id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210701.4 Arrest- Rolnummer: 100/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-07-27 Raadplegingen: 394 - laatst gezien 2026-06-19 18:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Voor zover het, vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontzegt aan personen die hun rustpensioen op dat ogenblik niet opnemen en ten aanzien van wie geen enkel element toelaat ervan uit te gaan dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd zullen kunnen hervatten, schendt artikel 108, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 108, 1° en 2°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals van kracht tot 30 april 2019, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Arbeidsongeschiktheid - Uitkering - Eind - Loontrekkenden die na de pensioenleeftijd zijn blijven werken -
- Pensioenleeftijd bereikt gedurende de arbeidsongeschiktheid -
- Arbeidsongeschiktheid voorval na de pensioenleeftijd. Tekst van de beslissing Rolnummer 7374 Arrest nr. 100/2021 van 1 juli 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 108, 1° en 2°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals van kracht tot 30 april 2019, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 2 maart 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 maart 2020, heeft de Arbeidsrechtbank Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : - « Schendt artikel 108, 1° en 2°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, (zoals het van kracht was tot 30 april 2019) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de werknemers die ervoor hebben gekozen hun beroepsactiviteit voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd zonder hun pensioen te hebben aangevraagd en die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid, en die welke, na eveneens te zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd zonder hun pensioen te hebben aangevraagd, ziek worden na de wettelijke pensioenleeftijd te hebben bereikt, in zoverre aan de eerstgenoemden het recht op uitkeringen wordt ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, krachtens artikel 108, 1°, terwijl de laatstgenoemden het recht op uitkeringen pas verliezen vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid zich heeft voorgedaan, en dat krachtens artikel 108, 2° ? »; - « Schendt artikel 108, 1°, van de wet betreffende de [verplichte verzekering voor] geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, (zoals het van kracht was tot 30 april 2019) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de arbeidsongeschikte werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt en die gedurende hun periodes van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten laste van de bevoegde socialezekerheidsinstelling, en de werknemers die ervoor hebben gekozen hun beroepsactiviteit voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd zonder hun pensioen te hebben aangevraagd, die arbeidsongeschikt worden en gedurende die arbeidsongeschiktheid de wettelijke pensioenleeftijd bereiken, aangezien aan die laatsten het voordeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt terwijl zij, zoals de andere werknemers, via hun loon zijn blijven bijdragen tot het stelsel van de sociale zekerheid, en omdat zij worden gedwongen, teneinde een vervangingsinkomen te genieten, hun recht op een pensioen zeer snel te doen gelden waardoor hun bijgevolg de mogelijkheid wordt ontnomen om te blijven bijdragen met het oog op een verhoging van dat pensioen via een voortzetting van hun bezoldigde activiteit ? ». Memories zijn ingediend door : - Hubert Pieri, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Dejaifve, advocaat bij de balie te Luik-Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel. Hubert Pieri heeft ook een memorie van antwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 21 april 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 5 mei 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 5 mei 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil H. Pieri is geboren op 20 juli
- In 2018 beslist hij, in onderlinge overeenstemming met zijn werkgever, zijn beroepsbezigheden voort te zetten na de leeftijd van 65 jaar, zijnde na 20 juli 2018, zonder zijn rustpensioen aan te vragen. Van 10 tot 22 juni 2018 is hij arbeidsongeschikt en ontvangt hij een gewaarborgd loon. Hij wordt opnieuw arbeidsongeschikt van 1 juli tot 7 oktober 2018, zodat de vergoeding van zijn arbeidsongeschiktheid ten laste valt van de uitkeringsverzekering. Op 10 september 2018 brengt zijn ziekenfonds hem ervan op de hoogte dat zijn vergoeding ten einde loopt op 31 juli 2018, krachtens artikel 108, 1°, van de wet « betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen », gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), om reden dat hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt op 20 juli
- Bij verzoekschrift van 10 december 2018 betwist H. Pieri die beslissing voor de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Hij verzoekt de Rechtbank om artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 buiten toepassing te laten en bijgevolg de in het geding zijnde beslissing te vernietigen. Volgens hem creëert die bepaling een discriminatie tussen arbeidsongeschikte werknemers die jonger zijn dan 65 jaar, en die aanspraak kunnen maken op uitkeringen zonder begrenzing in de tijd, en werknemers die ouder zijn dan 65 jaar en die hun beroepsbezigheden hebben voortgezet na de werkelijke pensioenleeftijd en die, terwijl ze arbeidsongeschikt zijn, geen aanspraak kunnen maken op die uitkeringen. Allereerst herinnert de verwijzende rechter eraan dat artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994, zoals van kracht tot 30 april 2019, bepaalt dat de uitkeringen worden ontzegd vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wanneer het een gerechtigde betreft die verder werkzaam is geweest na de wettelijke pensioenleeftijd. Volgens de verwijzende rechter is artikel 108, 2°, niet van toepassing op de personen die zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd indien zij arbeidsongeschikt waren wanneer zij die leeftijd hebben bereikt, omdat het voorziet in een afschaffing van de uitkeringen vanaf de eerste dag van de tweede maand na het begin van de arbeidsongeschiktheid. Rekening houdend met het ogenblik waarop die termijn aanvangt, zou die bepaling immers enkel van toepassing zijn op de werknemer wiens arbeidsongeschiktheid is begonnen nadat hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. Zo niet zouden werknemers, in bepaalde gevallen, hun recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verliezen zelfs voordat zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. 4 Op de personen die zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd en die die leeftijd hebben bereikt terwijl zij arbeidsongeschikt waren, wordt dus artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 toegepast, zodat zij hun arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verliezen vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, terwijl de personen die zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd en die arbeidsongeschikt zijn geworden na het bereiken van die leeftijd het voordeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen pas verliezen vanaf de eerste dag van de tweede maand na het begin van de arbeidsongeschiktheid. De verwijzende rechter is van mening dat dit eerste verschil in behandeling op een objectief criterium berust, maar heeft vragen bij de verantwoording ervan. Wat het door de eisende partij bekritiseerde verschil in behandeling betreft, oordeelt de verwijzende rechter dat de wetgever een hiërarchie heeft vastgesteld tussen de vervangingsinkomsten, omdat hij van mening is dat, vanaf een bepaalde leeftijd, wanneer een werknemer arbeidsongeschikt wordt, zijn inkomsten ten laste moeten worden gegarandeerd door de inning van een rustpensioen veeleer dan van een uitkering voor primaire arbeidsongeschiktheid of voor invaliditeit. De verwijzende rechter vraagt zich af of dat verschil in behandeling onevenredig is, omdat de in het geding zijnde bepaling de werknemer verplicht om zijn rustpensioen aan te vragen zodra de periode van gewaarborgd loon is geëindigd, zelfs wanneer zijn arbeidsongeschiktheid van korte duur is, terwijl hij zou zijn blijven bijdragen aan de sociale zekerheid na de wettelijke pensioenleeftijd. Hij voegt eraan toe dat, indien de werknemer zijn beroepsactiviteit zou hervatten, zoals de pensioenwetgeving hem dat toestaat, hij dan niet meer de mogelijkheid zou hebben om bij te dragen voor zijn pensioen, aangezien dat reeds zou vaststaan. Bij zijn vonnis van 2 maart 2020 beslist de verwijzende rechter aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter herinnert eraan dat artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 bepaalt dat, aan een gerechtigde die ervoor heeft gekozen zijn beroepsactiviteit voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd zonder zijn pensioen aan te vragen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin hij die leeftijd bereikt, wanneer hij op dat ogenblik arbeidsongeschikt is, terwijl het 2° van die bepaling erin voorziet dat, aan een gerechtigde die ervoor heeft gekozen zijn beroepsactiviteit voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd zonder zijn pensioen aan te vragen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden ontzegd vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wanneer hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt alvorens arbeidsongeschikt te worden. A.1.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter doet gelden dat die twee categorieën van personen vergelijkbaar zijn en dat het verschil in behandeling tussen hen niet berust op een objectief en pertinent criterium. A.1.
- Volgens haar is er geen enkel objectief, pertinent of redelijk motief dat een dergelijk verschil in behandeling zou verantwoorden, des te meer omdat, bij gebrek aan tegemoetkoming vanwege het ziekenfonds, de groepsverzekering ook weigert om tegemoet te komen. De eisende partij is van mening dat de personen van de eerste categorie onmiddellijk hun pensioen moeten aanvragen om gedurende hun arbeidsongeschiktheid inkomsten te kunnen blijven ontvangen, terwijl de personen van de tweede categorie een bijkomende maand uitkeringen kunnen genieten en dus een grotere kans hebben om een beroepsactiviteit te hervatten en om meer pensioenrechten op te bouwen. 5 A.1.
- De eisende partij voegt eraan toe dat, gelet op de huidige bedoeling van de wetgever, namelijk werknemers ertoe aanzetten zo lang mogelijk te werken en op die manier het niveau van de pensioenen te verhogen, dat verschil in behandeling geen bestaansreden heeft. A.2.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, omdat de verwijzende rechter zich buigt over een verschil in behandeling tussen de personen op wie artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 van toepassing is en de personen op wie het 2° van dat artikel van toepassing is, en omdat de toepassing van elk van die regels tot eenzelfde resultaat leidt voor de eisende partij voor de verwijzende rechter. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 87, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994 bepaalt dat, indien een gerechtigde niet langer in staat van primaire arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 over een tijdvak dat minder dan veertien dagen telt, dat tijdvak waarover geen primaire ongeschiktheidsuitkering wordt betaald, de loop van het tijdvak van primaire ongeschiktheid niet onderbreekt. A.2.
- Daaruit volgt, volgens de Ministerraad, dat de periode van primaire ongeschiktheid van de eisende partij voor de verwijzende rechter niet werd onderbroken tussen het einde van haar eerste arbeidsongeschiktheid, te weten 22 juni 2018, en het begin van haar tweede arbeidsongeschiktheid, te weten 1 juli
- De Ministerraad doet gelden dat de toepassing van artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994 ertoe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan de eisende partij voor de verwijzende rechter moeten worden ontzegd vanaf 1 augustus 2018, aangezien de arbeidsongeschiktheid is aangevangen op 10 juni
- Hij is van mening dat de toepassing van artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 ertoe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen eveneens vanaf 1 augustus 2018 aan de eisende partij voor de verwijzende rechter moeten worden ontzegd, omdat het gaat om de eerste dag van de maand na die waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, te dezen 20 juli
- A.3.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.3.
- Hij doet gelden dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is aangevangen. Volgens hem wordt met dat verschil in behandeling een legitiem doel nagestreefd, namelijk een dubbele besteding van de verschillende takken van de sociale zekerheid vermijden en de solidariteit onder de burgers verzekeren door de middelen van de sociale zekerheid zo goed mogelijk te besteden. Hij is van mening dat de overgrote meerderheid van de werknemers die arbeidsongeschikt zijn op het ogenblik dat zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken zich reeds lang in die situatie bevinden, zodat zij niet meer in staat zijn om hun beroepsactiviteit te hervatten, terwijl werknemers die arbeidsongeschikt worden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, hebben laten zien dat zij nog steeds arbeidsgeschikt waren na de wettelijke pensioenleeftijd, door te beslissen om hun loopbaan te verlengen. A.3.
- De Ministerraad brengt eveneens in herinnering dat de wetgever erop staat dat het rustpensioen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet worden gecumuleerd. Hij is van oordeel dat het in het geding zijnde verschil in behandeling pertinent is omdat het die cumulatie voorkomt, dat de bijzonderheden van elke regeling in acht worden genomen en dat een persoon die niet langer arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kan genieten een rustpensioen kan genieten. A.3.4.
- Wat de evenredigheid van het verschil in behandeling betreft, herinnert de Ministerraad allereerst aan de rechtspraak van het Hof over de specifieke regels die van toepassing zijn op de personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken, met name wat betreft een inkorting van de opzeggingstermijnen (arresten nrs. 107/2010 van 30 september 2010 en 15/2011 van 3 februari 2011). Volgens hem kan men uit die rechtspraak afleiden dat het voordeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de tijd kan worden beperkt, voor de arbeidsongeschikte personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, zonder rekening te moeten houden met de omstandigheid dat die personen het rustpensioen waarop zij recht hebben daadwerkelijk hebben aangevraagd. 6 Hij vermeldt eveneens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarbij dat Hof de ambtshalve pensionering van personen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, heeft aanvaard (HvJ, 21 juli 2011, C-159/10 en C-160/10, Fuchs en Köhler, punten 40 et 75; 18 november 2010, C-250/09 en C-268/09, Georgiev, punt 68; 12 oktober 2010, C-45/09, Rosenbladt, punt 53). De Ministerraad is van mening dat die redenering des te meer geldt voor een bepaling die, zoals de in het geding zijnde bepaling, niet verplicht om met pensioen te gaan, maar het voordeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de tijd beperkt. A.3.4.
- Hij doet gelden dat over de in het geding zijnde bepaling sociaal overleg werd gepleegd, aangezien zij voortvloeit uit een voorstel van het Beheerscomité van het RIZIV, dat paritair is samengesteld. A.3.4.
- De Ministerraad is eveneens van mening dat de in het geding zijnde bepaling het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet afschaft. Volgens hem behoudt de betrokkene dat recht gedurende minstens één maand nadat hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. Hij voegt eraan toe dat, wanneer een persoon die arbeidsongeschikt wordt vóór het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd het werk hervat na die leeftijd te hebben bereikt, hij opnieuw arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kan genieten wanneer hij opnieuw arbeidsongeschikt zou worden, voor zover minstens 14 dagen zijn verlopen tussen de twee periodes van arbeidsongeschiktheden. A.3.4.
- Hij is van mening dat het verschil in behandeling gering en zelfs onbestaande is, zoals dat het geval is voor de eisende partij voor de verwijzende rechter. Volgens de Ministerraad bedraagt, in het slechtste geval, het verschil in behandeling tussen beide situaties slechts twee maanden uitkeringen. Hij doet gelden dat, bij zijn weten, het geschil voor de feitenrechter het eerste geschil is over de in het geding zijnde bepaling en dat de eisende partij voor de verwijzende rechter tot een heel kleine minderheid behoort van personen die primair arbeidsongeschikt zijn wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken, omdat, volgens de cijfers van het RIZIV voor het jaar 2018, 95 % van de personen die arbeidsongeschikt waren wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd hadden bereikt zich in een periode van invaliditeit bevonden, wat betekent dat zij reeds sinds minstens één jaar arbeidsongeschikt waren. Hij onderstreept dat dit percentage noodzakelijkerwijs hoger is wanneer men rekening houdt met de personen die sinds drie maanden of langer arbeidsongeschikt zijn. A.3.4.
- De Ministerraad is van mening dat zowel de personen die worden beoogd door artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994, als die welke worden beoogd door het 2° van die bepaling een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen hebben dat beperkt is in de tijd, en dat noch de enen noch de anderen pensioenrechten opbouwen wanneer zij geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen meer ontvangen. A.3.4.
- Ter vergelijking wijst de Ministerraad erop dat werkloosheidsuitkeringen ook beperkt zijn in de tijd wanneer de werkloze de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, aangezien, met toepassing van artikel 64, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering », de werkloze die uitkeringen niet meer kan genieten vanaf de eerste dag van de maand volgend op die van zijn 65ste verjaardag. A.3.4.
- Ten slotte doet de Ministerraad gelden dat elke persoon die een rustpensioen geniet en tegelijk een bezoldigde activiteit blijft uitoefenen onder de voorwaarden die zijn toegestaan door de pensioenwetgeving, over een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen beschikt wanneer hij arbeidsongeschikt wordt, overeenkomstig artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli
- Hij brengt evenwel in herinnering dat, in dat geval, de pensioenreglementering een cumulatie tussen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en rustpensioen verbiedt, wat tot gevolg heeft dat een gerechtigde op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn recht op een rustpensioen verliest. Hij leidt daaruit af dat er gevallen zijn waarin een werknemer die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geniet. A.4.
- Wat de ontvankelijkheid van de eerste prejudiciële vraag betreft, antwoordt de eisende partij voor de verwijzende rechter dat artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994 niet op haar kan worden toegepast en dat het niet dezelfde situatie beoogt als het 1° van dat artikel. Zij is van oordeel dat de uitkeringen haar zijn ontzegd vanaf 1 augustus 2018, met toepassing van artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994, aangezien artikel 108, 2°, van die wet enkel geldt voor een toekomstige arbeidsongeschiktheid. Zij leidt daaruit af dat niet kan worden beweerd dat de toepassing van het 1° of het 2° voor de betrokken werknemer tot eenzelfde resultaat leidt. 7 A.4.
- Ten gronde stelt de eisende partij vast dat de wetgever is teruggekomen op de doelstellingen die hij nastreefde, aangezien artikel 15 van de wet van 7 april 2019 « betreffende de sociale bepalingen van de jobsdeal » (hierna : de wet van 7 april 2019) de nadere regels wijzigt voor de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan werknemers die hun beroepsbezigheden hebben verlengd tot na de wettelijke pensioenleeftijd. Zij herinnert eraan dat, volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling, de uitbreiding tot zes maanden van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen past in het kader van het beleid van de Regering dat ertoe strekt werknemers aan te moedigen om hun beroepsactiviteit langer uit te oefenen. Zij is van mening dat de wetgever, met de wetswijziging van 7 april 2019, de bestaande discriminatie zelf heeft gecorrigeerd, zodat niet kan worden beweerd dat de in het geding zijnde bepaling, in de vorige versie ervan, bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.4.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter doet gelden dat zij geen cumulatie vraagt van het rustpensioen met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, aangezien zij haar hoedanigheid van werknemer heeft behouden en zij uit hoofde daarvan recht meent te hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens haar periodes van arbeidsongeschiktheid. Zij wijst ook erop dat zij is blijven bijdragen tot het socialezekerheidsfonds, met inbegrip van de sector van ziekte en invaliditeit, en dat zij niet het verbod betwist om zowel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als een rustpensioen te ontvangen. Volgens haar wordt in de door de Ministerraad in herinnering gebrachte parlementaire voorbereiding de situatie beoogd van een gepensioneerde gerechtigde die een beroepsactiviteit uitoefent terwijl hij reeds de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt en aan wie, logischerwijs, het rustpensioen moet worden geweigerd wanneer hij ervoor kiest arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te ontvangen. A.4.
- Zij is van mening dat er evenmin een dubbele besteding van de in het geding zijnde prestatie is, aangezien zij haar pensioen niet heeft aangevraagd, omdat zij immers haar beroepsbezigheden wenste voort te zetten, wat zij overigens heeft gedaan na afloop van haar arbeidsongeschiktheid. De eisende partij onderstreept dat zij zich dus niet bevindt in de door de Ministerraad beschreven situatie van een langdurige arbeidsongeschiktheid die een werknemer die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt zou toelaten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te blijven genieten in plaats van een pensioen. Zij is van mening dat de prejudiciële vraag geen betrekking heeft op de situatie van werknemers die langdurig arbeidsongeschikt zijn en die, per definitie, niet ervoor hebben kunnen kiezen om hun beroepsbezigheden voort te zetten na 65 jaar, aangezien zij in concreto geen beroepsbezigheden meer hebben. A.4.
- De eisende partij voert aan dat de beleidswijziging die reeds jaren aan de gang is, namelijk de werknemer de mogelijkheid bieden om actief te blijven na 65 jaar, bevestigt dat er niet langer, zoals in het verleden, « onweerlegbaar vermoeden » is van arbeidsongeschiktheid vanaf die leeftijd. Volgens haar werd de huidige leeftijd voor het wettelijk pensioen vastgesteld op 67 jaar en een groot aantal werknemers wensen hun pensioen te verhogen of hun voordelen te behouden door dus te werken na de wettelijke pensioenleeftijd. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.5.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter is van mening dat artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 een verschil in behandeling doet ontstaan tussen arbeidsongeschikte werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt, die aanspraak kunnen maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, en werknemers die ervoor hebben gekozen hun beroepsactiviteit voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd zonder hun pensioen aan te vragen en die arbeidsongeschikt zijn op het ogenblik waarop zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken, aangezien aan laatstgenoemden arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, terwijl zij, zoals de andere werknemers, zijn blijven bijdragen aan het stelsel van de sociale zekerheid. Volgens haar worden die werknemers gedwongen hun recht op een rustpensioen zeer snel te doen gelden teneinde een vervangingsinkomen te genieten, waardoor hun bijgevolg de mogelijkheid wordt ontnomen om hun beroepsactiviteit te verlengen om hun pensioenbedrag te verhogen. 8 A.5.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter herinnert eraan dat, bij de wet van 7 april 2019, de wetgever artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994 heeft gewijzigd opdat het in een dekking voorziet gedurende de eerste zes maanden van arbeidsongeschiktheid voor werknemers die nog steeds actief zijn na de wettelijke pensioenleeftijd, alsook in de mogelijkheid, voor een werknemer die ziek wordt vóór de eerste dag van de maand na die waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, om een uitkering te ontvangen gedurende een periode van zes maanden vanaf die datum. De eisende partij voor de verwijzende rechter leidt daaruit af dat de wetgever het onverantwoorde verschil in behandeling dat volgde uit de toepassing van de vorige versie van artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994, voor de toekomst heeft gecorrigeerd. Zij doet gelden dat zij, zoals iedere werknemer, is blijven bijdragen aan de sociale zekerheid. Zij is van mening dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 april 2019 erop wordt gewezen dat voordien aan een werknemer slechts gedurende een uiterst beperkte periode arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden toegekend, of zelfs helemaal geen uitkeringen, hoewel op het door hem verworven loon nog steeds socialezekerheidsbijdragen waren ingehouden. Daaruit volgt volgens haar een onverantwoord verschil in behandeling ten opzichte van de werknemers die jonger zijn dan 65 jaar, die uitkeringen kunnen genieten gedurende de volledige periode van arbeidsongeschiktheid. A.5.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat, indien zij het werk zou hervatten na haar arbeidsongeschiktheid, waarbij zij de keuze zou hebben gemaakt om haar pensioen aan te vragen, haar de mogelijkheid zou worden ontnomen om bijkomende pensioenrechten op te bouwen, aangezien het pensioen vanaf dan vaststaat. Zij is van mening dat iedere werknemer mogelijk belang had bij het opbouwen van meer pensioenrechten vóór 1 januari 2019 indien hij geen volledige loopbaan van 45 jaar had, en dat dit belang des te groter is na die datum omdat de pensioenen niet meer worden berekend over een maximale loopbaanduur van 45 jaar, maar kunnen worden berekend over de volledige loopbaan. A.6.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, aangezien personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken terwijl zij arbeidsongeschikt zijn het voordeel van hun rustpensioen kunnen verkrijgen, zodat zij over een vervangingsinkomen beschikken, terwijl personen die arbeidsongeschikt zijn die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, niet over een ander vervangingsinkomen dan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen beschikken. Hij doet gelden dat personen die, wegens hun leeftijd, de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, worden vermoed niet meer in staat te zijn om een beroepsactiviteit uit te oefenen, terwijl personen die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt doorgaans worden vermoed arbeidsgeschikt te zijn. Volgens hem beoogt elke tak van de sociale zekerheid een ander sociaal risico te dekken en elke dubbele besteding alsook elke cumulatie te vermijden. De Ministerraad is van mening dat het feit dat er gevallen zijn, zoals dat van de eisende partij voor de verwijzende rechter, die zich op de grens tussen twee takken van de sociale zekerheid bevinden, niet ertoe kan leiden dat de filosofie van die takken opnieuw ter discussie wordt gesteld. Hij leidt eruit af dat de periode gedurende welke de personen die zich in die situatie bevinden aanspraak kunnen maken op twee socialezekerheidsprestaties tegelijk, moet worden beperkt. A.6.
- De Ministerraad is van mening dat een bevestigend antwoord op de tweede prejudiciële vraag nefaste gevolgen zou hebben, aangezien het de grenzen tussen de verschillende takken van de sociale zekerheid in elkaar zou doen overgaan en de sociaalverzekerden ertoe zou kunnen aanzetten om inzake uitkeringen aan shopping te doen, naar gelang van de situatie die hun het best past. Dat bevestigend antwoord zou volgens hem tot gevolg kunnen hebben dat een persoon jarenlang arbeidsongeschikt blijft na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd zonder dat hij de intentie heeft om het werk te hervatten, en dat hij bijkomende pensioenrechten blijft opbouwen gedurende al die jaren. De Ministerraad herinnert eraan dat in 2018, bijna 20 000 personen arbeidsongeschikt waren bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. 9 A.7.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. A.7.
- Hij doet gelden dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het feit of de persoon al dan niet de pensioenleeftijd heeft bereikt, en dat het legitieme doelstellingen nastreeft, namelijk een dubbele besteding van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en rustpensioen vermijden alsook de inachtneming van het solidariteitsbeginsel verzekeren. Hij herinnert eveneens aan het doel dat erin bestaat een hiërarchie vast te stellen tussen de vervangingsinkomsten, dat door de verwijzende rechter wordt vooropgesteld. A.7.
- Hij oordeelt dat het verschil in behandeling pertinent is ten opzichte van die doelstellingen. A.7.
- De Ministerraad verwijst naar de argumenten die hij heeft uiteengezet in het kader van zijn antwoord op de eerste prejudiciële vraag en voert eveneens aan dat het verschil in behandeling evenredig is. A.7.
- Hij voegt eraan toe dat alle personen die ouder zijn dan 65 jaar en die hun pensioen hebben aangevraagd, eenzelfde sociale prestatie genieten, ongeacht hun graad van arbeidsgeschiktheid. Volgens hem zou de door de verwijzende rechter beoogde oplossing tot gevolg hebben dat personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt en die een uitkering voor primaire ongeschiktheid of invaliditeit zouden innen terwijl zij pensioenrechten blijven opbouwen, een sociale prestatie van een hoger bedrag zouden ontvangen dan personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt en die hun rustpensioen genieten. Hij vraagt zich ook af of men moet wachten totdat die personen opnieuw in staat zijn om te werken opdat zij met pensioen zouden kunnen gaan. Hij erkent dat die personen zijn blijven bijdragen aan de sociale zekerheid, maar doet gelden dat het bedrag van de bijdragen en dat van de uitkeringen niet strikt gecorreleerd zijn. Hij brengt daarnaast in herinnering dat een persoon die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt terwijl hij arbeidsongeschikt is, een rustpensioen kan genieten. Hij is van mening dat het feit dat een persoon die met pensioen is gegaan de mogelijkheid wordt ontnomen om bijkomende rechten op te bouwen, niet impliceert dat het verschil in behandeling onevenredig is, omdat hij een vervangingsinkomen heeft genoten gedurende zijn periode van arbeidsongeschiktheid. Hij onderstreept opnieuw dat, in een overgrote meerderheid van de gevallen, personen die arbeidsongeschikt zijn op het ogenblik dat zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken niet in staat zijn om het werk te hervatten. Hij is van mening dat het geringe aantal bijkomende maanden arbeid slechts zou kunnen leiden tot een onbeduidend verschil wat het pensioenbedrag betreft. Hij wijst ook erop dat, in bepaalde gevallen, gepensioneerden het werk kunnen hervatten en bijkomende pensioenrechten kunnen opbouwen, met name wanneer zij een gemengde loopbaan van werknemer en zelfstandige hebben gehad : indien de werknemer alleen zijn zelfstandigenpensioen opneemt, kan hij rechten blijven opbouwen voor zijn werknemerspensioen. A.7.
- De Ministerraad oordeelt dat de door de verwijzende rechter vermelde wetswijziging, die de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verlengt voor personen van wie de arbeidsongeschiktheid aanvangt nadat zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, in dit geval niet pertinent is omdat zij betrekking heeft op het 2° van de in het geding zijnde bepaling, dat niet het voorwerp uitmaakt van de tweede prejudiciële vraag. Hij stelt bovendien vast dat het beginsel volgens hetwelk de uitkeringen in de tijd worden beperkt, werd gehandhaafd. Hij doet ten slotte gelden dat de uitbreiding van de mogelijkheid om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te blijven genieten gedurende zes maanden die volgen op de datum waarop de wettelijke pensioenleeftijd is bereikt, de facto erop zou neerkomen dat de wettelijke pensioenleeftijd met zes maanden wordt opgetrokken voor personen die arbeidsongeschikt zijn. A.8.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter antwoordt dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen vergelijkbaar zijn, omdat men niet kan stellen dat werknemers die ouder zijn dan 65 jaar en die hun beroepsactiviteit hebben voortgezet, definitief arbeidsongeschikt zijn. A.8.
- Zij onderstreept dat, om te beoordelen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, het weinig belang heeft dat de onevenredigheid slechts een deel betreft van de personen die arbeidsongeschikt zijn bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, aangezien aan de categorie van 10 personen waartoe zij zelf behoort uitkeringen zijn ontzegd terwijl zij kortstondig arbeidsongeschikt was, en haar dus elk inkomen werd ontzegd. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de draagwijdte van de prejudiciële vragen B.1.
- Artikel 100, § 1, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), omschrijft een arbeidsongeschikte werknemer als « de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding ». B.1.
- De wet van 14 juli 1994 voorziet in twee soorten uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid. B.1.
- Een primaire ongeschiktheidsuitkering is in principe verschuldigd aan de in artikel 86, § 1, van die wet bedoelde gerechtigde die arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van diezelfde wet, over elke werkdag van een éénjarig tijdvak ingaande op de aanvangsdag van zijn arbeidsongeschiktheid, of over elke dag van datzelfde tijdvak die wordt gelijkgesteld met een werkdag door een verordening van het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen (artikel 87, eerste lid, van de wet van 14 juli 1994). Indien de gerechtigde niet langer in staat van primaire arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100, over een tijdvak dat minder dan veertien dagen telt, onderbreekt dat tijdvak waarover geen primaire ongeschiktheidsuitkering wordt betaald, de loop van het tijdvak van primaire ongeschiktheid niet (artikel 87, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994). 11 B.1.
- Duurt de arbeidsongeschiktheid voort na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid van één jaar, dan ontvangt de gerechtigde invaliditeitsuitkeringen (artikel 93, eerste lid, van de wet van 14 juli 1994). B.2.
- Zoals het van toepassing was tot 30 april 2019 bepaalde artikel 108, 1° en 2°, van de wet van 14 juli 1994 : « De uitkeringen worden aan de gerechtigde ontzegd : 1° vanaf de eerste dag van de maand na die waarin hij de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 of 3 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; 2° vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wanneer het een gerechtigde betreft die verder werkzaam is geweest na de in 1° hiervoren bedoelde leeftijd ». Dit is de in het geding zijnde bepaling. B.2.
- Die bepaling vindt haar oorsprong in artikel 60 van de wet van 9 augustus 1963 « tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering », zoals het werd vervangen bij artikel 25 van de wet van 27 juni 1969 « tot wijziging van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ». B.2.
- In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt uiteengezet : « Eén van de hoofddoeleinden van de ziekte- en invaliditeitsverzekering bestaat erin een behoorlijke bestaanszekerheid te waarborgen aan de arbeidende bevolking, wanneer het loon wegvalt ingevolge arbeidsongeschiktheid. Op de solidariteit van de gehele bevolking wordt dan een beroep gedaan om dat doel te bereiken. Vanzelfsprekend is het de plicht van alle verantwoordelijke overheden om de uiteraard beperkte collectieve fondsen op een verantwoorde wijze te besteden aan de gevallen waarin die bestaanszekerheid op een reële wijze bedreigd wordt. Het lijkt in dat verband niet ongepast eraan te herinneren dat de sociale wetgeving in de ruime zin van het woord, die zowel de arbeidswetgeving als de wetgeving op de maatschappelijke zekerheid omvat, als een geheel moet worden beschouwd. Door een bestendige inspanning om de objectieven van de onderscheiden sectoren van de sociale wetgeving zo precies mogelijk af te bakenen, moet iedere dubbele besteding worden voorkomen. 12 In dit perspectief wordt het probleem gesteld van de mogelijke cumul tussen de ongeschiktheidsuitkering en bepaalde andere inkomsten, waarover de gerechtigde kan beschikken. In de wet van 9 augustus 1963 worden zekere gevallen opgesomd, waarin de uitkeringen geweigerd worden. Het gaat hier meer bepaald om de tijdvakken waarin de werknemer zijn loon verder blijft ontvangen in uitvoering van de wettelijke bepalingen op het gewaarborgd week- of maandloon en verder om het tijdvak van het jaarlijks verlof, wanneer de aanvang der ongeschiktheid zich in een dergelijk tijdvak situeert. De motieven van deze uitsluiting kunnen moeilijk betwist worden. In het onderhavige wetsontwerp wordt de opsomming van de gevallen, waarin de uitkeringen geweigerd worden, derwijze verruimd dat de uitkeringen evenmin worden toegekend in gelijkaardige omstandigheden, hetzij wanneer aan de werknemer, in uitvoering van de arbeidswetgeving of van bepaalde contractuele of statutaire regelingen, bedragen verschuldigd zijn die met het niveau van het gederfde loon gelijkstaan of dit bedrag benaderen, hetzij wanneer een vergoeding verschuldigd is door sommige andere takken van de maatschappelijke zekerheid, zoals, bijvoorbeeld, het jaarlijks vakantiegeld » (Parl. St., Senaat, 1968-1969, nr. 73, pp. 4-5). Er wordt ook gepreciseerd dat de ontworpen maatregelen geïnspireerd zijn door voorstellen die het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen aan de Ministerraad heeft voorgelegd (ibid., p. 5). B.2.
- Naar aanleiding van een vraag over die bepaling op 24 december 2012 in de Kamer, antwoordde de staatssecretaris voor Sociale Zaken, Gezinnen en Personen met een handicap, belast met Beroepsrisico’s : « Het bereiken van de pensioenleeftijd heeft inderdaad een impact binnen de uitkeringsverzekering voor loontrekkenden : - Zo worden vanaf de eerste dag van de maand na die waarin een gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, de ziekte-uitkeringen geweigerd. - Wanneer het een gerechtigde betreft die verder werkzaam is geweest na het bereiken van de pensioenleeftijd, worden de ziekte-uitkeringen geweigerd vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen. Daarbij moet ik wel opmerken dat deze laatste bepaling meermaals kan worden toegepast, namelijk in die zin dat het beperkte recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen blijft bestaan telkens er een nieuwe periode van arbeidsongeschiktheid wordt erkend. […] 13 De ratio legis van deze bepalingen is dat de betrokkene bij een (langdurige) arbeidsongeschiktheid zijn rechten op een rustpensioen kan laten gelden vanaf het ogenblik dat de wettelijke pensioenleeftijd is bereikt. Betrokkene zal dus steeds kunnen terugvallen op zijn pensioen dat aan hem gegarandeerd wordt ongeacht ziekte of invaliditeit. Deze motivatie is overigens niet alleen in de sector uitkeringen van toepassing. Zo bevat ook de werkloosheidsreglementering een gelijkaardige bepaling. Ik ben er mij zeker van bewust dat er bij deze werknemers nog altijd socialezekerheidsbijdragen worden ingehouden op het door hen verdiende loon of dat deze zelfstandigen in principe nog steeds sociale bijdragen zijn verschuldigd op de door hen behaalde beroepsinkomsten, zonder dat dit evenwel voor hen nog (langdurige) rechten opent in de desbetreffende uitkeringsverzekering. Deze bijdragebetaling vormt echter een verdere toepassing van het solidariteitsprincipe dat geldt binnen de sociale zekerheid. Dit solidariteitsprincipe houdt geenszins in dat er ipso facto een recht op prestaties of een recht op evenredige prestaties bestaat. […] Het lijkt mij dan ook niet aangewezen om het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in geval van een langdurige arbeidsongeschiktheid uit te breiden ten gunste van de personen die ervoor opteren om te blijven doorwerken na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd » (Vr. en Antw., Kamer, 2012-2013, 24 december 2012, QRVA 53-094, pp. 237-238). B.3.
- Artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994 werd gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 7 april 2019 « betreffende de sociale bepalingen van de jobsdeal » (hierna : de wet van 7 april 2019), waardoor het voortaan bepaalt : « De uitkeringen worden aan de gerechtigde ontzegd : […] 2° vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid als die zich bevindt na de laatste dag van de maand waarin hij de in 1° bedoelde leeftijd heeft bereikt, wanneer het gaat om een gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), na de maand waarin hij de in 1° bedoelde leeftijd heeft bereikt, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet naar aanleiding van de verbreking van de arbeidsovereenkomst omschreven in voormeld artikel; ». B.3.
- In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt uiteengezet : « Een werknemer kan beslissen om na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd (die vandaag 65 jaar bedraagt) voort te werken en om nog geen beroep te doen op de toekenning van het rustpensioen, hoewel na deze wettelijke pensioenleeftijd een onbegrensde cumulatie van het rustpensioen met beroepsinkomsten toegelaten is. Het voortzetten van de werkzaamheid als werknemer kan immers tot doel hebben om een volledige loopbaanbreuk 14 (meer bepaald 45 loopbaanjaren) te bereiken en bijgevolg een volledig rustpensioen te kunnen ontvangen. Voor de rustpensioenen die vanaf 1 januari 2019 ingaan, wordt bovendien bepaald dat alle periodes van tewerkstelling in de pensioenberekening zullen meetellen, ook na het bereiken van de volledige globale loopbaan (gelijk aan 14 040 voltijdse dagequivalenten). Het voortzetten van de tewerkstelling na het bereiken van de volledige globale loopbaan kan dus eveneens een hoger pensioen tot gevolg hebben. Vandaag heeft de werknemer die na de wettelijke pensioenleeftijd blijft voortwerken, slechts een zeer beperkt recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden immers aan deze gerechtigde ontzegd vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevat (cf. artikel 108, 2° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994). Aangezien deze werknemer doorgaans aanspraak kan maken op gewaarborgd loon, worden er aan hem - bij een arbeidsongeschiktheid die langer dan één maand duurt - slechts gedurende een uiterst beperkte periode of zelfs geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend, hoewel op het door hem verworven loon nog steeds de vereiste sociale zekerheidsbijdragen voor de sector van de uitkeringen zijn ingehouden. In de praktijk valt een arbeidsongeschikte werknemer na de periode van gewaarborgd loon terug op haar of zijn rustpensioen. Op zich kan men na de ziekteperiode opnieuw aan de slag, maar dan bouwt de werknemer geen pensioenrechten meer op. In het kader van het beleid van de Regering om langer werken aan te moedigen, past het om dit in de tijd beperkte recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen uit te breiden tot de eerste zes maanden van de periode van primaire ongeschiktheid voor de gerechtigden die nog niet daadwerkelijk het rustpensioen of eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel hebben genoten (wijziging van artikel 108, 2° van de voormelde gecoördineerde wet). Er wordt eveneens voorzien om de loontrekkende gerechtigde die ziek wordt vóór de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, nog verder te vergoeden vanaf deze dag en dat gedurende de nog vanaf deze datum te lopen periode van zes maanden (op voorwaarde van een blijvende onderwerping aan de ‘ RSZ-wet ’ van 27 juni 1969) » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3464/001, pp. 8-9). B.4.
- De twee prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 108 van de wet van 14 juli 1994, zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van artikel 15 van de wet van 7 april
- De wijziging die bij dat laatste artikel is aangebracht, heeft dus geen gevolgen voor de draagwijdte van de prejudiciële vragen. B.4.
- De prejudiciële vragen hebben geen betrekking op het verbod om een pensioen te cumuleren met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, aangezien de eisende partij voor de verwijzende rechter heeft beslist om haar loopbaan voort te zetten na de wettelijke pensioenleeftijd, zonder haar rustpensioen aan te vragen. 15 Ten gronde Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.5.
- De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de personen die, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter, zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd te hebben bereikt en die arbeidsongeschikt waren toen zij die leeftijd hebben bereikt, op wie artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994 van toepassing is, zodat hun arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt en, anderzijds, de personen die zijn blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd te hebben bereikt en die arbeidsongeschikt zijn geworden na die leeftijd te hebben bereikt, op wie artikel 108, 2°, van dezelfde wet van toepassing is, zodat hun het voordeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen pas wordt ontzegd vanaf de eerste dag van de tweede maand na die van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid. B.5.
- In tegenstelling tot hetgeen de eisende partij voor de verwijzende rechter betoogt, is het doel van de prejudiciële vraag dus niet te weten of artikel 108, 2°, van de wet van 14 juli 1994 op haar van toepassing is, maar of de manier waarop de datum wordt bepaald vanaf welke de personen die onderworpen zijn aan artikel 108, 1°, van die wet geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen meer ontvangen, discriminerend is in vergelijking met de manier waarop de datum wordt bepaald vanaf welke de personen die onderworpen zijn aan artikel 108, 2°, geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen meer ontvangen. B.5.
- Er dient in dat verband te worden opgemerkt dat die twee bepalingen weliswaar verschillen wat betreft de dag waarop gerechtigden geen uitkering meer ontvangen, maar ook wat betreft het referentiepunt ten aanzien waarvan die dag wordt bepaald. Voor de toepassing van artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994, is dat de maand waarin de betrokken personen de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, terwijl dat voor de toepassing van het 2° van die bepaling de aanvang is van de arbeidsongeschiktheid. 16 B.5.
- De arbeidsongeschiktheid van de eisende partij voor de verwijzende rechter heeft een aanvang genomen op 10 juni 2018 en is geëindigd op 7 oktober
- Overeenkomstig artikel 87, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994, onderbreekt de omstandigheid dat zij niet langer arbeidsongeschikt was van 23 tot 30 juni, zijnde minder dan veertien dagen, de loop van het tijdvak van primaire ongeschiktheid niet. Aangezien de eisende partij voor de verwijzende rechter de wettelijke pensioenleeftijd bereikte op 20 juli 2018, werden haar, met toepassing van artikel 108, 1°, van de wet van 14 juli 1994, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontzegd vanaf 1 augustus
- B.5.
- Indien evenwel de personen die hebben beslist om te blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd en die leeftijd hebben bereikt terwijl zij arbeidsongeschikt waren arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zouden ontvangen gedurende een periode die is berekend op dezelfde wijze als de periode waarin artikel 108, 2°, voorziet, zou dat geen gevolgen hebben voor de situatie van de eisende partij voor de verwijzende rechter, omdat haar ook met toepassing van die berekeningswijze uitkeringen zouden zijn ontzegd vanaf 1 augustus
- B.5.
- Daaruit volgt dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter. B.5.
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.
- De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling, gecreëerd door de in het geding zijnde bepaling, tussen de arbeidsongeschikte werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, en de werknemers die hun loopbaan hebben voortgezet na de wettelijke pensioenleeftijd zonder hun pensioen te hebben opgenomen en die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt toen zij arbeidsongeschikt waren. Terwijl de eerstgenoemden aanspraak kunnen maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zolang hun arbeidsongeschiktheid duurt, worden die uitkeringen aan de laatstgenoemden ontzegd vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt en worden de laatstgenoemden, teneinde een vervangingsinkomen te genieten, gedwongen hun 17 recht op een pensioen te doen gelden. Daardoor kunnen zij ook evenmin nog bijkomende rechten opbouwen voor hun rustpensioen. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat is des te meer het geval wanneer over de betrokken regeling sociaal overleg werd gepleegd. De Ministerraad wijst erop dat de in het geding zijnde bepaling is geïnspireerd op de voorstellen die het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen van het RIZIV, dat paritair is samengesteld, destijds heeft geformuleerd, zoals is vermeld in B.2.
- Er dient evenwel te worden opgemerkt dat die voorstellen werden gedaan in een sociaaleconomische context die aanzienlijk verschilt van de huidige context en dat de evenwichten tussen de verschillende takken van de sociale zekerheid, zoals weerspiegeld in het ontwerp van wet « tot wijziging van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering » dat aan de in het geding zijnde bepaling ten grondslag ligt, sindsdien zijn gewijzigd. In het bijzonder werden de regels inzake het rustpensioen zo gewijzigd dat personen aan het einde van hun loopbaan worden aangemoedigd om aan het werk te blijven, opdat zij meer zouden bijdragen aan de financiering van de sociale zekerheid en een hoger pensioen zouden opbouwen. Zo laat artikel 10bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 « betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers », zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 5 december 2017, toe dat de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten in aanmerking worden genomen in de berekening van 18 het rustpensioen als werknemer « wanneer de globale beroepsloopbaan van de werknemer meer dan 14 040 voltijdse dagequivalenten bevat en de voltijdse dagequivalenten na de 14 040ste dag van de globale beroepsloopbaan arbeidsdagen zijn die daadwerkelijk gepresteerd zijn als werknemer ». Bovendien voorziet artikel 64, § 4, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 « tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers » (hierna : koninklijk besluit van 21 december 1967), zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 januari 2015, in een mogelijkheid voor personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt om het rustpensioen en een beroepsactiviteit zonder inkomensgrens te cumuleren. Die maatregelen bevestigen dat men niet langer kan uitgaan van het vermoeden dat personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt niet actief zouden kunnen blijven op de arbeidsmarkt. Het Hof onderzoekt de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling rekening houdend met die ontwikkelingen. B.9.
- Volgens de Ministerraad zouden de twee in B.6 beschreven categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn omdat de personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt terwijl ze arbeidsongeschikt waren, kunnen verzoeken hun rustpensioen te genieten, zodat zij over een vervangingsinkomen beschikken, terwijl de personen die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, niet beschikken over een ander vervangingsinkomen dan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt zouden worden geacht niet meer opnieuw in staat te zijn om een beroepsactiviteit uit te oefenen wegens hun leeftijd, terwijl de personen welke die leeftijd niet hebben bereikt in principe zouden worden verondersteld geschikt te zijn om hun werkzaamheden te kunnen hervatten. B.9.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. De vaststelling dat personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken terwijl zij arbeidsongeschikt waren hun rustpensioen kunnen verkrijgen, terwijl personen die arbeidsongeschikt zijn terwijl zie die leeftijd niet hebben bereikt dat vervangingsinkomen niet kunnen genieten, kan weliswaar een element zijn bij de beoordeling van een verschil in 19 behandeling, maar kan niet volstaan om te besluiten tot een niet-vergelijkbaarheid, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden uitgehold. B.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bereikt hebben van de wettelijke pensioenleeftijd. B.11.
- De in het geding zijnde bepaling betreft de samenhang tussen de regeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de regeling van de pensioenen. Zij heeft gevolgen voor de twee betrokken prestaties, zodat het aangewezen is rekening te houden met het doel van elk van die twee regelingen. B.11.
- Het doel van de regeling van de rustpensioenen bestaat erin de personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt een recht op het ontvangen van een pensioen toe te kennen als tegenprestatie voor hun loopbaan, los van hun arbeidsgeschiktheid of hun sociaaleconomische situatie. Om te vermijden dat de werknemers die gedurende hun beroepsleven met sociale risico’s worden geconfronteerd benadeeld worden na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, worden de periodes waarin zij een vervangingsinkomen, met name primaire ongeschiktheidsuitkeringen, hebben ontvangen, gelijkgesteld met arbeidsperiodes voor de opbouw van de pensioenrechten, overeenkomstig artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december
- B.11.
- Het doel van de primaire ongeschiktheidsuitkeringen bestaat erin een vervangingsinkomen toe te kennen aan de werknemers die letsels hebben of functionele stoornissen waardoor zij niet meer arbeidsgeschikt zijn, voor een tijdvak van maximum één jaar. Wanneer de arbeidsongeschiktheid langer duurt dan één jaar, ontvangt de werknemer invaliditeitsuitkeringen, zoals is vermeld in B.1.
- Uit artikel 136, § 2, van de wet van 14 juli 1994 volgt dat de uitkeringsverzekering residuair is ten opzichte van de vergoedingen die worden ontvangen krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving, het interne stelsel van een internationale of supranationale organisatie of in het gemeen recht. B.11.
- Zoals in B.2.3 is vermeld, heeft de wetgever geoordeeld dat de collectieve middelen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering moesten worden voorbehouden aan de 20 gevallen waarin de bestaanszekerheid van de beroepsbevolking daadwerkelijk wordt bedreigd. Vanuit die optiek heeft hij een hiërarchie vastgesteld tussen de vervangingsinkomens omdat hij van mening was dat, wanneer een werknemer na een bepaalde leeftijd in een staat van arbeidsongeschiktheid verkeert, die inkomens ten laste moeten worden genomen door een rustpensioen en niet meer door de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de vorm van een uitkering. Aangezien de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt de mogelijkheid genieten om een specifiek vervangingsinkomen, namelijk hun rustpensioen, te ontvangen, leek het met andere woorden overbodig hun de mogelijkheid te bieden om voorkeur te geven aan het ontvangen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. B.
- Het weigeren van primaire ongeschiktheidsuitkeringen vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, laat toe dat doel te bereiken. Het bekritiseerde verschil in behandeling is pertinent ten opzichte van het doel van de wetgever. B.
- Het Hof dient nog na te gaan of de keuze van de wetgever onevenredige gevolgen heeft. B.
- Met toepassing van de in het geding zijnde bepaling kunnen personen die de wettelijke pensioenleeftijd bereiken terwijl zij arbeidsongeschikt zijn slechts voor een termijn van maximum één maand primaire ongeschiktheidsuitkeringen blijven ontvangen. Indien zij een inkomen wensen te behouden vanaf de eerste dag van de maand na die waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, moeten zij met pensioen gaan, wat impliceert dat zij geen bijkomende pensioenrechten meer opbouwen, zelfs indien zij beslissen om te blijven werken en hun rustpensioen te cumuleren met de inkomsten van hun beroepsactiviteit. Nochtans is, sinds de in B.8 vermelde wijziging van artikel 10bis van het koninklijk besluit van 24 oktober 1967 bij artikel 3 van de wet van 5 december 2017, in de regel een « onbeperkte pensioenopbouw » toegelaten (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2676/001, p. 9). Indien de betrokken personen, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter, hun loopbaan wensen te verlengen zonder met pensioen te gaan, moeten zij afzien van elk 21 vervangingsinkomen zolang zij arbeidsongeschikt zijn. Pas vanaf het ogenblik dat zij hun beroepsactiviteit hervatten, ontvangen zij opnieuw inkomsten. B.
- De Ministerraad doet gelden dat 95 % van de personen die arbeidsongeschikt waren op het ogenblik dat zij de wettelijke pensioenleeftijd bereikten, zich in een periode van invaliditeit bevonden, hetgeen betekent dat zij arbeidsongeschikt waren gedurende minstens één jaar, en dat dit percentage noodzakelijkerwijs hoger is wanneer men rekening houdt met de personen die gedurende minstens drie maanden arbeidsongeschikt zijn. Volgens de Ministerraad kan ervan worden uitgegaan dat die personen niet meer in staat zijn om het werk te hervatten. B.
- De situatie van de categorieën van personen waarover het Hof wordt ondervraagd stemt niet overeen met die hypothesen. Zo was in de zaak voor de verwijzende rechter de eisende partij slechts sinds één maand en tien dagen arbeidsongeschikt bij het bereiken van de pensioenleeftijd. Bovendien blijkt niet uit de elementen waarover het Hof beschikt dat, op het ogenblik waarop de eisende partij voor de verwijzende rechter de pensioenleeftijd bereikte, elementen voorhanden waren die toelieten om vast te stellen dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn zou kunnen hervatten. Overigens heeft zij het werk vervolgens daadwerkelijk hervat na een periode van twee maanden en zeventien dagen nadat zij de wettelijke pensioenleeftijd had bereikt. B.17.
- In het licht van de in B.11.4 vermelde doelstellingen is het weliswaar niet onredelijk dat de periode wordt beperkt gedurende welke personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt en die ervoor kiezen om hun rustpensioen nog niet op te nemen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kunnen ontvangen. B.17.
- Het in het geding zijnde artikel 108, 1°, hanteert evenwel uitsluitend het tijdstip waarop de betrokken personen de pensioenleeftijd bereiken als referentiepunt voor de berekening van de termijn waarna de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden stopgezet. Zij houdt geen rekening met de periode gedurende welke die personen op dat tijdstip reeds arbeidsongeschikt zijn geweest of erna nog zullen zijn, noch met enig ander element dat toelaat om aan te nemen dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn zullen kunnen hervatten. Het loutere feit dat iemand de wettelijke pensioenleeftijd bereikt gedurende een 22 periode van arbeidsongeschiktheid, hoe kort die periode ook mag zijn, laat op zich niet toe om daarvan uit te gaan. B.17.
- Aldus creëert het in het geding zijnde artikel 108, 1°, onevenredige gevolgen voor zover het, vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontzegt aan personen die, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter, ervoor kiezen om hun rustpensioen niet onmiddellijk op te nemen, met name opdat zij pensioenrechten kunnen blijven opbouwen, en ten aanzien van wie geen enkel element toelaat ervan uit te gaan dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd zullen kunnen hervatten. B.17.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, wordt aan die conclusie geen afbreuk gedaan door het feit dat het recht van de betrokken personen op primaire ongeschiktheidsuitkeringen niet met onmiddellijke ingang wordt afgeschaft. Evenmin is het van belang dat aan die personen niet elke mogelijkheid wordt ontzegd om een vervangingsinkomen te ontvangen, aangezien zij ervoor kunnen kiezen om hun rustpensioen te ontvangen en in dat kader zelfs hun beroepsactiviteit kunnen voortzetten, zonder dat de inkomsten uit die activiteit aan enige restrictie zijn onderworpen, zoals vermeld in B.
- Die elementen nemen immers niet weg dat, overeenkomstig de berekeningswijze vastgelegd in het in het geding zijnde artikel 108, 1°, bepaalde personen, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter, hun toestand ten aanzien van de sociale zekerheid fundamenteel gewijzigd kunnen zien worden als gevolg van een in de tijd beperkte arbeidsongeschiktheid, hoe kort die ook mag zijn, om de enkele reden dat die arbeidsongeschiktheid zich voordoet op het ogenblik dat zij de wettelijke pensioenleeftijd bereiken. B.
- Het in het geding zijnde artikel 108, 1°, is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het, vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontzegt aan personen die hun rustpensioen op dat ogenblik niet opnemen en ten aanzien van wie geen enkel element toelaat ervan uit te gaan dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd zullen kunnen hervatten. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Voor zover het, vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontzegt aan personen die hun rustpensioen op dat ogenblik niet opnemen en ten aanzien van wie geen enkel element toelaat ervan uit te gaan dat zij het werk niet binnen een redelijke termijn na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd zullen kunnen hervatten, schendt artikel 108, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.100 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div