← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.096

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.096 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210617.8 Arrest- Rolnummer: 96/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-07-01 Raadplegingen: 888 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 oktober 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 26 juli 2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG en tot wijziging van de Brusselse Codex Fiscale Procedure », ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes. Fiscale transparantie binnen de Europese Unie - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Agressieve grensoverschrijdende fiscale constructies - Meldingsplicht - Intermediairs - Advocaten - Beroepsgeheim. Wettelijke bepalingen: Verordening (Brussel) - 29-10-2020 - 13 ELI link Pub nr 2020043467 Tekst van de beslissing Rolnummer 7511 Arrest nr. 96/2021 van 17 juni 2021 In zake : de vordering tot schorsing van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 oktober 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 26 juli 2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG en tot wijziging van de Brusselse Codex Fiscale Procedure », ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 februari 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 februari 2021, is een vordering tot schorsing ingesteld van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 oktober 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 26 juli 2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG en tot wijziging van de Brusselse Codex Fiscale Procedure » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 november 2020, tweede editie) door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde ordonnantie. Bij beschikking van 11 maart 2021 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 31 maart 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 25 maart 2021 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor, Mr. O. Vanleemputten en Mr. M. de Mûelenaere, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 31 maart 2021 : - zijn verschenen : . Mr. P. Wouters, voor de verzoekende partijen; . Mr. C. Molitor, Mr. M. de Mûelenaere en Mr. F. Vandevoorde, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; - hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters en P. Nihoul verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ernst van de middelen Wat betreft het eerste middel A.1.

  1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 6 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 oktober 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 26 juli 2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG en tot wijziging van de Brusselse Codex Fiscale Procedure » (hierna : de ordonnantie van 29 oktober 2020), van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU). Zij voeren aan dat artikel 9/2, § 6, lid 5, van de ordonnantie van 26 juli 2013 « houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG » (hierna : de ordonnantie van 26 juli 2013), zoals ingevoerd bij artikel 6 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, die bepalingen schendt doordat het uitsluit dat een advocaat die optreedt als intermediair in de zin van de ordonnantie, zich op zijn beroepsgeheim beroept om te worden vrijgesteld van de periodieke meldingsplicht inzake marktklare constructies. De advocaat kan echter niet voldoen aan die meldingsplicht zonder zijn beroepsgeheim te schenden. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar de rechtspraak van het Hof, en in het bijzonder het arrest nr. 167/2020 van 17 december 2020, waaruit blijkt dat het loutere feit een beroep te hebben gedaan op een advocaat, onder de bescherming van het beroepsgeheim valt. Volgens de verzoekende partijen is er geen enkele verantwoording voor een dergelijke absolute en a priori opheffing van het beroepsgeheim. De doelstelling om lidstaten toe te laten zogenaamde achterpoortjes te sluiten, verantwoordt niet dat de advocaat verplicht wordt zijn beroepsgeheim te schenden om een perfect legale constructie te melden en kan niet worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang. Het argument dat de advocaat de meldingsplicht moet vervullen en zich in het geval van marktklare constructies, in tegenstelling tot andere grensoverschrijdende constructies, niet kan beroepen op het beroepsgeheim, omdat de belastingplichtige in dat laatste geval onvoldoende informatie heeft om zelf aan de meldingsplicht te voldoen, gaat niet op. Bovendien is er onvoldoende duidelijkheid over de precieze invulling van het begrip « marktklare constructie », zodat de meldingsverplichting in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. A.1.
  2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat het eerste middel noch ernstig, noch gegrond is. Zij verwijst voor wat betreft de definitie van marktklare constructies en de initiële meldingsplicht naar het arrest van het Hof nr. 167/
  3. Voor zover de periodieke meldingsplicht voor marktklare constructies al zou raken aan het beroepsgeheim, dan nog wordt dit volgens haar verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. Wat betreft het tweede middel A.2.
  4. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het VWEU. A.2.
  5. In het eerste onderdeel klagen zij aan dat de ontheffing van de meldingsverplichtingen in het geval van beroepsgeheim slechts uitwerking heeft op het tijdstip dat een andere intermediair voldaan heeft aan de meldingsverplichting. Het is voor de advocaat immers onmogelijk zich daarvan te vergewissen, zonder alsnog zijn beroepsgeheim te schenden. A.2.
  6. In het tweede onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de advocaat-intermediair die zich op zijn beroepsgeheim wil beroepen, ertoe gehouden is de andere betrokken intermediairs schriftelijk en gemotiveerd ervan op de hoogte te brengen dat hij niet aan zijn meldingsplicht kan voldoen. Die vereiste is volgens de 4 verzoekende partijen onmogelijk te vervullen zonder alsnog het beroepsgeheim te schenden. Bovendien is zij niet noodzakelijk om de melding van de grensoverschrijdende constructie te verzekeren, aangezien de cliënt, al dan niet bijgestaan door de advocaat, de andere intermediairs kan inlichten en hen kan vragen om te voldoen aan hun meldingsplicht. A.2.4 In het derde onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de advocaat-intermediair die zich op zijn beroepsgeheim wil beroepen ten aanzien van de meldingsplicht, bij gebrek aan andere intermediair, verplicht is de relevante belastingplichtige of belastingplichtigen schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte te brengen van de meldingsplicht. Indien die belastingplichtige niet de cliënt is van de advocaat-intermediair, is het volgens de verzoekende partijen niet mogelijk aan die verplichting te voldoen zonder het beroepsgeheim te schenden. De verzoekende partijen wijzen erop dat het mogelijk moet zijn dat de advocaat zich ertoe beperkt zijn cliënt te wijzen op zijn verplichting om de belastingplichtige te informeren over de meldingsplicht. A.2.
  7. In het vierde onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de ordonnantie van 29 oktober 2020 in de mogelijkheid voorziet, voor de betrokken belastingplichtige, cliënt van de advocaat-intermediair, om aan de advocaat-intermediair de opdracht te geven toch te voldoen aan de meldingsplicht. Hierdoor zou het voor de belastingplichtige mogelijk worden de advocaat te verplichten zijn beroepsgeheim te schenden. Het vijfde onderdeel gaat uit van dezelfde veronderstelling, maar dan in het geval dat de betrokken belastingplichtige niet de cliënt zou zijn. A.2.
  8. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat dit gebaseerd is op een hypothese die zich in werkelijkheid niet voordoet, omdat de andere intermediairs wier optreden de advocaat-intermediair bekend is, in de praktijk ook reeds op de hoogte zullen zijn van het optreden van die laatste én van de te melden inlichtingen. Ook andere intermediairs zijn overigens gehouden aan een discretieplicht en een professionele ethiek. Voor de overige onderdelen van het tweede middel verwijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar het arrest nr. 167/2020, waarin deze niet ernstig werden bevonden. Wat betreft het derde middel A.3.
  9. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de ordonnantie van 29 oktober 2020, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het VWEU. Zij klagen aan dat, in het geval dat er meerdere intermediairs zijn, de advocaat-intermediair slechts kan worden vrijgesteld van zijn meldingsplicht indien hij schriftelijk bewijs kan voorleggen dat die plicht reeds door een andere intermediair werd volbracht. Het is voor de advocaat-intermediair niet mogelijk dat schriftelijke bewijs te verkrijgen zonder zijn beroepsgeheim te schenden. Zij verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 167/2020 van 17 december
  10. A.3.
  11. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar het arrest nr. 167/2020, waarin een identiek middel van de verzoekende partijen niet ernstig werd bevonden. Wat betreft het vierde middel A.4.
  12. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door artikel 11 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het VWEU. Zij klagen aan dat artikel 11 van de ordonnantie van 29 oktober 2020 de bevoegde administratie toelaat de verstrekte of niet-voorgelegde inlichtingen te controleren bij de advocaat-intermediairs, zonder dat zij zich op het beroepsgeheim kunnen beroepen. A.4.
  13. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering antwoordt dat het middel is gebaseerd op een verkeerde veronderstelling en bijgevolg niet ernstig is. De bestreden regeling verandert niets aan artikel 125 van de Brusselse 5 Codex Fiscale Procedure, die toelaat zich tijdens een controle door de fiscale administratie te beroepen op zijn beroepsgeheim, net zoals daarin op federaal niveau in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is voorzien. Wat betreft het vijfde middel A.5.
  14. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 12 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het VWEU, doordat die bepaling de inwerkingtreding regelt van de bepalingen die in de overige middelen worden aangeklaagd. A.5.
  15. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat het middel geen eigen draagwijdte heeft los van de overige middelen, en bijgevolg evenmin ernstig is. Ten aanzien van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.6.
  16. De verzoekende partijen voeren aan dat hun leden, in het geval van de eerste verzoekende partij, of zijzelf, in het geval van de tweede verzoekende partij, door de bestreden bepalingen voor de keuze worden gesteld om ofwel hun beroepsgeheim te schenden, ofwel niet te voldoen aan de bestreden meldingsplicht. In dat laatste geval kan een boete tot 100 000 euro worden opgelegd. Zo wordt onherstelbare schade toegebracht aan de vertrouwensband tussen de burger en zijn advocaat, aangezien cliënten er niet meer op kunnen vertrouwen dat hun advocaat het beroepsgeheim zal respecteren. Zij verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 167/2020 van 17 december
  17. A.6.
  18. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering raken de bestreden verplichtingen niet aan het beroepsgeheim zoals dit in de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt ingevuld. De nadelen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, zijn volgens haar puur hypothetisch. A.7.
  19. Ter zitting verwijst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar het arrest nr. 46/2021 van 11 maart 2021, waarin de ordonnantie van 29 oktober 2020 gedeeltelijk geschorst wordt. Bijgevolg is de vordering tot schorsing zonder voorwerp. A.7.
  20. Eveneens ter zitting beamen de verzoekende partijen dat alle middelen identiek zijn aan hun middelen in de zaak nr. 7429, en dat het Hof deze reeds beoordeeld heeft. Volgens hen moet het Hof enkel het vierde middel, dat niet in de voormelde zaak werd opgeworpen, nog beoordelen. -B- Ten aanzien van het onderwerp van de vordering tot schorsing B.1.
  21. De verzoekende partijen vorderen de schorsing en de vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 29 oktober 2020 « tot wijziging van de ordonnantie van 26 juli 2013 houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG en tot wijziging van de Brusselse Codex Fiscale Procedure » (hierna : de ordonnantie van 29 oktober 2020). 6 B.1.
  22. Bij zijn arrest nr. 46/2021 van 11 maart 2021 heeft het Hof artikel 9/2, § 6, eerste lid, 1°, van de ordonnantie van 26 juli 2013 « houdende omzetting van richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG », zoals ingevoegd bij artikel 6 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, geschorst, uitsluitend in zoverre het een advocaat die optreedt als intermediair verplicht om een andere intermediair die niet zijn cliënt is te informeren. Het Hof schorste eveneens artikel 9/2, § 6, vijfde lid, van dezelfde ordonnantie van 26 juli 2013, zoals ingevoegd bij artikel 6 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, uitsluitend in zoverre het bepaalt dat een advocaat zich niet kan beroepen op het beroepsgeheim wat betreft de verplichting tot periodieke melding van marktklare grensoverschrijdende constructies in de zin van artikel 9/2, § 2, van de genoemde ordonnantie van 26 juli
  23. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat de schorsing uitwerking heeft tot de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep tot vernietiging dat is ingeschreven op de rol onder het nummer
  24. Aangezien de zaak nr. 7511, bij beschikking van het Hof van 5 mei 2021, voor de behandeling van het beroep tot vernietiging bij de zaak nr. 7481 werd gevoegd, zal in die zaken in één en hetzelfde arrest uitspraak worden gedaan. B.1.
  25. In zoverre de vordering tot schorsing, in het eerste middel met betrekking tot de periodieke meldingsplicht, en in het tweede onderdeel van het tweede middel, ten aanzien van de situatie van de melding aan een intermediair die niet de cliënt van de advocaat is, gericht is tegen dezelfde bepalingen als die welke zijn geschorst bij het voormelde arrest nr. 46/2021, is zij zonder voorwerp. Ten aanzien van de voorwaarden voor de schorsing B.
  26. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; 7 - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het ernstige karakter van de middelen B.
  27. Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel. Wil een middel als ernstig worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dan volstaat het niet dat het kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. B.4.
  28. Ter zitting voeren de verzoekende partijen aan dat enkel het vierde middel nog een beoordeling behoeft, aangezien de andere middelen identiek zijn aan de middelen die zij opwerpen in hun verzoekschrift in de zaak nr. 7429, waarin de vernietiging en de gedeeltelijke schorsing wordt gevraagd van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : het Vlaamse decreet van 26 juni 2020). De door de verzoekende partijen in die zaak bestreden bepalingen hebben een inhoud die vergelijkbaar is met die van de bepalingen van de in de onderhavige zaak bestreden ordonnantie van 29 oktober
  29. Bij zijn arrest nr. 167/2020 heeft het Hof uitspraak gedaan over de vordering tot schorsing in de voormelde zaak nr.
  30. B.4.
  31. In zoverre het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel geen betrekking hebben op de in B.1.2 vermelde bepalingen, kan met de partijen worden vastgesteld dat zij identiek zijn aan respectievelijk het eerste, tweede, derde en vierde middel in de zaak nr.
  32. 8 In het voormelde arrest nr. 167/2020 oordeelde het Hof dat die middelen niet ernstig waren ten aanzien van de soortgelijke bepalingen van het Vlaamse decreet van 26 juni
  33. Om redenen die identiek zijn aan die welke vervat zijn in het voormelde arrest nr. 167/2020, zijn het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel, in zoverre zij geen betrekking hebben op de in B.1.2 vermelde bepalingen, niet ernstig. B.5.
  34. Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 11 van de ordonnantie van 29 oktober 2020, van de artikelen 22, 29 en 170 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, met het algemeen rechtsbeginsel van het beroepsgeheim van de advocaat, met de artikelen 1, 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 20, 21, 47, 48, 49 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het VWEU. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 11 van de ordonnantie van 29 oktober 2020 de bevoegde administratie toelaat de verstrekte of niet-voorgelegde inlichtingen te controleren bij de advocaat-intermediairs, zonder dat die zich op het beroepsgeheim kunnen beroepen. Ze verwijzen daarbij naar de nood aan een mechanisme zoals op federaal niveau daarin is voorzien in artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
  35. B.5.
  36. Artikel 11 van de ordonnantie van 29 oktober 2020 wijzigt artikel 119 van de Brusselse Codex Fiscale Procedure. Het gewijzigde artikel 119 bepaalt : « §
  37. In het kader van de uitvoering van de internationale en de Europese rechterlijke verplichtingen tot hulp- en bijstand in fiscale zaken van het Gewest en in het kader van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, beschikt de gewestelijke fiscale administratie over de in titel 2 van deze Codex omschreven bevoegdheden. De gewestelijke fiscale administratie kan, in dit kader ook een beroep doen op de invorderingsmaatregelen voorzien in deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten. §
  38. De bevoegde agent mag, in het kader van de in paragraaf 1 omschreven omstandigheden, wat betreft de uitvoering van de internationale en de Europeesrechtelijke verplichtingen tot hulp- en bijstand in fiscale zaken van het Gewest, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door hem bepaalde termijn - welke in geval van overmacht kan worden verlengd - van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die hij nodig acht om aan de hulp en bijstandsverplichtingen van het Gewest te kunnen voldoen. 9 De bevoegde agent mag, in het kader van de in de paragraaf 1 omschreven omstandigheden, wat betreft de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, geschreven attesten inzamelen, derden horen, onderzoeken instellen, en binnen de door hem bepaalde termijn - welke in geval van overmacht kan worden verlengd - van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die hij nodig acht om alle informatie die de relevante belastingplichtige zelf, dan wel middels zijn intermediair, in toepassing van de artikelen 5, 19° tot en met 26°, 5/1, 9/2, §§ 1 tot en met 9 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen heeft gemeld of diende te melden aan de in artikel 5, 6°, van de voormelde ordonnantie bedoelde binnenlandse bevoegde autoriteit, met inbegrip van de onderliggende documenten die hij voor of na de melding van diens intermediair heeft ontvangen, of die hij zelf heeft opgesteld met betrekking tot de meldingsplichtige constructie. De bevoegde agent mag, binnen de door hem bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor zover hij die informatie nodig acht om de correcte naleving van de artikelen 5, 19° tot en met 26°, 5/1, 9/2, §§ 1 tot en met 9 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, van de betrokken intermediair of intermediairs alle informatie vorderen die in toepassing van de artikelen 5, 19° tot en met 26°, 5/1, 9/2, §§ 1 tot en met 9 van de voormelde ordonnantie diende te worden gemeld aan de in artikel 5, 6°, van de voormelde ordonnantie bedoelde binnenlandse bevoegde autoriteit, met inbegrip van de onderliggende documenten die de intermediair heeft opgesteld met betrekking tot een meldingsplichtige constructie en die na toepassing te hebben gemaakt van het tweede lid, niet werden overgemaakt. Een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling wordt als een derde beschouwd waarop de bepalingen van het eerste en tweede lid onverminderd van toepassing zijn. §
  39. De bevoegde agent, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, kan een administratieve geldboete van 125 euro tot 50.000 euro opleggen aan : 1° de personen die weigeren mee te werken aan het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde onderzoek; 2° personen die de krachtens paragraaf 2, eerste lid, ingevorderde inlichtingen niet of niet tijdig verschaffen. De Regering legt de schaal van voornoemde geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten. Deze geldboetes worden gevestigd en ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn voor de belastingen. §
  40. De bevoegde agent, bedoeld in paragraaf 2, tweede en derde lid, kan een administratieve geldboete van 625 euro tot 12.500 euro opleggen voor elke inbreuk op de bepalingen van de artikelen 5, 19° tot en met 26°, 5/1, 9/2, §§ 1 tot en met 9 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen evenals van de ter uitvoering genomen besluiten, die bestaat uit het onvolledig verstrekken van de inlichtingen 10 bedoeld in artikel 9/2, § 10 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen. Indien deze overtredingen werden gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden wordt een geldboete van 2.500 euro tot 25.000 euro opgelegd. De bevoegde agent, bedoeld in paragraaf 2, tweede en derde lid, kan een administratieve geldboete van 3.125 euro tot 50.000 euro opleggen voor elke inbreuk op de bepalingen van de artikelen 5, 19° tot en met 26°, 5/1, 9/2, §§ 1 tot en met 9 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen evenals van de ter uitvoering genomen besluiten, die bestaat uit het niet, binnen de voorgeschreven termijn, verstrekken van de inlichtingen bedoeld in artikel 9/2, § 10 van de ordonnantie betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen. Indien deze overtredingen werden gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden wordt een geldboete van 12.500 euro tot 100.000 euro opgelegd. De Regering legt de schaal van voornoemde geldboetes vast en regelt hun toepassingsmodaliteiten. Deze geldboetes worden gevestigd en ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn voor de belastingen ». B.5.
  41. Artikel 334 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt : « Wanneer een krachtens de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid, 316 en 322 tot 324 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim ». Zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanvoert, voorziet artikel 125 van de Brusselse Codex Fiscale Procedure in een nagenoeg identieke regeling, die de advocaat- intermediair toelaat zich op zijn beroepsgeheim te beroepen in het kader van de toepassing van artikel 119 van dezelfde Codex : « Wanneer een krachtens de afdelingen 2 tot en met 4 van hoofdstuk 5 van titel 2 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de gewestelijke fiscale administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim ». B.5.
  42. Het vierde middel berust op een verkeerde veronderstelling en is derhalve niet ernstig. 11 B.
  43. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat niet is voldaan aan het vereiste van ernstige middelen bedoeld in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Bijgevolg kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juni
  44. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.096 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.003 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.