id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.069 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210506.2 Arrest- Rolnummer: 69/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-21 Raadplegingen: 346 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Sociale zekerheid - OCMW - Maatschappelijke dienstverlening - Niet-toekenning van maatschappelijke dienstverlening (andere dan dringende medische hulp) aan een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft en die ouder is van een kind dat getroffen is door een ernstige ziekte die het onmogelijk maakt om gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten Wettelijke bepalingen: Wet - 07-07-1976 - 57,§2,L1,1° - 01 Link Justel databank 19760707-01 Tekst van de beslissing Rolnummer 7189 Arrest nr. 69/2021 van 6 mei 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 17 mei 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 mei 2019, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11, 22 en 23 van de Grondwet, in zoverre het een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, ouder is van een meerderjarig kind met wie hij samenwoont en aan wie hij sedert verscheidene jaren zijn materiële en morele steun verleent wegens het feit dat het genoemde kind sinds zijn minderjarigheid is getroffen door een ernstige ziekte waarvan is erkend dat zij een absolute medische onmogelijkheid uitmaakt om gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten waarvan hun kennis is gegeven, […] ontzegt, terwijl de aanwezigheid van die ouder bij zijn kind door het medisch korps onontbeerlijk wordt geacht wegens de kwetsbaarheid die voortvloeit uit zijn gezondheidstoestand (recidiverende drepanocytaire crisissen en noodzaak van een chirurgische ingreep teneinde verlamming te vermijden) ?
- In geval van een ontkennend antwoord op de hierboven geformuleerde vraag : Schendt artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn artikel 22 van de Grondwet, geïnterpreteerd in de in het arrest Abdida in aanmerking genomen zin, - enerzijds, in het licht van de artikelen 7 en 12 [lees : 21] van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarvan het eerste aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven waarborgt en het tweede iedere discriminatie op grond van leeftijd verbiedt, - en, anderzijds, in het licht van de artikelen 5 en 13 van de richtlijn 2008/115/EG, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook in het licht van artikel 14, lid 1, b), van die richtlijn, in zoverre het een vreemdeling, onderdaan van een derde Staat, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en vader is van een minderjarig kind dat de leeftijd van de meerderjarigheid heeft bereikt tijdens de uitoefening van het beroep tot nietigverklaring en tot schorsing dat hij uit persoonlijke naam en als vertegenwoordiger van dat toen nog minderjarige kind heeft ingediend tegen een beslissing waarin hun het bevel werd gegeven het grondgebied van een lidstaat te verlaten, elke andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp ontzegt, terwijl, enerzijds, het genoemde, thans meerderjarige kind sinds zijn minderjarigheid is getroffen door een ernstige ziekte waarbij het door de uitvoering van die beslissing kan worden blootgesteld aan een ernstig risico dat de ziekte op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en terwijl, anderzijds, de aanwezigheid van die ouder bij dat meerderjarige kind door het medisch korps onontbeerlijk wordt geacht wegens diens kwetsbaarheid die voortvloeit uit zijn gezondheidstoestand (recidiverende drepanocytaire crisissen en noodzaak van een chirurgische ingreep teneinde verlamming te vermijden) ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Derriks, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 3 Bij beschikking van 12 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak in staat van wijzen is, - de Ministerraad uit te nodigen, in een uiterlijk op 14 december 2020 in te dienen aanvullende memorie, te antwoorden op de volgende vragen : « - Welke gevolgen leidt de Ministerraad af uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie C-402/19 van 30 september 2020 voor het antwoord dat het Hof wordt verzocht te geven op de twee prejudiciële vragen die door het Arbeidshof te Luik aan het Hof zijn gesteld ? - Wat is de huidige verblijfssituatie en sociale situatie van dhr. D. L.M. en van zijn dochter ? Het Hof zou in het bijzonder willen worden geïnformeerd over het eventuele bestaan van een nieuwe beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot hun verblijfsaanvraag, alsook over de vorm van maatschappelijke dienstverlening die dhr. D. L.M. en zijn dochter genieten, in het bijzonder ingevolge het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie », - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 16 december 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 16 december 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil D. L.M. is onderdaan van de Democratische Republiek Congo en vader van een dochter die lijdt aan een majeure drepanocytose, de nasleep van de ziekte van Pott, die gepaard gaat met een ernstige lumbale kyfose. Na hun aankomst op het Belgische grondgebied dient D. L.M. in augustus 2012 voor hem en zijn dochter een aanvraag tot verblijfsmachtiging in op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) wegens de gezondheidstoestand van zijn dochter. Op 6 maart 2013 verklaart de Dienst Vreemdelingenzaken die aanvraag ontvankelijk, ten gevolge waarvan aan D. L.M. maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend die gelijkwaardig is aan het leefloon dat aan gezinshoofden wordt toegewezen. De Dienst Vreemdelingenzaken neemt dan achtereenvolgens drie beslissingen aan tot verwerping van de aanvraag tot verblijfsmachtiging, beslissingen die vervolgens zullen worden ingetrokken, ten gevolge van de beroepen tot schorsing en tot vernietiging van die beslissingen die D. L.M. bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft ingediend. 4 Op 25 februari 2016 geeft de Dienst Vreemdelingenzaken aan D. L.M. kennis van een vierde beslissing tot weigering van verblijf, die gepaard gaat met een bevel om binnen een termijn van 30 dagen het grondgebied te verlaten. Op 25 maart 2016 dient D. L.M. tegen die beslissing een beroep tot schorsing en vernietiging in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Sinds 26 maart 2016 geniet D. L.M. niet langer het voordeel van de maatschappelijke dienstverlening. Enkel de dringende medische hulp wordt hem verleend. D. L.M. stelt bij de Arbeidsrechtbank te Luik een vordering in tegen de beslissing tot weigering van de maatschappelijke dienstverlening. Bij vonnis van 16 april 2018 erkent de Arbeidsrechtbank te Luik, enerzijds, de schorsende werking van het beroep tot schorsing en vernietiging dat hangende is bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en, anderzijds, kent zij aan D. L.M. maatschappelijke dienstverlening toe die gelijkwaardig is aan het leefloon dat wordt uitbetaald aan personen die met een minderjarig kind ten laste leven, en zulks vanaf 26 maart 2016 en tot de dag van de meerderjarigheid van zijn dochter, zijnde op 11 april
- Sinds haar meerderjarigheid ontvangt de dochter van D. L.M. maatschappelijke dienstverlening die gelijkwaardig is met het leefloon voor alleenstaanden. D. L.M. stelt hoger beroep in bij het Arbeidshof te Luik. In het kader van die beroepsprocedure houdt de verwijzende rechter, bij arrest van 17 mei 2019, de uitspraak aan om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen en, parallel daarmee, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen. Bij arrest nr. 227.370 van 11 oktober 2019 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing tot verwerping van de aanvraag tot verblijfsmachtiging. Bij arrest van 30 september 2020 doet het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak over de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- In antwoord op de beschikking van het Hof van 12 november 2020 preciseert de Ministerraad in zijn aanvullende memorie dat D. L.M. en zijn dochter op 4 mei 2020 een toelating tot definitief verblijf hebben ontvangen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december
- Daarenboven zou de POD Maatschappelijke Integratie « de door het OCMW van Seraing in de loop van het jaar 2020 aan [D. L.M.] en zijn dochter toegekende financiële steun ten belope van de [in de aanvullende memorie vermelde] bedragen, die overeenstemmen met een financiële steun die gelijkwaardig is aan het leefloon voor samenwonenden, hebben terugbetaald ». A.
- De Ministerraad betoogt vervolgens dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie C-402/19 van 30 september 2020 niet ingaat tegen het door hem in zijn memorie verdedigde standpunt. Meer bepaald is de omstandigheid dat de basisbehoeften van een illegaal verblijvende vreemdeling die de ouder is van een illegaal verblijvend meerderjarig kind dat ernstig ziek is, behoeften waarin die vreemdeling niet zelf kan voorzien, ten laste worden genomen in het kader van de rechtstreeks aan het kind toegekende sociale bijstand, hoewel het kind een leefloon voor alleenstaanden en niet voor samenwonenden geniet, conform de door het Hof van Justitie afgeleide beginselen. Er wordt dus geen afbreuk gedaan aan het gezinsleven van de ouder en het kind, waarmee trouwens rekening wordt gehouden in het bedrag van de aan het kind toegekende sociale bijstand. 5 A.3.
- Ten aanzien van de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie C-402/19 van 30 september 2020 op het antwoord dat op de tweede prejudiciële vraag dient te worden gegeven, preciseert de Ministerraad dat de excepties van niet-ontvankelijkheid die hij had opgeworpen, zijn vervallen. A.3.
- Ten gronde is de Ministerraad van mening dat het voormelde arrest geen weerslag heeft op het feit dat het Hof de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te beantwoorden. De omstandigheid dat de toekenning van de sociale bijstand niet wordt gewaarborgd aan de ouder van een ernstig zieke meerderjarige vreemdeling in het kader van de uitoefening van gewone rechtsmiddelen, namelijk de beroepen tot nietigverklaring en de beroepen tot schorsing, die kunnen worden ingesteld tegen de terugkeermaatregelen die ten aanzien van de vreemdelingen worden genomen, is in overeenstemming met het voormelde arrest C-402/
- Dat arrest brengt immers in herinnering dat het beroep dat is gericht tegen een terugkeerbesluit slechts schorsende werking dient te hebben indien de uitvoering van een dergelijke beslissing het kind kan blootstellen aan een reëel risico op behandelingen die worden afgekeurd bij artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarenboven dient de ouder van het kind het voordeel te kunnen genieten van een van rechtswege schorsend beroep tegen een terugkeermaatregel die op hem betrekking heeft, indien zijn kind volledig van hem afhankelijk is. In dat geval, en nog steeds volgens de Europese rechter, dienen de basisbehoeften van de ouder ten laste te worden genomen gedurende de behandeling van die beroepen. In het intern recht is het de bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, in voorkomend geval vergezeld van een vordering tot voorlopige maatregelen, die een van rechtswege schorsende werking heeft. Dat beroep staat open zowel voor het kind ten aanzien van wie een maatregel wordt genomen waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, als voor de ouder waarvan het volledig afhankelijk is. De basisbehoeften van die ouder dienen enkel ten laste te worden genomen gedurende de behandeling van die beroepen met schorsende werking. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord in zoverre daarbij een interpretatie wordt beoogd van de in het geding zijnde bepaling met betrekking tot de bijstand die dient te worden verleend gedurende de uitoefening van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing. Te dezen, echter, hebben noch D. L.M., noch zijn dochter beroepen ingesteld die een van rechtswege schorsende werking hebben. Zij bevinden zich dus niet in de in het arrest C-402/19 beoogde situatie. -B- B.1.
- Aan het Hof worden twee prejudiciële vragen gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijke welzijn, met de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, gelezen in het licht van de artikelen 7, 12, 19, § 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de artikelen 5, 13 en 14, § 1, b), van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven ». Het voormelde artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, bepaalt : 6 « In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft ». B.1.
- Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de voormelde referentienormen, in zoverre zij elke andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp ontzegt aan een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft en die de ouder is van een meerderjarig kind met wie hij samenwoont en dat volledig van hem afhankelijk is wegens een ernstige ziekte waaraan dat kind lijdt en die het onmogelijk maakt om gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat op hen betrekking heeft. Met de tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de voormelde referentienormen, in zoverre zij elke andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp ontzegt aan een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft en die de ouder is van een kind dat getroffen is door een ernstige ziekte die het onmogelijk maakt om gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten waarvan hun kennis is gegeven, dat volledig afhankelijk is van zijn ouder en dat meerderjarig is geworden gedurende de behandeling van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing die werden ingesteld tegen dat bevel om het grondgebied te verlaten. B.
- Gelijktijdig met die prejudiciële vragen aan het Hof heeft de verwijzende rechter een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij zijn arrest van 30 september 2020 in zake LM t. Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Seraing (C-402/19), oordeelde het Hof van Justitie : « De artikelen 5, 13 en 14 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in het licht van artikel 7, artikel 19, lid 2, en de artikelen 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat er in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander, wanneer : 7 - deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit; - het meerderjarige kind van deze derdelander aan een ernstige ziekte lijdt; - de aanwezigheid van die derdelander bij dit meerderjarige kind onmisbaar is; - er namens dat meerderjarige kind beroep is ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, en - die derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien ». B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken op 25 februari 2016 aan D. L.M., appellant voor de verwijzende rechter, kennis heeft gegeven van de beslissing van 9 februari 2016 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf die hij voor hemzelf en zijn dochter had ingediend werd geweigerd op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », nadat die aanvraag op 6 maart 2013 ontvankelijk werd verklaard. De kennisgeving ging gepaard met een bevel om binnen een termijn van 30 dagen het grondgebied te verlaten. Het OCMW van Seraing is ervan uitgegaan dat D. L.M. na het verstrijken van die termijn, op 26 maart 2016, illegaal in het Rijk verbleef, en dat hem daardoor, overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling, geen andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp kon worden verleend. B.
- Bij vonnis van 16 april 2018 heeft de Arbeidsrechtbank te Luik het OCMW van Seraing ertoe veroordeeld aan D. L.M. maatschappelijke dienstverlening toe te kennen die gelijkwaardig is aan het leefloon van een persoon die leeft met een minderjarig kind ten laste, vanaf 26 maart 2016 en tot de dag van de meerderjarigheid van de dochter van D. L.M., te weten op 11 april
- De Arbeidsrechtbank verwees daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 in zake Abdida (C‑562/13). D. L.M. heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, voor zover de gevorderde maatschappelijke dienstverlening hem niet werd toegekend vanaf 11 april 2017, zijnde de dag van de meerderjarigheid van zijn dochter. 8 B.
- Bij zijn arrest nr. 227.370 van 11 oktober 2019 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in B.3 vermelde beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 9 februari 2016 vernietigd. Door de terugwerkende kracht van dat arrest werd D. L.M., wat zijn verblijfsstatuut betreft, dan ook teruggeplaatst in de situatie van vóór de weigeringsbeslissing van 9 februari 2016, waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag om machtiging tot verblijf ontvankelijk had verklaard zonder evenwel daarover een definitieve beslissing te nemen, zodat D. L.M. aldus – zolang zijn aanvraag hangende was – moest worden beschouwd legaal in het Rijk te verblijven. Volgens de informatie die de Ministerraad op verzoek van het Hof heeft verstrekt, hebben D. L.M. en zijn dochter op 4 mei 2020 een definitief verblijfsrecht verkregen, en werd hen op 23 juni 2020 een verblijfskaart B afgeleverd. Het blijkt dus niet dat D. L.M. illegaal in het Rijk heeft verbleven gedurende de periode die verstreken is sinds 11 april 2017, waarvoor hij maatschappelijke dienstverlening eist in het bodemgeschil. B.
- In die omstandigheden blijkt niet dat de in het geding zijnde bepaling, die de maatschappelijke dienstverlening beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp ten aanzien van « een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft », nog van toepassing kan zijn op het bodemgeschil, noch dat het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen nog nuttig is voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter. B.
- De zaak dient te worden teruggezonden naar de verwijzende rechter, opdat hij nagaat of de prejudiciële vragen, gelet op hetgeen is vermeld in B.5 en B.6, nog een antwoord behoeven. 9 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div