id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.099 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210701.3 Arrest- Rolnummer: 99/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-07-27 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 32, § 2, zevende lid, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving », in zoverre het van toepassing is op de kunsthogescholen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs, schendt de artikelen 10, 11 en 24, §§ 1 en 4, van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 32, § 2, zevende lid, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Publiek recht - Onderwijs - Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Financiering - Werkingstoelagen - Bedrag - 1. Door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen - 2. Door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije kunsthogescholen. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1959 - 32,§2,L7 - 01 Link Justel databank 19590529-01 Tekst van de beslissing Rolnummer 7328 Arrest nr. 99/2021 van 1 juli 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 32, § 2, zevende lid, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 24 september 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 december 2019, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 32, § 2, zevende lid, van de zogeheten Schoolpactwet van 29 mei 1959 de artikelen 10, 11, 24, §§ 1 en 4, van de Grondwet, alsook de beginselen van vrijheid van onderwijs en van gelijkheid in het onderwijs, door een regel van berekening van de werkingstoelagen van de instellingen voor hoger kunstonderwijs van het vrije net vast te stellen die leidt tot de toekenning van een werkingstoelage die in feite per leerling gelijk is aan ongeveer 40 % van de werkingsdotatie die per leerling aan de door de Franse Gemeenschap georganiseerde instellingen voor hoger kunstonderwijs wordt toegekend ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Comité Organisateur des Instituts Saint-Luc de Liège », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Drion, advocaat bij de balie te Luik, en door Mr. D. Renders en Mr. E. Gonthier, advocaten bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschap (vertegenwoordigd door haar Regering), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Karolinski en Mr. M. Borres, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 21 april 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 19 mei 2021 teneinde de partijen in staat te stellen hun standpunt uiteen te zetten, inzonderheid wat betreft de eventuele handhaving van de gevolgen van de norm die het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt. Op de openbare terechtzitting van 19 mei 2021 : - zijn verschenen : . Mr. D. Drion en Mr. E. Gonthier, tevens loco Mr. D. Renders, voor de vzw « Comité Organisateur des Instituts Saint-Luc de Liège »; . Mr. M. Borres, tevens loco Mr. M. Karolinski, voor de Franse Gemeenschap; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De « École supérieure des Arts ‘ Saint-Luc ’ » is een door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinstelling. De inrichtende macht ervan, de vzw « Comité Organisateur des Instituts Saint-Luc de Liège », heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik gevraagd om de Franse Gemeenschap te veroordelen tot het betalen van het verschil tussen de werkingstoelagen die zij zou hebben ontvangen indien zij toelagen had genoten voor een bedrag dat gelijk is aan de dotaties die door de Franse Gemeenschap worden toegekend aan de kunsthogescholen die zij inricht en de werkingstoelagen die zij daadwerkelijk heeft ontvangen. Ingevolge het hoger beroep dat door de vzw « Comité Organisateur des Instituts Saint-Luc de Liège » is ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik waarbij zij in het ongelijk is gesteld, heeft het Hof van Beroep te Luik aan het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de grondwettigheid van de begrotingsdecreten van de Franse Gemeenschap voor de begrotingsjaren 2007, 2008 en 2010, in zoverre zij ten doel of tot gevolg hebben verschillende bedragen, globaal en per leerling, als werkingstoelagen toe te kennen aan de door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen, enerzijds, en de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde kunsthogescholen, anderzijds. Bij zijn arrest nr. 30/2015 van 12 maart 2015 heeft het Hof geoordeeld dat de in het geding zijnde begrotingsdecreten niet aan de oorsprong lagen van het verschil in behandeling dat was aangevoerd in de prejudiciële vraag, die bijgevolg geen antwoord behoefde. In het verlengde van dat arrest stelt het Hof van Beroep te Luik een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof in verband met artikel 32, § 2, zevende lid, van de zogeheten « Schoolpactwet » van 29 mei 1959. III. In rechte -A- A.1.1. Volgens de appellante voor de verwijzende rechter vloeit uit het arrest van het Hof nr. 30/2015 van 12 maart 2015 voort dat de grondslag voor de toekenning van de werkingsdotaties en -toelagen van de kunsthogescholen artikel 32, § 2, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de Schoolpactwet) is. Die bepaling bevat sensu stricto geen enkele regel met betrekking tot de berekening van de werkingsdotaties voor de door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen. Uit artikel 32, § 2, eerste lid, van de Schoolpactwet moet worden afgeleid dat het bedrag van de werkingstoelagen dat aan de gesubsidieerde kunsthogescholen moet worden toegekend, dient overeen te stemmen met 75 % van het forfaitaire bedrag dat per leerling aan de door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen wordt toegekend. De appellante voor de verwijzende rechter beklemtoont dat artikel 32, § 2, zevende lid, van de Schoolpactwet verwijst naar artikel 21, tweede lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd », dat zich ertoe beperkt een indexeringsregel vast te stellen. Dat artikel maakt het dus niet mogelijk te weten of het bedrag van de werkingstoelagen die in 2002, per leerling, aan de gesubsidieerde kunsthogescholen zijn toegekend, al dan niet overeenstemt met 75 % van het bedrag van de werkingsdotaties die datzelfde jaar, per leerling, aan de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap zijn toegekend. Het is immers op basis van het bedrag van de werkingstoelagen die in 2002 aan de gesubsidieerde kunsthogescholen zijn toegekend, dat het bedrag van die toelagen werd berekend voor de volgende jaren, met toepassing van een indexeringsmechanisme. De appellante voor de verwijzende rechter is van mening dat de prejudiciële vraag hoe dan ook bevestigend dient te worden beantwoord. A.1.2. De appellante voor de verwijzende rechter is van mening dat, gesteld dat het bedrag van de toelagen die in 2002, per leerling, aan de gesubsidieerde kunsthogescholen werden toegekend, overeenstemt met 75 % van de dotaties die, per leerling, aan de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap zijn toegekend, de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde indexeringsregels het zeker niet mogelijk hebben gemaakt om die oorspronkelijke verhouding de volgende jaren veilig te stellen : sedert minstens 2009 ontvangen de gesubsidieerde kunsthogescholen immers nog maar 35 tot 40 % van wat de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap 4 ontvangen. In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling en van de decreten die ze hebben aangevuld door opeenvolgende indexeringsregels vast te stellen, wordt dat verschil in behandeling niet verantwoord. Dat verschil kan hoe dan ook niet worden verklaard door een evolutie in de verdeling van de studentenbevolking tussen de verschillende netten. De appellante voor de verwijzende rechter voert aan dat het net van het gesubsidieerd onderwijs een gediversifieerd onderwijsaanbod verstrekt dat is gespreid over het gehele grondgebied van de Franse Gemeenschap, terwijl de meeste instellingen van de Franse Gemeenschap in Brussel zijn gelegen. Zij doet gelden dat de door de Gemeenschap toegekende toelagen onontbeerlijk zijn voor haar werking en dat zij niet over een andere structurele financieringsbron beschikt. Het bedrag van het door de studenten verschuldigde inschrijvingsgeld is immers strikt gereglementeerd, op dezelfde wijze voor alle instellingen, ongeacht het net (artikel 105 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 « tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies »). Algemener zijn de verplichtingen die op de gesubsidieerde kunsthogescholen rusten, dezelfde als die welke op de door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen rusten, ongeacht of het gaat om de inschrijving, het inschrijvingsgeld, de onderwezen materies of de duur van de studie, en de werkingskosten zijn analoog voor alle kunsthogescholen. A.1.3. De appellante voor de verwijzende rechter voert aan dat, zelfs in de veronderstelling dat het bedrag dat in 2002, per leerling, aan de gesubsidieerde vrije kunsthogescholen was toegekend, een forfaitair bedrag was dat niet overeenstemde met 75 % van de dotatie die, datzelfde jaar, per student, aan de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap is toegekend, de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. In dat geval zou dan moeten worden vastgesteld dat het bedrag voor de financiering van de sedert 2002 gesubsidieerde kunsthogescholen sindsdien niet meer op enig objectief criterium berust. Niets kan dat verschil in behandeling bij de financiering van de werking van de kunsthogescholen verantwoorden. A.1.4. De appellante voor de verwijzende rechter is van mening dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij een structurele onderfinanciering van de werking van de gesubsidieerde kunsthogescholen tot stand brengt, de vrijheid van onderwijs van de inrichtende machten van die kunsthogescholen, die wordt gewaarborgd door artikel 24, § 1, van de Grondwet, alsook de keuzevrijheid van de leerlingen schendt. Noch de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, noch enig ander element maken het mogelijk te begrijpen waarom de Franse Gemeenschap de financiering van de gesubsidieerde kunsthogescholen zo drastisch inperkt, in vergelijking met de financiering van de kunsthogescholen die zij inricht, terwijl de verplichtingen die op de kunsthogescholen van alle netten rusten, soortgelijk zijn. De appellante voor de verwijzende rechter voert aan dat die beperking erop neerkomt een wezenlijke financieringsbron aan de gesubsidieerde kunsthogescholen te ontzeggen en dat zij het, door hen te verhinderen materiaal en boeken aan te kopen, of nog evenementen te organiseren waarbij het werk van de studenten kan worden tentoongesteld of gepromoot, vrijwel onmogelijk of minstens overdreven moeilijk maakt om hun onderwijs in te richten. A.2.1. De Franse Gemeenschapsregering, geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter, voert aan dat de aan de gesubsidieerde kunsthogescholen toegekende werkingstoelagen worden vastgesteld op grond van het zevende lid van artikel 32, § 2, van de Schoolpactwet, en niet op grond van het eerste lid van datzelfde artikel. A.2.2. Volgens haar is het verschil in behandeling redelijk verantwoord, gezien de objectieve verschillen die bestaan tussen de twee netten en de opdracht van openbare dienst die toekomt aan de Franse Gemeenschap, die een grotere financiële tegemoetkoming verantwoordt (zie de arresten van het Hof nrs. 27/92 en 109/98). De Franse Gemeenschap is verplicht om onderwijs in te richten waar daaraan behoefte bestaat, in tegenstelling tot de inrichtende machten van het gesubsidieerd vrij onderwijs, die vrij zijn om hun onderwijsaanbod aan te passen naargelang van hun eigen criteria. Bovendien, terwijl de Franse Gemeenschap ervoor dient te zorgen dat het door de studenten verschuldigde inschrijvingsgeld zo laag mogelijk is, zijn de gesubsidieerde kunsthogescholen vrij om het inschrijvingsgeld en bijkomend inschrijvingsgeld van hun keuze te vragen binnen de perken bedoeld in artikel 12 van de Schoolpactwet. Die kunsthogescholen beschikken ook over andere financieringsbronnen dan de toelagen (schenkingen, legaten, eigen vermogen, enz.). Ten slotte toont de appellante voor de verwijzende rechter niet aan dat de financiering die haar wordt toegekend, haar onderwijsactiviteit in gevaar brengt of haar verhindert correct te werken. Er wordt dus niet geraakt aan de keuzevrijheid van de ouders en van de leerlingen. A.2.3. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het verschil in behandeling maar een beperkt deel van de aan de kunsthogescholen toegekende kredieten betreft, met andere woorden nauwelijks meer dan 6 % van 5 hun totale financiering. Een deel van de bedragen die aan de kunsthogescholen worden toegekend, wordt dat immers op grond van bepalingen die gemeenschappelijk zijn voor alle netten. De toepassing van die bepalingen brengt een financiering met zich mee die min of meer gelijk is per student in alle netten, en soms zelfs groter is voor het vrij onderwijs. Daarenboven ontvangen de gesubsidieerde vrije kunsthogescholen weddetoelagen om het loon van de leden van hun personeel te financieren. A.3.1. De appellante voor de verwijzende rechter stelt vast dat de Franse Gemeenschapsregering niet betwist dat het in het geding zijnde verschil in behandeling voortvloeit uit de bepaling die het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, noch de in het geding zijnde bedragen betwist. Zij voegt eraan toe dat de Franse Gemeenschapsregering niet preciseert of het in het geding zijnde verschil in behandeling voortvloeit uit een verschil wat betreft de financiering zoals zij in 2002 is vastgesteld of uit de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde indexeringsregels. De argumenten die de Franse Gemeenschapsregering aanvoert om het verschil in behandeling te verantwoorden, steunen op geen enkel parlementair stuk. Zij geven dus niet de overwegingen van de wetgever weer en lijken a posteriori te zijn verstrekt, in het belang van de zaak. De appellante voor de verwijzende rechter doet gelden dat de rechtspraak van het Hof die door de Franse Gemeenschapsregering wordt aangehaald, verband houdt met het leerplichtonderwijs, en niet met het hoger kunstonderwijs, en dat ze bovendien teruggaat tot een tijd waarin de scholen van de Franse Gemeenschap waren onderworpen aan specifieke verplichtingen, hetgeen vandaag duidelijk minder het geval is. Het hoger kunstonderwijs kent noch de leerplicht, noch de verplichting om filosofische cursussen te organiseren. De kunsthogescholen, ongeacht het net, zijn ertoe gehouden elke student in te schrijven die erom verzoekt en die slaagt voor het ingangsexamen. Het inschrijvingsgeld is hetzelfde in de drie netten. De instellingen van de drie netten kunnen bijkomend inschrijvingsgeld vragen, in dezelfde mate. De financieringsregels zijn identiek, met uitzondering van wat betreft de financiering van de gebouwen en van de werking. De voormelde rechtspraak kan te dezen dus niet worden overgenomen. A.3.2. De appellante voor de verwijzende rechter doet gelden dat de Franse Gemeenschap, inzake hoger kunstonderwijs, niet ertoe is gehouden onderwijs in te richten waar daaraan behoefte bestaat. De opening van een nieuwe kunsthogeschool is immers onderworpen aan een mechanisme van voorafgaande toelating, geregeld bij het voormelde decreet van 7 november 2013. Dat mechanisme, dat zowel op de Franse Gemeenschap als op de gesubsidieerde inrichtende machten van toepassing is, houdt in dat rekening wordt gehouden met het bestaande onderwijsaanbod, ongeacht het net. Daarenboven, naast het reeds vermelde feit dat de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap voornamelijk gevestigd zijn te Brussel, dient te worden vastgesteld dat de budgettaire beperkingen sedert de jaren 1980 een uitbreiding van het onderwijsaanbod verhinderen. Het blijkt dat de Franse Gemeenschap in werkelijkheid de aanvullende financiering waarover zij beschikt, niet gebruikt om haar onderwijsaanbod uit te breiden, maar om te vermijden dat bijkomend inschrijvingsgeld wordt gevraagd, zodat haar kunsthogescholen een concurrentieel voordeel ten opzichte van de andere kunsthogescholen genieten. Ten slotte identificeert de Franse Gemeenschap niet de « opdracht van openbare dienst » die extra kosten met zich mee zou brengen en die het verschil in behandeling zou verantwoorden. A.3.3. Wat de vermeende kosteloosheid betreft, beklemtoont de appellante voor de verwijzende rechter dat de gesubsidieerde kunsthogescholen geen hoger inschrijvingsgeld mogen vragen dan dat wat de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap vragen. Zoals hiervoor is vermeld, zijn de regels die van toepassing zijn op het vaststellen van het inschrijvingsgeld en op de mogelijkheid om « bijbehorende » kosten te vragen, gemeenschappelijk voor alle kunsthogescholen. In het gesubsidieerde net wordt het totaalbedrag van het door de kunsthogescholen ontvangen inschrijvingsgeld (buiten de bijbehorende kosten) bovendien afgetrokken van die door de Franse Gemeenschap gestorte werkingstoelagen, overeenkomstig artikel 12, § 2, van de Schoolpactwet. De omstandigheid dat de gesubsidieerde kunsthogescholen bijbehorende kosten aanrekenen, vloeit voort uit het feit dat hun financiering ontoereikend is. Niets verantwoordt evenwel dat de gesubsidieerde kunsthogescholen de facto ertoe zijn gehouden hun publieke onderfinanciering te compenseren door kosten af te wentelen op de studenten. Het is ten onrechte, en zonder te proberen zulks aan te tonen, dat de Franse Gemeenschapsregering beweert dat de appellante voor de verwijzende rechter over andere middelen dan de werkingstoelagen zou beschikken. Bovendien beschikken ook de door de Franse Gemeenschap ingerichte kunsthogescholen over aanvullende financieringsbronnen, op grond van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap », zodat zij zich in dezelfde situatie als de gesubsidieerde kunsthogescholen bevinden. 6 De appellante voor de verwijzende rechter doet gelden dat de onderfinanciering van de werking van het gesubsidieerd onderwijs concreet afbreuk doet aan haar vrijheid om onderwijs in te richten. De organisatie van de opleidingen die zij aanbiedt, vereist begeleiding en een specifieke geavanceerde uitrusting, die zij niet kan financieren. Onder de moeilijkheden die zij ervaart, haalt zij het gebrek aan didactisch en pedagogisch materiaal aan, het gebrek aan materiaal voor het practicum van de studenten, een informatica-achterstand, de onmogelijkheid om de aankoop van bepaalde betalende software te financieren, enz. Die onderfinanciering is aanzienlijk, aangezien zij ongeveer 400 000 euro per academiejaar vertegenwoordigt. Ten slotte beweert de Franse Gemeenschapsregering ten onrechte dat de gesubsidieerde kunsthogescholen zouden worden bevoordeeld ten opzichte van de kunsthogescholen die zij inricht, wat de financiering van andere aspecten betreft, aangezien de financieringsregels van die aangelegenheden (bevordering van de democratisering, bevordering van de kosteloosheid, bevordering van de uitrusting) strikt identiek zijn voor de drie onderwijsnetten. Die aanvullende financieringen worden toegekend op objectieve gronden, namelijk de sociaal-economische profielen van de studenten en het onderwezen soort van artistieke activiteit. Daarenboven zijn de verschillen in financiering tussen de netten miniem. A.4.1. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat niet de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde berekeningsmethode, noch zelfs het bedrag van de toelagen wordt bekritiseerd, maar het feit dat de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap grotere werkingsdotaties krijgen op grond van een andere bepaling dan die welke in het geding is. Aan het Hof wordt evenwel geen vraag gesteld over de geldigheid van die bepaling. Het verschil in behandeling is dus niet gelegen in de in het geding zijnde bepaling. Bovendien vergelijkt de appellante voor de verwijzende rechter haar situatie niet met die van de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap, maar met die van de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs die geen kunsthogescholen zijn en die 75 % ontvangen van de bedragen die als werkingsdotaties aan de scholen van de Franse Gemeenschap worden toegekend. De prejudiciële vraag dient dus onontvankelijk te worden verklaard, aangezien de te vergelijken categorieën van personen niet nauwkeurig worden geïdentificeerd. A.4.2. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de vraag of het bedrag dat in 2002 per leerling aan de kunsthogescholen van het gesubsidieerde net is toegekend, al dan niet overeenstemt met 75 % van de dotatie die, per leerling, voor hetzelfde jaar, aan de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap is toegekend, niet relevant is, aangezien het zevende lid van artikel 32, § 2, van de Schoolpactwet een regeling invoert die zich volledig onderscheidt van de regeling waarin het eerste lid van hetzelfde artikel voorziet. A.4.3. Wat de andere mogelijke structurele financieringsbronnen betreft, is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat artikel 25 van de Schoolpactwet tot gevolg heeft dat elke inrichtende macht in staat moet zijn om de kosten ten laste te nemen die inherent zijn aan het onderwijs dat zij inricht, ter aanvulling op de ontvangen toelagen. Ook al zou de appellante voor de verwijzende rechter niet over andere structurele financieringsbronnen dan de toelagen beschikken, toch heeft de decreetgever gegronde redenen om rekening te houden met het feit dat een dergelijke mogelijkheid bestaat, hetgeen niet het geval is wat betreft de kunsthogescholen van de Franse Gemeenschap. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar de boekhoudkundige documenten van de appellante voor de verwijzende rechter, die aantonen dat die over aanzienlijke eigen middelen beschikt. Ten slotte toont de appellante voor de verwijzende rechter niet op overtuigende wijze aan dat de onderfinanciering waarvan zij het slachtoffer zou zijn, de inrichting van haar onderwijs onmogelijk of op zijn minst moeilijk zou maken. Uit de cijfers over het aantal studenten aan de kunsthogescholen blijkt dat de in het geding zijnde financiering de keuzevrijheid van de studenten niet raakt. A.4.4. In uiterst ondergeschikte orde, in geval van vernietiging, verzoekt de Franse Gemeenschapsregering het Hof om de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling uit te spreken, minstens in zoverre die van toepassing is op voorbije begrotingsjaren en op voltrokken situaties, rekening houdend met de budgettaire en financiële moeilijkheden die een niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid zou veroorzaken voor de Franse Gemeenschap. Zij verzoekt het Hof eveneens om de gevolgen voorlopig te handhaven gedurende een redelijke termijn, teneinde de decreetgever de tijd te laten om de ongrondwettigheid te verhelpen. Uit de parlementaire besprekingen blijkt dat, indien de Franse Gemeenschap niet meer middelen toekent aan de kunsthogescholen in hun geheel en aan de kunsthogescholen van het gesubsidieerde vrije net in het bijzonder, dat niet komt omdat zij dat niet nuttig of noodzakelijk acht, maar omdat zij keuzes dient te maken bij de verdeling van de beperkte financiële middelen waarover zij beschikt en omdat niet kan worden overwogen om bedragen die thans aan de scholen van de Franse Gemeenschap worden toegekend, in te houden teneinde ze te herverdelen. Er dienen nieuwe middelen te worden gevonden. 7 -B- B.1. Artikel 32, § 2, eerste en zevende lid, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de Schoolpactwet) bepaalt : « Binnen de perken van de in het volgende lid bedoelde begrotingskredieten is het bedrag van de werkingstoelagen [per] regelmatig ingeschreven leerling gelijk aan 75 % van de in artikel 3, § 3, vastgelegde forfaitaire dotaties. […] In afwijking van het eerste lid wordt het bedrag van de werkingssubsidies dat toegekend wordt per regelmatig ingeschreven leerling in de Hogere Kunstscholen en in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, vastgesteld vanaf het jaar 2003 op het bedrag toegekend voor het jaar 2002, zoals bepaald krachtens artikel 21, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2001 waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd, en geïndexeerd zoals hierna vermeld :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.