← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.088

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 juni 2021 ECLI nr: E

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 », ingesteld door Jens Hermans

anderen. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Vlaamse Gemeenschap - Preventief gezondheidsbeleid -

  1. Verplichting tot afzondering - Vrijheidsberoving / Vrijheidsbeperking -
  2. Contactonderzoek - Verwerking van persoonsgegevens. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-12-2020 - 04 ELI link Pub nr 2020016501 Tekst van de beslissing Rolnummer 7494 Arrest nr. 88/2021 van 10 juni 2021 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 », ingesteld door Jens Hermans

anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen

F. Daoût,

de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache

T. Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 januari 2021 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 14 januari 2021, is een vordering tot schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2020) ingesteld door Jens Hermans, Karin Verelst

C.U., bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. J. De Groote, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet, alsook de vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 10 juli 2020 « tot wijziging van artikel 47

81 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid ». Bij beschikking van 27 januari 2021 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 3 maart 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 22 februari 2021 in te dienen

een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Vlaamse Regering, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. B. Martel

Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 3 maart 2021 : - zijn verschenen : . Karin Verelst, in eigen persoon,

Mr. J. De Groote, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert

Mr. A. Van de Meulebroucke, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey

T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

de omvang van de vordering tot schorsing A.1.1. De Vlaamse Regering merkt allereerst in het licht van het ondergeschikte karakter van de vordering tot schorsing op dat het beroep tot vernietiging gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan grieven. Zij betoogt dat uit het verzoekschrift blijkt dat noch de integrale vernietiging, noch de integrale schorsing van het decreet van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 18 december 2020) wordt gevorderd. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen

kel grieven uiten tegen artikel 2 van het decreet van 18 december 2020, dat een regeling bevat inzake de gegevensverwerking in het kader van de handhaving van de verplichte tijdelijke afzondering, tegen artikel 4 van hetzelfde decreet, in zoverre het een verplichte melding om een test te ondergaan

een verplichte « zelfquarantaine » instelt voor personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest of die een verhoogd risico op COVID-19 hebben,

tegen artikel 9 van hetzelfde decreet, dat een regeling bevat inzake de verwerking van persoonsgegevens naar aanleiding van het contactonderzoek. Zij is dan ook van oordeel dat het beroep tot vernietiging

dus ook de vordering tot schorsing

kel ontvankelijk zijn in zoverre zij tegen voormelde (onderdelen van) bepalingen van het decreet van 18 december 2020 zijn gericht. Omgekeerd zijn het beroep

de vordering tot schorsing niet ontvankelijk indien daarmee eveneens de vernietiging of de schorsing van andere (onderdelen van) bepalingen wordt beoogd. De Vlaamse Regering stelt dat de omvang van de vordering tot schorsing dan ook tot die (onderdelen van) bepalingen is beperkt. A.1.

  1. De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat het beroep tot vernietiging gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen, zoals nochtans wordt vereist door artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Zij verwijst daarvoor naar haar verweer bij de respectieve middelen. Ten aanzien van de ernst van de middelen Ten aanzien van het eerste middel A.
  2. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 187 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de in de overige middelen aangehaalde grondrechten, door het decreet van 18 december
  3. A.3.
  4. De verzoekende partijen zetten allereerst uiteen dat artikel 187 van de Grondwet an sich alle individuele vrijheden

rechten waarborgt

vrijwaart zodat een aanslag op die grondwetsbepaling, ook een aantasting van een afzonderlijk individueel recht of individuele vrijheid impliceert, hetgeen er volgens hen toe leidt dat artikel 187 van de Grondwet onder de toetsingsbevoegdheid van het Hof ressorteert. Zij stellen vervolgens dat artikel 187 van de Grondwet dermate streng is dat een noodtoestand als grondwettelijk uitzonderingskader niet op een rechtsgeldige manier kan worden aangevoerd. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 62/2016 van 28 april 2016 betogen de verzoekende partijen dat artikel 187 van de Grondwet zich verzet tegen het geven van een algemene vrijbrief inzake grondwettelijke rechten aan de decreetgever

dat het Hof die rechtspraak dient door te trekken. A.3.2. Zij betogen dat de bestreden bepalingen door hun algemeenheid een algemene opschorting van de grondwettelijke rechten

vrijheden inhouden

derhalve een schending van artikel 187 van de Grondwet met zich meebrengen. Zij wijzen erop dat soortgelijke maatregelen in het buitenland

kel kunnen worden genomen na afkondiging van een vorm van noodtoestand zodat er sprake is van opschortingen

niet van proportionele beperkingen van grondrechten. Volgens hen strekken de bepalingen van het decreet van 18 december 2020 ertoe op algemene

automatische wijze vrijheidsberovende maatregelen te kunnen nemen ten aanzien van grote delen van de bevolking op basis van abstracte criteria zonder een concrete afweging,

zonder dat door de betrokkenen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Zij wijzen er in het bijzonder op dat de bestreden bepalingen toelaten dat de uitvoerende macht eenzijdig kan stellen wat een « verhoogd risico » of een « risicogebied » inhoudt zodat zij er de facto op neerkomen dat de uitvoerende macht de « sanitaire » noodtoestand willekeurig kan uitroepen. 4 A.3.3. Zij zijn van oordeel dat uit de uiteenzetting van de overige middelen blijkt dat de combinatie van artikel 187 van de Grondwet met de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 22

23 van de Grondwet, de artikelen 3, 5, 6, 7, 8, 9

13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8, 10

47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 7, 9, 15

17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten

de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de Algemene Verordening Gegevensbescherming) leidt tot een schending van het verbod op de noodtoestand. A.4.

  1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk is daar het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks aan artikel 187 van de Grondwet te toetsen. Die grondwetsbepaling zit volgens haar ook niet impliciet vervat in artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Noch de Grondwetgever, noch de bijzondere wetgever hadden volgens haar voor ogen dat het Hof rechtstreeks aan artikel 187 van de Grondwet zou kunnen toetsen. A.4.
  2. De Vlaamse Regering is daarnaast van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre daarin de schending van de rechten van titel II van de Grondwet wordt aangevoerd daar die bepalingen louter formeel worden aangevoerd zonder dat concreet wordt uiteengezet waarom ze zouden zijn geschonden. Evenmin wordt uiteengezet waarom artikel 187 van de Grondwet zou zijn geschonden in samenhang gelezen met die referentienormen. In zoverre het eerste middel in dat opzicht toch zou worden toegelicht in de overige middelen waar de verzoekende partijen naar verwijzen, merkt de Vlaamse Regering op dat het eerste middel geen toegevoegde waarde heeft. A.4.
  3. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat het eerste middel niet ernstig is. Zij betoogt dat de redenering dat er sprake zou zijn van een opschorting van de grondwettelijke vrijheden geen hout snijdt. Artikel 187 van de Grondwet is zeer duidelijk

bepaalt dat de Grondwet niet kan worden geschorst. Uit niets blijkt dat het bestreden decreet zou beogen een « noodtoestand » uit te roepen. Het gegeven dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met een aantal van de dringende

dwingende maatregelen die in het kader van de bestrijding van de gezondheidscrisis veroorzaakt door de COVID-19 pandemie, door de federale

deelstatelijke overheden worden genomen, betekent immers niet dat hun rechten

vrijheden integraal zouden zijn opgeschort, laat staan dat dit het gevolg zou zijn van de bestreden bepalingen. De Vlaamse Regering merkt in dat verband op dat er een wezenlijk verschil is tussen het schorsen van (delen van) de Grondwet

het beperken van bepaalde grondrechten die door de Grondwet zijn gewaarborgd. Een schorsing van de Grondwet in de zin van artikel 187 van de Grondwet impliceert dat bepaalde grondrechten,

in het bijzonder de rechterlijke controle op die grondrechten, tijdelijk buiten werking worden gesteld. Het feit dat de verzoekende partijen een schorsings-

vernietigingsberoep kunnen instellen tegen de bestreden bepalingen toont aan dat er geen sprake is van een opschorting van grondrechten. Voor de goede orde merkt de Vlaamse Regering nog op dat het praktijkgeval waarnaar de derde verzoekende partij verwijst niet tot een andere conclusie leidt. Volgens de Vlaamse Regering werd immers verkeerdelijk een verzoekschrift neergelegd bij het in artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 21 november 2003) vermelde beroepscollege. Aangezien de rechtsfiguur van de noodtoestand niet bestaat

de Grondwet niet kan worden geschorst, dienen de bestreden maatregelen te worden beoordeeld vanuit het klassieke toetsingskader inzake de beperking van grondrechten. Voor het overige verwijst de Vlaamse Regering naar haar verweer in het kader van de andere middelen. Ten aanzien van het tweede middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13

23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 5, 6

13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 6, 7

47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten, door het decreet van 18 december

  1. A.5.
  2. De verzoekende partijen betogen dat artikel 3 van het decreet van 18 december 2020 voorziet in een automatische zelfquarantaineplicht (artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003)

de opvolging ervan. 5 Zij stellen dat wie de voormelde zelfquarantaine niet naleeft op zich reeds een misdrijf begaat (artikel 5 van het decreet van 18 december 2020), dat kan leiden tot ofwel onmiddellijke strafvervolging, al dan niet gekoppeld aan een voorlopige hechtenis, ofwel een oneigenlijke voorlopige hechtenis op grond van een verplichte afzondering op bevel van een ambtenaar-arts. Volgens hen is er in het tweede geval sprake van een « aanhouding » omdat er een vermoeden bestaat dat de burger het misdrijf heeft gepleegd (niet-naleven van de zelfquarantaine) of omdat het noodzakelijk is te beletten een misdrijf te plegen (niet-naleven van de zelfquarantaine). Zij zijn van oordeel dat te dezen artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is zonder dat in een mogelijkheid is voorzien om de betrokkene voor een rechter te brengen. Ook de betrokkene die het niet eens is met de toepassing van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 op zijn persoon, beschikt niet over een rechtsmiddel. Zij merken op dat artikel 81 van het decreet van 21 november 2003 weliswaar in een beroepsprocedure voorziet, maar die procedure kan niet worden gericht tegen de maatregelen, vermeld in artikel 47/1. Zij voegen er nog aan toe dat artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorschrijft dat diegene die van zijn vrijheid wordt beroofd de redenen daarvoor dient te kennen. Zij betogen dat artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 niet in een motiveringsplicht voorziet. Zij zijn dan ook van oordeel dat de decretale zelfquarantaineplicht zonder dat voor de betrokkene

ig rechtsmiddel beschikbaar is om zich te verzetten tegen een (al dan niet automatische) notificatie of kwalificatie als persoon die onder de in artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 vermelde categorieën van personen valt, de in het middel aangehaalde referentienormen schendt. Volgens hen staat daarmee ook de schending van artikel 187 van de Grondwet vast. A.6.1. De Vlaamse Regering voert allereerst aan dat het tweede middel gedeeltelijk niet ontvankelijk is. Aangezien de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met het Unierecht aantonen

overigens niet uiteenzetten waarin de schending zou bestaan, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 6, 7

47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij voegt er nog aan toe dat de verzoekende partijen evenmin uiteenzetten waarom de artikelen 10, 11

23 van de Grondwet

artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens precies geschonden zouden zijn. Het tweede middel is evenmin ontvankelijk in zoverre een schending wordt afgeleid uit die bepalingen. De door de verzoekende partijen geformuleerde kritieken kunnen met

ige goede wil zo worden begrepen dat in twijfel wordt getrokken of de tijdelijke verplichte afzondering in de zin van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 in overeenstemming is met het recht op individuele vrijheid

het recht op toegang tot de rechter waarop de artikelen 12

13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, 6, lid 1,

13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten, betrekking hebben. A.6.2.

  1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het tweede middel niet ernstig is. A.6.2.
  2. Zij voert in hoofdorde aan dat de verplichte tijdelijke afzondering in de zin van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 een preventieve administratieve maatregel is die geen vrijheidsberoving inhoudt. Volgens haar beschermt artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet tegen een loutere beperking van de fysieke vrijheid van de persoon, maar dient er sprake te zijn van een vrijheidsberoving. Zij betoogt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat om na te gaan of er een vrijheidsberoving, dan wel een loutere beperking van de vrijheid in het geding is, welke moet worden onderzocht op grond van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, rekening dient te worden gehouden met,

erzijds, de context

omstandigheden waarin de betrokken maatregel tot stand kwam

, anderzijds, de aard, de duur, de gevolgen

de uitvoeringsmodaliteiten van de betrokken maatregel. Wanneer die beoordelingselementen in overweging worden genomen, dan is het volgens de Vlaamse Regering duidelijk dat de verplichte tijdelijke afzondering een fundamenteel andere maatregel is dan een voorlopige hechtenis

ook geen vrijheidsberoving inhoudt. Het betreft geen strafmaatregel, maar een louter preventieve administratieve maatregel, die tot doel heeft de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan. De Vlaamse Regering zet uiteen

illustreert dat de maatregel, zowel wat zijn aard als zijn intensiteit betreft, niet te vergelijken valt met een vrijheidsberoving van een verdachte in strafzaken of met een veroordeling tot een gevangenisstraf. Zo kiezen de personen die in verplichte tijdelijke afzondering dienen te gaan in beginsel de plaats waar zij hun afzondering doorbrengen, ontbreekt een systematisch toezicht op de verplichte tijdelijke afzondering, is het behoudens in geval van een verplichte isolatie niet verboden zich naar buiten te begeven, is de strafrechtelijke 6 handhaving door de toezichthoudende overheden slechts een laatste stap, is de termijn van verplichte afzondering kortstondig, kunnen tijdens de verplichte afzondering sociale contacten digitaal of fysiek verlopen mits naleving van de algemeen geldende regels,

worden de financiële gevolgen zoveel mogelijk beperkt. Aangezien de in artikel 47/1 beoogde verplichte afzondering aldus geen vrijheidsberoving uitmaakt, zijn de in artikel 12 van de Grondwet, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten verankerde waarborgen niet van toepassing zodat de referentienormen in dat opzicht niet geschonden kunnen zijn. A.6.2.3. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de verplichte tijdelijke afzondering, zoals beoogd in artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003, een rechtmatige vorm van vrijheidsberoving inhoudt, die bestaanbaar is met artikel 12 van de Grondwet, artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten. De vrijheidsberoving valt in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen over de strafrechtelijke handhaving, vervolging

de voorlopige hechtenis, evenwel niet onder artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In zoverre de verplichte afzondering als een vrijheidsberoving dient te worden beschouwd, is zij geen strafmaatregel, maar een preventieve administratieve maatregel met als doel de verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Een dergelijke maatregel dient hoogstens te worden beoordeeld in het licht van artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat een grond tot detentie bevat van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten. De Vlaamse Regering stelt dat die verdragsbepaling niet beperkt is tot de personen die besmettelijk zijn, maar ook potentieel besmettelijke personen betreft. Om rechtmatig te zijn, dient die detentie volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te beantwoorden aan volgende essentiële criteria : de verspreiding van de infectieziekte dient gevaarlijk te zijn voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid,

de detentie dient het laatste redmiddel te zijn om de verspreiding van de ziekte te verhinderen omdat minder verregaande maatregelen onvoldoende werden bevonden om de volksgezondheid

openbare veiligheid te waarborgen. Volgens de Vlaamse Regering is voldaan aan beide criteria. Zij wijst op het niet-betwiste gevaar van het virus dat COVID-19 veroorzaakt (o.a. sterfte, ziekenhuisopnames,

z.) voor het Belgische gezondheidssysteem,

dus de volksgezondheid

de openbare veiligheid. Zij is ook van oordeel dat de verplichte tijdelijke afzondering een laatste redmiddel is, nadat eerst andere, minder verregaande maatregelen zijn overwogen

genomen, maar onvoldoende zijn bevonden. Zij verwijst naar de wisselende maatregelen die zijn genomen

moesten worden genomen naar gelang van de fase van de pandemie. Daarbij hebben de overheden getracht een billijk evenwicht te bewaren tussen de belangen van de samenleving in haar geheel

die van de betrokken personen. Een van die maatregelen betreft de verplichte tijdelijke afzondering van personen die (nog) geen COVID-19 hebben, maar die wel zijn blootgesteld aan het virus (via een hoogrisicocontact of een verblijf in een hoogrisicogebied). Om de verdere verspreiding van het virus tegen te gaan, is het noodzakelijk dat die personen tijdens de incubatieperiode van het virus in tijdelijke afzondering gaan. Daartoe bleek de regeling van artikel 47 van het decreet van 21 november 2003, die uitgaat van een individueel bevel van een ambtenaar-arts, niet aangepast aan de bijzondere uitdagingen inzake de beheersing

bestrijding van de pandemie. Het grote aantal personen dat in isolatie of quarantaine moet blijven, ook zonder symptomen, doch vermoedelijk besmettelijk, laat niet toe aan iedereen een individueel bevel tot tijdelijke afzondering door een ambtenaar-arts op te leggen. Daarom heeft de decreetgever ervoor moeten kiezen een verplichting tot afzondering op te leggen, die overigens niet langer duurt dan wetenschappelijk verantwoord is. A.6.2.4. In ondergeschikte orde – in zoverre de verplichte tijdelijke afzondering een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn – stelt de Vlaamse Regering dat geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op toegang tot de rechter

het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Zij herinnert eraan dat artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slechts van toepassing is in het geval van arrestatie of gevangenhouding, zijnde een vrijheidsberoving die wordt opgelegd door een overheid, die toeziet op de naleving ervan zodat de betrokkenen ook effectief van hun vrijheid zijn beroofd. De doelstelling van die verdragsbepaling is immers een jurisdictionele controle van de vrijheidsberoving mogelijk te maken zodat de invrijheidstelling kan worden bevolen. Volgens de Vlaamse Regering gaat het in casu niet om een arrestatie of een gevangenhouding : er is geen actieve beknotting van de vrijheid

geen systematisch toezicht door de overheid,

de burger kan finaal zelf beslissen over zijn invrijheidstelling. Er is met andere woorden geen sprake van overheidsdwang. De betrokkenen kunnen op elk ogenblik de afzondering zelf beëindigen. Om die 7 redenen is er volgens haar geen verplicht optreden van een rechterlijke instantie noodzakelijk. Indien een persoon die zich op eigen risico van de quarantaineplicht vrijstelt bij een controle een proces-verbaal krijgt, met blootstelling aan strafsancties, dan kan hij daartegen steeds rechtsmiddelen van gemeen straf(proces)recht aanwenden, met inbegrip van de mogelijkheid om prejudiciële vragen inzake de grondwettigheid van artikel 47/1 van het decreet van 21 december 2003 aan het Hof te laten voorleggen. Volgens de Vlaamse Regering is artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dan ook niet geschonden. De toetsing aan de artikelen 12

13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 6

13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie. A.6.2.5. In ondergeschikte orde – in zoverre de verplichte tijdelijke afzondering een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn – stelt de Vlaamse Regering dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen in artikel 5, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens haar kan er geen schending van de voormelde verdragsbepaling voorliggen louter

alleen omdat in geen

kele formele kennisgeving of motivering is voorzien. Het volstaat te dezen dat de redenen van de vrijheidsberoving onverwijld aan de betrokkenen worden meegedeeld. Zo bepaalt artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 dat een persoon die een verhoogd risico heeft op COVID-19 onmiddellijk in tijdelijke afzondering gaat « als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19 ». Het is op het moment dat de betrokkene ervan op de hoogte wordt gesteld dat de verplichting tot afzondering ingaat. Die formele kennisgeving moet de betrokkenen ook toelaten het startpunt van de verplichte afzondering met het oog op de na te leven termijn, te kennen. Dit betekent volgens de Vlaamse Regering dat de betrokkene onverwijld wordt geïnformeerd zodat is voldaan aan de vereiste. Uit de omstandigheid dat de decreetgever niet heeft voorzien in een formele kennisgeving voor personen die uit een hoogrisicogebied terugkeren, mag niet worden afgeleid dat zij niet op de hoogte zouden worden gebracht van het feit dat zij in verplichte afzondering dienen te gaan. Middels het verplicht in te vullen Passagier Lokalisatie Formulier (PLF) ontvangen de betrokkenen een SMS met de nodige informatie zodat zij onverwijld worden ingelicht. A.6.2.6. In meer ondergeschikte orde betoogt de Vlaamse Regering dat het beweerde gebrek aan rechtsmiddelen of formele kennisgeving hoogstens kan leiden tot de vaststelling van een leemte in het bestreden decreet doordat niet is voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen de verplichte tijdelijke afzondering, dan wel niet is voorzien in de formele kennisgeving van de redenen van de verplichte tijdelijke afzondering. Ten aanzien van het derde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 12

14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten, door het decreet van 18 december

  1. A.7.
  2. Zij betogen dat de strafbaarstelling van de niet-naleving van de quarantaineplicht, wat de terugkeer uit een « hoogrisicogebied » betreft, het rechtzekerheidsbeginsel schendt. Zij wijzen erop dat die strafbaarstelling eenzijdig wordt ingevuld door de « bevoegde federale dienst » zonder dat er daarvoor richtlijnen bestaan. De burger weet niet op grond van welke criteria een dergelijk gebied wordt vastgesteld, noch hoe hij moet weten dat hij daaruit komt. Hierdoor wordt een essentieel onderdeel van de omschrijving van het strafbare gedrag

de voorspelbaarheid afhankelijk van de willekeur van een overheidsdienst. Zij zijn van oordeel dat de strafbaar gestelde quarantaineplicht in dat opzicht onvoldoende nauwkeurig is omschreven. Zij wijzen er ook op dat het decreet van 18 december 2020 niet voorziet in

ige kennisgeving of in een wijze waarop de betrokkene kan weten of hij onder een in artikel 47/1 van decreet van 21 november 2003 vermelde categorie van personen valt. A.8. De Vlaamse Regering is van oordeel dat het middel niet ernstig is. Zij betoogt dat artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 geenszins in strijd is met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Volgens haar verwarren de verzoekende partijen de preventieve administratieve maatregel van de verplichte tijdelijke afzondering, die an sich geen strafsanctie uitmaakt waarop de artikelen 12

14 van de Grondwet, artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten van toepassing zouden zijn, met de strafbare gedraging (artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003), zijnde de niet-naleving van de quarantaineplicht. 8 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken vereist niet dat de betrokkene de criteria kent of kan kennen op basis waarvan de bevoegde federale dienst bepaalt wat een hoogrisicogebied is. Het volstaat dat de betrokkenen zich realiseren dat zij zich naar een dergelijk gebied begeven of er verbleven hebben, wat het geval is als zij kennis nemen van de beslissingen van de bevoegde federale dienst. Die beslissingen zijn eenvoudig online raadpleegbaar. Op basis van artikel 47/1, § 2, eerste lid, juncto artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003 is het duidelijk dat de niet-naleving van de verplichte tijdelijke afzondering voor personen die in hoogrisicogebied zijn geweest, strafbaar is gesteld. De Vlaamse Regering merkt nog op dat de betrokkenen in het geval van een terugkeer uit een dergelijk gebied worden ingelicht over de verplichting tot tijdelijke afzondering. Wat de personen die een verhoogd risico hebben gelopen, betreft, dient erop te worden gewezen dat artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bepaalt dat de verplichte afzondering pas ingaat wanneer de betrokkene op de hoogte is gesteld. Op basis van artikel 79, 1°, van het decreet van 21 november 2003 dienen die personen te weten dat de niet-naleving van deze verplichting strafbaar is gesteld. Ten aanzien van het vierde middel A.9.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10

11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, door het decreet van 18 december

  1. A.9.
  2. Zij betogen in een eerste onderdeel dat de decreetgever niet heeft voorzien in afdoende sociale, medische

juridische bijstand

daardoor artikel 23 van de Grondwet schendt. Zo geldt de verplichte automatische afzondering zonder

ig sociaal, medisch of juridisch optreden. Zij wijzen op het ontbreken van een financiële compensatie voor inkomensverlies

van andere vormen van ondersteuning. Zij menen dat de verplichte afzondering een automatisme is zonder

ige concrete medische inschatting

zonder mogelijkheid tot herziening of het verkrijgen van een uitzondering wegens een bijzondere situatie. Zij zijn in een tweede onderdeel van oordeel dat ook de artikelen 10

11 van de Grondwet worden geschonden omdat de bestreden regeling geen

kel onderscheid maakt

alle burgers over dezelfde kam scheert. Zo wordt niet in een uitzondering op de quarantaineplicht voorzien voor personen in een bijzondere situatie. A.10. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ernstig. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de bij artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 verplichte tijdelijke afzondering artikel 23 van de Grondwet niet schendt. Voor zover er sprake zou zijn van een beperking van het recht op sociale, geneeskundige of juridische bijstand, is dat geen gevolg van de bestreden bepalingen. Bovendien zetten de verzoekende partijen niet uiteen waarom de personen in verplichte tijdelijke afzondering geen recht meer zouden hebben op de voormelde bijstand. Voor zover wordt verwezen naar een potentieel inkomensverlies is dat volgens haar evenmin een gevolg van de bestreden bepalingen, maar wel van de federale regeling inzake tijdelijke werkloosheid. Zij herinnert er ook aan dat de rechten in artikel 23 van de Grondwet ook plichten impliceren zoals de plicht om geen afbreuk te doen aan het recht op gezondheid van anderen. De verplichte tijdelijke afzondering is voor de

e een ongemak, maar zij is wel een maatregel die met het oog op het tegengaan van de verdere verspreiding van COVID-19 noodzakelijk is gebleken om een reëel risico op ernstige schade, zelfs overlijden, van de andere te voorkomen. Zij is ook van oordeel dat het tweede onderdeel van het vierde middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting ervan. Zo is het volgens haar niet duidelijk welke categorieën van personen dienen te worden vergeleken. Bovendien wordt niet toegelicht waarom het (kennelijk) onredelijk zou zijn dat niet in een vrijstelling voor de derde verzoekende partij is voorzien. Ten aanzien van het vijfde middel A.11.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7

8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7

8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten

politieke rechten

met de Algemene Verordening Gegevensbescherming, door het decreet van 18 december

  1. A.11.
  2. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat er geen rechtsgrond voorhanden is voor de doorgifte van persoonsgegevens aan de gemeenten van personen die zijn opgesomd in artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003, noch in een rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens van personen die terugkeren uit een hoogrisicogebied. Daarbij zou de herkomst van de gegevens onduidelijk zijn. 9 Zij wijzen erop dat artikel 34/1, zoals ingevoegd bij het decreet van 18 december 2020, verwijst naar de persoonsgegevens van de personen vermeld in artikel 47/1 van het decreet van 21 november
  3. Zij betogen dat het decreet niet de verwerking van die gegevens (bv. aanleg van een databank) regelt, maar

kel de doorgifte van bepaalde gegevens regelt. Zij veronderstellen, niettegenstaande de hierna vermelde tegenindicaties, dat de in het geding zijnde gegevens de gegevens zijn die bedoeld worden in het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap

de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano

de door de bevoegde gefedereerde

titeiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties

mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna : het samenwerkingsakkoord). Noch het samenwerkingsakkoord, noch het decreet van 29 mei 2020 « tot organisatie van het centrale contactonderzoek door een samenwerkingsverband van externe partners, het lokale contactonderzoek door lokale besturen of zorgraden

tot organisatie van de COVID-19-teams in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 29 mei 2020) bevat een verwijzing naar de mogelijkheid om gegevens door te geven aan de lokale besturen met het oog op de handhaving van de verplichte afzondering. Zij wijzen er bovendien op dat het samenwerkingsakkoord (artikel 3, § 4) expliciet het gebruik van de verzamelde gegevens voor politionele doeleinden verbiedt. Aldus worden volgens de verzoekende partijen de persoonsgegevens die binnen het kader van het samenwerkingsakkoord worden verzameld – in zoverre zij al het voorwerp zouden zijn van de doorgifte aan de lokale besturen – onrechtmatig aangewend voor handhaving door de lokale besturen, hetgeen in strijd is met het doelgebonden karakter van de initiële verwerving van de gegevens. Zij merken daarbij bovendien op dat, wat de in het geding zijnde gegevensverwerking betreft, de definities van de verwerkte categorieën van personen, vermeld in het samenwerkingsakkoord,

de definities van de verwerkte categorieën van personen, vermeld in artikel 34/1, niet dezelfde zijn. Aldus kunnen de gegevens volgens hen niet afkomstig zijn uit de databanken, opgericht bij

vermeld in het samenwerkingsakkoord. Zij voegen er nog aan toe dat, wat de gegevens van personen die terugkeren uit een hoogrisicogebied betreft, die categorie zelfs niet wordt vermeld in het samenwerkingsakkoord, doch

kel in artikel 21 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken », hetgeen geen wetskrachtige norm is. Zij wijzen er ook op dat de regeling niet in overeenstemming is met de rechten

vereisten, bepaald in de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Zo heeft de decreetgever niet voorzien in de mogelijkheid om onjuiste gegevens recht te zetten. Zo kunnen besmette personen onjuiste verklaringen afleggen betreffende hun risicocontacten, hetgeen doorwerkt in de kwalificatie van personen met een « verhoogd risico ». Ook worden de authenticiteit van de indiener van een PLF

de juistheid ervan niet geverifieerd. Op basis van een loutere verklaring worden zo persoonsgegevens opgenomen

kunnen die worden doorgegeven aan lokale besturen. Zij merken op dat niet is voorzien in de mogelijkheid of een procedure om (de aanleiding voor) de gegevens te controleren bij of door de betrokkene, aan te passen of te verbeteren : het risicocontact wordt immers niet op de hoogte gesteld van de identiteit van de besmette persoon. Zij voeren aan dat de samenwerking met externe (commerciële) partners inzake de centrale contactopvolging, die op grond van de voormelde gegevensdeling beoordelen wie in afzondering dient te gaan – hetgeen neerkomt op een vrijheidsberoving -, onverenigbaar is met de grondwettelijke vrijheid van de persoon. Daarnaast worden in het kader van de contactopvolging zonder toestemming van de betrokkene persoonsgegevens van besmette personen, vermoedelijk besmette personen

van personen die contact hebben gehad met een (vermoedelijk) besmet persoon doorgegeven aan veldonderzoekers van het centraal contactcentrum

hun supervisors, aan lokale contactcentra

aan COVID-19-teams van de zorgraden. De verzoekende partijen besluiten dat er geen duidelijkheid is over de verzameling, de herkomst, de finaliteit, de ontvangers, de bewaartermijn, de mogelijkheid tot correctie

de rechtsgrond (het ontbreken van een wetskrachtige norm) met betrekking tot de persoonsgegevens, vermeld in artikel 34/1. Aangezien de gegevensverwerking niet geschiedt in het belang van de betrokkene, gelet op de vrijheidsberoving, is de inmenging volgens hen zeer ernstig. Om die redenen doet het bestreden decreet afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven

aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 10 A.12.1. De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het vijfde middel niet ontvankelijk is wegens een gebrek aan uiteenzetting. Zo zetten de verzoekende partijen niet uiteen hoe een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in het geding zou zijn. Voorts betoogt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen op een niet-gestructureerde wijze bezorgdheden uiten over de gevolgen van de bestreden normen zonder die te koppelen aan de schending van specifieke referentienormen. Zij merkt nog op dat het middel gedeeltelijk niet ontvankelijk is wegens de onbevoegdheid van het Hof om de grondwettigheid van samenwerkingsakkoorden

ministeriële besluiten te beoordelen. Het middel is derhalve onontvankelijk in zoverre de verzoekende partijen de grondwettigheid van het voormelde samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 of van het voormelde ministerieel besluit van 28 oktober 2020 in twijfel trekken. A.12.

  1. De Vlaamse Regering betoogt dat, anders dan de verzoekende partijen beweren, er geen afzonderlijke databank gemaakt wordt om de gegevens door te geven aan de gemeenten met toepassing van artikel 34/1 van het decreet van 21 november
  2. De gegevens die worden doorgegeven zijn afkomstig uit de gegevensbank I van het voormelde samenwerkingsakkoord. Die persoonsgegevens zijn duidelijk

limitatief opgesomd. De rechtsgrond voor de gegevensverwerking is, anders dan de verzoekende partijen lijken te veronderstellen, niet artikel 44, § 2, van het decreet van 21 november 2003, maar artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020, dat verwijst naar het voormelde samenwerkingsakkoord. Voor zover als nodig onderstreept de Vlaamse Regering dat in het bestreden decreet van 18 december 2020 wel degelijk alle essentiële elementen voor de gegevensverwerking worden bepaald. Zo omschrijft artikel 34/1 van het decreet van 21 november 2003 het doeleinde van de gegevensdoorgifte, de verantwoordelijke voor de verwerking, de persoonsgegevens die worden verwerkt, de ontvangers van de persoonsgegevens, de bewaartermijn. Artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 somt bovendien de categorieën van betrokkenen duidelijk op. Die categorieën komen overigens overeen met de categorieën in het samenwerkingsakkoord

het ministerieel besluit. Hoewel de herkomst van de gegevens geen essentieel element is, blijkt volgens haar uit de toelichting tijdens de voorbereiding van het bestreden decreet duidelijk de herkomst. De Vlaamse Regering erkent dat een persoon die een risico op besmetting met COVID-19 heeft niet wordt geïnformeerd over de precieze omstandigheden waarin het hoogrisicocontact heeft plaatsgevonden

dat die persoon niet kan achterhalen of

wanneer er effectief sprake is geweest van een dergelijk contact. Volgens haar is de reden voor die aanpak duidelijk.

kel op die manier is het mogelijk de anonimiteit van de (vermoedelijk) besmette persoon te waarborgen. Die anonimiteit is volgens haar cruciaal om de vrijwillige medewerking van (vermoedelijk) besmette personen te verkrijgen. Overigens zou de bekendmaking van de identiteit van de (vermoedelijk) besmette persoon, mede gelet op het gevoelige karakter van gezondheidsgegevens, een schending van het recht op privéleven uitmaken. Zij wijst er nog op dat de rechten van de betrokkenen niet absoluut zijn

dat ze dienen te worden afgewogen tegenover andere grondrechten of dat ze kunnen worden beperkt ter bescherming van de volksgezondheid. In dat opzicht is het waarborgen van de anonimiteit van wezenlijk belang om de vrijwillige medewerking van de (vermoedelijk) besmette personen te verzekeren. Het contactonderzoek zou in het gedrang komen

onwerkzaam worden indien de anonimiteit niet gewaarborgd zou zijn, hetgeen op zijn beurt de volksgezondheid in het gedrang zou brengen. Volgens haar is er ook geen verplichting om de rechten van de betrokkenen expliciet op te nemen in de wetskrachtige norm die de gegevensverwerking instelt daar de algemene regeling van de Algemene Verordening Gegevensverwerking steeds van toepassing blijft zodat de betrokkenen desnoods rechtstreeks daaruit hun rechten kunnen putten. Ook de bewering inzake de authenticiteit van de PLF klopt volgens haar niet. Zij wijst erop dat voor het invullen van het PLF naast een telefoonnummer ook het rijksregisternummer dient te worden gebruikt, gegevens die niet zomaar ter beschikking zijn. Bovendien wordt via SMS een bevestigingscode verstuurd als vorm van authenticatie om de PLF verder in te vullen. Indien de betrokkene niet in een hoogrisicogebied zou zijn geweest, bieden de SMS-berichten de mogelijkheid om te reageren. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de doorgifte van persoonsgegevens aan gemeenten geen afbreuk doet aan het doelbindingsbeginsel. Zij erkent dat het samenwerkingsakkoord inderdaad bepaalt dat de verzamelde gegevens niet mogen worden gebruikt voor politionele doeleinden. Zij betoogt dat de doelstelling die wordt beoogd met de doorgifte niet politioneel van aard is, op de wijze die wordt bedoeld in het samenwerkingsakkoord. Uit artikel 135, § 2, tweede lid, 5°, van de Nieuwe Gemeentewet volgt dat de burgemeester passende maatregelen kan nemen om de gezondheid van de burgers te beschermen. 11 De Vlaamse Regering merkt ten slotte nog op dat de externe partners of veldonderzoekers

kel vaststellen of iemand al dan niet in contact is geweest met een (vermoedelijk) besmette persoon. De tijdelijke afzondering die uit die vaststelling volgt, vloeit rechtstreeks voort uit het decreet

niet uit een beslissing tot « vrijheidsberoving » door een veldonderzoeker. Bovendien zijn er passende maatregelen genomen om te waarborgen dat de persoonsgegevens die worden verwerkt, afdoende worden beschermd. Zo heeft de Vlaamse Regering bijkomende technische

organisatorische maatregelen vastgesteld. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.13. De verzoekende partijen voeren aan dat de mogelijkheid om van zijn vrijheid te worden beroofd voor een termijn die door de Vlaamse Regering wordt bepaald omdat men een verhoogd risico zou hebben gelopen, dan wel omdat men uit een hoogrisicogebied terugkeert, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Zij wijzen erop dat die vrijheidsberoving, gelet op de automatische

ongedifferentieerde toepassing ervan, bovendien zeer ernstig is onder meer wegens het ontbreken van sociale, medische

juridische bijstand. Zij voeren aan dat de in het geding zijnde gegevensverwerking eveneens een risico van stigmatisering met zich meebrengt. De derde verzoekende partij voert ten slotte aan dat zij, gelet op het welzijn van haar dochter, vaak in het buitenland (Alicante, Spanje) zal verblijven

door die bijzondere situatie vaak de voormelde nadelen van de besteden bepalingen dient te ondergaan. A.14.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen inzake de verplichte afzondering een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Zij merkt in hoofdorde op dat de verzoekende partijen nauwelijks

ige toelichting gegeven waarom er sprake zou zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Middels hun summiere toelichting brengen de verzoekende partijen volgens haar geen concrete

precieze gegevens bij waaruit het bestaan van het voormelde nadeel kan worden afgeleid. Aldus wordt door de verzoekende partijen niet voldaan aan hun bewijslast ter zake. Om die reden dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. In ondergeschikte orde, in zoverre een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen worden afgeleid uit de bewering van de verzoekende partijen dat zij van hun vrijheid worden beroofd wanneer zij in een hoogrisicogebied zijn geweest, gaat het volgens haar om een louter hypothetisch nadeel. Het volstaat immers dat de verzoekende partijen zich tijdelijk niet begeven naar een dergelijk gebied om aan het beweerde nadeel te ontsnappen. Volgens haar tonen de verzoekende partijen ook niet aan dat zij het voornemen hebben of zouden hebben om zich naar een dergelijk gebied te begeven. Bovendien is het volgens de Vlaamse Regering, gelet op de beslissingen van het overlegcomité, nader uitgewerkt in het federale ministerieel besluit van 28 oktober 2020 « houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken », zoals laatst gewijzigd op 26 januari 2021, tot 1 april 2021 verboden om zich voor niet-essentiële doeleinden naar het buitenland te verplaatsen zodat de verzoekende partijen niet met de toepassing

de gevolgen van de quarantaineverplichting geconfronteerd worden. Zij merkt ook nog op dat het helemaal niet zeker is dat de verzoekende partijen bij een terugkeer aan de verplichte afzondering zullen worden onderworpen, aangezien de decreetgever het de Vlaamse Regering mogelijk heeft gemaakt in vrijstellingen van de voormelde plicht tot afzondering te voorzien. Zij wijst in dat verband op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021 « tot uitvoering van artikel 34/1, tweede lid,

artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 tot uitvoering van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het besluit van 8 januari 2021), waarin tal van vrijstellingen zijn opgenomen. Zij voegt er nog aan toe dat, voor zover de verzoekende partijen toch naar een dergelijk hoogrisicogebied zouden reizen

bij hun terugkeer toch aan een verplichte quarantaine zouden worden onderworpen, niet is aangetoond dat dit ongemak dermate ernstig is dat het de schorsing zou kunnen verantwoorden. In ondergeschikte orde, in zoverre een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen worden afgeleid uit de bewering van de verzoekende partijen dat zij van hun vrijheid worden beroofd omdat zij een verhoogd risico op COVID-19 hebben gelopen, maken de verzoekende partijen op geen

kele wijze aannemelijk dat zij of de leden van hun gezin het risico lopen om een verhoogd risico op COVID-19 te hebben. Volgens de Vlaamse Regering is het beweerde nadeel van de vrijheidsberoving een louter hypothetisch nadeel

vormt het een onvoldoende ernstig ongemak om een schorsing te kunnen verantwoorden. 12 Meer algemeen merkt de Vlaamse Regering nog op dat bij de beoordeling van de ernst van het nadeel dat uit de verplichte afzondering zou voortvloeien, in rekening dient te worden gebracht dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, de verplichte afzondering geen beroving van de vrijheid in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, maar hoogstens een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudt. A.14.2. In ondergeschikte orde, in zoverre de beweerde vrijheidsberoving toch zou worden gekwalificeerd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, wijst de Vlaamse Regering erop dat de verzoekende partijen dat beweerde nadeel in hun uiteenzetting beperken tot de verplichte afzondering, zoals vermeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003.

A.15. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen inzake het contactonderzoek

de organisatie van COVID-19-teams een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar stigmatisering op sociale media als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, wijst de Vlaamse Regering erop dat dit geen gevolg is van het bestreden decreet als zodanig. Zij betoogt dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de correcte toepassing van de gegevensverwerking aanleiding zou kunnen geven tot het verspreiden van hun persoonsgegevens. Ook lichten zij niet toe hoe het bestreden decreet de oorzaak zou kunnen zijn van wat derden op sociale media plegen te verkondigen

van de nadelen die daaruit zouden voortvloeien. Zij wijst er ten slotte op dat eventuele stigmatisering niet zelden het gevolg is van wat betrokkenen zelf op sociale media plaatsen of van informatie die derden via andere wegen hebben verkregen. Bovendien betreft het aangevoerde risico van stigmatisering een louter moreel nadeel dat kan worden hersteld door de vernietiging van de bestreden regeling. Ten aanzien van de belangenafweging betreffende een eventuele schorsing A.16. De Vlaamse Regering is in uiterst ondergeschikte orde van oordeel dat het nadeel van de verzoekende partijen bij een onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen niet opweegt tegen de nadelen die een schorsing met zich meebrengt. Aldus dient volgens haar door het Hof te worden besloten dat er redenen zijn om de schorsing niet te bevelen. Zij wijst erop dat het Hof in geen

kel geval verplicht is om tot een schorsing van de wetskrachtige normen te besluiten, zelfs niet als de grondvoorwaarden daarvoor zouden vervuld zijn. Zo dient het Hof het moeilijk te herstellen ernstig nadeel van de onmiddellijke toepassing steeds af te wegen tegen de nadelen voor het algemeen belang

de belangen van derden die een schorsing zou meebrengen. In dat verband wijst de Vlaamse Regering op de zeer nadelige, onherroepelijke

kennelijk onevenredige gevolgen van een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bepalingen die betrekking hebben op de verplichte afzondering, het contactonderzoek

de COVID-19-teams. Zij merkt op dat de bestreden bepalingen niet los kunnen worden gezien van de context waarin zij zijn aangenomen, namelijk het tegengaan van de verdere verspreiding van COVID-19. De bestreden regelingen dienen ook te worden gezien in het kader van de verplichting die op de overheid rust, om de nodige maatregelen te nemen om de verdere verspreiding tegen te gaan

de gezondheid

de openbare orde te vrijwaren. Zij merkt in dat verband nog op dat het aantal besmettingen

ziekenhuisopnames nog steeds zeer hoog ligt. Zij is van oordeel dat de karakteristieken van het virus, in het bijzonder de besmettelijkheid ervan, het sterfterisico

het aantal gedetecteerde gevallen, ervoor zorgen dat de bestreden regelingen absoluut noodzakelijk zijn om ter bescherming van de volksgezondheid de pandemie onder controle te krijgen,

de verspreiding in te dijken om te vermijden dat verregaandere maatregelen zouden moeten worden genomen. Volgens haar verdraagt de doelstelling inzake bescherming van de volksgezondheid dan ook niet dat er, als gevolg van een schorsing van (een deel van) de bestreden bepalingen, een zeer abrupte versoepeling van de opgelegde maatregelen zou komen. De virologische situatie vereist dat de opgelegde maatregelen slechts beredeneerd, gecontroleerd, gradueel

stapsgewijs kunnen worden afgebouwd na evaluatie

na overleg met de andere overheden. 13 -B- Ten aanzien van het bestreden decreet

zijn context B.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 18 december 2020). B.2. Het decreet van 18 december 2020 past in het kader van het aanvullen

het actualiseren van het arsenaal aan maatregelen die de verschillende overheden hebben genomen om de COVID-19-pandemie te bestrijden

verdere verspreiding van het SARS-CoV-2-virus tegen te gaan. Die maatregelen hebben

erzijds betrekking op de beveiliging van de samenleving tegen het virus

de verspreiding ervan. Zo wordt de verplichte afzondering als maatregel ingevoegd in het decreet van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 21 november 2003). Anderzijds hebben zij betrekking op de gegevensverwerking van bepaalde categorieën van personen in het kader van de handhaving

de contactopsporing, die reeds is ingesteld bij decreet van 29 mei 2020 « tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 29 mei 2020). Wat de verplichting tot afzondering betreft B.3.1. Het decreet van 21 november 2003 stelt een kader vast om nadere maatregelen te nemen of beleidsinitiatieven te ontwikkelen op het gebied van preventieve gezondheidszorg met het oog op het verbeteren van de levenskwaliteit, het realiseren van gezondheidswinst

het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid (artikel 3). Om dat preventieve gezondheidsbeleid concreet te organiseren, kan de overheid initiatieven

maatregelen nemen om exogene

dogene factoren (determinanten of bronnen van gevaar inzake gezondheid van de mens) te voorkomen of de gevolgen ervan tegen te gaan (artikelen 39 tot 66). Gelet op de epidemiologische ervaringen in het verleden

de 14 centrale plaats ervan in de preventieve gezondheidszorg (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1709/1, p. 19) werd in specifieke maatregelen voorzien om de uitbreiding van de schadelijke effecten tegen te gaan van exogene factoren die een risico voor de gezondheid meebrengen, in het bijzonder wat de biotische factoren (virussen, bacteriën

andere micro- organismen) betreft (artikelen 44 tot 50). Een ambtenaar-arts kan aan een persoon die is aangetast door een infectie

daarbij een bijzonder gevaar van besmetting voor anderen vormt, evenals aan personen die een verhoogd risico hebben om de infectie te hebben opgelopen, een bevel geven tot tijdelijke afzondering in een ziekenhuisafdeling of op een andere gepaste plaats (artikel 47, § 1, 1°). B.3.2. De decreetgever beoogde, geconfronteerd met het zeer besmettelijke SARS-CoV-2-virus dat tot de ziekte COVID-19 leidt, de instrumenten van het preventieve gezondheidsbeleid te actualiseren

in handhavingsmaatregelen te voorzien om zo een gepast antwoord te bieden op de nood om verdere verspreiding ervan tegen te gaan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, pp. 2-3). In afwijking van artikel 47 van het decreet van 21 november 2003

beperkt tot (mogelijke) COVID-19-besmettingen, heeft de decreetgever voorzien in het opleggen van een verplichting tot afzondering van bepaalde categorieën van personen zonder

ig bevel van een ambtenaar-arts, waarvan de niet-naleving strafbaar is gesteld. Hij heeft eveneens voorzien in gegevensdeling met lokale besturen met het oog op de handhaving van de afzonderingsplicht. B.4.

  1. Artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003, ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « §
  2. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon van wie bewezen is dat hij besmet is met COVID-19 of van wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat hij besmet is met COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de besmettelijkheid van COVID-
  3. §
  4. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon die in een hoogrisicogebied is geweest, onmiddellijk bij zijn aankomst in het Nederlandse taalgebied in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. 15 De persoon, vermeld in het eerste lid, die terugkeert uit een hoogrisicogebied, is verplicht om zich na zijn terugkeer onmiddellijk te melden bij een COVID-19-test- centrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts met de mededeling dat hij uit een hoogrisicogebied is teruggekeerd, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-
  5. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering een vrijstelling van de tijdelijke afzondering of van de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, verlenen aan : 1° een persoon die maar voor een beperkte duur in een hoogrisicogebied is geweest; 2° een persoon bij wie de kans op besmetting door zijn gedrag in een hoogrisicogebied laag wordt ingeschat; 3° een persoon die om essentiële redenen in een hoogrisicogebied is geweest. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels van die afwijking, bepaalt wat onder beperkte duur wordt verstaan

bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat,

legt de essentiële redenen vast waarvoor de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, of de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, een triagecentrum of de behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, niet gelden. In deze paragraaf wordt verstaan onder hoogrisicogebied : een gebied dat de bevoegde federale dienst heeft aangeduid als een gebied met een zeer hoog risico op besmetting met COVID-19. § 3. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere andere persoon dan de personen, vermeld in paragraaf 1

2, die een verhoogd risico heeft op COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere aangepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich onmiddellijk nadat hij kennis heeft genomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-

  1. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. De Vlaamse Regering bepaalt nader op welke manier de persoon, vermeld in het eerste lid, op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-
  2. 16 Het verhoogde risico op COVID-19, vermeld in het eerste lid, wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld op basis van de richtlijnen van de bevoegde federale dienst ». B.4.
  3. Artikel 34/1 van het decreet van 21 november 2003, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « In het kader van COVID-19 kunnen de volgende persoonsgegevens van een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, met de gemeente worden gedeeld, binnen de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, met het oog op de handhaving van de maatregelen, vermeld in artikel 47/1, door de burgemeester van de hoofdverblijfplaats of een andere gepaste plaats waar die persoon in tijdelijke afzondering gaat : 1° de voor-

achternaam; 2° het adres van de plaats waar die persoon in tijdelijke afzondering gaat; 3° de termijn van de tijdelijke afzondering. De Vlaamse Regering wijst een

titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke voor de doorgifte van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid. De gemeente, vermeld in het eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens die conform het eerste lid werden gedeeld. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden door de gemeente uiterlijk tot het einde van de maatregel, vermeld in artikel 47/1, bewaard ». B.4.3. Daarnaast heeft een aantal van de bestreden bepalingen betrekking op het invoegen van verwijzingen naar artikel 47/1 om het toepassingsgebied van handhavingsmaatregelen uit te breiden. Zo wordt de niet-naleving van de in artikel 47/1 vermelde verplichting tot afzondering strafbaar gesteld. Artikel 79 van het decreet van 21 november 2003, zoals gedeeltelijk vervangen bij het bestreden artikel 6 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden gestraft met een geldboete van 26 tot 500 euro

met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen : 1° degenen die geen gevolg geven aan de dwangmaatregelen, vermeld in artikel 41, § 1, § 5

§ 6

, artikel 47

artikel 47/1, of die de uitvoering of naleving ervan verhinderen of belemmeren; […] ». 17 Voorts dient de Vlaamse Regering met het oog op het toezicht op de naleving van onder meer artikel 47/1 het initiatief te nemen om ambtenaren aan te stellen (artikel 44, § 3, 3°, zoals gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 18 december 2020) die bevoegd zijn om een proces-verbaal op te stellen als de verplichtingen die vermeld zijn in artikel 47/1 niet worden nageleefd (artikel 49, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 18 december 2020). Artikel 49, § 1, van het decreet van 21 november 2003, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Als de verplichtingen, vermeld in artikel 45, § 3, artikel 47, § 1, artikel 47/1

artikel 48 niet worden nageleefd, zijn de aangeduide ambtenaren die met het toezicht belast zijn, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd ». Wat de contactopsporing betreft B.5.1. De decreetgever beoogde de afbouw van de oorspronkelijk opgelegde beperkingen van fysieke contacten mogelijk te maken

tegelijk de risico’s van verdere verspreiding van het zeer besmettelijke SARS-CoV-2-virus die daarmee gepaard gaan, tegen te gaan door in te zetten op contactonderzoek

die opdracht in het kader van COVID-19 tijdelijk toe te kennen aan een samenwerkingsverband van externe partners (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 314/1, pp. 2

4; 2020-2021, nr. 488/1, p. 2). Daartoe heeft hij het decreet van 29 mei 2020 aangenomen. Dat contactonderzoek is nauw verweven met de federaal opgerichte gegevensbanken van Sciensano

de normatieve ontwikkelingen in dat verband (koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 « tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020); koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 « betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano

de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties

mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus 18 COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (hierna : het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020); het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap

de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano

de door de bevoegde gefedereerde

titeiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties

mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna : het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020)). B.5.2. Het decreet van 18 december 2020 strekt ertoe de contactopsporing te actualiseren in het licht van de federale ontwikkelingen betreffende de gegevensbanken van Sciensano, de lacunes in de bestaande regeling weg te werken

de lokaal gegroeide initiatieven wettelijk te verankeren

te integreren in het geheel (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 3). B.6.1. Artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020, zoals gewijzigd bij artikel 9 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Om de bevoegdheid over het tegengaan van de verspreiding van infecties, vermeld in artikel 44, § 2, van het decreet van 21 november 2003, te kunnen uitvoeren in het kader van de pandemie van COVID-19, kan de Vlaamse Regering met behoud van de toepassing van artikel 44, § 3, van het voormelde decreet een samenwerkingsverband van externe partners aanstellen dat een centraal contactcentrum opricht dat belast wordt met opdrachten van opsporing

begeleiding van personen met een bevestigde of vermoedelijke diagnose van COVID-19, of van personen die mogelijk een risicodragend contact hebben gehad met een persoon die besmet is met COVID-19 of die vermoedelijk besmet is met COVID-

  1. De persoonsgegevens worden verwerkt conform het samenwerkingsakkoord van 25 augustus
  2. De Vlaamse Regering wijst een agentschap aan dat optreedt als verwerkingsverantwoordelijke

dat een verwerkingsovereenkomst sluit met het samenwerkingsverband van externe partners, vermeld in het eerste lid, conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming. De personen die in opdracht van het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid, de opdrachten, vermeld in het eerste lid, uitvoeren, zijn gebonden door het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek. 19 Het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid, staat mee onder toezicht van

wordt aangestuurd door de ambtenaren-artsen

de ambtenaren van het agentschap, vermeld in artikel 44, § 3, 2°

3°, van het decreet van 21 november 2003. Het samenwerkingsverband van externe partners, vermeld in het eerste lid, maakt een inhoudelijk

financieel verslag op over de opdrachten die eraan zijn toegekend. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijk

financieel verslag. De Vlaamse Regering bepaalt welke technische

organisatorische maatregelen het samenwerkingsverband van externe partners treft ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid ». Ingevolge de bestreden bepalingen wordt de benaming van het in artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020 vermelde contactcentrum van het samenwerkingsverband van externe partners gewijzigd in « centraal contactcentrum » (artikel 9, 1°

4°, van het decreet van 18 december 2020). Daarnaast hebben de bestreden wijzigingsbepalingen betrekking op de verwerking van de persoonsgegevens door dat contactcentrum (artikel 9, 2°, 3°

5°, van het decreet van 18 december 2020). B.6.

  1. Artikel 4 van het decreet van 29 mei 2020, zoals vervangen bij artikel 10 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Het centrale contactcentrum, vermeld in artikel 3, eerste lid, is samengesteld uit : 1° callcentermedewerkers; 2° callcentersupervisors; 3° veldonderzoekers; 4° supervisors van veldonderzoekers. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van het centrale contactcentrum ». B.6.
  2. Artikel 5 van het decreet van 29 mei 2020, zoals vervangen bij artikel 11 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « §
  3. Bij het centrale contactcentrum, vermeld in artikel 3, eerste lid, wordt een databank voor veldonderzoekers opgericht. De persoonsgegevens in de databank, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt voor de volgende doeleinden : 20 1° het afleggen van fysieke bezoeken door de veldonderzoekers van het contactcentrum in het kader van de doeleinden, vermeld in artikel 3, § 2, 1°

2°, A, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020; 2° de voortgangscontrole op de fysieke bezoeken, vermeld in punt 1°, door de supervisors van veldonderzoekers. § 2. In de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden persoonsgegevens verwerkt van : 1° personen bij wie een COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze besmet zijn; 2° personen bij wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn met COVID-19, maar bij wie geen COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven, of bij wie de COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze niet besmet waren; 3° personen met wie de personen, vermeld in punt 1°

2°, in contact zijn geweest gedurende een periode van veertien dagen voor

na de eerste tekenen van de besmetting met COVID-19, waarbij een bepaalde appreciatiemarge op grond van wetenschappelijke inzichten in rekening kan worden genomen; 4° de veldonderzoekers die bij het centrale contactcentrum werken. De volgende persoonsgegevens worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, verwerkt van de personen, vermeld in het eerste lid, punt 1° tot

met 3° : 1° de voor-

achternaam; 2° de provincie waar ze wonen; 3° de geboortedatum; 4° de taal; 5° de contactgegevens, met inbegrip van het adres

telefoonnummer; 6° de scriptcode waaruit kan worden afgeleid of de persoon een indexpersoon is, een persoon met wie de indexpersoon contact heeft gehad

die een hoog risico op besmetting heeft, of een persoon met wie de indexpersoon contact heeft gehad

die een laag risico op besmetting heeft; 7° de status van het fysieke bezoek. De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, 1° tot

met 6°, zijn afkomstig van de gegevensbank III, vermeld in het artikel 1, § 1, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020. 21 Het persoonsgegeven, vermeld in het tweede lid, 7°, wordt in de databank ingegeven door de veldonderzoeker. De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bewaard voor een termijn van maximaal tien dagen. De volgende persoonsgegevens worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, verwerkt van de personen, vermeld in het eerste lid, 4° : 1° het identificatienummer in het centrale contactcentrum; 2° de voor-

achternaam; 3° de contactgegevens, met inbegrip van de postcode, het telefoonnummer

het e-mailadres; 4° de regio waar de veldonderzoeker fysieke bezoeken aflegt; 5° de externe partner waarvoor de veldonderzoeker werkzaam is; 6° de naam van de supervisor van de veldonderzoeker. De persoonsgegevens, vermeld in het zesde lid, worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bewaard tot maximaal veertien dagen na het aflopen van het contract met de veldonderzoeker. De Vlaamse Regering kan de persoonsgegevens, vermeld in het tweede

zesde lid, nader preciseren. § 3. De supervisor van de veldonderzoeker heeft voor het doeleinde, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, tweede

zesde lid, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de aansturing van de veldonderzoekers die onder zijn toezicht staan. De veldonderzoeker heeft voor het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, van de personen bij wie hij overeenkomstig zijn opdracht een fysiek bezoek moet afleggen ». Die bepaling laat de oprichting toe van een databank met het oog op de organisatie

het opvolgen van de fysieke bezoeken die de veldonderzoekers van het contactcentrum afleggen,

zij bepaalt de voorwaarden inzake de gegevensverwerking in het kader van die bezoeken. B.6.4. Artikel 6 van het decreet van 29 mei 2020, zoals vervangen bij artikel 12 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : 22 « Met behoud van de toepassing van artikel 44 van het decreet van 21 november 2003 kunnen lokale besturen of zorgraden, als aanvulling bij of ter vervanging van de opdrachten die worden uitgevoerd door het centrale contactcentrum, vermeld in artikel 3, eerste lid, lokale contactcentra oprichten die belast worden met opdrachten van opsporing

begeleiding van personen met een bevestigde of vermoedelijke diagnose van COVID-19, of van personen die mogelijk een risicodragend contact hebben gehad met een persoon die besmet is met COVID- 19 of die vermoedelijk besmet is met COVID-19. De persoonsgegevens worden door de lokale contactcentra verwerkt conform het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020. De Vlaamse Regering wijst een

titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke

die een verwerkingsovereenkomst sluit met de lokale besturen of de zorgraden, vermeld in het eerste lid, conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming. De persoon die in opdracht van een lokaal contactcentrum als vermeld in het eerste lid, de opdrachten, vermeld in het eerste lid, uitvoert, is overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek gebonden door het beroepsgeheim. De lokale contactcentra, vermeld in het eerste lid, staan mee onder toezicht van de ambtenaren-artsen

de ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°

3°, van het decreet van 21 november 2003. Als lokale contactcentra niet voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit decreet, kunnen de voormelde ambtenaren

ambtenaren-artsen de lokale besturen of de zorgraden aanmanen om alle verplichtingen aan de hand van een remediëringsplan na te komen binnen een termijn die door die ambtenaren

ambtenaren- artsen wordt bepaald. De lokale besturen of de zorgraden, vermeld in het eerste lid, maken een inhoudelijk verslag op over de opdrachten die zijn toegekend aan de lokale con- tactcentra die ze hebben opgericht. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijk verslag. De Vlaamse Regering bepaalt welke technische

organisatorische maatregelen de lokale besturen of de zorgraden treffen ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door de lokale contactcentra, vermeld in het eerste lid ». B.6.5. Artikel 6/1 van het decreet van 29 mei 2020, zoals ingevoegd bij artikel 13 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « De lokale besturen of de zorgraden bepalen de samenstelling van lokale contactcentra als vermeld in artikel 6, eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van lokale contactcentra ». De voormelde bepalingen regelen de oprichting van « lokale contactcentra » door lokale besturen of zorgraden als aanvulling bij of ter vervanging van de opdrachten die door het centrale contactcentrum worden uitgevoerd, hun samenstelling

de voorwaarden waaronder 23 zij persoonsgegevens dienen te verwerken (artikelen 12

13 van het decreet van 18 december 2020). B.6.

  1. Artikel 6/2 van het decreet van 29 mei 2020, zoals ingevoegd bij artikel 14 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « §
  2. Bij de zorgraden kunnen COVID-19-teams worden opgericht. De COVID-19-teams, vermeld in het eerste lid, verrichten de volgende activiteiten : 1° ondersteuning bij het contact-

omgevingsonderzoek bieden aan de ambtenaren, vermeld in artikel 40

44, § 3, 3°, van het decreet van 21 november 2003,

aan de ambtenaren-artsen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, van hetzelfde decreet; 2° op verzoek van de lokale besturen advies verlenen over de te nemen maatregelen om een verdere verspreiding van COVID-19 te voorkomen; 3° medische

psychosociale ondersteuning organiseren voor de personen die met COVID-19 besmet zijn of vermoedelijk besmet zijn. Deze activiteit is gericht tot individuele personen; 4° een afstemming van hulpvragen van zorgaanbieders organiseren in geval van schaarste van materiaal,

in geval van behoefte aan kennisuitwisseling

ondersteuning; 5° zorgaanbieders sensibiliseren om het draagvlak voor het contactonderzoek te verhogen. In dit lid wordt verstaan onder : 1° contact-

omgevingsonderzoek: het onderwerpen van een persoon of zijn leefomgeving aan een medisch of milieukundig onderzoek dat nodig is om besmettingsbronnen op te sporen, als die persoon na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron mogelijk besmet is

door contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van een beroepsactiviteit, die infectie kan overdragen; 2° medische

psychosociale ondersteuning organiseren: informeren over, doorverwijzen naar

samen met de betrokken persoon contact opnemen om die medische

psychosociale ondersteuning mogelijk te maken. De Vlaamse Regering kan de activiteiten van het COVID-19-team, vermeld in het tweede lid, nader preciseren. Elk COVID-19-team bestaat minstens uit een medisch expert. Die medische expert is een arts. De Vlaamse Regering kan de samenstelling van het COVID-19-team

de rol van de medisch expert nader preciseren

kan nadere regels bepalen voor de organisatie van het COVID-19-team. 24 De leden van het COVID-19-team die de opdrachten, vermeld in het tweede lid, uitvoeren, zijn overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek gebonden door het beroepsgeheim. De leden van het COVID-19-team staan mee onder toezicht van de ambtenaren-artsen

ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°

3°, van het decreet van 21 november 2003. In het kader van het toezicht kunnen intervisiemomenten worden georganiseerd tussen de medische experten, vermeld in het vierde lid,

de ambtenaren-artsen

ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°

3°, van het decreet van 21 november 2003. Als COVID-19-teams niet voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit decreet, kunnen de voormelde ambtenaren

ambtenaren-artsen de zorgraden aanmanen om alle verplichtingen aan de hand van een remediëringsplan na te komen binnen een termijn die door die ambtenaren

ambtenaren-artsen wordt bepaald. De zorgraden die een COVID-19-team oprichten, maken een inhoudelijk verslag op over de opdrachten die aan dat COVID-19-team werden toegekend. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijke verslag. § 2. Voor het verrichten van de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de COVID-19-teams de volgende persoonsgegevens van de personen bij wie een COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze besmet zijn

van de personen van wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn met COVID-19, maar bij wie geen COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven, of bij wie de COVID-19-test heeft uitwezen dat ze niet besmet waren : 1° de identificatiegegevens; 2° de contactgegevens; 3° het geslacht; 4° de leeftijd; 5° de datum waarop de COVID-19-test is afgenomen; 6° de datum van de eerste ziektesymptomen; 7° de eventuele collectiviteiten waarmee de persoon in contact is geweest; 8° de personen met wie ze in contact zijn geweest gedurende een periode van veertien dagen voor

na de eerste tekenen van de besmetting met COVID-19, waarbij een bepaalde appreciatiemarge op grond van wetenschappelijke inzichten in rekening kan worden genomen; 9° de relevante criteria voor de inschatting van een hoog of laag besmettingsrisico

het geven van advies; 10° de gezondheidsgegevens die nodig zijn voor het contact-

omgevingsonderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°,

voor de medische

psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°; 25 11° andere gegevens dan die over de gezondheid die nodig zijn voor het contact-

omgevingsonderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°,

voor de medische

psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid 3°. Voor het verrichten van de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de COVID-19-teams de volgende persoonsgegevens van de personen met wie de personen, vermeld in het eerste lid, in contact zijn geweest : 1° de voor-

achternaam; 2° de postcode; 3° het telefoonnummer; 4° het antwoord op de vraag of die personen symptomen van COVID-19 hebben; 5° de taalvaardigheid; 6° het feit dat die personen al dan niet een gezondheidszorgberoep uitoefenen. De Vlaamse Regering kan de persoonsgegevens, vermeld in het eerste

tweede lid, nader preciseren. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot

met 6°,

het tweede lid, 1° tot

met 4°, worden, voor zover ze beschikbaar zijn, aan de zorgraden bezorgd door een

titeit die de Vlaamse Regering aanwijst. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 7° tot

met 11°,

het tweede lid, 5°

6°, worden door het COVID-19-team ingewonnen bij de betrokkene. De COVID-19-teams hebben alleen toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in het eerste

tweede lid, van de personen van wie de hoofdverblijfplaats of een andere gepaste plaats waar de betrokkene in tijdelijke afzondering verblijft, ligt in het werkgebied van de zorgraad waarbij het COVID-19-team is opgericht. Het COVID-19-team kan na toestemming van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger de gegevens, vermeld in het eerste lid, delen met zorgaanbieders als vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen

de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders, met het oog op het organiseren van medische

psychosociale ondersteuning als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°. De Vlaamse Regering wijst een

titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die de COVID-19-teams verwerken. Die

titeit sluit een verwerkingsovereenkomst conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming, met de zorgraad waarbij een COVID-19-team is opgericht. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste

tweede lid, worden door het COVID-19-team bewaard gedurende een termijn van maximaal dertig dagen, met uitzondering 26 van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, van personen als vermeld in het eerste lid, bij wie de medische

psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, langer dan dertig dagen duurt. In het laatste geval worden de persoonsgegevens bewaard tot maximaal drie dagen na het einde van die medische

psychosociale ondersteuning. De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische

organisatorische maatregelen de zorgraad treft ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door het COVID-19-team ». De voormelde bepaling regelt de oprichting van COVID-19-teams bij de zorgraden, hun samenstelling, hun activiteiten, het toezicht

de voorwaarden waaronder zij gegevens kunnen verwerken. Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.

  1. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  2. Een schorsing door het Hof moet kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partijen door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een risico op een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. 27 Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete

precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan

het verband tussen dat risico

de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.9. De verzoekende partijen voeren niet aan dat de bepalingen van het bestreden decreet die betrekking hebben op de organisatie van het contactonderzoek

op de COVID-19-teams hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden berokkenen. Bijgevolg is de vordering tot schorsing onontvankelijk in zoverre zij is gericht tegen de artikelen 2

7-15 van het bestreden decreet. Gelet op de wijze waarop de verzoekende partijen het ernstig nadeel dat zij aanvoeren omschrijven in hun verzoekschrift, is de vordering tot schorsing beperkt tot artikel 47/1, §§ 2

3, van het decreet van 21 november 2003, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december

de daarmee samenhangende bepalingen, vermeld in B.4.2,

strekt zij zich niet uit tot de tijdelijke afzondering vermeld in artikel 47/1, §

  1. Het Hof beperkt zijn onderzoek in dit stadium dan ook tot die bepalingen. B.10.
  2. Het door de verzoekende partijen aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel op de aanname dat de verplichte afzondering bedoeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 een « vrijheidsberoving » in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitmaakt. Volgens de Vlaamse Regering is die maatregel daarentegen een « vrijheidsbeperking » in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.10.2. Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : 28 « 1. Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid

veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen

langs wettelijke weg :

  1. a)indien hij op rechtmatige wijze wordt gevangen gehouden na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;
  2. b)indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen wordt gehouden, wegens weigering een overeenkomstig de wet door een rechter gegeven bevel op te volgen of ten einde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;
  3. c)indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden ten einde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;
  4. d)in het geval van rechtmatige gevangenhouding van een minderjarige met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige gevangenhouding, ten einde hem voor het bevoegde gezag te geleiden;
  5. e)in het geval van rechtmatige gevangenhouding van personen die een besmettelijke ziekte zouden kunnen verspreiden, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;
  6. f)in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen ten einde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. 2. Iedere gearresteerde moet onverwijld

in een taal, welke hij verstaat, op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie

van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht. […] 4. Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding

zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. […] ». Artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Een ieder die zich wettig op het grondgebied van een Staat bevindt, heeft het recht zich daar vrij te verplaatsen

er in vrijheid woonplaats te kiezen.

  1. Een ieder is vrij welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten. 29
  2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die welke bij de wet zijn voorzien

in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid of van de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of ter bescherming van de rechten

vrijheden van anderen.

  1. De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaaldelijk omschreven gebieden, worden gebonden aan bij de wet voorziene beperkingen, welke gerechtvaardigd worden door het openbaar belang in een democratische samenleving ». B.10.
  2. Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt slechts de fysieke vrijheid van de persoon

is dus niet van toepassing op loutere beperkingen van de bewegingsvrijheid, die onder het toepassingsgebied van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen (EHRM, grote kamer, 12 september 2012, Nada t. Zwitserland, § 225; grote kamer, 23 februari 2017, de Tommaso t. Italië, § 80). In dat verband heeft de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beklemtoond dat zich in een moderne samenleving situaties kunnen voordoen waarin het publiek in het algemeen belang beperkingen op zijn bewegingsvrijheid dient te aanvaarden (EHRM, grote kamer, 15 maart 2012, Austin e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 59). B.10.4. Of een vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden beschouwd als een beperking van de bewegingsvrijheid in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dan wel als een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hangt af van verschillende factoren, die steeds in concreto dienen te worden onderzocht. Daarbij dient niet zozeer rekening te worden gehouden met de inhoud van de vrijheidsbeperkende maatregel, maar veeleer met zijn intensiteit. Belangrijke factoren bij zijn kwalificatie zijn de context waarin hij is genomen, zijn aard, zijn duur, zijn gevolgen

zijn uitvoeringswijze (EHRM, grote kamer, 12 september 2012, Nada t. Zwitserland, § 225; grote kamer, 23 februari 2017, de Tommaso t. Italië, §§ 80-81). De gevolgen van de maatregel moeten overigens cumulatief

in hun onderlinge wisselwerking worden onderzocht (EHRM 6 november 1980, Guzzardi t. Italië, § 95). B.10.5. Wat de context betreft, dient rekening te worden gehouden met de eigenschappen van het SARS-CoV-2-virus

met de epidemiologische realiteit van de COVID-19-pandemie. 30 Het SARS-CoV-2-virus is een zeer besmettelijk virus dat overdraagbaar is via de lucht

dat in de praktijk hoofdzakelijk via de ademhaling wordt overgedragen. Nauwe fysieke contacten tussen personen vormen dus de grootste risicofactor. De COVID-19--pandemie wordt gekenmerkt door een hoog reproductiegetal. Zonder sanitaire maatregelen kent zij bijgevolg een zeer snelle exponentiële verspreiding. Daarnaast wordt zij gekenmerkt door een hoog aantal asymptomatische patiënten die niettemin als superverspreiders kunnen fungeren. Van de patiënten die wel symptomen ontwikkelen, dient een substantieel aantal te worden gehospitaliseerd, waarvan zelfs een aanzienlijk aantal intensieve zorg nodig heeft of zelfs overlijdt. In die context bestaat een rechtstreeks verband tussen,

erzijds, de aard

de intensiteit van de maatregelen die de nauwe fysieke contacten tussen personen beperken

, anderzijds, het aantal patiënten

de belasting van het zorgsysteem. De bestreden maatregel is een vorm van preventieve quarantaine die, samen met verschillende andere maatregelen, de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus beoogt te beperken door te vermijden dat asymptomatische patiënten of patiënten die nog geen ziektesymptomen vertonen, anderen besmetten. B.10.6. Wat de aard van de vrijheidsbeperkende maatregel betreft, bepalen artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 dat de personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest, die een verhoogd risico op COVID-19 hebben of die op de hoogte zijn gebracht van het feit dat zij een verhoogd risico op COVID-19 hebben, zich gedurende een welbepaalde periode op een vaste plaats dienen af te zonderen. Die verplichting vloeit rechtstreeks voort uit het bestreden decreet

beperkt op aanzienlijke wijze de bewegingsvrijheid. De afzondering gaat niet gepaard met fysieke dwang. De betrokkene staat evenmin onder permanente bewaking, noch door personen, noch door technische hulpmiddelen zoals een

kelband of camerabewaking. De plaats van de afzondering wordt niet opgelegd door de overheid, maar kan vrij worden gekozen door de betrokkene. Hij kan kiezen voor zijn hoofdverblijfplaats of een andere gepaste 31 plaats,

kan zijn afzondering dus doorbrengen in een vertrouwde omgeving. De bestreden bepaling stelt aan die plaats geen

kele andere voorwaarde dan dat zij een daadwerkelijke afzondering mogelijk maakt. De verplichte afzondering bedoeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 is, in tegenstelling tot de verplichte afzondering bedoeld in artikel 47/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, overigens geen absolute maatregel. Krachtens artikel 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021 « tot uitvoering van artikel 34/1, tweede lid,

artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid

tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 tot uitvoering van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht

het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het besluit van 8 januari 2021) kan de tijdelijke afzondering vermeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 immers tijdelijk worden opgeheven om een noodzakelijke activiteit te vervullen die niet kan worden uitgesteld. Bovendien kan de Vlaamse Regering bepaalde personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest, krachtens artikel 47/1, § 2, vierde lid, van het decreet van 21 november 2003 vrijstellen van de tijdelijke afzondering

van de verplichte COVID-19-test. Het gaat meer bepaald om personen die maar voor een beperkte duur in een hoogrisicogebied zijn geweest, personen die daar om essentiële redenen zijn geweest

personen bij wie de kans op besmetting door hun gedrag aldaar laag wordt ingeschat. Artikel 4 van het besluit van 8 januari 2021 bepaalt dat onder een beperkte duur minder dan 48 uur moet worden verstaan, dat de inschatting van de kans op besmetting gebeurt via de zelfevaluatie die is opgenomen in het Passagier Lokalisatie Formulier,

dat 14 opgesomde categorieën van personen worden geacht om essentiële redenen in het buitenland verblijven. Gelet op die kenmerken kan de tijdelijke afzondering, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, niet met een voorlopige hechtenis worden gelijkgesteld. B.10.

  1. Wat de duur van de maatregel van verplichte afzondering betreft, verplicht de bestreden bepaling de Vlaamse Regering ertoe de termijn van de tijdelijke afzondering te bepalen op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-
  2. Zij 32 preciseert bovendien dat de tijdelijke afzondering afloopt als uit een onderzoek blijkt dat de betrokkene geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. Ter uitvoering daarvan bepaalt artikel 3, tweede

derde lid, van het besluit van 8 januari 2021 dat de afzondering in beginsel tien dagen duurt vanaf de laatste dag dat de betrokkene in een hoogrisicogebied is geweest of vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, maar dat zij eindigt indien hij een negatieve COVID-19-test heeft ondergaan die ten vroegste kan worden afgenomen op de zevende dag van de tijdelijke afzondering. B.10.8. Wat de gevolgen van de maatregel van verplichte afzondering betreft, bevat de bestreden bepaling, behoudens de verplichting om zich te laten testen, geen beperkingen op de tijdsbesteding van de betrokkene. Hij kan gedurende de ganse duur van zijn afzondering alle activiteiten ontplooien die met die afzondering verenigbaar zijn, voor zover zij niet in strijd zijn met andere maatregelen die in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie zouden zijn genomen. Indien de betrokkene kan telewerken, is het hem geenszins verboden zijn werkzaamheden onverkort vanuit de plaats van zijn afzondering voort te zetten. Tevens kan hij onbeperkt via alle telecommunicatiemiddelen contact houden met derden

kan hij zich onbeperkt informeren. De in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bedoelde personen die de verplichte afzondering niet naleven, stellen zich krachtens artikel 79 van dat decreet bloot aan een geldboete van 26 tot 500 euro

aan een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of aan een van die straffen alleen Een eventuele strafvervolging van de overtreder maakt het voorwerp uit van een beoordeling in feite

in rechte door een onafhankelijke

onpartijdige strafrechter. B.10.9. Ondanks het zonder twijfel ingrijpende karakter van een principiële verplichting, opgelegd aan een persoon die geen of nog geen ziektesymptomen vertoont, om zich gedurende zeven tot tien dagen af te zonderen

in weerwil van de mogelijke strafsancties, lijkt de in artikel 47/1, § 2, eerste lid,

§ 3

, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bedoelde 33 maatregel geen vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te vormen. De onderlinge wisselwerking van alle kenmerken van die maatregel leidt er prima facie toe dat die maatregel veeleer als een beperking op de bewegingsvrijheid in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou moeten worden beschouwd. De cumulatieve benadering van die kenmerken lijkt niet tot een andere conclusie te leiden. B.10.

  1. De verzoekende partijen kunnen het door hen aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel bijgevolg niet doen steunen op de aanname dat de tijdelijke afzondering een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitmaakt. B.
  2. In zoverre de derde verzoekende partij aanvoert dat zij voor de gezondheid van haar dochter vaak naar het buitenland moet reizen, volstaat de vaststelling dat het bestreden decreet haar die reis niet verbiedt, maar haar slechts verplicht om een COVID-19-test te ondergaan

de verplichting tot afzondering in acht te nemen. Die verplichting geldt bovendien slechts indien haar bestemming op het ogenblik van haar terugkeer als hoogrisicogebied zou zijn aangeduid. B.12. Voor het overige zetten de verzoekende partijen geen concrete

precieze feiten uiteen die toelaten de ernst van het door hen aangevoerde nadeel te beoordelen. B.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Aangezien niet is voldaan aan een van de voorwaarden die zijn opgelegd bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd. 34 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands

het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 juni 2021. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.088 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.