← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.074

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 mei 2021 ECLI nr: EC

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 en 62bis, opnieuw één van deze overtredingen begaat. Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, twee van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 6 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

8 Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, drie of meer van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 9 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

Die bepaling is in werking getreden op 1 januari 2015 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen », gewijzigd bij artikel 1 van een koninklijk besluit van 21 juli 2014). B.2.2.

  1. In de memorie van toelichting bij de wet van 9 maart 2014 wordt vermeld : « Daarnaast wordt recidive van de zwaarste overtredingen zwaarder bestraft. Sedert de wetswijziging van 2 december 2011 is er reeds sprake van recidive voor de combinatie rijden onder invloed van alcohol, dronkenschap en rijden onder invloed van drugs. Nu komt daar vluchtmisdrijf, rijden zonder rijbewijs, overtredingen van de vierde graad, de zwaarste snelheidsovertredingen en het gebruik van de radardetector bij. Wanneer men veroordeeld wordt voor één van deze overtredingen en men één van deze overtredingen opnieuw begaat binnen een periode van drie jaar, zal de rechter een verplicht verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig moeten uitspreken, naast het verplicht opleggen van het theoretisch en praktisch examen en het geneeskundig en psychologisch onderzoek. De duur van het verplicht verval varieert in functie van de ‘ mate ’ van recidive » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2880/001, p. 4). B.2.3.
  2. Bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » (hierna : de wet van 6 maart 2018) wordt artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 vervangen door de volgende bepaling : « De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen. Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht 9 tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

B.2.3.

  1. In de bespreking met betrekking tot die bepaling wordt uiteengezet : « De formulering van paragraaf 6 werd licht aangepast om interpretatieproblemen uit te sluiten; het principe van enkelvoudige recidive geldt in geval er een nieuwe veroordeling is binnen de drie jaar na een eerste definitieve veroordeling. Er is enkel sprake van dubbele recidive indien de rechter opnieuw veroordeelt nadat er reeds twee definitieve veroordelingen zijn. Voordat er sprake kan zijn van een [tripele] recidive zijn drie eerdere veroordelingen vereist. Het is dus niet het aantal nieuwe overtredingen dat in aanmerking moet worden genomen om het soort recidive te bepalen (enkelvoudig, dubbelvoudig, dan wel drievoudig), maar wel het aantal voorafgaande definitieve veroordelingen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 25). B.2.
  2. Artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, die in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2018 is bekendgemaakt, bepaalt : « Deze wet treedt in werking op 15 februari 2018, met uitzondering van de artikelen 10, 14, 16 en 20, en artikel 25, 2°, die in werking treden op 1 juli 2018 ». B.2.5.
  3. Bij artikel 2 van de wet van 2 september 2018 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft » (hierna : de wet van 2 september 2018) wordt de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 vervangen door de volgende bepaling : « De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier

§ 3

, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de 10 uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt. In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid.

In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid of dit lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier

§ 3, eerste lid ».

Aangezien zij in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2018 is bekendgemaakt, is die derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 in werking getreden op de tiende dag vanaf de dag van de bekendmaking ervan, zijnde op 12 oktober 2018, krachtens artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 « betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen ». Het gaat om de in het geding zijnde bepaling. B.2.5.

  1. In de parlementaire voorbereiding van het amendement dat aan de oorsprong ligt van artikel 2 van de wet van 2 september 2018 wordt uiteengezet : « Paragraaf 6 van artikel 38 handelt over de ‘ gekruiste ’ recidive : het herhaald plegen van de zwaarste overtredingen (zonder dat dit steeds dezelfde overtreding moet zijn) wordt strenger bestraft. Artikel 38, § 6, gaf in de rechtsleer en de rechtspraak aanleiding tot tal van interpretatieproblemen, en daaraan wou de wet van 6 maart 2018 verhelpen, ondanks eerdere duidelijke rechtspraak van het Hof van Cassatie. Om toepassing te kunnen maken van artikel 38, § 6, WPW is het niet meer het aantal nieuwe overtredingen dat in aanmerking moet worden genomen, maar wel de eerdere definitieve veroordeling voor een van de verkeersmisdrijven opgenomen in artikel 38, § 6, WPW voor de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid 1, WPW. Bij een of meerdere vroegere definitieve veroordelingen waarin toepassing werd gemaakt van artikel 38, § 6, zal dan toepassing worden gemaakt van artikel 38, § 6, eerste, tweede of derde lid WPW, al naargelang de concrete situatie. 11 Wat in de nieuwe wet echter onduidelijkheid veroorzaakt, is het feit dat de wet thans als vereiste stelt dat de schuldige binnen drie jaar opnieuw moet worden veroordeeld voor een van de feiten omschreven in artikel 38, §
  2. Bij herhalingsregels wordt echter in principe de datum van het plegen van het nieuwe misdrijf in aanmerking [genomen]. Dit is logisch, aangezien de datum waarop het nieuwe verkeersmisdrijf werd gepleegd, duidelijk bepaalbaar is. De datum waarop de veroordeling voor het nieuwe verkeersmisdrijf, dat aanleiding geeft tot toepassing van de herhalingsregeling, wordt uitgesproken, is moeilijk, zo niet onmogelijk bepaalbaar. Allicht zal de tekst van artikel 38, § 6, sommigen er toe aanzetten allerlei middelen aan te wenden om de datum van veroordeling te proberen uit te stellen, om te ontsnappen aan de toepassing van de herhalingsregeling. Vandaar dat dit amendement nu niet spreekt over veroordelingen, maar over het begaan van overtredingen. In die zin leunt het amendement nauwer aan bij de al bestaande herhalingsregeling van artikel 36 van de wegverkeerswet en bij het gemeenrecht » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-1820/004, p. 3). Ook wordt uitgelegd dat sinds de inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 « niet meer het aantal nieuwe overtredingen in aanmerking [worden] genomen, maar wel de [eerdere] definitieve veroordelingen. Wat voor meer duidelijkheid moest zorgen, deed dat in de praktijk niet. Advocaten gebruikten de verwarring vaak om veroordeling van hun cliënt te ontlopen. Daarom maakt dit amendement duidelijker dat de herhalingstermijn loopt van de definitieve veroordeling van een eerder misdrijf, tot de datum van het plegen van een nieuw misdrijf » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-1820/005, p. 3). B.2.
  3. Artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 werd ten slotte nog gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 8 mei 2019 « tot wijziging van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer en tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering », maar die wijziging heeft geen invloed op de onderhavige zaak. Ten gronde B.3.
  4. De prejudiciële vragen betreffen de in B.2.5 aangehaalde derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, die, zoals uit het voorgaande volgt, in werking is getreden op 12 oktober
  5. B.3.
  6. Volgens die versie en volgens de eerste versie van artikel 38, § 6, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een 12 motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de desbetreffende examens en onderzoeken, wanneer de betrokkene, in de voormelde periode van drie jaar, één van de in die bepaling opgesomde artikelen opnieuw overtreedt. Volgens de tweede versie van artikel 38, § 6, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier

paragraaf 3, eerste lid, van dat artikel, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de in die bepaling opgesomde artikelen, « opnieuw wordt veroordeeld » voor één van die overtredingen. Die versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 is niet meer van kracht sedert 12 oktober 2018. B.3.3.1. Volgens de letterlijke lezing van de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, welke die is van de verwijzende rechter, is het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van herhaling aldus afhankelijk van het tijdstip waarop de beklaagde opnieuw wordt veroordeeld, terwijl het antwoord op die vraag volgens de eerste en de derde versie van dat artikel afhankelijk is van het tijdstip waarop een nieuwe overtreding wordt begaan. B.3.3.2. Volgens een interpretatie van de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, die blijkt uit de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie, is er echter sprake van herhaling wanneer de nieuwe overtreding wordt begaan in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan (Cass., 30 januari 2019, P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8; 3 april 2019, P.18.1224.F; 9 april 2019, P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4). B.4.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, zoals zij voortvloeit uit artikel 2 van de wet van 2 september 2018, met de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de in het geding zijnde bepaling een discriminatie zou doen ontstaan tussen de personen die nieuwe 13 overtredingen hebben begaan vóór de inwerkingtreding van de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968, naargelang zij worden berecht in de periode tijdens welke de tweede versie dan wel de derde versie van die bepaling van toepassing was. In het eerste geval zouden de beklaagden het voordeel kunnen genieten van de regeling inzake herhaling die wordt beoordeeld rekening houdend met de datum van de nieuwe veroordeling, terwijl, in het tweede geval, de staat van herhaling van de beklaagden zou worden beoordeeld rekening houdend met de datum van de nieuwe overtreding (eerste prejudiciële vraag). B.4.2. Het Hof wordt ook verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de in het geding zijnde bepaling uitwerking zou hebben vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 waarbij de tweede versie werd ingevoerd, aangezien op de beklaagden sancties zouden worden toegepast in gevallen waarin bij de wet niet was voorzien op het ogenblik waarop de feiten werden gepleegd (tweede prejudiciële vraag). B.4.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de beklaagde voor de verwijzende rechter de in het geding zijnde overtredingen heeft begaan in de periode tijdens welke de eerste versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.5.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». B.5.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. 14 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.5.3. In zoverre het bij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel, zoals is vermeld in B.5.2, beoogt diegene die een gedrag aanneemt, in staat te stellen om vooraf op afdoende wijze in te schatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn, hangt dat beginsel nauw samen met het wettigheidsbeginsel, gewaarborgd bij artikel 14 van de Grondwet, dat bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». B.6.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de 15 gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.6.2.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ‘s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden. 2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. 3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten :

  1. a)onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
  2. b)te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
  3. c)zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist;
  4. d)de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
  5. e)zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt ». B.6.2.2. Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten 16 geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». B.6.3. Uit de voormelde verdragsbepalingen vloeit onder meer voort dat de beklaagde van een misdrijf niet kan worden onderworpen aan een zwaardere straf dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was en dat, indien de wetgever nadien de voor dat misdrijf vastgelegde straf heeft verminderd, de rechter ertoe gehouden is de lichtste straf uit te spreken. Die bepalingen hebben aldus een gelijksoortige draagwijdte als artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, dat bepaalt : « Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast ». B.7. De feiten die de beklaagde voor de verwijzende rechter ten laste worden gelegd, werden gepleegd op 4 februari 2017, ogenblik waarop de eerste versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was. De Politierechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, heeft hem voor die feiten veroordeeld op 6 september 2018, dat wil zeggen in de periode tijdens welke de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was. De verwijzende rechter dient zich in hoger beroep over de ten laste gelegde feiten uit te spreken na de inwerkingtreding van het in B.2.5 vermelde artikel 2 van de wet van 2 september 2018, dat de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 bevat. B.8.1. Met betrekking tot de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : 17 « Uit de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 6 maart 2018 blijkt de bedoeling van de wetgever om, eensdeels, aan de lijst van overtredingen een nieuwe overtreding toe te voegen, namelijk de inbreuk op artikel 22 [van de wet van 21 november 1989 ‘ betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ’], en, anderdeels, de uitzondering te schrappen ingeval de rechter artikel 37/1 Wegverkeerswet toepast. Ook blijkt dat de wetgever het nodig vond om de formulering van de bepaling licht aan te passen teneinde toepassingsproblemen te vermijden en aldus besliste dat niet het aantal overtredingen in aanmerking diende te worden genomen om de aard van de strafverzwaring (enkelvoudig, dubbel, driedubbel) te bepalen, maar wel het aantal voorafgaande veroordelingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 2 september 2018 blijkt expliciet dat de wetgever een nieuwe aanpassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet nodig achtte omdat de voorgaande wijziging had geleid tot een gebrek aan duidelijkheid door als tweede voorwaarde voor de toestand van strafverzwaring een nieuwe veroordeling te eisen en niet het begaan van een nieuwe overtreding. Uit het geheel van de vermelde parlementaire voorbereidingen volgt dat de wetgever niet de bedoeling had om het aannemen van de toestand van strafverzwaring afhankelijk te maken van een veroordelend vonnis wegens een van de vermelde overtredingen dat niet ouder is dan drie jaar. Er blijkt dus geen gewijzigd inzicht van de wetgever voor wat betreft de voorwaarden voor strafverzwaring » (Cass., 9 april 2019, P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4. In vergelijkbare zin : Cass., 30 januari 2019, P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8; 3 april 2019, P.18.1224.F). B.8.2. De in de aangehaalde arresten van het Hof van Cassatie vervatte rechtspraak had betrekking op de veroordeling van een beklaagde op het ogenblik dat de tweede, dan wel de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was, voor nieuwe feiten gepleegd in de periode waarin de eerste versie van dat artikel van toepassing was. B.8.3. Met betrekking tot het recht op de toepassing van de meest gunstige strafbepaling, zoals gewaarborgd bij artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, heeft het Hof van Cassatie bij zijn arresten van 30 januari 2019 en 3 april 2019 geoordeeld dat de beklaagde zich niet retroactief kan beroepen op de wet die lijkt te voorzien in een gunstigere regeling, wanneer de wijziging van de voorwaarden voor het vaststellen van de herhaling het gevolg is van een vergissing in de formulering van de wettekst, die de wetgever nadien heeft rechtgezet (Cass., 30 januari 2019, P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8; 3 april 2019, P.18.1224.F). 18 In soortgelijke zin heeft het Hof van Cassatie bij zijn arrest van 9 april 2019, dat betrekking had op de veroordeling van een beklaagde op het ogenblik dat de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was voor feiten gepleegd op het ogenblik dat de eerste versie van dat artikel van toepassing was, geoordeeld dat « een beklaagde […] enkel retroactief aanspraak [kan] maken op het gunstiger regime van de tussenliggende wet, wanneer uit de gewijzigde regelgeving blijkt dat zij het resultaat is van een gewijzigd inzicht van de wetgever over de voorwaarden voor strafverzwaring » (Cass., 9 april 2019, P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4). Uit de parlementaire voorbereiding van de wetten van 6 maart 2018 en van 2 september 2018 heeft het Hof van Cassatie in de drie voormelde arresten vervolgens afgeleid dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad de enkelvoudige herhaling afhankelijk te maken van het tijdstip waarop de beklaagde opnieuw wordt veroordeeld, zodat er « geen gewijzigd inzicht van de wetgever [blijkt] voor wat betreft de voorwaarden voor strafverzwaring ». B.9. De feiten die aan de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie ten grondslag liggen, zijn soortgelijk aan die welke ten grondslag liggen aan de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, in die zin dat de personen die, in de periode waarin de eerste versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was, feiten hebben gepleegd waarop die versie van dat artikel kon worden toegepast, op het ogenblik van het plegen van die feiten niet op basis van de bewoordingen van die versie van dat artikel ervan konden uitgaan dat de vaststelling van de herhaling afhankelijk is van het tijdstip van de veroordeling voor de nieuw gepleegde feiten. Daaruit vloeit voort dat de beklaagde die, bij een vonnis dat op 4 oktober 2016 is uitgesproken en in kracht van gewijsde is gegaan, wegens een van de in dat artikel bedoelde misdrijven is veroordeeld en die op 4 februari 2017 een in dat artikel bedoeld nieuw misdrijf pleegt, vervallen moet worden verklaard van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode van ten minste drie maanden, zelfs indien hij meer dan drie jaar na het vorige vonnis voor die feiten wordt berecht. Uit de in B.8.3 aangehaalde rechtspraak vloeit immers voort dat een beklaagde zich in dergelijke omstandigheden niet kan beroepen op de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968. 19 De in B.4.1 vermelde categorieën van beklaagden worden dus niet verschillend behandeld. B.10. Aangezien de eerste prejudiciële vraag gebaseerd is op een verkeerd uitgangspunt, is het antwoord op die vraag kennelijk niet nuttig voor de oplossing van dat geschil. B.11. De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. B.12.1. Aangezien de feiten waarvoor de beklaagde voor de verwijzende rechter wordt berecht, gepleegd zijn in de periode waarin de eerste versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was, kon hij op het ogenblik van het plegen van die feiten en op basis van de bewoordingen van die versie van dat artikel niet ervan uitgaan dat de vaststelling van de herhaling afhankelijk is van het tijdstip van de veroordeling voor de nieuw gepleegde feiten. De in het geding zijnde bepaling doet dus geen afbreuk aan de rechtszekerheid. B.12.2. Bovendien, aangezien de tweede versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 op dezelfde wijze dient te worden geïnterpreteerd als de eerste en de derde versie van dat artikel, ten aanzien van nieuwe overtredingen begaan in de periode waarin de eerste versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968 van toepassing was, kan de straf bepaald bij die tweede versie niet als minder zwaar worden beschouwd dan die welke is bepaald bij de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet van 16 maart 1968. Daaruit volgt dat de derde versie van artikel 38, § 6, van de wet 16 maart 1968, zoals ingevoegd in de in het geding zijnde bepaling, de tweede versie daarvan niet retroactief heeft gewijzigd wat de voorwaarden voor de strafverzwaring betreft. B.13. De tweede prejudiciële vraag is gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt zodat het antwoord op die vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van dat geschil. B.14. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Beide prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 mei 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.074 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.