelijke wil om zich op de nieuwe verblijfplaats te vestigen. M.B. zet vervolgens de van toepassing zijnde wetteksten en hun evolutie uiteen. A.1.2. M.B. voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven. De jeugdrechtbank lijkt de kwesties met betrekking tot het ouderlijk gezag ambtshalve bij zich aanhangig te hebben gemaakt, krachtens artikel 45 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965). Artikel 1253ter/4 van het Gerechtelijk Wetboek, beoogd in de verwijzingsbeslissing, heeft het verwijzende rechtscollege eveneens de mogelijkheid geboden om de prejudiciële vragen te stellen. Opdat de familierechtbank, overeenkomstig die bepaling, ertoe wordt gebracht kwesties met betrekking tot spoedeisend geachte maatregelen te beslechten, dienen de ouders evenwel gescheiden te zijn. Dat is te dezen niet het geval. Artikel 1253ter/4 van het Gerechtelijk Wetboek kan dus niet worden toegepast. Daarenboven kan te dezen geen beroep worden gedaan op artikel 7 van de wet van 8 april 1965, aangezien geen enkele beslissing die door de familierechtbank is genomen, onverenigbaar kan worden geacht met de beslissingen die door de jeugdrechtbank zijn genomen. Het antwoord op de prejudiciële vragen is dus niet nuttig voor de oplossing van het geschil. A.1.3.1. In ondergeschikte orde is M.B. van mening dat de drie prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. Daartoe brengt hij vier elementen naar voren. A.1.3.2. Ten eerste kan uit het beginsel van dejudicialisering en uit het optreden van de directeur voor jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap niet worden afgeleid dat de federale wetgever geen algemene bevoegdheid inzake het ouderlijk gezag voor elke vordering die samenhangt met de beschermingsmaatregel, zou hebben toegewezen aan de jeugdrechtbank. Uit het arrest van het Hof nr. 36/2019 van 28 februari 2019 kan immers worden afgeleid dat de federale wetgever bevoegd was om de wet van 19 maart 2017 « tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers » (hierna : de wet van 19 maart 2017) aan te nemen, dus ook om artikel 20 van die wet aan te nemen waarbij artikel 7 van de wet van 8 april 1965 werd hersteld. Dat artikel 7 strekt net ertoe aan de jeugdrechtbank een burgerrechtelijke bevoegdheid toe te wijzen om maatregelen te nemen inzake het ouderlijk gezag die samenhangen met maatregelen ter bescherming van de minderjarige. Ten slotte volstaat het feit dat wordt vastgesteld, zoals de verwijzende rechter doet, dat de huisvesting van het kind bij zijn ouders een prerogatief is dat onder het ouderlijk gezag valt, niet om de respectieve bevoegdheden van de directeur voor jeugdbescherming, van de jeugdrechtbank en van de familierechtbank te onderzoeken. A.1.3.3. Ten tweede, in tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter beweert, is het niet zeker dat de jeugdrechtbank, om maatregelen met een burgerrechtelijk karakter op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965 aan te nemen, de regels dient te volgen van de beschermingsprocedure die een strafvordering is die enkel door het openbaar ministerie kan worden ingesteld. Verscheidene elementen pleiten veeleer voor een toepassing van de regels van de burgerlijke rechtspleging, met name het feit dat particulieren, met uitzondering van de minderjarige op wie de beschermingsmaatregel betrekking heeft, een in artikel 7 van de wet van 8 april 1965 bedoelde aangelegenheid aanhangig kunnen maken bij de jeugdrechtbank. A.1.3.4. Ten derde zou, te dezen, in het onwaarschijnlijke geval dat zou worden besloten tot een maatregel tot terugkeer naar de gezinsomgeving, geen enkele burgerrechtelijke maatregel met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag moeten worden genomen, aangezien de ouders nog steeds een paar vormen. Die hypothese dient dus niet te worden onderzocht. A.1.3.5. Ten vierde is de plaatsing van een kind buiten zijn gezin een uitzonderlijke maatregel die afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven van het kind en van zijn ouders. In zoverre de beslissing om het kind te plaatsen het hoederecht van de ouders schorst, kan er geen sprake meer zijn van burgerrechtelijke 6 maatregelen die de huisvesting van het kind regelen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het organiseren van ontmoetingen tussen het geplaatste kind en zijn ouders geen burgerrechtelijke maatregel kan vormen die samenhangt met de beschermingsmaatregel die onder het toepassingsgebied van artikel 7 van de wet van 8 april 1965 zou vallen. Integendeel, het organiseren van die ontmoetingen maakt deel uit van de plaatsingsmaatregel zelf en van de uitvoering ervan. Het betreft een uitvoeringsmaatregel die zijn beschermend karakter behoudt. Artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 pleit voor die interpretatie. Krachtens die bepaling zouden, in geval van plaatsing van het kind, indien de jeugdrechtbank de ontmoetingen tussen de ouders en het kind zou organiseren als burgerrechtelijke maatregelen op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, de aangenomen huisvestingsmodaliteiten immers zelfs na de plaatsing blijven bestaan, hetgeen zinloos zou zijn. Daarentegen zouden, indien wordt geoordeeld dat het organiseren van de ontmoetingen tussen de ouders en het kind een maatregel tot uitvoering van de plaatsing is, de huisvestingsmodaliteiten worden beëindigd samen met de plaatsing. In dat geval zouden, enerzijds, de directeur voor jeugdbescherming, die maatregelen inzake het ouderlijk gezag kan nemen in het kader van zijn beschermende bevoegdheid, en, anderzijds, de jeugdrechtbank die bevoegd blijft om een beslissing te nemen over elke burgerrechtelijke maatregel die samenhangt met de beschermingsmaatregelen, evenmin met elkaar interfereren. Bij die interpretatie zou ook het kind in acht worden genomen, dat geen partij is in de burgerlijke rechtspleging. A.1.4.1. M.B. besluit dat er twee categorieën van beslissingen met betrekking tot het ouderlijk gezag bestaan : enerzijds, de beslissingen met betrekking tot de plaatsing en hun uitvoering (uitvoeringsmaatregelen) en, anderzijds, de beslissingen die niet intrinsiek verband houden met de plaatsing (samenhangende maatregelen). De « uitvoeringsmaatregelen » behouden hun beschermend karakter en de jeugdrechtbank kan geen toepassing maken van artikel 7 van de wet van 8 april 1965 om ze vast te stellen. Het komt de directeur voor jeugdbescherming toe de contacten tussen de ouders en het kind te moduleren. In geval van territoriale uithandengeving zou de verwijzende rechter zich dus moeten beperken tot het nemen van een plaatsingsmaatregel en zou de kwestie van de contacten tussen M.B. en zijn ouders door de directeur voor jeugdbescherming moeten worden geregeld. De « samenhangende maatregelen » die een burgerrechtelijk karakter hebben, zouden daarentegen moeten worden nageleefd door de directeur voor jeugdbescherming. A.1.4.2. M.B. besluit dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Volgens de voorgestelde interpretatie dienen de kwesties inzake het ouderlijk gezag met betrekking tot de uitvoering van een plaatsingsmaatregel hun beschermend karakter immers te behouden. De zaak kan dus niet bij de jeugdrechtbank aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965. De tweede prejudiciële vraag dient eveneens ontkennend te worden beantwoord, aangezien de jeugdrechtbank bevoegd is om maatregelen te nemen die samenhangen met de beschermingsmaatregel, ongeacht of zij haar zetel in de Franse Gemeenschap dan wel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord, aangezien het verschil dat erin wordt beoogd, niet bestaat. Ongeacht of zij zich in de Franse Gemeenschap of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevinden, hebben de gezinnen immers dezelfde mogelijkheid om de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig te maken op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965. A.2.1. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de drie prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord omdat het verschil in behandeling dat erin wordt beoogd, niet bestaat. A.2.2. Na een uiteenzetting van de feitelijke context en van de draagwijdte van de bestreden bepalingen legt de Franse Gemeenschapsregering uit dat, sedert de wet van 30 juli 2013 « betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank », de procedures met betrekking tot het ouderlijk gezag worden toevertrouwd aan de familierechtbank, terwijl de procedures inzake de bescherming van het minderjarige kind worden toevertrouwd aan de jeugdrechtbank. Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 maakt het de jeugdrechtbank evenwel mogelijk om kwesties inzake het ouderlijk gezag te beslechten indien er een samenhang tussen die kwesties en de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen bestaat. De partijen hebben dan de keuze om de zaak aanhangig te maken bij de familierechtbank of bij de jeugdrechtbank. Wanneer de jeugdrechtbank een beschermingsmaatregel beveelt ten aanzien van een minderjarige, is de directeur voor jeugdbescherming belast met de uitvoering van de dwangmaatregel. Zelfs in geval van plaatsing blijven de ouders evenwel de attributen van het ouderlijk gezag uitoefenen. In dat kader houden bepaalde beslissingen met betrekking tot de prerogatieven van het ouderlijk gezag intrinsiek verband met de plaatsing, in tegenstelling tot andere. De directeur voor jeugdbescherming is bevoegd om de beslissingen te nemen die tot de eerste categorie van beslissingen behoren, met inachtneming van het beginsel van dejudicialisering, en is daarbij tevens gehouden tot inachtneming van het doel van de beslissing van de jeugdrechtbank. 7 Bovendien staat geen enkele bepaling van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 18 januari 2018) in de weg aan de aanhangigmaking bij de jeugdrechtbank op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, teneinde een maatregel van ouderlijk gezag te bevelen die samenhangt met de beschermingsmaatregel. Bovendien, wanneer, in het kader van de uitvoering van een verwijderingsmaatregel, de directeur voor jeugdbescherming (
- i)de contacten « ouders-kind » dient aan te passen of (
- ii)wordt geconfronteerd met een onrechtmatige weigering van de ouders met betrekking tot een kwestie van ouderlijk gezag die verband houdt met de uitvoeringsmodaliteiten van de plaatsingsmaatregel, kan hij die kwesties ofwel zelf regelen, ofwel het openbaar ministerie interpelleren. Die laatste maakt de zaak dan aanhangig bij de familierechtbank of bij de jeugdrechtbank, indien er een samenhang bestaat tussen de kwestie van het ouderlijk gezag en de beschermingsmaatregel. De ouders kunnen eveneens, vooraleer een beslissing hun wordt opgelegd, de zaak aanhangig maken bij de familierechtbank of de jeugdrechtbank, opdat zij over de kwestie uitspraak doet. A.2.3. De Franse Gemeenschapsregering besluit dat alle rechtzoekenden in België de volledige bevoegdheid van de jeugdrechtbank kunnen genieten, op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, voor elke vordering inzake het ouderlijk gezag, voor zover zij samenhangt met een beschermingsmaatregel. De in het geding zijnde bepalingen moeten dus de interpretatie krijgen volgens welke de jeugdrechtbank bevoegd is om de kwesties inzake het ouderlijk gezag te regelen, ook in geval van verwijdering uit het gezin, zonder dat de prerogatieven van de directeur voor jeugdbescherming die bevoegdheid in de weg staan. De in het geding zijnde bepalingen doen dus geen verschil in behandeling ontstaan. A.3.1. De Ministerraad voert aan dat de eerste en de derde prejudiciële vraag niet ontvankelijk zijn in zoverre zij alle bepalingen van het decreet van 18 januari 2018 beogen. Evenzo is geen van de prejudiciële vragen ontvankelijk in zoverre zij « met name » een reeks referentienormen beogen. Het Hof dient zijn onderzoek te beperken tot enkel die bepalingen die precies worden vermeld als getoetste normen en als toetsingsnormen. A.3.2. In verband met de eerste prejudiciële vraag preciseert de Ministerraad dat uit de verwijzingsbeslissing voortvloeit dat er, voor de minderjarigen in gevaar die onder de Franse Gemeenschap ressorteren, in tegenstelling tot de minderjarigen in gevaar die onder andere gemeenschappen ressorteren, een verschil in behandeling zou bestaan in de toegang tot de rechtbank dat afbreuk kan doen aan het belang van het kind. Het federalisme kan evenwel het bestaan van gedifferentieerde rechtsstatuten tussen de deelentiteiten inhouden. A.3.3. De Ministerraad geeft aan dat, hoewel hij zich in beginsel niet kan uitspreken over de grondwettigheid van decretale bepalingen, zulks niet geldt wanneer in de prejudiciële vraag in werkelijkheid een kwestie van inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels wordt opgeworpen. Te dezen wordt aan het Hof in werkelijkheid een vraag gesteld over de inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels, in de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie. Het ontkennend beantwoorden van de prejudiciële vraag zou immers tot gevolg hebben dat een interpretatie van decretale bepalingen geldig wordt verklaard waarbij de bevoegdheid van de federale wetgever om de bevoegdheid van de jeugdrechtbank inzake het ouderlijk gezag dat verband houdt met jeugdbeschermingsmaatregelen, te regelen, zou worden ontkend. Meer bepaald zou artikel 7 van de wet van 8 april 1965, in de Franse Gemeenschap, onwerkzaam worden gemaakt. De prejudiciële vraag dient dus te worden geherformuleerd en er dient dus te worden onderzocht waarover werkelijk een vraag aan het Hof wordt gesteld : de overeenstemming van de bepalingen van het decreet van 18 januari 2018, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, met de bevoegdheidverdelende regels. De in het geding zijnde federale bepaling is artikel 7 van de wet van 8 april 1965, opnieuw ingevoegd bij artikel 20 van de wet van 19 maart 2017. Het Hof heeft zich over die bepaling uitgesproken in het arrest nr. 36/2019 van 28 februari 2019. Uit dat arrest kan worden afgeleid dat de bevoegdheid van de directeur voor jeugdbescherming, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat die de kwesties inzake het ouderlijk gezag met betrekking tot de uitvoering van een plaatsing alleen kan regelen, met uitsluiting van de jeugdrechtbank waarbij de zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, een inbreuk van de gemeenschapswetgever op de bevoegdheid van de federale wetgever om de bevoegdheden van de hoven en rechtbanken te regelen, met zich mee zou brengen. Die inbreuk is niet marginaal. Meer nog, het decreet van 18 januari 2018 werd aangenomen na artikel 7 van de wet van 8 april 1965, zodat het in het geding zijnde decreet niet in die zin zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het, in de Franse Gemeenschap, de toepassing verhindert van een bepaling die vroeger door de federale wetgever is aangenomen op grond van artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 8 De eerste prejudiciële vraag behoeft dus geen antwoord of dient, indien zij wordt geherformuleerd, in die zin te worden beantwoord dat de uitsluiting van de jeugdrechtbank, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt op grond van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, om de kwesties inzake het ouderlijk gezag met betrekking tot de uitvoering van de plaatsing te regelen, de bevoegdheidverdelende regels schendt. A.3.4.1. In verband met de tweede prejudiciële vraag is de Ministerraad van mening dat de door de verwijzende rechter gesuggereerde interpretatie de bevoegdheidverdelende regels en meer in het bijzonder artikel 146 van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou schenden. Vervolgens, in zoverre de prejudiciële vraag ervan uitgaat dat een discriminatie zich zou kunnen voordoen wegens het feit dat de situatie van een minderjarige in gevaar verschillend kan worden geregeld van gemeenschap tot gemeenschap, hetgeen het gevolg is van het federalisme, wijst zij niet op een discriminatie. Ten slotte behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord, in zoverre daarbij aan het Hof een verschil in behandeling van minderjarigen in gevaar binnen een zelfde gemeenschap wordt voorgelegd volgens de interpretatie die door een « sterk uiteenlopende » rechtspraak aan artikel 7 van de wet van 8 april 1965 wordt gegeven. Een dergelijk verschil in behandeling vindt immers niet zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in een controverse in de rechtspraak, waarover niet het Hof, maar wel het Hof van Cassatie, zich kan uitspreken. A.3.4.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad vast dat artikel 7 van de wet van 8 april 1965 de rechten van het kind, het recht op eerbiediging van het privéleven, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van de vrije toegang tot een rechter klaarblijkelijk niet schendt, temeer daar in de verwijzingsbeslissing niet wordt gepreciseerd in welk opzicht men zich vragen zou moeten stellen bij de overeenstemming van die bepaling met de voormelde rechten. A.3.5. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad eveneens aan dat de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie ertoe leidt dat de in het geding zijnde decretale bepalingen, in de Franse Gemeenschap, de in artikel 7 van de wet van 8 april 1965 bedoelde bevoegdheid van de jeugdrechtbank uitsluiten. Daaruit vloeit een schending van de bevoegdheidverdelende regels voort. Bovendien voert de verwijzende rechter een verschil in behandeling aan tussen de gezinnen van een minderjarige in gevaar onderling, naargelang hun situaties worden geregeld door de bepalingen van de Franse Gemeenschap of door die van een andere gemeenschap. Een dergelijk verschil is evenwel het gevolg van het federalisme en brengt op zich geen discriminatie met zich mee. Daarenboven vloeit ook hier het feit dat rechtscolleges binnen dezelfde gemeenschap verschillende standpunten innemen, waardoor verschillen in behandeling ontstaan, niet voort uit de in het geding zijnde bepaling maar uit een uiteenlopende rechtspraak. Het Hof is evenwel niet bevoegd om daarvan kennis te nemen. A.3.6. De Ministerraad besluit daaruit dat de eerste prejudiciële vraag geen antwoord behoeft of, indien zij wordt geherformuleerd, in die zin bevestigend moet worden beantwoord dat de in het geding zijnde bepalingen de bevoegdheidverdelende regels schenden. Vervolgens is het Hof niet bevoegd om de tweede en de derde prejudiciële vraag te beantwoorden. Indien die vragen worden geherformuleerd, wordt het Hof verzocht te antwoorden dat de in het geding zijnde bepalingen in strijd zijn met de bevoegdheidverdelende regels. A.4.1. In haar memorie van antwoord geeft de Franse Gemeenschapsregering preciseringen over de bevoegdheden van de jeugdrechtbank wanneer die, op vordering van de procureur des Konings, haar « beschermende » bevoegdheid uitoefent, alsook over de bevoegdheden van de directeur voor jeugdbescherming. Aldus kan de rechtbank de in artikel 51 van het decreet van 18 januari 2018 bedoelde maatregelen bevelen. Die worden uitgevoerd door de directeur voor jeugdbescherming, overeenkomstig artikel 53 van het decreet van 18 januari 2018, zonder dat de jeugdrechtbank het optreden van de directeur voor jeugdbescherming kan belemmeren door de modaliteiten voor de toepassing van de bevolen maatregel te preciseren. Krachtens het beginsel van dejudicialisering, dat het optreden van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd ondersteunt, beschikt de directeur voor jeugdbescherming over een grote bewegingsvrijheid in het kader van de verplichte hulpverlening. Aldus is hij, in geval van een maatregel tot verwijdering van het kind uit het gezin, bevoegd om de kwesties inzake het ouderlijk gezag te regelen die nauw verbonden zijn met de uitvoering van die maatregel. Het feit dat de directeur voor jeugdbescherming, in het kader van de uitvoering van de maatregel tot verwijdering waartoe door de rechtbank is besloten, bevoegd is om uitvoeringsbeslissingen te nemen die de prerogatieven van het ouderlijk gezag raken die intrinsiek ermee verbonden zijn, wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 maart 2017. Toch is de directeur voor jeugdbescherming ertoe gehouden het doel van de beslissing van de jeugdrechtbank in acht te nemen. 9 De jeugdrechtbank heeft eveneens de mogelijkheid om kwesties met betrekking tot het ouderlijk gezag ambtshalve bij zichzelf aanhangig te maken. Op het ogenblik dat zij een dwingende maatregel van hulpverlening beveelt, bevindt de rechtbank zich evenwel niet in de juiste positie om een samenhang tussen de burgerrechtelijke maatregelen en de beschermingsmaatregel vast te stellen, aangezien de uitvoering van die laatste pas na het vonnis geschiedt. De directeur is wellicht beter dan de jeugdrechtbank in staat om kwesties van ouderlijk gezag die nauw verbonden zijn met de concrete modaliteiten van de verwijderingsmaatregel, te behandelen. Daarenboven wordt uit de bewoordingen « kan uitspraak doen » in artikel 7 van de wet van 8 april 1965 afgeleid dat de rechtbank over een mogelijkheid en niet over een verplichting beschikt om uitspraak te doen over een kwestie met betrekking tot het ouderlijk gezag, zelfs in geval van samenhang met een beschermende maatregel. A.4.2. De Franse Gemeenschapsregering stelt dus opnieuw vast dat, in de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die zij in aanmerking neemt, de in de prejudiciële vragen beoogde verschillen in behandeling niet bestaan. Hetzelfde geldt voor de kwestie van de schending van de regels die de bevoegdheid verdelen tussen de federale Staat en de gemeenschappen. Volgens de door de Franse Gemeenschapsregering voorgestelde interpretatie maken de bevoegdheden van de directeur voor jeugdbescherming immers geen inbreuk op die van de jeugdrechtbank. A.5.1. In zijn memorie van antwoord staat de Ministerraad stil bij de relevantie van de prejudiciële vragen. Hoewel het in beginsel aan de verwijzende rechter staat de relevantie van een prejudiciële vraag te beoordelen, is een controle door het Hof niet uitgesloten. Aldus is een prejudiciële vraag die voor de verwijzende rechter maar een theoretisch belang zou hebben, niet relevant en behoeft zij geen antwoord. Te dezen stelt de Ministerraad zich vragen bij het gedeeltelijk adviserend karakter van de aanhangigmaking bij het Hof. Uit het verwijzingsarrest blijkt immers dat de verwijzende rechter het geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt, als voorwendsel heeft aangegrepen om antwoorden te krijgen op controverses in de rechtsleer en in de rechtspraak. Daaruit vloeien verschillende gevolgen voort. Allereerst bevindt de grond van de in de prejudiciële vragen bedoelde verschillen in behandeling zich niet in de getoetste normen, maar in een uiteenlopende rechtspraak. De prejudiciële vragen behoeven dus geen antwoord. Vervolgens dient een selectie te worden gemaakt tussen wat onder de vraagstelling aan het Hof als juridisch advies valt en wat werkelijk wordt verantwoord door het onontbeerlijke karakter van het antwoord voor de oplossing van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil. Aldus blijkt dat de verwijzende rechter, wanneer hij de aanhangigmaking bij het Hof verantwoordt, verschillende louter hypothetische situaties vermeldt. Zulks is het geval wanneer hij aangeeft dat niet kan worden uitgesloten dat bij de jeugdrechtbank « geen kwestie inzake het ouderlijk gezag die samenhangt met de beschermingsmaatregel, noch een beroep tegen een beslissing van de directeur voor jeugdbescherming in geval van territoriale uithandengeving aanhangig kan worden gemaakt ». Die situaties stemmen evenwel niet overeen met de situatie die hier aan de orde is. Hetzelfde geldt wanneer de verwijzende rechter preciseert dat hij ertoe zou kunnen worden gebracht uitspraak te doen over elke vordering betreffende het ouderlijk gezag die samenhangt met de beschermingsmaatregel bij een conflict tussen ouders. De ouders van M.B. hebben evenwel geen conflict. Die overwegingen kunnen de aanhangigmaking bij het Hof dus niet verantwoorden. De derde prejudiciële vraag in het bijzonder heeft betrekking op bezorgdheden die geen verband houden met het geschil dat bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt. Die bezorgdheden komen allemaal na het geschil voor het verwijzende rechtscollege. De derde prejudiciële vraag behoeft dus geen antwoord. A.5.2. In verband met de prejudiciële vragen die rechtstreeks verband houden met het geschil dat door de verwijzende rechter moet worden beslecht, merkt de Ministerraad op dat uit het verwijzingsarrest niet blijkt dat burgerrechtelijke maatregelen werden uitgesproken door de familierechtbank. Het is dus niet relevant om de prejudiciële vragen te analyseren ten aanzien van een eventueel bevoegdheidsconflict of samengaan van bevoegdheden tussen de familierechtbank en de jeugdrechtbank. Artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 is trouwens niet onlosmakelijk verbonden met artikel 7 van dezelfde wet. Met artikel 7/1, dat geen norm is die als getoetste norm is beoogd, dient dus geen rekening te worden gehouden. Te dezen is er sprake van een bevoegdheidsverdeling tussen de directeur voor jeugdbescherming en de jeugdgerechten. Er bestaan te dezen twee situaties. Ten eerste, indien het verwijzende rechtscollege beslist om de maatregel tot plaatsing van M.B. niet te verlengen, kan het de kwestie van de contacten tussen de ouders en het kind regelen. De directeur voor jeugdbescherming is in dat geval immers onbevoegd om de huisvesting van het kind te regelen of anders te regelen. In dat geval is het antwoord op de prejudiciële vragen niet dienstig om het geschil op te lossen. Ten tweede, indien het verwijzende rechtscollege beslist om de maatregel tot plaatsing van M.B. te verlengen, rijst de vraag of het zich ook kan uitspreken over de ondergeschikte vordering die ertoe strekt de contacten tussen de ouders en het kind te herstellen. De bevoegdheid om een dergelijke burgerrechtelijke maatregel te bevelen behoort in beginsel toe aan de familierechtbank. Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 maakt 10 het de jeugdrechtbank evenwel ook mogelijk om zich over de kwestie uit te spreken in geval van samenhang met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen. Die burgerrechtelijke bevoegdheid van de jeugdrechtbank betreft alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag die zijn bedoeld in boek I, titel IX, van het Burgerlijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege beschikt dan ook over de bevoegdheid om de plaatsing van M.B. te bevelen of te verlengen en om daarnaast uitspraak te doen over de vordering tot herstel van de contacten met de ouders, zoals in de tekst zelf van artikel 7 van de wet van 8 april 1965, in de parlementaire voorbereiding, in de rechtspraak en in de rechtsleer wordt bevestigd. De interpretatie volgens welke artikel 7 van de wet van 8 april 1965 het, in de Franse Gemeenschap, de jeugdrechtbank niet mogelijk zou maken om uitspraak te doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag die verband houden met een verwijdering uit het gezin, kan dus niet worden aangenomen. -B- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof en het nut van de prejudiciële vragen B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de samenhang tussen de bevoegdheden van de directeur voor jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap en van de jeugdrechtbank om de modaliteiten vast te stellen van de contacten tussen de ouders en het kind dat het voorwerp uitmaakt van een maatregel inzake tijdelijke huisvesting buiten zijn leefomgeving waartoe door de jeugdrechtbank is bevolen. B.1.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.1.3. Het Hof is bevoegd om te bepalen of een wetsbepaling, in een door de verwijzende rechter in aanmerking genomen interpretatie, in overeenstemming is met de in artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en in artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde referentienormen. Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op decretale en wettelijke bepalingen, in de door de verwijzende rechter gepreciseerde interpretatie, is het Hof bevoegd om ze te beantwoorden. 11 B.1.4. Het komt in de regel de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Aangezien de verwijzende rechter van oordeel is dat hij, ook al stelt hij vast dat hij territoriaal niet bevoegd is, beschermingsmaatregelen kan bevelen met toepassing van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, is het antwoord op de prejudiciële vragen niet klaarblijkelijk nutteloos voor de oplossing van het geschil. Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag B.2. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, en in het bijzonder van de artikelen 18, 19, 39 tot 44 en 50 tot 54 van dat Wetboek, met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 22 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in de interpretatie volgens welke de directeur voor jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap als enige bevoegd is, met uitsluiting van de jeugdrechtbank, om de kwesties inzake het ouderlijk gezag te regelen die verband houden met de beslissing van de jeugdrechtbank om een kind tijdelijk buiten zijn leefomgeving te huisvesten. B.3. Uit de draagwijdte van de vraag blijkt dat zij betrekking heeft op een maatregel inzake huisvesting van een minderjarig kind buiten zijn leefomgeving, die door de jeugdrechtbank kan worden bevolen op grond van artikel 51, eerste lid, 2°, van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming. Het betreft dus een maatregel die de jeugdrechtbank kan opleggen nadat zij heeft vastgesteld dat de gezondheid of de veiligheid van een kind thans ernstig wordt bedreigd en dat de betrokken personen de vrijwillige hulpverlening die eerst diende overwogen te worden, weigeren of verzuimen uit te voeren. De vraag heeft daarentegen geen betrekking op een huisvestingsmaatregel waartoe kan worden besloten op grond van artikel 52 van hetzelfde Wetboek. Krachtens die bepaling kan de in artikel 51, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maatregel inzake tijdelijke 12 huisvesting, voor niet meer dan 30 dagen worden genomen door de jeugdrechtbank « bij dringende noodzakelijkheid, wanneer de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het kind thans rechtstreeks wordt bedreigd door een ernstig gevaar, en als er geen toestemming is van de in artikel 23 bedoelde personen ». Het Hof beantwoordt de eerste prejudiciële vraag bijgevolg in zoverre zij betrekking heeft op de artikelen 18, 19, 51 en 53 van het voormelde Wetboek. B.4. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » met dezelfde referentienormen als die welke in de eerste prejudiciële vraag worden beoogd, in de interpretatie dat die bepaling de jeugdrechtbank niet toestaat uitspraak te doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag die verband houden met een gerechtelijke beschermingsmaatregel die strekt tot de verwijdering van een kind uit het gezin. B.5. Aangezien zij betrekking hebben op de verdeling van de bevoegdheden tussen de directeur voor jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap en de jeugdrechtbank om te beslissen over de maatregelen met betrekking tot het ouderlijk gezag die verband houden met de tijdelijke huisvesting van een kind buiten zijn leefomgeving, worden de eerste twee prejudiciële vragen samen behandeld. B.6. De verwijzing in de prejudiciële vragen naar artikel 22 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat handelt over de verkiezing van de rechters van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, berust klaarblijkelijk op een materiële vergissing, zodat het Hof bij zijn onderzoek geen rekening ermee houdt. B.7. De aan het Hof toevertrouwde toetsing van wetskrachtige normen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereist dat een welbepaalde categorie van personen ten aanzien van wie een mogelijke discriminatie wordt aangevoerd, het voorwerp uitmaakt van een pertinente vergelijking met een andere categorie. 13 Wanneer het Hof evenwel wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met grondrechten, heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn van een schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen welke die rechten genieten, en moeten bijgevolg die twee categorieën van personen worden vergeleken. B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. Hieruit vloeit voort dat het Hof, wanneer het toetst aan artikel 22 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ook rekening moet houden met de voormelde verdragsbepaling. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, §§ 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33). 14 Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51). B.8.2.1. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.8.2.2. Het vierde lid van die bepaling, dat verwijst naar het belang van het kind, is, zoals het tweede, derde en vijfde lid, het resultaat van de grondwetsherziening van 22 december 2008, die ertoe strekte de grondwettelijke erkenning van de kinderrechten te verruimen tot wat de essentie uitmaakt van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-265/3, p. 41). Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 22bis, vijfde lid, van de Grondwet geeft de bevoegde wetgever overigens de opdracht te waarborgen dat het belang van het kind de eerste overweging is. 15 B.9.1. Artikel 7 van de wet van 8 april 1965, zoals hersteld bij artikel 20 van de wet van 19 maart 2017 « tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers », bepaalt : « De jeugdrechtbank kan uitspraak doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag bedoeld in boek I, titel IX van het Burgerlijk Wetboek, voor zover deze samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen ». B.9.2. In de verantwoording van het amendement waarbij die bepaling is hersteld, wordt vermeld : « Dit artikel geeft de jeugdrechtbank de bevoegdheid om zich, in het kader van de jeugdbescherming, eveneens uit te spreken over maatregelen inzake het ouderlijk gezag, bepaald in Boek I, Titel IX van het Burgerlijk Wetboek, voor zover ze hiermee samenhangen. Het gaat om samenhang in de zin van artikel 30 Gerechtelijk Wetboek, met name indien ze onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. Zo zou de jeugdrechter zich bijvoorbeeld kunnen uitspreken over een verblijfsregeling wanneer er een plaatsingsmaatregel voor het kind werd bevolen, … Sinds de inwerkingtreding van de wet op de familie- en jeugdrechtbank is er geen wettelijke grond (meer) voor de jeugdrechtbank om zich uit te spreken over het ouderlijk gezag, hoewel jeugdrechters zich hier in de praktijk soms wel over uitspreken, omdat dit soms zodanig is verweven met de jeugdbeschermingsmaatregel. Dit artikel heeft dus tot doel deze bevoegdheid opnieuw in te schrijven in de wet » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-0697/009, p. 32). B.9.3. Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 biedt de jeugdrechtbank dus de mogelijkheid om maatregelen inzake het ouderlijk gezag, bedoeld in boek I, titel IX, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het bepalen van de modaliteiten van het recht op persoonlijk contact, uit te spreken op voorwaarde dat zij samenhangen met de bevolen beschermingsmaatregel. Door die burgerrechtelijke bevoegdheid inzake het ouderlijk gezag toe te wijzen aan de jeugdrechtbank, beoogt de in het geding zijnde bepaling de samenhang te waarborgen van de beschermingsmaatregelen die voor de minderjarige zijn ingevoerd. B.9.4. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 36/2019 van 28 februari 2019 heeft geoordeeld, heeft de federale wetgever de bevoegdheidverdelende regels in acht genomen door artikel 20 van de wet van 19 maart 2017 aan te nemen waarbij artikel 7 van de wet van 8 april 1965 wordt hersteld. 16 Die bepaling, die is aangenomen door de federale wetgever, strekt ertoe te worden toegepast door alle jeugdrechtbanken van het land, ongeacht de wetgeving inzake jeugdbescherming die door de gemeenschappen is aangenomen op grond van de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die die rechtbanken daarenboven dienen toe te passen. B.10.1. De artikelen 18, 19, 51 en 53 van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming hebben betrekking op de directeur voor jeugdbescherming, en omschrijven zijn bevoegdheden die verband houden met de dwangmaatregelen waartoe door de jeugdrechtbank is besloten, buiten het geval van de dringende noodzakelijkheid. B.10.2. De directeur voor jeugdbescherming is een administratieve overheid, die onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar van de bevoegde administratie van de Franse Gemeenschap staat. Er is een directeur in elke afdeling van de rechtbank van eerste aanleg of in elk gerechtelijk arrondissement dat niet uit afdelingen is samengesteld, om de dienst voor jeugdbescherming te leiden. Hij dient zijn bevoegdheden inzake individuele bescherming in volle onafhankelijkheid uit te oefenen (artikelen 2, 5°, 12° en 17°, 18 en 19 van het Wetboek). B.11. De samenhang van de bevoegdheden tussen de jeugdrechtbank en de directeur voor jeugdbescherming inzake tijdelijke huisvesting van een kind buiten zijn leefomgeving, buiten een situatie van dringende noodzakelijkheid, wordt geregeld bij de artikelen 51 en 53 van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming. B.12.1. Gesitueerd in hoofdstuk 1 (« Beschermingsmaatregelen die behoren tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank ») van titel 3 (« Beschermingsmaatregelen »), bepaalt artikel 51 van het Wetboek : « Nadat de jeugdrechtbank heeft vastgesteld dat de gezondheid of de veiligheid van een kind thans ernstig wordt bedreigd en dat de betrokken personen weigeren de vrijwillige hulpverlening, die door de adviseur vooraf werd gepland, in het werk te stellen, of dit niet doen, kan hij, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze : 1° het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten of één van hen onderwerpen aan richtlijnen of aan een begeleiding van psychologische, sociale of educatieve aard; 17 2° in uitzonderlijke omstandigheden beslissen dat het kind [tijdelijk] buiten zijn leefomgeving zal worden gehuisvest met het oog op zijn opvoeding of van zijn behandeling; 3° het kind, indien het meer dan zestien jaar oud is, de mogelijkheid geven om zich te gaan vestigen in een autonoom of gesuperviseerd verblijf en zich te laten inschrijven in het bevolkingsregister van de plaats van dat verblijf. De gezondheid of de veiligheid van een kind wordt beschouwd als thans ernstig bedreigd wanneer zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid wordt bedreigd, ofwel omdat hij gewoon of herhaaldelijk gedragingen heeft die ze werkelijk en rechtstreeks bedreigen, ofwel omdat hij het slachtoffer is van ernstige nalatigheden, mishandeling, gezagsmisbruik of seksueel misbruik die ze rechtstreeks of werkelijk bedreigen. De beslissing van de rechtbank wordt onmiddellijk aan de directeur meegedeeld om overeenkomstig artikel 53 te worden toegepast. […] ». Die bepaling vloeit voort uit artikel 38 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 « inzake hulpverlening aan de jeugd », dat bij het Wetboek is opgeheven. B.12.2. In de parlementaire voorbereiding van dat decreet van 4 maart 1991 wordt vermeld : « De rechterlijke macht blijft de meest geschikte hoeder van de inachtneming van de rechten van de verdediging wanneer ten aanzien van particulieren dwang wordt gebruikt. Daarom voorziet het ontwerp van decreet in de exclusieve bevoegdheid van de jeugdrechtbank inzake opgelegde hulpverlening. Die beperkt zich evenwel tot het strikt noodzakelijke. […] De jeugdrechtbank neemt kennis van de dwangmaatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van het kind, zijn gezin of zijn leefgenoten wanneer de lichamelijke of psychische integriteit van een kind thans ernstig bedreigd is en wanneer een van de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of die het kind in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, de hulp van de adviseur weigert of die hulp niet benut. De jeugdrechtbank beslist over de aard van het optreden; de toepassing ervan mag de door de Executieve vastgestelde termijn niet overschrijden en behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de directeur bij de hulpverlening aan de jeugd » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1990-1991, nr. 165/1, p. 4). 18 In de commentaar bij artikel 38 van het decreet van 4 maart 1991 wordt gepreciseerd : « […] sedert de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de Franse Gemeenschap onbetwistbaar bevoegd voor alle hulpverlening die moet worden geboden aan kinderen in gevaar, met inbegrip van de verplichte hulpverlening. Het staat bijgevolg aan haar te bepalen onder welke vorm en volgens welke modaliteiten zij de situaties wenst te regelen die de uitoefening van die dwang vereisen. Aangezien de adviseur en zijn dienst voor gespecialiseerde hulpverlening aan de jeugd administratieve organen met een louter sociale bevoegdheid zijn, kon er, nog steeds met inachtneming van de rechten van de personen, geen sprake ervan zijn hem als dusdanig de bevoegdheid te verlenen om maatregelen op te leggen aan particulieren. Enkel de gerechtelijke overheid is gemachtigd om die bevoegdheid uit te oefenen, wegens de waarborgen die zij biedt wat de inachtneming van die rechten betreft. Zodra dat beginsel was aangenomen, diende het decreet, zoals de voormelde wet van 8 augustus 1988 toestaat, de bevoegdheden van de gerechtelijke overheden inzake gerechtelijke bescherming van de in gevaar verkerende jeugd af te bakenen. De bij het voorliggende decreet aangenomen oplossing is in die zin vernieuwend dat, hoewel de Franse Gemeenschap aan de jeugdrechtbank de bevoegdheid verleent om dwangmaatregelen te nemen, het de directeur, uit de sociale sector, is die ze uitvoert met de hulp van de dienst voor gerechtelijke bescherming. De auteurs van het decreet hebben geoordeeld dat het om de oplossing ging die de inachtneming van de rechten van de gebruikers het best waarborgde en tegelijkertijd de zo voorgestane dejudicialisering verzekerde […] » (ibid., p. 28). B.12.3. In verband met het « beginsel van dejudicialisering », dat het beleid inzake hulpverlening en jeugdbescherming in de Franse Gemeenschap krachtens artikel 1, 7°, van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming beheerst, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « Het beginsel van dejudicialisering blijft een fundamenteel beginsel van het optreden van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming en wordt opnieuw bevestigd in het voorliggende ontwerp […]. Dat beginsel is evenwel onlosmakelijk verbonden met het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheid van de rechterlijke macht inzake dwang. De Regering sluit zich in dat verband aan bij de filosofie die ten grondslag heeft gelegen aan de totstandkoming van het decreet van 4 maart 1991, die destijds als volgt was uiteengezet : 19 ‘ […] “ dejudicialisering ” moet worden begrepen als het resultaat van de wil van de Franse Gemeenschap om de situaties van jongeren die met sociale problemen worden geconfronteerd, ten laste te nemen. Daartoe dient de Gemeenschap zich de middelen en de structuren aan te reiken die noodzakelijk zijn om haar doelstellingen na te streven en dient zij te waken over de doeltreffendheid ervan : zulks zal de essentiële rol zijn van de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd, instelling van de Franse Gemeenschap, die, door toezicht te houden op de verschillende vormen van hulpverlening die reeds zijn ingevoerd voor jongeren en door ze te coördineren, zal instaan voor de goede werking ervan. […] […] “ dejudicialisering ” moet niet worden opgevat in termen van wantrouwen en nog minder in termen van verzet ten aanzien van de rechterlijke macht; zij strekt ertoe aan eenieder de opdrachten te verlenen die hem eigen zijn. In zoverre de ondervonden problemen van sociale aard zijn, is het logisch dat het de sociale instellingen zijn die optreden om ze op te lossen, en niet de rechterlijke macht. Maar zoals dat beginsel dient te worden bevestigd zolang de perken van het optreden van de sociale sector in acht kunnen worden genomen, en met name zolang de toestemming van de personen wordt verkregen, zo dient men strikt te zijn over de waarborgen die moeten worden geboden wanneer de maatschappij ertoe wordt gebracht dwangmaatregelen te overwegen ’ » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2016-2017, nr. 467/1, p. 15). B.12.4. Opgenomen in hoofdstuk 2 (« Bevoegdheid van de directeur betreffende de beschermingsmaatregelen »), bepaalt artikel 53 van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, waarnaar artikel 51 verwijst : « § 1. De directeur stelt de nadere regels vast ter uitvoering van de maatregel die door de jeugdrechtbank krachtens artikel 51 wordt genomen, en bepaalt, in voorkomend geval, de nadere uitvoeringsregels die door de rechtbank krachtens artikel 37 of artikel 52 worden vastgesteld. § 2. Hij beslist, binnen de door de Regering vast te stellen perken, over de uitgaven die kunnen worden gedaan met het oog op de bescherming die met toepassing van de artikelen 37, 51 en 52 wordt verleend. […] § 4. In het kader van de beschermingsmaatregelen die door de rechtbank worden beslist, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze, op grond van artikel 51, kan de directeur een of meer maatregelen nemen met de toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen. Hij kan eveneens een einde maken aan de maatregel of de maatregelen, met de toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen, indien hij vaststelt dat de gezondheid of de veiligheid van het kind niet meer ernstig wordt bedreigd. Indien hij de toestemming verkrijgt van de in artikel 23 bedoelde personen over de maatregel(
- en)die worden genomen door de rechtbank, over hun wijziging of hun einde, vraagt de directeur de homologatie van het na toestemming bereikte akkoord aan de rechtbank. 20 De homologatie van het na toestemming bereikte akkoord door de rechtbank maakt een einde aan de gevolgen van de rechterlijke beslissing. De rechtbank kan de homologatie alleen weigeren als het na toestemming bereikte akkoord in strijd is met de openbare orde. De directeur deelt het na toestemming gehomologeerde bereikte akkoord mee aan de adviseur, die, in voorkomend geval, het uitvoert. Als de maatregelen worden gecumuleerd, deelt de directeur het gehomologeerde akkoord aan de adviseur alleen mee als het [op] alle maatregelen betrekking heeft. […] ». B.13.1. Uit het voorgaande blijkt dat, hoewel de jeugdrechtbank als enige bevoegd is om een maatregel inzake tijdelijke huisvesting van een kind buiten zijn leefomgeving op te leggen bij wijze van jeugdbeschermingsmaatregel, de directeur voor jeugdbescherming belast is met de uitvoering van die maatregel. B.13.2. Het vaststellen van de modaliteiten betreffende het contact tussen het kind en zijn ouders bij de tijdelijke huisvesting van het kind buiten zijn leefomgeving valt, in de Franse Gemeenschap, onder de uitvoeringsbevoegdheid van de directeur (Cass., 28 april 2010, P.10.0409.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100428.2). B.14. De gemeenschappen hebben, krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de volheid van bevoegdheid tot het regelen van de jeugdbescherming in de ruimste zin van het woord, behalve voor de uitdrukkelijk erin vermelde uitzonderingen. In dat kader zijn de gemeenschappen bevoegd om materiële bevoegdheden toe te wijzen aan de jeugdrechtbanken. Daarenboven kunnen de gemeenschappen volledig vrij ervoor kiezen, teneinde de vooropgestelde doelstellingen te bereiken in een aangelegenheid die tot hun bevoegdheidssfeer behoort, een administratieve overheid in plaats van een gerechtelijke overheid bepaalde bevoegdheden te verlenen, evenwel met inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels en van de grondrechten. 21 B.15.1. De beleidskeuze van de Franse Gemeenschap om de uitvoering van een maatregel inzake tijdelijke huisvesting van een kind buiten zijn leefomgeving, opgelegd door de rechtbank op grond van artikel 51, eerste lid, 2°, van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, aan de directeur voor jeugdbescherming in plaats van aan de jeugdrechtbank toe te vertrouwen, bevoegdheid die het de directeur mogelijk maakt de modaliteiten betreffende het contact tussen de ouders en het kind tijdens de plaatsing vast te stellen, is geen onverantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven en is evenmin strijdig met het belang van het kind. B.15.2. De beslissingen die door de directeur voor jeugdbescherming zijn genomen in het kader van de uitvoering van de beslissingen van de jeugdrechtbank, kunnen het voorwerp van een toetsing door de jeugdrechtbank op grond van artikel 54 van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming uitmaken, met name op initiatief van de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen. B.15.3. Zoals in B.9.4 is vermeld, kan artikel 7 van de wet van 8 april 1965 worden toegepast door alle rechtscolleges van het land, met inbegrip van die welke ertoe worden gebracht het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming toe te passen, zodat de directeur voor jeugdbescherming niet over de exclusieve bevoegdheid beschikt om de modaliteiten van het contact tussen de ouders en het kind tijdens de gerechtelijke beschermingsmaatregel vast te stellen. In zoverre zij de jeugdrechtbank toestaat bepaalde maatregelen inzake het ouderlijk gezag uit te spreken in geval van samenhang met de bevolen beschermingsmaatregel, hetgeen kan inhouden dat de modaliteiten van het contact tussen de ouders en het kind dat het voorwerp van een tijdelijke huisvesting buiten zijn leefomgeving uitmaakt, worden vastgesteld, is de vermelde bepaling als dusdanig niet strijdig met het belang van het kind en maakt zij geen onverantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven uit. B.15.4. Bovendien zouden eventuele bevoegdheidsoverschrijdingen door directeurs voor jeugdbescherming, waarvan gewag wordt gemaakt in de verwijzingsbeslissing, voortvloeien uit de uitvoering van de in het geding zijnde wetsbepalingen, die aan de toetsing door het Hof ontsnapt en die niet tot gevolg heeft dat die bepalingen onbestaanbaar worden gemaakt met de in de prejudiciële vragen bedoelde referentienormen. 22 B.16. Voor het overige is een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die autonomie zou geen betekenis hebben, mocht een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de verschillende gemeenschappen en gewesten toepasselijk zijn, als zodanig geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.17. Bijgevolg zijn de artikelen 18, 19, 51 en 53 van het Wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming en artikel 7 van de wet van 8 april 1965 niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.18. Rekening houdend met het antwoord dat is gegeven op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, behoeft de derde prejudiciële vraag geen antwoord. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 18, 19, 51 en 53 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » schenden niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. - Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3 en 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 april 2021. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.068 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100428.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div