ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 », ingesteld door Maarten Roels
anderen. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Vlaamse Gemeenschap - Preventief gezondheidsbeleid -
van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID–19 », ingesteld door Maarten Roels
anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen
F. Daoût,
de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, T. Detienne
D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering
rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 maart 2021 ter post aangetekende brief
ter griffie is ingekomen op 9 maart 2021, is een vordering tot schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID–19 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2020) ingesteld door Maarten Roels, John de Vreeze, Jean-Pierre Van Cauwenberghe, Viviane Van Kerckhove, Martin van Dongen, Steve Caster, Jean van Hille, Bert De Rijck, Elien Cardon, Kathy Grambergen, Annelies Beugnies, Danny Lambert, Katty Colpaert, Marjolein Maryns, Martine Wullaert, Peter Vereecke, Carine Buyens, Maria Van Schoors, Mario Denoyette, Luc Declercq, Francine Coopman, Willy Caekebeke, Sigrid Nelissen, Sandra Delperdange, Carine De Backer, Elise De Deyn, Cateline Hendrickx, Dirk Steenhout, Eddy Matthijs, Rita Van Beneden, Rufin Wauters, Veerle Van Keymeulen, Patrick De Schepper, Aurelia Verdonck, François De Wit, François Van Den Bergh, Paul De Man, Adelheid Gysel, An Van Eetvelde, Helena Lamberts-Van Assche, Liselotte Van Dooren, Jurgen Baeck, Björn De Meyer, Joeri Gantois, Marjan De Landtsheer, Martine Verhofstadt, Renate Dooms, Rita De Backer, Pieter Willem de Vries, Annie Van Daele, Marie Brusselaers, Bastiaan Geysen, Ingeborg Vercammen, Nico Troch, Hildegarde De Meulenaere, Inge Liesens, Peter Van der Henst, Patrick Maes, Piet De Smedt, Bernd van Hassel, Fabrice Selvi, Jeroen Franssens, Kristina Van de Gaer, Inge De Decker, Kurt van Rysseghem, Patrik Boone, Geertrui Daem, Viviane Van Kerkhove, Constance Hanssens, Jan Lanckman, Karel Schoonbaert, Marleen Pensaert, Myriam Demey, Sylvia Van Damme, Magda Libbrecht, Patrick Vandendriessche, Karen Vandendriessche, Martine Feryn, Stefaan Haezebrouck, Inés Vandewoestijne, Romain Vandewoestijne, Rita Hoornaert, Cornelia Jonckheere, Francis Jonckheere, Nancy Verschoot, Anja Thorrez, Erika Hallaert, Eva Vanooteghem, Paul Van Egghen, Willy Doom, Chris Beyaert, Katrien De Puydt, Kurt vanlandschoot, Annemie De Bel, Bart Desmet, Gerda Van De Pontseele, Nathalie Tettelin, Dirk Deman, Geert Verhelst, Kate Verhelst, Valerie Destoop-Verbrugge, Carlos Debucquoy, Thierry Casteele, Gregory Lahousse, Karl Phlips, Albert Bostyn, Nick Verhulst, Veronique Claes d'Erckenteel, Danny Gaytant, Kathleen Deroo, Werner Bertels, Brigitte Schoukens, Freddy Henderix, Lydie Melsen, Paul Vandecruys, Amanda Samaey, Birgit Hederer, Geert Vandewalle, Maria-Isabel Malleiro Y Taboas, André Vegter, Veronica Van Hoet, Agnes Jonckheere, Ann Callewaert, Steven Depicker, Steven Vrancken, Bert Smets, Mieke Vriens, Elvira de Graaf, Ruud Gysen, Johannes Noldes, Sven Hellings, Carolien Damman, Nancy De Pooter, Yvonne Van Kempen, Benjamin Dewit, Dominique Van Den Broeck, Niels Ramaekers, Inge Joachims, Dominique Stulens-Lenaers, Kristof Hermans, Dennis Roovers, Rudi Princen, Marielle Lambrechts, Lieve Philips, Josy Laumen, Noël Dinjens, Ann Hendrikx, Kelly Duisters, Patrick Indekeu, Petra Gielen, Robben Van Erum, John Van Reempts, Frank Dirckx, Sascha Del Sal, Ivo Goossens, Chantal Hoeven, Christina Delbressine, Karin Hoeven, Monique Dassen, Filip Habets, Wendy Janssen, Barbara Asprokolas, Miek Maes, Marielle Alewaters, Umile Barbieri, Jochen Bessemans, Fabrice Hamel, Karel Manshoven, Didier Steyaert, Edeltraud Cosemans, Gilda Biagina Mollo, Tiziana Gallucci, Cedric Kerkhofs, Karel Gorissen, Laura Barbieri, Rosina Micieli, Hans Pauwels, Claudia De Proft, Vik Nelissen, Catherine Keupers, Christel Copermans, Juul Vanleysen, Klaas Hoogerwaard, Marleen Marchal, Nathalie Janssen, Rafaël Eijssen, Tania Claes, Katrien Weckx, Birgit Berlanger, Jean-Luc Vanderlinden, Magda Robert, Wendy Lasseel, Ingrid Vertenten, Louis Jans, Martine Beyers, William Collett, Bert Cools, Christian Panneels, Elzbieta Oleksa, Laura Sampermans, Martine Deconinck, Alain Soffers, Liesbeth Renders, Wim Van Aelst, Veerle Mattheussen, Anne Huygh, Danielle Liesenborghs, Grietje Van den Eede, Jan 3 De Keuster, Marleen De Braekeleer, Torsten Koch, Bart Bottu, Tom Dhaenens, Derek Vanmolecot, Clark Trappeniers, Rob Daneels, Gerd Van Kogelenberg, Hilde De Smet, Hugo Dooms, Ivar Hermans, Severine Tastenhoye, Katrien Verstraete, Agnes Feyaerts, Griet Van Roosmalen, Hans Laureyssen, Dennis Geelen, Fried'l Hermans, Ignace Van Eeckhout, Nico IJff, Leen Haagdorens, Evi Vanheel, Dirk Bastiaensen, Lutgart Hanssens, Carolien Jongbloed, Danny De Cock, Francois Bosch, Hanny Poot, Luc Geenen, Muriel Van de Steen, Danny Digneffe, Frank Peeraer, Lud Verhelst, Michel Roofthooft, Mariette Pepermans, Ann Depooter, Cynthia Wyckmans, Patricia Aarts, Simon Roelants, Sofie Declercq, Dana Van den Broek, Denise Claessens, Anne Fierlafijn, Hadewych Goetelen, Brigitte Crombez, Mark Van Wauwe, Reinhilde Goossens, Leo Van den Bossche, Philip Martens, Maria Van Gompel, Esmeralda Verlinden, Jean-Marc Ravels, Lutgart Gillis, Nancy Dhont, Carine Francken, Diederik Brees, Karel Van Hilst, Luc Van Espen, Henri Vermuyten, Thierry De Mees, Gilles Hertoghe, Gisela Dietlein, Guy Poortmans, Martine Peters, Ilse Kussé, Antonis Antoniadis, Mario Verbruggen, Chris Prime, Elisa Ventrella, Ferdinand Van Ouytsel, Katie D'haene, Brigitte Pinckaers, Joris Van Dyck, Jean-Pierre Nachtegael, Kathy Farmery, Nicole Van Essche, Sissi Uytterhoeven, Efrem Van Steenwinkel, Luc Covents, Cynthia Bogaerts, Judy Daems, Lieve Ruwet, Johan Denis, Linda Immens, Peggy Van den Bergh, Alain Van den Bergh, Anne Brouwers, Bart Schelstraete, Katrien Meeussen, Marc Michiels, Dimitri Dierckx de Casterle, Dennis Deridder, Godfried Bervoets, Linda Santana, Marijke Mateusen, Karine De Proost, Peter Sels, Henri Pollaerts, Lydia Van Gestel, Dirk Rochtus, Matej Vukas, Bob Frateur, Ilona Elfers, Griet Cockx, Gunther Valgaeren, Greet Vanthienen, Guido Beysen, Nancy de Moor, Danielle De Roover, Gerda Moorkens, Kathleen Bastiaens, Liselotte Gijsels, Loran Behits, Ronald Van Roosbroeck, Krisje Scheurweghs, Kurt Deckx, Miranda Pauwels, Peggy
gelen, Sylvie Balemans, Ken Gysbrechts, Kristel Rombouts, Linda Int Panis, Rita Blank, Peter De Bie, Jeroen Faes, Paolo Craet, Karin Slootmans, Monique Wuyts, Sandra Trevisan, Dirk Van Offel, Sandra Int Panis, Anne Dorssemont, Fabienne Claeys, Guy Franck, Katrien Rommens, Nadine Van den Bergh, Elly Dekeyser, Robert Klene, Johan Van Aerschot, Rosa Boschmans, Ylvi Haass, Els Mattheeuws, Mieke Mattheeuws, Els Somers, Dien Stas, Serge Boeckx, Kervyn De Marcke Ten Dries, Andy De Geyndt, Ron Farmery, Conny Van Eycken, Gaby De Decker, Peter Lauwereys, Fabienne Sels, Marta Barandiy, Andrea Heitkamp, Karla Vannuffelen, Nadia Van Hemelrijck, Peter Vandendaele, Martina Hartmann, Godelieve Van Den Nest, Anne-Marie Sergeant, Willem Carpentier, Nathalie Borremans, Peggy Lissens, Chris Fauconnier, Carine De Neef, Marileen Janssens, Guido Crommen, Luc Desmedt, Joseph Nagy, Sheena Lee De Clercq, Inge Verjans, Victor Van de Putte, Guy Van de Putte, Joseph Brokken, Patrick Rouges, Steven Peeters, Danielle Renaut
Dirk Baeken, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. C. Knapen, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 17 maart 2021 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 april 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 12 april 2021 in te dienen
een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. 4 De Vlaamse Regering, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. B. Martel, Mr. K. Caluwaert
Mr. A. Van de Meulebroucke, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2021 : - zijn verschenen : . Mr. C. Knapen, voor de verzoekende partijen; . Mr. K. Caluwaert, tevens loco Mr. B. Martel
Mr. A. Van de Meulebroucke, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters
P. Nihoul verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.1. De verzoekers voeren aan dat het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » hun verplichtingen oplegt die kunnen neerkomen op een vrijheidsberoving. De niet-naleving van die verplichtingen wordt bestraft met zware strafsancties
burgerlijke sancties. Ook de zeven verzoekers die in het buitenland wonen
de vier verzoekers die in Wallonië of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen, hebben een belang bij de vernietiging van het bestreden decreet, aangezien die verplichtingen op hen van toepassing zijn zodra zij zich naar Vlaanderen verplaatsen. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat eenieder een belang heeft om wetgeving te bestrijden die raakt aan de habeas corpus of aan een ander aspect van de democratische rechtsstaat dat dermate essentieel is dat de vrijwaring ervan alle burgers aanbelangt, zoals de uitoefening van de machten. A.1.2. Volgens de Vlaamse Regering is het onderhavige beroep minstens gedeeltelijk onontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting van middelen. De meeste middelen die de verzoekers ontwikkelen, verwijzen weliswaar naar grondwetsbepalingen
verdragsbepalingen, maar de verzoekers geven meestal niet aan hoe de bestreden bepalingen de aangevoerde toetsingsnormen zouden schenden. Ten aanzien van de ernst van de middelen Wat betreft het eerste middel A.2. Volgens de verzoekers schendt het bestreden decreet artikel 128, § 2, van de Grondwet
artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, aangezien de quarantaineplicht
de contact tracing geen deel uitmaken van de limitatief opgesomde bevoegdheden van de gemeenschappen inzake 5 het gezondheidsbeleid. Die bepalingen kennen de decreetgever immers geen
kele bevoegdheid toe inzake de verwerking van persoonsgegevens
medische gegevens, noch inzake het verplicht stellen van een PCR-test. Alle maatregelen in het kader van de preventie van ziekten behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever. Die bepalingen laten de decreetgever evenmin toe de overtreding van zijn decreten strafbaar te stellen. Ook het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap
de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano
de door de bevoegde gefedereerde
titeiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties
mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID–19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano heeft volgens de verzoekers de federale bevoegdheden inzake gegevensverwerking, vrijheidsberoving
strafrecht niet overgedragen of gedelegeerd aan de gemeenschappen. Integendeel, het benadrukt dat de federale overheid
de gefedereerde
titeiten elk binnen hun bevoegdheidssfeer de nodige maatregelen moeten nemen om het ten uitvoer te leggen. Tot slot schendt het bestreden decreet volgens de verzoekers artikel 5, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, aangezien het voorontwerp ervan niet voor verslag werd voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof, die krachtens die bepaling nochtans de gevolgen op korte
lange termijn op de begroting van de federale overheid
van de sociale zekerheid diende te evalueren. A.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste middel laattijdig is in zoverre het kritiek formuleert op het decreet van 29 mei 2020, op het decreet van 10 juli 2020
op andere, niet nader gespecifieerde decreten. In zoverre het die laatste decreten niet identificeert, is het middel overigens onontvankelijk bij gebrek aan duidelijkheid. A.3.2. De verplichting om in tijdelijke afzondering te gaan
zich te melden voor een medisch onderzoek, valt volgens de Vlaamse Regering wel degelijk onder de bevoegdheden van de gemeenschappen. Krachtens artikel 5, § 1, I, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn zij immers exclusief bevoegd voor de preventieve gezondheidszorg
hebben zij op dat vlak volheid van bevoegdheid gekregen. Zoals de Raad van State, afdeling wetgeving, in zijn advies bij het bestreden decreet vermeldde, is de federale bevoegdheid voor de nationale maatregelen inzake profylaxis overigens beperkt tot de verplichte inentingen. De bestreden bepalingen hebben evenwel niets uit te staan met die materie. A.3.3. De verwerking van persoonsgegevens is volgens de Vlaamse Regering geen residuair federale bevoegdheid, maar een parallelle bevoegdheid, die elke wetgever kan regelen binnen de uitoefening van zijn materiële bevoegdheden. Artikel 22 van de Grondwet vermeldt immers uitdrukkelijk dat de bescherming van het recht op eerbiediging van het privé-
gezinsleven wordt geregeld door de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel. Aangezien de gemeenschappen bevoegd zijn om de tijdelijke afzondering
de verplichte COVID-19-test te regelen, zijn zij dus ook bevoegd om in dat verband de verwerking van persoonsgegevens te regelen. A.3.4. De Vlaamse Regering wijst er voorts op dat de deelstaten krachtens artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wel degelijk bevoegd zijn om de niet-naleving van hun decreten strafbaar te stellen
de straffen te bepalen. A.3.5. Tot slot moest het voorontwerp van het bestreden decreet volgens de Vlaamse Regering niet voor advies worden voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof, aangezien die verplichting alleen geldt voor decreten die als doel hebben de erkenningsnormen van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, zorgprogramma’s
ziekenhuisfuncties vast te leggen. Wat betreft het tweede middel A.4. Volgens de verzoekers schendt het nieuwe artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 21 november 2003), zoals ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden decreet, de artikelen 8
12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 6 Een quarantaine is volgens de verzoekers een vrijheidsberoving zonder voorafgaand rechterlijk optreden
zonder rechterlijk toezicht a posteriori. Artikel 81 van het bestreden decreet sluit zelfs elk beroep in rechte uit zolang de quarantaineplicht geldt. De bestreden bepaling legt de quarantaineplicht niet alleen op aan personen die daadwerkelijk met het SARS- CoV-2-virus zijn besmet, maar ook aan personen van wie een arts vermoedt dat zij besmet zijn, alsook aan personen die worden gebeld door een contact tracer met de mededeling dat zij een hoogrisicocontact hebben gehad
aan personen die terugkeren vanuit een buitenlands hoogrisicogebied. Ten aanzien van die drie laatste categorieën van personen is volgens de verzoekers geen sprake van een bewezen besmetting,
vaak zelfs niet eens van een vermoeden van besmetting. Wat meer bepaald de categorie van de terugkeerders uit hoogrisicogebieden betreft, wijzen de verzoekers erop dat de Belgische beoordeling van wat een hoogrisicogebied is, niet noodzakelijk overeenkomt met de beoordeling die het betrokken land daar zelf over maakt. Het is tevens mogelijk dat een bepaald gebied nog als risicovrij wordt bestempeld op het ogenblik waarop de reiziger ernaartoe vertrekt, maar dat het een hoogrisicogebied is geworden wanneer hij terugkeert. Dit impliceert dat hij bij terugkeer tien dagen quarantaine in acht moet nemen, zelfs indien hij heeft verbleven in een afgelegen vakantiehuis zonder contact met derden. De verzoekers wijzen in dit verband nog erop dat de wetenschappelijke inzichten omtrent de besmettelijkheid
de incubatietijd van COVID-19 vaak veranderen, zonder dat
ige wetenschappelijke studie voorligt die deze wisselende stellingnames ondersteunt. Daardoor wordt de bevolking onderworpen aan pure willekeur op het vlak van quarantainemaatregelen. Sedert 1 oktober 2020 kent België overigens geen formele noodtoestand meer. Slechts 5,5 % van de bevolking test positief, het overgrote deel van de positief geteste personen maakt de ziekte asymptomatisch door,
de meeste mensen die symptomen ontwikkelen, blijken een erg milde vorm van de ziekte door te maken. De weinige personen die zwaar ziek worden, zijn bejaarden
personen met onderliggende aandoeningen. A.5.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het tweede middel gedeeltelijk onontvankelijk is wegens gebrek aan uiteenzetting ervan. De verzoekers zetten immers nergens uiteen hoe de bestreden bepaling artikel 8 van de Grondwet zou schenden. Eveneens verbinden zij de kritiek dat de inzichten over besmettelijkheid
incubatietijd van COVID-19 aan evolutie onderhevig zijn, alsook de kritiek dat de lijst van hoogrisicogebieden snel verandert
verschilt van land tot land, niet met de aangevoerde toetsingsnormen. A.5.2. Volgens de Vlaamse Regering maakt de tijdelijke afzondering in de zin van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 geen vrijheidsberoving uit, zodat artikel 12 van de Grondwet
artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens er niet op van toepassing zijn. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt immers dat het onderscheid tussen een vrijheidsberoving
een loutere vrijheidsbeperking wordt bepaald aan de hand van de intensiteit van de maatregel
niet aan de hand van de inhoud ervan. Er dient rekening te worden gehouden met de aard, de duur, de gevolgen, de uitvoeringsmodaliteiten
de manier waarop de maatregel werd genomen. In zijn arrest de Tommaso t. Italië van 23 februari 2017 heeft de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens geoordeeld dat de specifieke context
omstandigheden waarin de betrokken maatregel tot stand komt, een belangrijke factor zijn, aangezien zich in een moderne samenleving vaak situaties voordoen waarin de bevolking kan worden opgeroepen om in het algemeen belang beperkingen op haar bewegingsvrijheid te ondergaan. Dergelijke beperkingen maken geen vrijheidsberoving uit als zij een onvermijdelijk gevolg zijn van omstandigheden buiten de controle van de overheid, noodzakelijk zijn om een reëel risico op ernstig letsel of schade te voorkomen
beperkt blijven tot de minimale duur die voor het bereiken van die doelstelling vereist is. Uit de overige rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt overigens dat de gedwongen opname in een ziekenhuis of in een verzorgingstehuis van personen die medische verzorging nodig hebben, geen vrijheidsberoving vormt, alsook dat een vorm van bijzonder toezicht, gecombineerd met een bevel om in een bepaalde plaats te verblijven
met andere beperkingen, geen vrijheidsberovende maatregel in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 2 van Protocol nr. 4 bij dat Verdrag uitmaakt. A.5.3. De Vlaamse Regering betoogt dat bij de beoordeling van de bestreden bepaling rekening moet worden gehouden met de zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin zij tot stand is gekomen. België
de omringende landen worden nog steeds geconfronteerd met een ongeziene
ernstige gezondheidscrisis die dringende
7 ingrijpende maatregelen nodig maakt. De tijdelijke afzondering in de zin van de bestreden bepaling is een noodzakelijke maatregel om de COVID-19-pandemie te bedwingen
te vermijden dat het Belgische gezondheidszorgsysteem zou worden overbelast. In die context is de tijdelijke afzondering in de zin van de bestreden bepaling een maatregel van een geheel andere orde dan de voorlopige hechtenis. Zij is immers geen strafmaatregel, maar een preventieve administratieve maatregel die als bedoeling heeft de verspreiding van een zeer besmettelijk virus te vertragen. De aard
de intensiteit van die maatregel zijn ook geenszins vergelijkbaar met die van een vrijheidsberoving in het kader van een strafzaak,
dit om acht redenen. Ten eerste kunnen de personen die in afzondering moeten gaan, zelf kiezen op welke gepaste plaats zij dat doen, zonder dat dit door de overheid wordt opgelegd. Zij kunnen kiezen voor hun hoofdverblijfplaats, voor een tweede verblijf of voor een hotelkamer. Ten tweede is er geen een systematisch toezicht op de tijdelijke afzondering. De controle op de naleving ervan gebeurt immers slechts steekproefsgewijs. Ten derde wordt er geen fysieke hindernis aangebracht die het verlaten van de plaats van afzondering belemmert. In dat opzicht is het dus onjuist te beweren dat er geen rechterlijk toezicht is dat tot « invrijheidstelling » kan leiden. Ten vierde mogen de personen van wie nog niet is bewezen dat zij met COVID-19 zijn besmet, hun plaats van tijdelijke afzondering verlaten voor bepaalde noodzakelijke verplaatsingen zoals dringende medische verzorging, de aankoop van basisbenodigdheden
het regelen van dringende financiële of juridische kwesties, voor zover zij daarbij extra aandacht besteden aan de hygiënische maatregelen. Ten vijfde geschiedt de handhaving van de tijdelijke afzondering op basis van evenredigheid. Hoewel artikel 79 van het decreet van 21 november 2003 voorziet in de mogelijkheid om strafsancties op te leggen, gaat de voorkeur uit naar ondersteuning
sensibilisering. De strafrechtelijke handhaving is pas de laatste stap. Ten zesde duurt de tijdelijke afzondering slechts zo lang als strikt noodzakelijk is in het licht van de meest actuele wetenschappelijke inzichten met betrekking tot de besmettelijkheid
de incubatietijd van COVID-19. Krachtens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021 « tot uitvoering van artikel 34/1, tweede lid,
artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 tot uitvoering van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het uitvoeringsbesluit van 8 januari 2021) bedraagt de huidige duur van de tijdelijke afzondering aldus slechts tien dagen. Die duur kan zelfs worden ingekort door op de zevende dag een vrijwillige COVID-19-test te ondergaan : indien die test negatief is, kan de afzondering vroegtijdig worden beëindigd. Ten zevende houdt de tijdelijke afzondering
kel de verplichting in om fysieke contacten met anderen te vermijden. Andere manieren om sociaal contact te onderhouden, worden daarentegen niet beperkt
de betrokkene heeft onbeperkt toegang tot telefoon, internet
andere communicatiekanalen. Zelfs een fysieke ontmoeting met inachtneming van de nodige veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld achter vensterglas, blijft mogelijk. De beperkingen op de fysieke contacten gelden thans overigens niet alleen voor de personen die in tijdelijke afzondering moeten gaan, maar voor alle burgers. Ten achtste worden de financiële gevolgen van de tijdelijke afzondering zo veel mogelijk beperkt. Personen die kunnen thuiswerken, mogen dat ook tijdens hun afzondering onverkort blijven doen. Personen die vanuit de aard van hun functie niet kunnen thuiswerken, hebben recht op een tijdelijke werkloosheidsuitkering. A.5.4. In ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden maatregel een rechtmatige vorm van vrijheidsberoving uitmaakt. Indien hij al onder het toepassingsgebied van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou vallen, vormt
kel artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een gepast toetsingscriterium. Krachtens die bepaling is een detentie gerechtvaardigd in zoverre dat noodzakelijk is ter voorkoming
verspreiding van besmettelijke ziekten. In dat verband moet worden opgemerkt dat de verspreiding van COVID-19 een gevaar voor de volksgezondheid uitmaakt, aangezien al meer dan 23 000 Belgen aan die ziekte zijn overleden
aangezien zij aanleiding geeft tot een hoge bezettingsgraad in de ziekenhuizen. 8 De tijdelijke afzondering moet ook als het laatste redmiddel in de strijd tegen de COVID-19-pandemie worden beschouwd, aangezien minder verregaande maatregelen onvoldoende zijn gebleken om de volksgezondheid
de openbare veiligheid te beschermen. Het bevel tot tijdelijke afzondering maakt immers deel uit van een cluster van dringende maatregelen die zijn genomen om die pandemie te beheersen. Naar gelang van de fase waarin die pandemie zich bevindt, houden die maatregelen minder of meer verregaande beperkingen op het vlak van de bewegingsvrijheid in, waarbij de federale overheid
de deelstaatregeringen steeds hebben gezocht naar een billijk evenwicht tussen de belangen van de samenleving in haar geheel
de belangen van de betrokken personen. A.5.5. In uiterst ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter
het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Het recht op een rechterlijke controle a priori dat is vervat in artikel 12 van de Grondwet is alleen van toepassing op de aanhouding in het kader van een onderzoek naar strafbare feiten
is in casu dus niet van toepassing. Artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens past in het kader van het fundamentele beginsel van de habeas corpus. Die bepaling geldt weliswaar ook buiten de strikt strafrechtelijke context, maar wel alleen voor personen die worden gevangengehouden. Het bevel tot tijdelijke afzondering is daarentegen geen arrestatie of aanhouding waarop artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan worden toegepast. Er is immers geen sprake van een opsluiting op een door de overheid aangewezen plaats, met onmogelijkheid om die plaats te verlaten
met systematisch toezicht. Personen die in tijdelijke afzondering moeten gaan, moeten vooral op grond van hun eigen burgerzin die afzondering bewaken, maar kunnen bij gebrek aan fysieke barrières hun eigen « invrijheidstelling » bewerkstelligen, zonder dat daarvoor een rechterlijke uitspraak nodig is. Indien zij daarbij worden geverbaliseerd, staat hun tegen de opgelegde sanctie een beroep met volle rechtsmacht bij de bevoegde rechter open,
indien zij strafrechtelijk worden gedagvaard, doet een onafhankelijke
onpartijdige strafrechter uitspraak over die strafklacht. Bovendien dient de rechterlijke controle vooral tot het nagaan of de genomen detentiemaatregel rechtmatig is, terwijl de bestreden tijdelijke afzondering rechtstreeks voortvloeit uit het bestreden decreet. Wat betreft het derde middel A.6. Volgens de verzoekers schendt het nieuwe artikel 34/1 van het decreet van 21 november 2003, ingevoegd bij artikel 2 van het bestreden decreet, artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
met artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, doordat het uitvoeringsbesluit ervan voorziet in een zeer ruime uitwisseling van gevoelige persoonsgegevens met lokale besturen. Nochtans kent artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet de gemeenten niet de bevoegdheid toe om persoonsgebonden informatie, zoals informatie met betrekking tot SARS-CoV-2-testen, te verwerken. Die bepaling laat hun slechts toe passende maatregelen te nemen ter bestrijding van epidemieën, maar de contact tracing is in dat verband geen passende maatregel. De verzoekers wijzen erop dat het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021 het federaal agentschap Zorg
Gezondheid als verwerker van de persoonsgegevens bedoeld in de bestreden bepaling aanwijst. Die keuze voor een federaal agentschap illustreert volgens hen dat de Vlaamse Regering intussen haar eigen onbevoegdheid had ingezien. In dit verband is volgens hen ook van belang dat de Vlaamse Regering de volledige contact tracing heeft uitbesteed aan een private onderneming, zonder te voorzien in de nodige garanties dat de werknemers van dat bedrijf hun beroepsgeheim zullen eerbiedigen. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat de contact tracer de persoon die hij moet contacteren, persoonlijk kent. Die private onderneming moet de door haar verzamelde gegevens overigens delen met de vzw « Smals », die het sms-systeem beheert
die zelf niet aan
ige geheimhoudingsplicht is onderworpen. Die inbreuk op het privé-
gezinsleven is volgens de verzoekers geenszins noodzakelijk, aangezien België sinds 1 oktober 2020 geen noodtoestand meer kent
aangezien slechts een kleine fractie van de besmette personen ernstige symptomen ontwikkelt. Bovendien is alleen de federale wetgever bevoegd om te bepalen in welke gevallen
onder welke voorwaarden het recht op eerbiediging van het privéleven mag worden beperkt. Indien de decreetgever binnen zijn bevoegdheden maatregelen neemt die een inmenging in het privéleven uitmaken, dient hij de algemene federale regelgeving als minimumregeling te eerbiedigen. 9 A.7.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het derde middel onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting ervan. De verzoekers sommen heel wat onsamenhangende feiten op
halen daarbij veel zaken door elkaar, maar laten na aan te geven op welke manier die feitelijke gegevens, als zij al juist zijn, relevant zijn in het licht van de aangevoerde toetsingsnormen. In zoverre de verzoekers verwijzen naar het decreet van 29 mei 2020, is hun uiteenzetting naast de kwestie, aangezien de bestreden bepaling slechts betrekking heeft op het doorgeven van persoonsgegevens aan de gemeenten door het agentschap Zorg
Gezondheid. In zoverre de verzoekers verwijzen naar vroegere bepalingen van het decreet van 29 mei 2020, die door het bestreden decreet werden gewijzigd, is het middel overigens onontvankelijk ratione temporis. A.7.2. Volgens de Vlaamse Regering bevat de uiteenzetting van de verzoekers veel onjuistheden. Het is onjuist te beweren dat de bestreden bepaling als gevolg heeft dat allerhande data, waaronder delicate medische gegevens, worden gedeeld met verscheidene lokale besturen. De persoonsgegevens die aan de gemeenten mogen worden doorgegeven, betreffen slechts de voornaam
familienaam, het adres van de afzondering
de termijn ervan. Zij worden bovendien niet gedeeld met andere lokale besturen dan gemeenten. Daarnaast is het onjuist te beweren dat de gemeenten niet over
ige bevoegdheid beschikken ten aanzien van die persoonsgegevens. De bestreden bepaling voorziet zelf in de bevoegdheid van de gemeenten om krachtens artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet over te gaan tot handhaving van de maatregelen. De burgemeester kan krachtens die bepaling passende maatregelen nemen om de volksgezondheid van de inwoners te beschermen. Ook is het onjuist te beweren dat de gemeenten niet zijn onderworpen aan de controle van de Gegevensbeschermingsautoriteit of dat het uitvoeringsbesluit van 8 januari 2021 de aan de gemeenten meegedeelde persoonsgegevens uitbreidt. A.7.3. In zoverre de verzoekers kritiek leveren op het uitbesteden van het centrale contactcentrum aan externe partners
de daarmee samenhangende risico’s in verband met het beroepsgeheim, wijst de Vlaamse Regering erop dat artikel 458 van het Strafwetboek niet het voorwerp van het onderhavige beroep uitmaakt
dat een schending van het beroepsgeheim niet alleen contractueel, maar ook strafrechtelijk wordt bestraft. A.7.4. De Vlaamse Regering geeft toe dat de bestreden bepaling een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven vormt, maar voegt daaraan toe dat die inmenging in casu gerechtvaardigd is. Ten eerste is de bestreden maatregel bepaald bij een formeel wetskrachtige norm. Het is in dat opzicht onjuist te beweren dat alleen de federale wetgever bevoegd zou zijn om beperkingen op dat grondrecht te bepalen. Het gaat immers om een oneigenlijk concurrerende bevoegdheid, waarbij de federale wetgever op algemene wijze kan bepalen in welke gevallen
op welke manier het grondrecht op eerbiediging van het privéleven kan worden beperkt,
het vervolgens aan elke wetgevende vergadering toekomt om, binnen de uitoefening van de eigen bevoegdheden, toepassing te maken van die federale regels. Ten tweede streeft de bestreden bepaling een legitieme doelstelling na, zoals vermeld in artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, meer bepaald de bescherming van de gezondheid
van de rechten
vrijheden van anderen. Ten derde is de bestreden bepaling noodzakelijk in een democratische samenleving, omdat de COVID-19- pandemie een ernstig maatschappelijk probleem vormt
de verwerking van persoonsgegevens in de bestreden bepaling een cruciale rol speelt in het bestrijden ervan. Zij vormt een gepaste
noodzakelijke maatregel gelet op de specifieke eigenschappen van dat virus. Veel personen die ermee besmet zijn
die zelf besmettelijk zijn, vertonen geen symptomen. Het bestreden contactonderzoek maakt het mogelijk om die personen op te sporen
hen te wijzen op hun plicht om in tijdelijke afzondering te gaan. De bestreden maatregel is tot slot evenredig met de nagestreefde doelstelling doordat zij slechts betrekking heeft op die persoonsgegevens die strikt noodzakelijk zijn om de controle op de tijdelijke afzondering mogelijk te maken
aangezien zij in een zeer korte bewaartermijn van die persoonsgegevens voorziet. Voorts bepalen de artikelen 3
6 van het bestreden decreet dat de Vlaamse Regering maatregelen moet nemen om de persoonsgegevens te beschermen, hetgeen zij heeft gedaan bij het uitvoeringsbesluit van 8 januari
de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
betreffende het vrije verkeer van die gegevens
tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) », die zij ook als de Algemene Verordening Gegevensbescherming aanduiden,
de « Europese wet » van 25 mei 2018, die zij ook als de General Data Protection Regulation aanduiden. Die beide normen leggen volgens hen verschillende verplichtingen op die in het kader van de voorbereiding van het bestreden decreet zijn veronachtzaamd. Zo heeft de Vlaamse Regering geen voorafgaande overeenkomst gesloten met de
titeiten die worden aangesteld om persoonsgegevens te verwerken, heeft zij het voorontwerp van decreet niet aan een Privacy Impact Assessment onderworpen
heeft zij dat voorontwerp niet voor advies voorgelegd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit. Die nalatigheden stellen de Vlaamse Regering volgens de verzoekers bloot aan een boete, opgelegd door de Gegevensbeschermingsautoriteit, die kan oplopen tot 20 miljoen euro. Ook inhoudelijk strookt het bestreden decreet volgens de verzoekers niet met die Europese normen, aangezien het de betrokkene dwingt om de gevraagde persoonsgegevens mee te delen, op straffe van de strafsancties bepaald in artikel 79 van het decreet van 21 november 2003, terwijl die Europese normen elke verwerking van persoonsgegevens onderwerpen aan de ondubbelzinnige
geïnformeerde toestemming van de betrokken burger. Het bestreden decreet laat ook na te waarborgen dat de betrokkene op de hoogte wordt gehouden over wat er met zijn persoonsgegevens gebeurt of dat hij zijn gegevens kan verbeteren. Ook zijn recht om vergeten te worden, wordt door het bestreden decreet niet gewaarborgd. A.9.1. De Vlaamse Regering wijst erop dat het Hof onbevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan de verordening (EU) 2016/679
aan de « Europese wet » van 25 mei 2018. Daarnaast is het vierde middel onontvankelijk omdat het Hof niet bevoegd is om de parlementaire procedure te controleren. Het is met name niet bevoegd om na te gaan of de decreetgever ten onrechte heeft nagelaten het voorafgaande advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit in te winnen. Tot slot is het vierde middel onontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting ervan. De verzoekers laten na een concrete toetsingsnorm aan te wijzen
preciseren niet hoe het bestreden decreet hem zou schenden. Zij beperken zich tot een onsamenhangende opsomming van
kele algemeenheden inzake gegevensbescherming. A.9.2. Daarnaast voert de Vlaamse Regering aan dat de uiteenzetting van de verzoekers feitelijke onjuistheden bevat. De Algemene Verordening Gegevensbescherming
de General Data Protection Regulation zijn één
dezelfde norm, die op 27 april 2016 is aangenomen
op 25 mei 2018 in werking is getreden. Een verordening moet overigens niet worden omgezet in nationale wetgeving, omdat zij directe werking heeft. Ook is het onjuist te beweren dat het uitvoeringsbesluit van 8 januari 2021 een federaal agentschap als verwerkingsverantwoordelijke aanwijst : het agentschap Zorg
Gezondheid is wel degelijk een Vlaams intern verzelfstandigd agentschap. Tot slot is de Gegevensbeschermingsautoriteit niet bevoegd om de Vlaamse Regering een boete op te leggen. A.9.3. Ten gronde merkt de Vlaamse Regering op dat de toestemming van de betrokkene, vermeld in artikel 6, lid 1, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, niet de
ige rechtsgrond is voor de verwerking van persoonsgegevens. De verzoekers laten overigens na te preciseren voor welke verwerking toestemming moet worden gevraagd
waarom die toestemming vereist zou zijn. Voorts vermeldt de privacyverklaring van het agentschap Zorg
Gezondheid de mogelijkheid voor de betrokkenen om hun rechten uit te oefenen in het kader van de contactopsporing. Die privacyverklaring moest niet bij decreet worden geregeld, gelet op de directe werking van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Voorts laten de verzoekers na te preciseren welke norm de Vlaamse Regering zou verplichten om een voorafgaande overeenkomst te sluiten met « de
titeiten die worden aangesteld om persoonsgegevens te verwerken ». Het uitvoeringsbesluit van 8 januari 2021 wijst het agentschap Zorg
Gezondheid overigens aan als de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerkingen die worden uitgevoerd op grond van het bestreden decreet. De verzoekers laten eveneens na te verduidelijken welke bepaling de Vlaamse Regering zou verplichten om een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit te voeren. 11 A.9.4. Wat de voorbereiding van het bestreden decreet betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat niet de Gegevensbeschermingsautoriteit, maar de Vlaamse Toezichtcommissie moest worden geraadpleegd. Dat is ook gebeurd
die commissie heeft op 17 november 2020 een advies uitgebracht over het voorstel dat tot het bestreden decreet heeft geleid. Wat betreft het vijfde middel A.10. Volgens de verzoekers schendt artikel 79 van het decreet van 21 november 2003, zoals gewijzigd bij artikel 6 van het bestreden decreet, de artikelen 10, 11, 14
30 van de Grondwet
de artikelen 12, 13
19 van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden » (hierna : de Antiracismewet). Volgens de verzoekers komt het
kel aan de federale wetgever toe te bepalen welke gedragingen strafbaar zijn. Hij dient niet elk aspect van de strafbaarstelling te regelen, maar de delegaties die hij verleent, moeten beperkt zijn. Aangezien de federale wetgever de Vlaamse Regering niet heeft gemachtigd om bij decreet strenge strafsancties op te leggen, schendt de bestreden bepaling de aangehaalde toetsingsnormen. Daarnaast zijn de verzoekers van mening dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 12, 13
19 van de Antiracismewet, aangezien de strafsancties waarin zij voorziet,
kel van toepassing zijn op « Vlamingen die woonachtig zijn op Vlaams grondgebied
in de Vlaamse rand rond Brussel », maar niet op het grondgebied van Wallonië
Brussel. Het bestreden decreet schendt daarnaast het beginsel van gelijkheid
niet-discriminatie, omdat artikel 4 van het besluit van 8 januari 2021 verschillende categorieën van personen uitzondert van de verplichte PCR-test, de contact tracing
de quarantaineplicht. Die personen worden vrijgesteld van elke verplichting, ongeacht of zij ziek of besmet zijn. A.11.
dus niet door de Vlaamse Regering. De Vlaamse decreetgever is overigens bevoegd om de niet-naleving van zijn decreten strafbaar te stellen
de straffen te bepalen krachtens artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De decreetgever moet daarbij de zwaarte van de strafsancties die hij bepaalt, niet afstemmen op de strafsancties die de federale wetgever of de wetgevende vergaderingen van de andere deelstaten voor soortgelijke feiten bepalen. Een dergelijk verschil in behandeling kan de artikelen 10
11 van de Grondwet niet schenden, aangezien dit de autonomie van de deelstaten zou uithollen. A.11.3. In zoverre het middel betrekking heeft op een verschil in behandeling tussen personen die een hoogrisicogebied hebben bezocht, naargelang zij zich wel of niet aan de verplichting om in tijdelijke afzondering te gaan, moeten houden, wijst de Vlaamse Regering op de ruime beoordelingsmarge waarover de decreetgever in de huidige complexe context beschikt om de gepaste maatregelen te bepalen om de COVID-19-pandemie te bestrijden. Artikel 47/1, § 2, vierde lid, van het decreet van 21 november 2003 machtigt de Vlaamse Regering om een vrijstelling van de verplichting om in tijdelijke afzondering te gaan, toe te kennen aan drie categorieën van personen die een hoogrisicogebied hebben bezocht. Het gaat om personen die daar slechts voor een korte duur zijn geweest, personen wier kans op besmetting door hun gedrag laag wordt geacht
personen die om essentiële redenen in een hoogrisicogebied zijn geweest. Met de keuze voor die drie categorieën van personen beoogt de decreetgever de strijd tegen de COVID-19-pandemie te verzoenen met het vermijden van een al te grote socio- economische ontwrichting. Om de continuïteit van een aantal essentiële functies te garanderen, is het noodzakelijk aan bepaalde personen toe te staan de grens over te steken zonder nadien in tijdelijke afzondering te moeten gaan, althans voor zover niet bewezen is dat zij met COVID-19 zijn besmet. 12 Wat betreft het zesde middel A.12. Volgens de verzoekers schendt het bestreden decreet artikel 187 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de grondrechten gewaarborgd door titel II van de Grondwet. Ingevolge artikel 187 van de Grondwet kan de Grondwet noch geheel, noch ten dele worden geschorst, ongeacht de aard
intensiteit van de noodtoestand die zich zou voordoen. Die bepaling wordt volgens hen geschonden doordat de huidige situatie nooit tot « pandemie » had mogen worden uitgeroepen. De cijfergegevens op grond waarvan de Wereldgezondheidsorganisatie op 11 maart 2020 oordeelde dat sprake was van een pandemie, zijn achteraf een zware overschatting van het aantal besmettingen
overlijdens gebleken. De Wereldgezondheidsorganisatie is nochtans niet bevoegd om de Belgische overheid te dwingen de noodtoestand uit te roepen of om haar bindende regels op te leggen. Ook op Belgisch niveau is volgens hen geen sprake van een epidemie, aangezien slechts 5,5 % van de afgenomen COVID-testen positief is
er nooit meer dan 7 300 personen tegelijk gehospitaliseerd waren, terwijl België meer dan 50 000 ziekenhuisbedden telt. Het merendeel van de gehospitaliseerde patiënten waren overigens bejaarden
personen met een onderliggende aandoening. Het nieuwe artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 is bovendien niet in de tijd afgebakend
kan bijgevolg jaarlijks door de Vlaamse Regering worden aangevoerd om draconische maatregelen te nemen ter bestrijding van de seizoensgriep. A.13.
wordt hun fysieke integriteit aangetast. Ook de vrijheidsberoving die het gevolg is van de quarantaineplicht kan niet ongedaan worden gemaakt. A.15.1. De Vlaamse Regering wijst erop dat pas aan de vereiste van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan indien de verzoekers riskeren een nadeel lijden, dat nadeel ernstig is, er een causaal verband bestaat tussen de onmiddellijke uitvoering van de bestreden norm
het risico dat dat nadeel zich zal voordoen, het nadeel moeilijk herstelbaar is,
de schorsing van de bestreden norm kan voorkomen dat het nadeel zich realiseert. Om drie redenen is niet aan die cumulatieve voorwaarden voldaan. A.15.2. Ten eerste brengen de verzoekers volgens de Vlaamse Regering geen concrete
precieze gegevens bij waaruit het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou blijken. De vage
summiere uiteenzetting van de verzoekers, die niet wordt gestaafd door
ig concreet gegeven, is manifest ontoereikend om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen beoordelen. 13 Ten tweede is het nadeel dat erin zou bestaan dat de verzoekers « van hun vrijheid kunnen worden beroofd », volgens de Vlaamse Regering louter hypothetisch.
voor zover dat nadeel zich zou voordoen, tonen de verzoekers niet aan dat dit ongemak als dermate ernstig kan worden beschouwd dat het de schorsing van het bestreden decreet zou kunnen verantwoorden. Het loutere feit dat de verzoekers een eventuele tijdelijke afzondering of COVID-19-test zelf als nutteloos beschouwen, volstaat niet om het ernstige karakter, laat staan het moeilijk te herstellen karakter, van een dergelijk nadeel vast te stellen. Ten derde leggen de bestreden bepalingen volgens de Vlaamse Regering geen vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens op, maar hooguit een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij dat Verdrag. A.15.3. Daarnaast wijst de Vlaamse Regering erop dat het nadeel dat de verzoekers in dit verband aanvoeren, slechts betrekking heeft op het nieuwe artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, maar niet op het nieuwe artikel 47/1, § 1, eerste lid, van dat decreet. Evenmin voeren zij aan dat de bestreden bepalingen inzake het contactonderzoek
de organisatie van de COVID-19-teams hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. In zoverre de vordering tot schorsing daartegen is gericht, is zij onontvankelijk. Ten aanzien van de belangenafweging A.16. De Vlaamse Regering voert aan dat, indien het Hof van oordeel zou zijn dat de verzoekers het bestaan van een risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel
van ernstige middelen aantonen, het de vordering tot schorsing alsnog dient af te wijzen omdat het voordeel dat voor de verzoekers uit die schorsing voortvloeit, niet opweegt tegen de nadelen die zij met zich zou meebrengen voor de bescherming van de volksgezondheid. Een schorsing van de verplichting tot tijdelijke afzondering, van het contactonderzoek
van de COVID-19-teams zou als gevolg hebben dat het virus opnieuw de vrije loop krijgt, zonder dat de overheid nog instrumenten ter beschikking heeft om de verspreiding ervan te monitoren. Daarentegen voeren de verzoekers slechts een hypothetisch nadeel aan, aangezien het geenszins vaststaat dat zij ooit met de verplichting om in tijdelijke afzondering te gaan, zouden worden geconfronteerd of daardoor ernstige nadelen zouden ondervinden. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet
zijn context B.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 december 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 18 december 2020). B.2. Het decreet van 18 december 2020 past in het kader van het aanvullen
het actualiseren van het arsenaal aan maatregelen die de verschillende overheden hebben genomen om de COVID-19-pandemie te bestrijden
verdere verspreiding van het SARS-CoV-2-virus tegen te gaan. Die maatregelen hebben
erzijds betrekking op de beveiliging van de samenleving tegen het virus
de verspreiding ervan. Zo wordt de verplichte afzondering als 14 maatregel ingevoegd in het decreet van 21 november 2003 « betreffende het preventieve gezondheidsbeleid » (hierna : het decreet van 21 november 2003). Anderzijds hebben zij betrekking op de gegevensverwerking van bepaalde categorieën van personen in het kader van de handhaving
de contactopsporing, die reeds is ingesteld bij decreet van 29 mei 2020 « tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het decreet van 29 mei 2020). Wat de verplichting tot afzondering betreft B.3.1. Het decreet van 21 november 2003 stelt een kader vast om nadere maatregelen te nemen of beleidsinitiatieven te ontwikkelen op het gebied van preventieve gezondheidszorg met het oog op het verbeteren van de levenskwaliteit, het realiseren van gezondheidswinst
het verhogen van de efficiëntie van het gezondheidsbeleid (artikel 3). Om dat preventieve gezondheidsbeleid concreet te organiseren, kan de overheid initiatieven
maatregelen nemen om exogene
dogene factoren (determinanten of bronnen van gevaar inzake gezondheid van de mens) te voorkomen of de gevolgen ervan tegen te gaan (artikelen 39 tot 66). Gelet op de epidemiologische ervaringen in het verleden
de centrale plaats ervan in de preventieve gezondheidszorg (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1709/1, p. 19) werd in specifieke maatregelen voorzien om de uitbreiding van de schadelijke effecten tegen te gaan van exogene factoren die een risico voor de gezondheid meebrengen, in het bijzonder wat de biotische factoren (virussen, bacteriën
andere micro- organismen) betreft (artikelen 44 tot 50). Een ambtenaar-arts kan aan een persoon die is aangetast door een infectie
daarbij een bijzonder gevaar van besmetting voor anderen vormt, evenals aan personen die een verhoogd risico hebben om de infectie te hebben opgelopen, een bevel geven tot tijdelijke afzondering in een ziekenhuisafdeling of op een andere gepaste plaats (artikel 47, § 1, 1°). B.3.2. De decreetgever beoogde, geconfronteerd met het zeer besmettelijke SARS-CoV-2-virus dat tot de ziekte COVID-19 leidt, de instrumenten van het preventieve gezondheidsbeleid te actualiseren
in handhavingsmaatregelen te voorzien om zo een gepast antwoord te bieden op de nood om verdere verspreiding ervan tegen te gaan (Parl. St., Vlaams 15 Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, pp. 2-3). In afwijking van artikel 47 van het decreet van 21 november 2003
beperkt tot (mogelijke) COVID-19-besmettingen, heeft de decreetgever voorzien in het opleggen van een verplichting tot afzondering van bepaalde categorieën van personen zonder
ig bevel van een ambtenaar-arts, waarvan de niet-naleving strafbaar is gesteld. Hij heeft eveneens voorzien in gegevensdeling met lokale besturen met het oog op de handhaving van de afzonderingsplicht. B.4.
bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat,
legt de essentiële redenen vast waarvoor de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, of de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, een triagecentrum of de behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, niet gelden. In deze paragraaf wordt verstaan onder hoogrisicogebied : een gebied dat de bevoegde federale dienst heeft aangeduid als een gebied met een zeer hoog risico op besmetting met COVID-19. § 3. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere andere persoon dan de personen, vermeld in paragraaf 1
2, die een verhoogd risico heeft op COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere aangepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich onmiddellijk nadat hij kennis heeft genomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-
, eerste lid, met de gemeente worden gedeeld, binnen de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, met het oog op de handhaving van de maatregelen, vermeld in artikel 47/1, door de burgemeester van de hoofdverblijfplaats of een andere gepaste plaats waar die persoon in tijdelijke afzondering gaat : 1° de voor-
achternaam; 2° het adres van de plaats waar die persoon in tijdelijke afzondering gaat; 3° de termijn van de tijdelijke afzondering. 17 De Vlaamse Regering wijst een
titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke voor de doorgifte van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid. De gemeente, vermeld in het eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens die conform het eerste lid werden gedeeld. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden door de gemeente uiterlijk tot het einde van de maatregel, vermeld in artikel 47/1, bewaard ». B.4.3. Daarnaast heeft een aantal van de bestreden bepalingen betrekking op het invoegen van verwijzingen naar artikel 47/1 om het toepassingsgebied van handhavingsmaatregelen uit te breiden. Zo wordt de niet-naleving van de in artikel 47/1 vermelde verplichting tot afzondering strafbaar gesteld. Artikel 79 van het decreet van 21 november 2003, zoals gedeeltelijk vervangen bij het bestreden artikel 6 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen, worden gestraft met een geldboete van 26 tot 500 euro
met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een van deze straffen alleen : 1° degenen die geen gevolg geven aan de dwangmaatregelen, vermeld in artikel 41, § 1, § 5
, artikel 47
artikel 47/1, of die de uitvoering of naleving ervan verhinderen of belemmeren; […] ». Voorts dient de Vlaamse Regering met het oog op het toezicht op de naleving van onder meer artikel 47/1 het initiatief te nemen om ambtenaren aan te stellen (artikel 44, § 3, 3°, zoals gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 18 december 2020) die bevoegd zijn om een proces-verbaal op te stellen als de verplichtingen die vermeld zijn in artikel 47/1 niet worden nageleefd (artikel 49, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 18 december 2020). Artikel 49, § 1, van het decreet van 21 november 2003, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Als de verplichtingen, vermeld in artikel 45, § 3, artikel 47, § 1, artikel 47/1
artikel 48 niet worden nageleefd, zijn de aangeduide ambtenaren die met het toezicht belast zijn, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenten conform artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, bevoegd om een proces-verbaal op te stellen. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van hun proces-verbaal wordt de betrokkene binnen vijf werkdagen aangetekend toegestuurd ». 18 Wat de contactopsporing betreft B.5.1. De decreetgever beoogde de afbouw van de oorspronkelijk opgelegde beperkingen van fysieke contacten mogelijk te maken
tegelijk de risico’s van verdere verspreiding van het zeer besmettelijke SARS-CoV-2-virus die daarmee gepaard gaan, tegen te gaan door in te zetten op contactonderzoek
die opdracht in het kader van COVID-19 tijdelijk toe te kennen aan een samenwerkingsverband van externe partners (Parl. St., Vlaams Parlement, 2019-2020, nr. 314/1, pp. 2
4; 2020-2021, nr. 488/1, p. 2). Daartoe heeft hij het decreet van 29 mei 2020 aangenomen. Dat contactonderzoek is nauw verweven met de federaal opgerichte gegevensbanken van Sciensano
de normatieve ontwikkelingen in dat verband (koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020 « tot oprichting van een databank bij Sciensano in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 » (hierna : het koninklijk besluit nr. 18 van 4 mei 2020); koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020 « betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano
de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties
mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano » (hierna : het koninklijk besluit nr. 44 van 26 juni 2020); het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap
de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano
de door de bevoegde gefedereerde
titeiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties
mobiele teams in het kader van een contactonderzoek bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna : het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020)). B.5.2. Het decreet van 18 december 2020 strekt ertoe de contactopsporing te actualiseren in het licht van de federale ontwikkelingen betreffende de gegevensbanken van Sciensano, de lacunes in de bestaande regeling weg te werken
de lokaal gegroeide initiatieven wettelijk te 19 verankeren
te integreren in het geheel (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 488/1, p. 3). B.6.1. Artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020, zoals gewijzigd bij artikel 9 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Om de bevoegdheid over het tegengaan van de verspreiding van infecties, vermeld in artikel 44, § 2, van het decreet van 21 november 2003, te kunnen uitvoeren in het kader van de pandemie van COVID-19, kan de Vlaamse Regering met behoud van de toepassing van artikel 44, § 3, van het voormelde decreet een samenwerkingsverband van externe partners aanstellen dat een centraal contactcentrum opricht dat belast wordt met opdrachten van opsporing
begeleiding van personen met een bevestigde of vermoedelijke diagnose van COVID-19, of van personen die mogelijk een risicodragend contact hebben gehad met een persoon die besmet is met COVID-19 of die vermoedelijk besmet is met COVID-
dat een verwerkingsovereenkomst sluit met het samenwerkingsverband van externe partners, vermeld in het eerste lid, conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming. De personen die in opdracht van het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid, de opdrachten, vermeld in het eerste lid, uitvoeren, zijn gebonden door het beroepsgeheim, vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek. Het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid, staat mee onder toezicht van
wordt aangestuurd door de ambtenaren-artsen
de ambtenaren van het agentschap, vermeld in artikel 44, § 3, 2°
3°, van het decreet van 21 november 2003. Het samenwerkingsverband van externe partners, vermeld in het eerste lid, maakt een inhoudelijk
financieel verslag op over de opdrachten die eraan zijn toegekend. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijk
financieel verslag. De Vlaamse Regering bepaalt welke technische
organisatorische maatregelen het samenwerkingsverband van externe partners treft ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door het centrale contactcentrum, vermeld in het eerste lid ». Ingevolge de bestreden bepalingen wordt de benaming van het in artikel 3 van het decreet van 29 mei 2020 vermelde contactcentrum van het samenwerkingsverband van externe partners gewijzigd in « centraal contactcentrum » (artikel 9, 1°
4°, van het decreet van 18 december 2020). Daarnaast hebben de bestreden wijzigingsbepalingen betrekking op de verwerking van de persoonsgegevens door dat contactcentrum (artikel 9, 2°, 3°
5°, van het decreet van 18 december 2020). 20 B.6.
2°, A, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020; 2° de voortgangscontrole op de fysieke bezoeken, vermeld in punt 1°, door de supervisors van veldonderzoekers. § 2. In de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, worden persoonsgegevens verwerkt van : 1° personen bij wie een COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze besmet zijn; 2° personen bij wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn met COVID-19, maar bij wie geen COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven, of bij wie de COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze niet besmet waren; 3° personen met wie de personen, vermeld in punt 1°
2°, in contact zijn geweest gedurende een periode van veertien dagen voor
na de eerste tekenen van de besmetting met COVID-19, waarbij een bepaalde appreciatiemarge op grond van wetenschappelijke inzichten in rekening kan worden genomen; 21 4° de veldonderzoekers die bij het centrale contactcentrum werken. De volgende persoonsgegevens worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, verwerkt van de personen, vermeld in het eerste lid, punt 1° tot
met 3° : 1° de voor-
achternaam; 2° de provincie waar ze wonen; 3° de geboortedatum; 4° de taal; 5° de contactgegevens, met inbegrip van het adres
telefoonnummer; 6° de scriptcode waaruit kan worden afgeleid of de persoon een indexpersoon is, een persoon met wie de indexpersoon contact heeft gehad
die een hoog risico op besmetting heeft, of een persoon met wie de indexpersoon contact heeft gehad
die een laag risico op besmetting heeft; 7° de status van het fysieke bezoek. De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, 1° tot
met 6°, zijn afkomstig van de gegevensbank III, vermeld in het artikel 1, § 1, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020. Het persoonsgegeven, vermeld in het tweede lid, 7°, wordt in de databank ingegeven door de veldonderzoeker. De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bewaard voor een termijn van maximaal tien dagen. De volgende persoonsgegevens worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, verwerkt van de personen, vermeld in het eerste lid, 4° : 1° het identificatienummer in het centrale contactcentrum; 2° de voor-
achternaam; 3° de contactgegevens, met inbegrip van de postcode, het telefoonnummer
het e-mailadres; 4° de regio waar de veldonderzoeker fysieke bezoeken aflegt; 5° de externe partner waarvoor de veldonderzoeker werkzaam is; 6° de naam van de supervisor van de veldonderzoeker. 22 De persoonsgegevens, vermeld in het zesde lid, worden in de databank, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bewaard tot maximaal veertien dagen na het aflopen van het contract met de veldonderzoeker. De Vlaamse Regering kan de persoonsgegevens, vermeld in het tweede
zesde lid, nader preciseren. § 3. De supervisor van de veldonderzoeker heeft voor het doeleinde, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, tweede
zesde lid, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de aansturing van de veldonderzoekers die onder zijn toezicht staan. De veldonderzoeker heeft voor het doeleinde, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, van de personen bij wie hij overeenkomstig zijn opdracht een fysiek bezoek moet afleggen ». Die bepaling laat de oprichting toe van een databank met het oog op de organisatie
het opvolgen van de fysieke bezoeken die de veldonderzoekers van het contactcentrum afleggen,
zij bepaalt de voorwaarden inzake de gegevensverwerking in het kader van die bezoeken. B.6.4. Artikel 6 van het decreet van 29 mei 2020, zoals vervangen bij artikel 12 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « Met behoud van de toepassing van artikel 44 van het decreet van 21 november 2003 kunnen lokale besturen of zorgraden, als aanvulling bij of ter vervanging van de opdrachten die worden uitgevoerd door het centrale contactcentrum, vermeld in artikel 3, eerste lid, lokale contactcentra oprichten die belast worden met opdrachten van opsporing
begeleiding van personen met een bevestigde of vermoedelijke diagnose van COVID-19, of van personen die mogelijk een risicodragend contact hebben gehad met een persoon die besmet is met COVID- 19 of die vermoedelijk besmet is met COVID-19. De persoonsgegevens worden door de lokale contactcentra verwerkt conform het samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020. De Vlaamse Regering wijst een
titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke
die een verwerkingsovereenkomst sluit met de lokale besturen of de zorgraden, vermeld in het eerste lid, conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming. De persoon die in opdracht van een lokaal contactcentrum als vermeld in het eerste lid, de opdrachten, vermeld in het eerste lid, uitvoert, is overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek gebonden door het beroepsgeheim. De lokale contactcentra, vermeld in het eerste lid, staan mee onder toezicht van de ambtenaren-artsen
de ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°
3°, van het decreet van 21 november 2003. Als lokale contactcentra niet voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit decreet, kunnen de voormelde ambtenaren
ambtenaren-artsen de lokale besturen of de zorgraden aanmanen om alle verplichtingen aan de hand van een 23 remediëringsplan na te komen binnen een termijn die door die ambtenaren
ambtenaren- artsen wordt bepaald. De lokale besturen of de zorgraden, vermeld in het eerste lid, maken een inhoudelijk verslag op over de opdrachten die zijn toegekend aan de lokale con- tactcentra die ze hebben opgericht. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijk verslag. De Vlaamse Regering bepaalt welke technische
organisatorische maatregelen de lokale besturen of de zorgraden treffen ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door de lokale contactcentra, vermeld in het eerste lid ». B.6.5. Artikel 6/1 van het decreet van 29 mei 2020, zoals ingevoegd bij artikel 13 van het decreet van 18 december 2020, bepaalt : « De lokale besturen of de zorgraden bepalen de samenstelling van lokale contactcentra als vermeld in artikel 6, eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van lokale contactcentra ». De voormelde bepalingen regelen de oprichting van « lokale contactcentra » door lokale besturen of zorgraden als aanvulling bij of ter vervanging van de opdrachten die door het centrale contactcentrum worden uitgevoerd, hun samenstelling
de voorwaarden waaronder zij persoonsgegevens dienen te verwerken (artikelen 12
13 van het decreet van 18 december 2020). B.6.
omgevingsonderzoek bieden aan de ambtenaren, vermeld in artikel 40
44, § 3, 3°, van het decreet van 21 november 2003,
aan de ambtenaren-artsen, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, van hetzelfde decreet; 2° op verzoek van de lokale besturen advies verlenen over de te nemen maatregelen om een verdere verspreiding van COVID-19 te voorkomen; 24 3° medische
psychosociale ondersteuning organiseren voor de personen die met COVID-19 besmet zijn of vermoedelijk besmet zijn. Deze activiteit is gericht tot individuele personen; 4° een afstemming van hulpvragen van zorgaanbieders organiseren in geval van schaarste van materiaal,
in geval van behoefte aan kennisuitwisseling
ondersteuning; 5° zorgaanbieders sensibiliseren om het draagvlak voor het contactonderzoek te verhogen. In dit lid wordt verstaan onder : 1° contact-
omgevingsonderzoek: het onderwerpen van een persoon of zijn leefomgeving aan een medisch of milieukundig onderzoek dat nodig is om besmettingsbronnen op te sporen, als die persoon na contact met een geïnfecteerde persoon of na contact met een andere besmettingsbron mogelijk besmet is
door contacten met anderen, al dan niet bij de uitoefening van een beroepsactiviteit, die infectie kan overdragen; 2° medische
psychosociale ondersteuning organiseren: informeren over, doorverwijzen naar
samen met de betrokken persoon contact opnemen om die medische
psychosociale ondersteuning mogelijk te maken. De Vlaamse Regering kan de activiteiten van het COVID-19-team, vermeld in het tweede lid, nader preciseren. Elk COVID-19-team bestaat minstens uit een medisch expert. Die medische expert is een arts. De Vlaamse Regering kan de samenstelling van het COVID-19-team
de rol van de medisch expert nader preciseren
kan nadere regels bepalen voor de organisatie van het COVID-19-team. De leden van het COVID-19-team die de opdrachten, vermeld in het tweede lid, uitvoeren, zijn overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek gebonden door het beroepsgeheim. De leden van het COVID-19-team staan mee onder toezicht van de ambtenaren-artsen
ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°
3°, van het decreet van 21 november 2003. In het kader van het toezicht kunnen intervisiemomenten worden georganiseerd tussen de medische experten, vermeld in het vierde lid,
de ambtenaren-artsen
ambtenaren van de administratie, vermeld in artikel 44, § 3, 2°
3°, van het decreet van 21 november 2003. Als COVID-19-teams niet voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit decreet, kunnen de voormelde ambtenaren
ambtenaren-artsen de zorgraden aanmanen om alle verplichtingen aan de hand van een remediëringsplan na te komen binnen een termijn die door die ambtenaren
ambtenaren-artsen wordt bepaald. De zorgraden die een COVID-19-team oprichten, maken een inhoudelijk verslag op over de opdrachten die aan dat COVID-19-team werden toegekend. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud van het inhoudelijke verslag. § 2. Voor het verrichten van de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de COVID-19-teams de volgende persoonsgegevens van de personen bij wie een 25 COVID-19-test heeft uitgewezen dat ze besmet zijn
van de personen van wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat ze besmet zijn met COVID-19, maar bij wie geen COVID-19-test is uitgevoerd of voorgeschreven, of bij wie de COVID-19-test heeft uitwezen dat ze niet besmet waren : 1° de identificatiegegevens; 2° de contactgegevens; 3° het geslacht; 4° de leeftijd; 5° de datum waarop de COVID-19-test is afgenomen; 6° de datum van de eerste ziektesymptomen; 7° de eventuele collectiviteiten waarmee de persoon in contact is geweest; 8° de personen met wie ze in contact zijn geweest gedurende een periode van veertien dagen voor
na de eerste tekenen van de besmetting met COVID-19, waarbij een bepaalde appreciatiemarge op grond van wetenschappelijke inzichten in rekening kan worden genomen; 9° de relevante criteria voor de inschatting van een hoog of laag besmettingsrisico
het geven van advies; 10° de gezondheidsgegevens die nodig zijn voor het contact-
omgevingsonderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°,
voor de medische
psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°; 11° andere gegevens dan die over de gezondheid die nodig zijn voor het contact-
omgevingsonderzoek, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°,
voor de medische
psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid 3°. Voor het verrichten van de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, verwerken de COVID-19-teams de volgende persoonsgegevens van de personen met wie de personen, vermeld in het eerste lid, in contact zijn geweest : 1° de voor-
achternaam; 2° de postcode; 3° het telefoonnummer; 4° het antwoord op de vraag of die personen symptomen van COVID-19 hebben; 5° de taalvaardigheid; 6° het feit dat die personen al dan niet een gezondheidszorgberoep uitoefenen. 26 De Vlaamse Regering kan de persoonsgegevens, vermeld in het eerste
tweede lid, nader preciseren. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 1° tot
met 6°,
het tweede lid, 1° tot
met 4°, worden, voor zover ze beschikbaar zijn, aan de zorgraden bezorgd door een
titeit die de Vlaamse Regering aanwijst. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, 7° tot
met 11°,
het tweede lid, 5°
6°, worden door het COVID-19-team ingewonnen bij de betrokkene. De COVID-19-teams hebben alleen toegang tot de persoonsgegevens, vermeld in het eerste
tweede lid, van de personen van wie de hoofdverblijfplaats of een andere gepaste plaats waar de betrokkene in tijdelijke afzondering verblijft, ligt in het werkgebied van de zorgraad waarbij het COVID-19-team is opgericht. Het COVID-19-team kan na toestemming van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger de gegevens, vermeld in het eerste lid, delen met zorgaanbieders als vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen
de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders, met het oog op het organiseren van medische
psychosociale ondersteuning als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°. De Vlaamse Regering wijst een
titeit aan die optreedt als verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die de COVID-19-teams verwerken. Die
titeit sluit een verwerkingsovereenkomst conform artikel 28, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming, met de zorgraad waarbij een COVID-19-team is opgericht. De persoonsgegevens, vermeld in het eerste
tweede lid, worden door het COVID-19-team bewaard gedurende een termijn van maximaal dertig dagen, met uitzondering van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, van personen als vermeld in het eerste lid, bij wie de medische
psychosociale ondersteuning, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, langer dan dertig dagen duurt. In het laatste geval worden de persoonsgegevens bewaard tot maximaal drie dagen na het einde van die medische
psychosociale ondersteuning. De Vlaamse Regering kan bepalen welke technische
organisatorische maatregelen de zorgraad treft ter bescherming van de verwerking van de persoonsgegevens door het COVID-19-team ». De voormelde bepaling regelt de oprichting van COVID-19-teams bij de zorgraden, hun samenstelling, hun activiteiten, het toezicht
de voorwaarden waaronder zij gegevens kunnen verwerken. 27 Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.
precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan
het verband tussen dat risico
de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.9.1. De verzoekende partijen voeren niet aan dat de bepalingen van het bestreden decreet die betrekking hebben op de organisatie van het contactonderzoek
op de COVID-19-teams hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden berokkenen. Evenmin voeren zij aan dat 28 de verwerking van hun persoonsgegevens in het kader van het bestreden decreet hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen. Bijgevolg is de vordering tot schorsing onontvankelijk in zoverre zij is gericht tegen de artikelen 2
7 tot 15 van het bestreden decreet. B.9.2. Gelet op de wijze waarop de verzoekende partijen het ernstig nadeel dat zij aanvoeren omschrijven in hun verzoekschrift, is de vordering tot schorsing beperkt tot artikel 47/1, §§ 2
3, van het decreet van 21 november 2003, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020
de daarmee samenhangende bepalingen, vermeld in B.4.2,
strekt zij zich niet uit tot de tijdelijke afzondering vermeld in artikel 47/1, §
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 een « vrijheidsberoving » in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens uitmaakt. Volgens de Vlaamse Regering is die maatregel daarentegen een « vrijheidsbeperking » in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.10.2. Artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid
veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen
langs wettelijke weg :
in een taal, welke hij verstaat, op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie
van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht. […] 4. Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding
zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. […] ». Artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Een ieder die zich wettig op het grondgebied van een Staat bevindt, heeft het recht zich daar vrij te verplaatsen
er in vrijheid woonplaats te kiezen.
in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid of van de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of ter bescherming van de rechten
vrijheden van anderen.
is dus niet van toepassing op loutere beperkingen van de bewegingsvrijheid, die onder het toepassingsgebied van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het 30 Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen (EHRM, grote kamer, 12 september 2012, Nada t. Zwitserland, § 225; grote kamer, 23 februari 2017, de Tommaso t. Italië, § 80). In dat verband heeft de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beklemtoond dat zich in een moderne samenleving situaties kunnen voordoen waarin het publiek in het algemeen belang beperkingen op zijn bewegingsvrijheid dient te aanvaarden (EHRM, grote kamer, 15 maart 2012, Austin e.a. t. Verenigd Koninkrijk, § 59). B.10.4. Of een vrijheidsbeperkende maatregel dient te worden beschouwd als een beperking van de bewegingsvrijheid in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dan wel als een vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, hangt af van verschillende factoren, die steeds in concreto dienen te worden onderzocht. Daarbij dient niet zozeer rekening te worden gehouden met de inhoud van de vrijheidsbeperkende maatregel, maar veeleer met zijn intensiteit. Belangrijke factoren bij zijn kwalificatie zijn de context waarin hij is genomen, zijn aard, zijn duur, zijn gevolgen
zijn uitvoeringswijze (EHRM, grote kamer, 12 september 2012, Nada t. Zwitserland, § 225; grote kamer, 23 februari 2017, de Tommaso t. Italië, §§ 80-81). De gevolgen van de maatregel moeten overigens cumulatief
in hun onderlinge wisselwerking worden onderzocht (EHRM 6 november 1980, Guzzardi t. Italië, § 95). B.10.5. Wat de context betreft, dient rekening te worden gehouden met de eigenschappen van het SARS-CoV-2-virus
met de epidemiologische realiteit van de COVID-19-pandemie. Het SARS-CoV-2-virus is een zeer besmettelijk virus dat overdraagbaar is via de lucht
dat in de praktijk hoofdzakelijk via de ademhaling wordt overgedragen. Nauwe fysieke contacten tussen personen vormen dus de grootste risicofactor. De COVID-19-pandemie wordt gekenmerkt door een hoog reproductiegetal. Zonder sanitaire maatregelen kent zij bijgevolg een zeer snelle exponentiële verspreiding. Daarnaast wordt zij gekenmerkt door een hoog aantal asymptomatische patiënten die niettemin als superverspreiders kunnen fungeren. Van de patiënten die wel symptomen ontwikkelen, dient een substantieel aantal te worden gehospitaliseerd, waarvan zelfs een aanzienlijk aantal intensieve zorg nodig heeft of zelfs overlijdt. 31 In die context bestaat een rechtstreeks verband tussen,
erzijds, de aard
de intensiteit van de maatregelen die de nauwe fysieke contacten tussen personen beperken
, anderzijds, het aantal patiënten
de belasting van het zorgsysteem. De bestreden maatregel is een vorm van preventieve quarantaine die, samen met verschillende andere maatregelen, de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus beoogt te beperken door te vermijden dat asymptomatische patiënten of patiënten die nog geen ziektesymptomen vertonen, anderen besmetten. B.10.6. Wat de aard van de vrijheidsbeperkende maatregel betreft, bepalen artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 dat de personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest, die een verhoogd risico op COVID-19 hebben of die op de hoogte zijn gebracht van het feit dat zij een verhoogd risico op COVID-19 hebben, zich gedurende een welbepaalde periode op een vaste plaats dienen af te zonderen. Die verplichting vloeit rechtstreeks voort uit het bestreden decreet
beperkt op aanzienlijke wijze de bewegingsvrijheid. De afzondering gaat evenwel niet gepaard met fysieke dwang. De betrokkene staat evenmin onder permanente bewaking, noch door personen, noch door technische hulpmiddelen zoals een
kelband of camerabewaking. De plaats van de afzondering wordt niet opgelegd door de overheid, maar kan vrij worden gekozen door de betrokkene. Hij kan kiezen voor zijn hoofdverblijfplaats of een andere gepaste plaats,
kan zijn afzondering dus doorbrengen in een vertrouwde omgeving. De bestreden bepaling stelt aan die plaats geen
kele andere voorwaarde dan dat zij een daadwerkelijke afzondering mogelijk maakt. De verplichte afzondering bedoeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 is, in tegenstelling tot de verplichte afzondering bedoeld in artikel 47/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, overigens geen absolute maatregel. Krachtens artikel 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 januari 2021 « tot uitvoering van artikel 34/1, tweede lid,
artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 tot uitvoering van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht
het contactonderzoek in het kader van COVID-19 » (hierna : het besluit van 8 januari 2021) kan de tijdelijke afzondering vermeld in artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, 32 eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 immers tijdelijk worden opgeheven om een noodzakelijke activiteit te vervullen die niet kan worden uitgesteld. Bovendien kan de Vlaamse Regering bepaalde personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest, krachtens artikel 47/1, § 2, vierde lid, van het decreet van 21 november 2003 vrijstellen van de tijdelijke afzondering
van de verplichte COVID-19-test. Het gaat meer bepaald om personen die maar voor een beperkte duur in een hoogrisicogebied zijn geweest, personen die daar om essentiële redenen zijn geweest
personen bij wie de kans op besmetting door hun gedrag aldaar laag wordt ingeschat. Artikel 4 van het besluit van 8 januari 2021 bepaalt dat onder een beperkte duur minder dan 48 uur moet worden verstaan, dat de inschatting van de kans op besmetting gebeurt via de zelfevaluatie die is opgenomen in het Passagier Lokalisatie Formulier,
dat 14 opgesomde categorieën van personen worden geacht om essentiële redenen in het buitenland verblijven. Gelet op die kenmerken kan de tijdelijke afzondering, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, niet met een voorlopige hechtenis worden gelijkgesteld. B.10.
derde lid, van het besluit van 8 januari 2021 dat de afzondering in beginsel tien dagen duurt vanaf de laatste dag dat de betrokkene in een hoogrisicogebied is geweest of vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, maar dat zij eindigt indien hij een negatieve COVID-19-test heeft ondergaan die ten vroegste kan worden afgenomen op de zevende dag van de tijdelijke afzondering. B.10.8. Wat de gevolgen van de maatregel van verplichte afzondering betreft, bevat de bestreden bepaling, behoudens de verplichting om zich te laten testen, geen beperkingen op de tijdsbesteding van de betrokkene. Hij kan gedurende de ganse duur van zijn afzondering alle activiteiten ontplooien die met die afzondering verenigbaar zijn, voor zover zij niet in strijd zijn 33 met andere maatregelen die in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie zouden zijn genomen. Indien de betrokkene kan telewerken, is het hem geenszins verboden zijn werkzaamheden onverkort vanuit de plaats van zijn afzondering voort te zetten. Tevens kan hij onbeperkt via alle telecommunicatiemiddelen contact houden met derden
kan hij zich onbeperkt informeren. De in artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bedoelde personen die de verplichte afzondering niet naleven, stellen zich krachtens artikel 79 van dat decreet bloot aan een geldboete van 26 tot 500 euro
aan een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of aan een van die straffen alleen. Een eventuele strafvervolging van de overtreder maakt het voorwerp uit van een beoordeling in feite
in rechte door een onafhankelijke
onpartijdige strafrechter. B.10.9. Ondanks het zonder twijfel ingrijpende karakter van een principiële verplichting, opgelegd aan een persoon die geen of nog geen ziektesymptomen vertoont, om zich gedurende zeven tot tien dagen af te zonderen
in weerwil van de mogelijke strafsancties, lijkt de in artikel 47/1, § 2, eerste lid,
, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003 bedoelde maatregel geen vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te vormen. De onderlinge wisselwerking van alle kenmerken van die maatregel leidt er prima facie toe dat die maatregel veeleer als een beperking op de bewegingsvrijheid in de zin van artikel 2 van het Protocol nr. 4 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dient te worden beschouwd. De cumulatieve benadering van die kenmerken lijkt niet tot een andere conclusie te leiden. B.10.
precieze feiten uiteen die toelaten de ernst van dat nadeel te beoordelen. Zij tonen niet aan dat dit onderzoek buitengewoon pijnlijk is of dat het gepaard gaat met een risico op ernstige complicaties. Het lichte
kortstondige ongemak dat onvermijdelijk gepaard gaat met elk medisch onderzoek, is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. B.
het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 juni 2021. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.089 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.