← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.108

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210715.3 Arrest- Rolnummer: 108/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-08-10 Raadplegingen: 381 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, zegt voor recht : - Artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de aangeslotenen die de aanvraag voor hun vervroegd wettelijk pensioen hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 en wier wettelijk pensioen is ingegaan in 2016, niet toelaat de aanvullende pensioenprestatie te ontvangen op de leeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van de voormelde wet. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor hen die, in overeenstemming met de wet van 18 december 2015, uiterlijk op 1 januari 2016, de dag van de inwerkingtreding van de wet, zelf hun pensioeninstelling op de hoogte hadden moeten brengen van hun pensionering. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Oudenaarde. Sociale zekerheid - Pensioenen - Aanvullende pensioenen -

  1. Ogenblik waarop het aanvullend pensioen kan worden opgenomen - Ontbreken van overgangsmaatregelen -
  2. Verplichting tot het inlichten van de pensioeninstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-04-2003 - 27,§1 - 36 ELI link Pub nr 2003022481 Wet - 18-12-2015 - 18,1° - 03 ELI link Pub nr 2015022578 Tekst van de beslissing Rolnummer 7378 Arrest nr. 108/2021 van 15 juli 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Oudenaarde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 5 maart 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2020, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Oudenaarde, de volgende prejudiciële vragen gesteld : - « Schendt artikel 18, § 1, van de Wet van 18 december 2015 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een onderscheid creëert tussen enerzijds personen die vóór de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 2015 hun pensioen hebben aangevraagd, na de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 2015 op pensioen zijn gegaan, en zodoende verplicht worden hun aanvullend pensioen op te nemen van zodra ze op (vervroegd) pensioen gaan (waarbij zij niet kunnen genieten van enige overgangsmaatregelen), en anderzijds personen die vóór de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 2015 op (vervroegd) pensioen gingen en niet verplicht werden om op dat moment hun aanvullend pensioen op te nemen, waardoor het wetsartikel op buitensporige wijze afbreuk doet aan de rechtmatige verwachtingen die de eerstgenoemde categorie kon ontlenen aan de geldende regeling op het moment van de pensioenaanvraag ? »; - « Schendt artikel 18 § 1, leden 3, 4 en 5 van de Wet van 18 december 2015 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een onderscheid creëert tussen enerzijds personen die tussen 1 januari 2016 en 31 december 2017 op pensioen zijn gegaan en zelf hun pensioeninstelling moesten inlichten over hun wettelijk pensioen en anderzijds personen die vanaf 1 januari 2018 op pensioen gaan en voor wie de vzw Sigedis de pensioeninstelling inlicht, waardoor op de eerste categorie personen een onbekende en dus zwaardere informatieverplichting rustte zonder dat dit verantwoordt wordt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Luc Goeteyn, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Vermeulen, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry en Mr. F. Van Beirendonck, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 27 januari 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 10 februari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 10 februari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Luc Goeteyn, geboren op 27 maart 1954, was tot 28 september 2013 als werknemer in dienst bij BNP Paribas Fortis. Gedurende zijn tewerkstelling was hij aangesloten bij een aanvullend pensioenplan beheerd door de nv « AXA Belgium ». De uitbetaling van het aanvullend pensioenkapitaal zou, volgens zijn persoonlijk pensioenplan, plaatsvinden op het moment dat hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Zijn uitdiensttreding op 59- jarige leeftijd leidt echter tevens tot het uittreden uit het pensioenplan en op dat moment kiest hij ervoor zijn verworven reserves te behouden zonder wijziging van de voorwaarden, waardoor hij op de leeftijd van 65 jaar een brutokapitaal van 569 395,11 euro zal ontvangen. Op 20 oktober 2015 vraagt Luc Goeteyn zijn vervroegd pensioen aan, dat zal ingaan op 1 april
  3. Na de aanvraag van zijn vervroegd pensioen, maar vóór de ingang van zijn vervroegd pensioen, treedt echter de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen » (hierna : de wet van 18 december 2015) in werking. Artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 wijzigt artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003) waardoor, vanaf 1 januari 2016, aanvullende pensioenen verplicht moeten worden vereffend op het ogenblik van de al dan niet vervroegde pensionering van de aangeslotene. Artikel 18, 1°, van de voormelde wet van 18 december 2015 bepaalt tevens dat, wanneer de aangeslotene is uitgetreden, hij zelf de pensioeninstelling uiterlijk 90 dagen vóór zijn pensionering daarover schriftelijk moet inlichten. Sinds 1 januari 2017 heeft vzw « Sigedis » die informatieplicht evenwel overgenomen. Begin januari 2018 licht de vzw « Sigedis » de nv « AXA Belgium » in over de pensionering van Luc Goeteyn op 1 april
  4. Op 5 januari 2018 deelt de nv « AXA Belgium » de vereffeningsafrekening mee aan Luc Goeteyn, berekend op 1 april 2016, waaruit een brutopensioenkapitaal van 448 439,60 euro blijkt. Luc Goeteyn stelt bij de verwijzende rechter een rechtsvordering in waarin hij vraagt de nv « AXA Belgium » te veroordelen tot de vereffening van het pensioenkapitaal op de einddatum overeenkomstig de verzekeringspolis, namelijk 1 april 2019, en uitbetaling van het resterende brutobedrag van 120 901,51 euro, te verhogen met de interesten. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter schendt artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 hun pensioen hebben aangevraagd, maar na de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 op pensioen zijn gegaan, anders te behandelen dan personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 op pensioen zijn gegaan; enkel de personen van de eerste categorie worden verplicht hun aanvullend pensioen op te nemen op de datum dat zij op pensioen gaan. Door het gebrek aan overgangsmaatregelen wordt op buitensporige wijze afbreuk gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de eerste categorie van personen. Daarnaast bestaat tevens een verschil in behandeling tussen personen die tussen 1 januari 2016 en 31 december 2017 op pensioen zijn gegaan en zelf hun pensioeninstelling dienden in te lichten over hun wettelijk pensioen en personen die vanaf 1 januari 2018 op pensioen zijn gegaan, voor wie vzw « Sigedis » de pensioeninstelling informeert, zonder dat ook voor dat verschil een redelijke verantwoording bestaat. De verwijzende rechter stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A– Wat betreft de eerste prejudiciële vraag A.1.
  5. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de eerste prejudiciële vraag uitgaat van een verkeerde vaststelling : het verschil in behandeling vloeit niet voort uit de in het geding zijnde bepaling, aangezien artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 bepaalt wanneer de aanvullende pensioenprestatie moet worden uitbetaald, maar niet hoe het bedrag moet worden berekend, terwijl de berekeningswijze het onderwerp is van 4 het bodemgeschil. Het bedrag wordt, volgens de Ministerraad, bepaald door de actualisatieregels, vastgelegd in het pensioenreglement, waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen in artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 « tot uitvoering van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : het koninklijk besluit van 14 november 2003). De Ministerraad merkt op dat het Hof onbevoegd is om te oordelen over de grondwettigheid van het pensioenreglement en het koninklijk besluit van 14 november
  6. A.1.
  7. Daarnaast merkt de Ministerraad op dat er wel een overgangsregeling bestaat voor de categorie van personen waartoe de eisende partij voor de verwijzende rechter behoort. Sinds 1 januari 2016 zijn gunstige anticipatiemaatregelen, te weten maatregelen die een vervroegde pensionering of uittreding stimuleren, absoluut nietig. Bij wijze van overgangsmaatregel kunnen de personen die uiterlijk op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar of ouder hebben bereikt, de gunstige anticipatiemaatregelen, overeengekomen in hun pensioenreglement, blijven genieten. Bovendien kunnen voor die aangeslotenen nieuwe gunstige anticipatiemaatregelen worden ingevoerd, ook na 1 januari
  8. De Ministerraad voert aan dat BNP Paribas Fortis, de inrichter van het pensioenplan, de actualisatievoet had kunnen verlagen op een zodanige manier dat de eisende partij voor de verwijzende rechter bij haar pensionering dezelfde aanvullende pensioenprestatie zou ontvangen hebben als bij uitbetaling van haar kapitaal op 65-jarige leeftijd. Daarbij zou de inrichter ook rekening kunnen houden met het rendement dat de eisende partij voor de verwijzende rechter kon verwerven door haar pensioenkapitaal zelf te beleggen in de periode van 62- tot 65-jarige leeftijd. Aangezien de wetgever in een mogelijkheid heeft voorzien, die ertoe kan leiden dat de eisende partij voor de verwijzende rechter de prestaties uitbetaald zou krijgen bij haar pensionering op 62-jarige leeftijd, zonder vermindering van de verworven prestatie, meent de Ministerraad dat er een overgangsregeling bestaat. De omstandigheid dat de inrichter van het pensioenplan ervoor heeft geopteerd geen gebruik te maken van die mogelijkheid, doet hieraan geen afbreuk. A.1.
  9. Subsidiair merkt de Ministerraad op dat het verschil in behandeling, dat ontstaat door de wetswijziging, redelijk verantwoord is in het licht van de bedoeling van de wetgever om zo het aanvullende karakter van de tweede pensioenpijler ten opzichte van de eerste pensioenpijler te bevestigen. Dit verantwoordt de koppeling van de uitbetaling van het aanvullend pensioen aan het moment van de effectieve ingang van het wettelijk pensioen. De opname van het aanvullend pensioen na de pensionering zou het aanvullend pensioen herleiden tot een financieel product. De Ministerraad stelt dat het niet de bedoeling kan zijn dat een dergelijk (para)fiscaal gestimuleerd mechanisme als financieel product wordt aangewend na de pensionering. De verplichte opname van het aanvullend pensioen bij pensionering draagt bij tot de doelstelling van de wetgever om langer werken te stimuleren, aangezien werknemers die langer werken een hoger kapitaal uitgekeerd zullen krijgen. In zoverre een overgangsmaatregel voor personen die het pensioen hebben aangevraagd vóór de inwerkingtreding van de wet, maar op pensioen zijn gegaan na de inwerkingtreding van de wet, gebaseerd zou zijn op de datum van aanvraag van het pensioen, meent de Ministerraad dat een dergelijke overgangsmaatregel niet redelijk verantwoord zou zijn. De datum van de aanvraag is geen geschikt criterium omdat een aanvraag ingediend kan worden ten vroegste 12 maanden en uiterlijk 1 maand vóór het ingaan van het pensioen. Daardoor zou een verschil in behandeling kunnen ontstaan tussen personen die op hetzelfde moment op pensioen zijn gegaan, maar hun aanvraag indienden vóór de inwerkingtreding van de wet, enerzijds, en na de inwerkingtreding van de wet, anderzijds. Bovendien kan een pensioenaanvraag worden ingetrokken, hetgeen het gebrek aan overgangsmaatregelen redelijk verantwoordt. A.1.
  10. De Ministerraad is tevens van oordeel dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de categorie van personen waartoe de eisende partij voor de verwijzende rechter behoort. Allereerst konden nieuwe wetswijzigingen worden verwacht, mede gelet op de opeenvolgende wetswijzigingen op het vlak van pensioenen in de voorafgaande jaren. Daarnaast heeft de wetgever erin voorzien dat de inrichter van het pensioenplan de mogelijkheid behoudt om gunstige anticipatiemaatregelen in te voeren voor personen die uiterlijk op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar bereiken. Bovendien had de eisende partij voor de verwijzende rechter zelf de mogelijkheid om haar pensioenaanvraag in te trekken na de totstandkoming van de wet van 18 december
  11. De vaststelling dat er in heel wat overgangsmaatregelen is voorzien voor personen die zich in een andere situatie bevinden, noopt ertoe te aanvaarden dat de wetgever en de sociale partners voldoende aandacht hebben besteed aan overgangsmaatregelen en dat zij van oordeel moeten zijn geweest dat een overgangsmaatregel voor personen die zich in een situatie zoals die van de eisende partij voor de verwijzende rechter bevinden, niet nodig was. 5 En zelfs indien er sprake zou zijn van buitensporige afbreuk aan rechtmatige verwachtingen, dan zou de afwezigheid van een specifieke overgangsregeling kunnen worden verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang. A.2.
  12. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat het standpunt van de Ministerraad niet kan worden gevolgd. De omvang van het pensioenkapitaal is immers onlosmakelijk verbonden met het moment van de uitbetaling, zeker omdat het te dezen een vasteprestatieplan betreft. Wanneer een pensioenspaarplan een vasteprestatieplan is, worden de verworven reserves berekend door de verworven prestatie te actualiseren aan de hand van de actualisatieregels vastgelegd in het pensioenreglement. De eisende partij voor de verwijzende rechter had de rechtmatige verwachting dat zij recht zou hebben op de geactualiseerde verworven prestatie in plaats van op de verworven reserve op het moment van haar pensionering. Door de in het geding zijnde wetswijziging moet haar aanvullend pensioen echter worden berekend op het moment van haar pensionering en mag de actualisatievoet niet worden toegepast. De in het geding zijnde bepalingen doen derhalve op buitensporige wijze afbreuk aan haar rechtmatige verwachtingen. A.2.
  13. De eisende partij voor de verwijzende rechter betwist bovendien dat er een overgangsmaatregel zou zijn voor de categorie van personen waartoe zij behoort. Zij wijst erop dat zij niet voldeed aan de voorwaarden om de gunstige anticipatiemaatregel te kunnen genieten waarin in haar pensioenreglement is voorzien, en benadrukt dat de overgangsmaatregel naar aanleiding van het verbod op gunstige anticipatiemaatregelen hoe dan ook slechts geldt mits naleving van de regel dat de uitbetaling van het aanvullend pensioen dient te gebeuren op het moment van de pensionering. Daarnaast is de mogelijkheid tot het invoeren van gunstige anticipatiemaatregelen geen volwaardige overgangsmaatregel voor de personen die zich in de situatie bevinden van de eisende partij voor de verwijzende rechter. De wetgever kan zijn verantwoordelijkheden niet afschuiven op onderdanen. Bovendien worden de rechtmatige verwachtingen van die personen niet gewaarborgd daar het al dan niet gebruikmaken van die mogelijkheid volledig afhangt van de wil van de inrichter van het pensioenplan. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat het niet realistisch is om aan te nemen dat haar werkgever van die mogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt, omdat bij de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling zij immers reeds uit dienst was getreden en een zogenaamde « slaper » was in het pensioenplan. Bovendien is de procedure om het pensioenreglement aan te passen tijdrovend en onderhevig aan verschillende regels. A.2.
  14. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de wetswijziging en het ontbreken van overgangsmaatregelen een schending van het rechtszekerheidsbeginsel uitmaken voor die categorie van personen waartoe zij behoort. Daarnaast worden tevens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden omdat aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan en er een verschil in behandeling bestaat dat niet redelijk verantwoord kan worden. De wetgever zou hebben beoogd te vermijden dat aangeslotenen hun aanvullend pensioenkapitaal zouden opvragen vóór hun pensionering en die doelstelling wordt niet bereikt bij de eisende partij voor de verwijzende rechter. Zij betwist zelfs dat de bestreden bepaling haar ertoe zou kunnen hebben aangezet om langer te werken. Gelet op haar leeftijd en haar situatie was ander werk zoeken immers niet realistisch. De eisende partij voor de verwijzende rechter merkt ook op dat het aanvullend pensioen een verzekeringsproduct en dus ook deels een financieel product is waarmee aangeslotenen in staat worden gesteld om hun wettelijk pensioen aan te vullen en hun levensstandaard zo veel mogelijk te behouden. Bij de uitbetaling na de pensionering blijft die functie overeind. Meer zelfs, uitbetaling op de eindleeftijd kan in situaties zoals die waarin de eisende partij voor de verwijzende rechter zich bevindt net een hogere levensstandaard garanderen. De eisende partij voor de verwijzende rechter betwist bovendien het standpunt van de Ministerraad dat de afwezigheid van een overgangsmaatregel redelijk verantwoord zou zijn omdat een overgangsmaatregel gebaseerd op de datum van de pensioenaanvraag tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou kunnen leiden. Er zijn immers andere overgangsregelingen mogelijk. Verder verwerpt zij de stelling dat zij de mogelijkheid had om haar pensioenaanvraag in te trekken. De eisende partij voor de verwijzende rechter werd pas op de hoogte gebracht van de situatie nadat zij reeds ruime tijd op pensioen was en was bovendien sedert 2013 werkloos, waardoor de keuzes die zij had gemaakt vóór de totstandkoming van de wet onomkeerbaar waren. Zij meent bovendien dat er geen dwingende reden van algemeen belang is die de schending van de rechtmatige verwachtingen kan verantwoorden. 6 A.2.
  15. Subsidiair stelt de eisende partij voor de verwijzende rechter dat de wetswijziging strijdig is met de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet. De wetgever heeft het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate verminderd door de wetswijziging. In zoverre dat middel niet ontvankelijk zou zijn, omdat het de prejudiciële vraag wijzigt, meent zij dat het Hof bevoegd is om zelf te bepalen aan welke normen het toetst. Daarnaast meent de eisende partij voor de verwijzende rechter dat ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, worden geschonden. De in het geding zijnde wetswijziging maakt een eigendomsbeperking uit die niet het algemeen belang dient en niet proportioneel is met het beoogde doel. A.
  16. De Ministerraad antwoordt dat geen rekening kan gehouden worden met de middelen van de eisende partij voor de verwijzende rechter die geen betrekking hebben op de vraag of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zijn. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag A.4.
  17. De Ministerraad werpt op dat de tweede prejudiciële vraag onontvankelijk is omdat het antwoord op de vraag kennelijk niet nuttig is voor het oplossen van het geschil. A.4.
  18. Subsidiair voert de Ministerraad aan dat er geen sprake kan zijn van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat de overgangsmaatregel redelijk verantwoord is. Allereerst is er geen « onbekende en dus zwaardere informatieverplichting ». De wetswijziging werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en was dus bekend. Bovendien ging het niet om een zware plicht, aangezien er geen enkele vormvereiste aan verbonden is en diegene die zijn pensioenaanvraag indient bij de Federale Pensioendienst gemakkelijk ook zelf de pensioeninstelling kan informeren. De overgangsregeling was redelijk verantwoord gelet op de tijd die de vzw « Sigedis » nodig had om die informatieplicht op zich te kunnen nemen. De Ministerraad benadrukt dat in de tussenperiode, de uitgetreden aangeslotene de meest geschikte persoon was om de pensioeninstelling in te lichten. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de vzw « Sigedis » in casu de pensioeninstelling begin januari 2018 heeft ingelicht, nadat de eisende partij voor de verwijzende rechter had nagelaten dat te doen niettegenstaande zij daartoe verplicht was. A.5.
  19. De eisende partij voor de verwijzende rechter betwist dat de tweede prejudiciële vraag onontvankelijk zou zijn. Het Hof kan hiertoe enkel oordelen als het antwoord op de prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Het antwoord op de prejudiciële vraag is, volgens haar, wel nuttig omdat, indien de vzw « Sigedis » de pensioeninstelling geïnformeerd had, de pensioeninstelling de eisende partij voor de verwijzende rechter op dat moment had kunnen inlichten over de uitbetaling van haar aanvullend pensioen zodat zij tijdig andere opties had kunnen overwegen. Pas nadat de vzw « Sigedis » de pensioeninstelling informeerde, vernam zij dat haar aanvullend pensioen zou worden berekend op het moment van haar pensionering. A.5.
  20. De eisende partij voor de verwijzende rechter stelt dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zijn doordat de wetswijziging een niet te verantwoorden onderscheid creëert tussen, enerzijds, personen die zelf hun pensioeninstelling moesten inlichten over hun wettelijk pensioen en, anderzijds, personen voor wie de vzw « Sigedis » de pensioeninstelling inlicht. Op de eerste categorie van personen rust een onbekende en dus zwaardere informatieverplichting die bij niet-vervulling een grote financiële impact heeft. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter was er een lange inloopperiode voor de vzw « Sigedis ». Pas begin 2018 werd de nv « AXA Belgium » ingelicht inzake haar pensionering, nadat zij zelf had nagelaten dat te doen. Zij is van oordeel dat er daarom een buitenproportionele informatieplicht rustte op de personen die met pensioen zijn gegaan tussen 1 januari 2016 en begin
  21. De eisende partij voor de verwijzende rechter is daarnaast van mening dat de wetgever zijn informatieplicht heeft geschonden door particulieren te verplichten hun pensioeninstelling te informeren over hun pensionering, zonder in overgangsmaatregelen te voorzien die de gegronde verwachtingen van uitgetreden aangeslotenen beschermen. Bovendien werden die particulieren onvoldoende ingelicht over die verplichting. 7 Zij merkt ook op dat zij, in overeenstemming met de wet van 18 december 2015, uiterlijk op 1 januari 2016, de dag van de inwerkingtreding van de wet, de nv « AXA Belgium » op de hoogte had moeten brengen van haar pensionering. Maar, zelfs indien het redelijk verantwoord zou zijn om de informatieplicht op de aangeslotene te leggen, bevond zij zich in een specifieke situatie. Zij had haar pensioenaanvraag immers ingediend vóór de wetswijziging. Daarom kon van haar niet worden verwacht dat zij, nadat zij haar aanvraag had ingediend, op de dag van de inwerkingtreding van de wet, de pensioeninstelling zou inlichten. De wetgever had de wetswijziging kunnen uitstellen tot de vzw « Sigedis » operationeel was of de informatieplicht op de Federale Pensioendienst kunnen leggen. -B- B.1.
  22. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003), zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen » (hierna : de wet van 18 december 2015), dat bepaalt : « Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van de reserves bedoeld in artikel 32 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves, de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, 2°, 3°b), of de reserves die voortvloeien uit de toepassing van artikel 33 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene. De pensioentoezegging blijft van kracht tot aan de pensionering, tenzij ze opgeheven wordt. Ten laatste negentig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene, licht de inrichter de pensioeninstelling schriftelijk in over de pensionering van deze laatste. Als de aangeslotene uitgetreden is, licht deze de pensioeninstelling ten laatste negentig dagen vóór zijn pensionering schriftelijk in over zijn pensionering. Vanaf 1 januari 2017, neemt de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen. In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet 8 aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als werknemer te verkrijgen, mogen de prestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf één van deze data op voorwaarde dat het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet ». B.1.
  23. De wet van 18 december 2015 tot wijziging van de wet van 28 april 2003 is in werking getreden op 1 januari 2016 (artikel 42), en beoogde de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen te waarborgen (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1510/001, p. 4). Dienaangaande vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Huidig ontwerp heeft als doel het aanvullend karakter van de tweede pijlerpensioenen (buitenwettelijke pensioenen) ten opzichte van de eerste pijlerpensioenen (wettelijke pensioenen) te bevestigen, zoals dit reeds in artikel 3, § 1, 1°, van de [wet van 28 april 2003] wordt bepaald. Dit artikel definieert het aanvullend pensioen als het rust- of overlevingspensioen dat aan de aangeslotene wordt toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke socialezekerheidsregeling vastgesteld pensioen » (ibid., p. 7). Door de in het geding zijnde wet worden diverse aanpassingen aangebracht in het wettelijk kader van de aanvullende pensioenen voor werknemers, van de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen en van de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen- bedrijfsleiders. Allereerst worden het tijdstip van de uitbetaling van het aanvullend pensioen en het tijdstip van het ingaan van het wettelijk pensioen aan elkaar gekoppeld, waardoor de aanvullende pensioenprestaties moeten worden uitbetaald op het moment van de effectieve ingang van het wettelijk pensioen. Vervolgens wordt een verbod ingevoerd op bepalingen in pensioenreglementen en –overeenkomsten die aanzetten tot een vervroegd vertrek, en er wordt verduidelijkt dat een gepensioneerde die een beroepsactiviteit uitoefent niet langer een aanvullend pensioen kan genieten en dat de pensioenleeftijd van pensioenreglementen of – overeenkomsten niet lager mag zijn dan de wettelijke pensioenleeftijd (ibid., pp. 8-9). B.1.
  24. Wat betreft de koppeling van de uitbetaling van het aanvullend pensioen aan het ingaan van het wettelijk pensioen, doet de wetgever « niets anders dan het moment van de uitbetaling van de aanvullende pensioenprestaties uitstellen teneinde er zich van te vergewissen dat de aanvullende pensioenen op correcte wijze hun rol spelen van aanvulling op het wettelijke pensioen en aan de gepensioneerde werknemers toelaten een levensstandaard te behouden die meer in de lijn ligt met hun levensstandaard als actieven » (ibid., p. 10). 9 B.1.
  25. De wetgever heeft evenwel in een overgangsmaatregel voorzien ten gunste van aangeslotenen die in 2016 ten minste de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt (artikel 22 van de wet van 18 december 2015). Zij behouden de mogelijkheid om hun aanvullend pensioen te laten uitbetalen vóór hun pensionering. Daartoe wordt de leeftijd waarop die uitbetaling mogelijk is, geleidelijk verhoogd, omgekeerd evenredig met hun leeftijd. Daarnaast is in een overgangsmaatregel voorzien voor het verbod op gunstige anticipatiemaatregelen (artikel 25 van de wet van 18 december 2015). De personen die uiterlijk op 31 december 2016 de leeftijd van 55 jaar of ouder hebben bereikt, kunnen de gunstige anticipatiemaatregelen waarin is voorzien in hun pensioenreglement, blijven genieten, mits naleving van de regel die de uitbetaling van het aanvullend pensioen in verband brengt met de pensionering : « De overgangsmaatregel betreffende de toezeggingen die bepalingen voorzien zoals bedoeld in artikelen 18, 3° en 19, 3°, dient dus te worden gecombineerd met de maatregelen die van toepassing zijn op de maatregel betreffende de uitbetaling van het aanvullend pensioen » (ibid., p. 40). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen B.2.
  26. Voor wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad aan dat die niet tot de bevoegdheid van het Hof zou behoren, aangezien het de berekeningswijze van de aanvullende pensioenprestatie zou zijn die ter discussie staat en niet het ogenblik waarop de aanvullende pensioenprestatie zou moeten worden uitbetaald. Zodoende zou enkel de grondwettigheid van het pensioenreglement en van het koninklijk besluit van 14 november 2003 « tot uitvoering van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » worden betwist en niet de grondwettigheid van artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003, zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december
  27. B.2.
  28. Uit de verwijzingsbeslissing en uit de ingediende memories blijkt dat de eerste prejudiciële vraag uitgaat van de afwezigheid van overgangsmaatregelen voor de categorie van personen die een pensioenaanvraag hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de 10 wijzigingswet van 18 december 2015 en op pensioen zijn gegaan na de inwerkingtreding van de wijzigingswet van 18 december
  29. De verwijzende rechter vermeldt te dezen uitdrukkelijk : « waarbij zij niet kunnen genieten van enige overgangsmaatregelen ». Er wordt derhalve niet aan het Hof gevraagd om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de vraag of een bepaling van een koninklijk besluit bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar wel of de afwezigheid van overgangsmaatregelen grondwettig is. De eerste prejudiciële vraag behoort derhalve tot de bevoegdheid van het Hof en is ontvankelijk. B.3.
  30. Daarnaast vermag een partij voor het Hof niet de draagwijdte van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vraag hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. B.3.
  31. In zoverre de eisende partij voor de verwijzende rechter in haar memorie vraagt artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 ook te toetsen aan artikel 23 van de Grondwet, of aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, terwijl de prejudiciële vraag enkel een eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet opwerpt, kan dat verzoek niet worden ingewilligd. B.4.
  32. Voor wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad aan dat het antwoord kennelijk niet dienstig zou zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. B.4.
  33. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Op grond van het onderzoek van de feiten van het bodemgeschil en het dossier van de rechtspleging kan niet worden besloten dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig zou zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. De verwijzende rechter 11 doet opmerken dat de eisende partij aanvoert dat, indien de pensioeninstelling tijdig zou zijn ingelicht geweest over de pensioenaanvraag van de eisende partij, die eisende partij mogelijk haar aanvraag nog zou hebben kunnen intrekken, waardoor zij in voorkomend geval wel recht zou kunnen hebben op een hoger aanvullend pensioenkapitaal. B.
  34. Het Hof antwoordt op de vragen zoals zij door de verwijzende rechter zijn gesteld. Ten gronde B.6.
  35. De in het geding zijnde wetswijziging streeft ernaar de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen te waarborgen en past in de context waarin burgers worden aangemoedigd om langer te werken. De wetgever beoogde te vermijden dat de aanvullende pensioenen zouden worden gebruikt voor doeleinden waartoe ze niet bestemd waren. Hij koppelde de vereffening van het aanvullend pensioen aan de wettelijke pensionering : « Indien men wenst dat de tweede pijler deze noodzakelijke aanvulling vormt op het wettelijke pensioen, moet de uitbetaling van de tweede pijler voor het ingaan van het wettelijke pensioen ontmoedigd worden. Indien dit niet gebeurt, wordt de tweede pijler gebruikt voor doeleinden die deze doelstelling niet altijd dienen. Er dient herinnerd te worden aan het feit dat de opbouw van een aanvullend pensioen fiscaal aangemoedigd wordt. Het is bijgevolg wenselijk dat de door de gemeenschap geleverde inspanning weldoordacht gebruikt wordt. De verleiding bestaat inderdaad de tweede pijler te gebruiken voor de eigen persoonlijke doelstellingen terwijl de tweede pijler moet bijdragen tot het oplossen van de uitdagingen inzake pensioenen waaraan wij het hoofd moeten bieden. Gezien het optrekken van de toegangsvoorwaarden tot het vervroegd pensioen (zie de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioenen en tot wijziging van de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd van het overlevingspensioen, B.S. 21 augustus 2015), is het des te meer noodzakelijk om de uitbetaling van het aanvullende pensioen te linken aan het ingaan van het wettelijke pensioen. Sommigen zouden inderdaad geneigd kunnen zijn om de arbeidsmarkt te verlaten en de uitbetaling van hun aanvullend pensioen vragen om, dankzij deze inkomsten, het moment van het ingaan van hun pensioen af te wachten. Dergelijke praktijken zouden in contradictie staan met de doelstelling van de regering om de gemiddelde leeftijd waarop men de arbeidsmarkt verlaat, te verhogen » (ibid., pp. 29-30). 12 B.6.
  36. Wat de koppeling van het tijdstip van de uitbetaling van het aanvullend pensioen aan het tijdstip van het ingaan van het wettelijk pensioen betreft, werd tevens in overgangsmaatregelen voorzien die ervoor dienden te zorgen dat er geen afbreuk zou worden gedaan aan de gegronde verwachtingen van de aangeslotenen die op het punt stonden hun aanvullend pensioen op te vragen: « Wat betreft de opgenomen overgangsmaatregelen aangaande het moment van de uitbetaling van het aanvullende pensioen of aangaande het verbod op clausules in pensioenreglementen en -overeenkomsten die vervroegde vertrekken aanmoedigen, refereren zij aan het leeftijdscriterium daar dit het meest aangewezen criterium is om de door deze maatregelen beoogde doelstelling te bereiken, namelijk geen afbreuk doen aan de legitieme verwachtingen van de werknemers die aan de vooravond of bijna aan de vooravond staan van de leeftijd die hen zou toegelaten hebben de uitbetaling van het aanvullende pensioen te bekomen of te genieten van een clausule die het vervroegde vertrek aanmoedigt. Net zoals in het kader van de hervorming van de eerste pensioenpijler en het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd en de toegangsvoorwaarden voor het vervroegd pensioen, heeft men de leeftijd van 55 jaar beschouwd als een scharnierleeftijd. De overgangsmaatregelen voorzien dus voor de werknemers die in 2016 ten minste 55 jaar oud zijn, een geleidelijke verhoging van de leeftijd vanaf dewelke de aanvullende pensioenprestatie kan uitgekeerd worden zonder dat dit samenvalt met de pensionering. Wat betreft de overgangsmaatregel aangaande de clausules die vervroegde vertrekken aanmoedigen, voorziet deze geen geleidelijke verhoging, maar dit wordt indirect voorzien door het gecumuleerde effect van deze maatregel met de overgangsmaatregelen aangaande de uitbetaling van het aanvullend pensioen bij het ingaan van het wettelijk pensioen » (ibid., pp. 11-12). B.6.
  37. Bovendien blijkt dat de verplichting voor de uitgetreden aangeslotene om de pensioeninstelling zelf in te lichten, noodzakelijk werd geacht om te waarborgen dat de pensioeninstelling haar eigen informatieverplichting kon nakomen. De pensioeninstelling moet, sedert de wet van 18 december 2015, de begunstigde bij pensionering op de hoogte brengen van de prestaties die verschuldigd zijn, over de mogelijke uitbetalingswijzen en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling. Om daartoe in staat te zijn, moet de pensioeninstelling derhalve kennis hebben van de pensionering. Die informatieverplichting rustte slechts tijdelijk op de uitgetreden aangeslotene zelf en werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verklaard : « Deze stroom van informatie-uitwisseling wordt echter enkel als overgangsmaatregel voorzien tot op het ogenblik dat de vzw Sigedis die de gegevensbank over de aanvullende pensioenen (DB2P) beheert, deze communicatie naar de pensioeninstellingen kan opnemen. Dit zou in principe mogelijk moeten zijn vanaf 1 januari 2017 » (ibid., p. 32). 13 Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.7.
  38. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003, zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het een verschil in behandeling invoert tussen de categorie van personen die hun aanvraag voor het vervroegd wettelijk pensioen indienden vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015, maar pas na de inwerkingtreding van die wet op pensioen zijn gegaan, enerzijds, en de categorie van personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 op pensioen zijn gegaan, anderzijds, doordat alleen de eerste categorie van personen wordt verplicht haar aanvullend pensioen op te nemen bij het ingaan van het vervroegd wettelijk pensioen. B.7.
  39. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een uitgetreden aangeslotene die vóór de totstandkoming van de wet van 18 december 2015 een aanvraag voor vervroegd wettelijk pensioen heeft ingediend met het oog op zijn pensionering op een latere datum die zou blijken gesitueerd te zijn na de inwerkingtreding van de wet. Voormelde pensioenaanvraag diende hij in, met de bedoeling om zijn aanvullende pensioenprestatie, in overeenstemming met zijn pensioenplan, te ontvangen op 1 april 2019, te weten de datum waarop hij de leeftijd van 65 jaar zou bereiken. De eerste prejudiciële vraag dient aldus te worden begrepen dat het Hof wordt ondervraagd over de afwezigheid van overgangsmaatregelen die het in een dergelijk geval mogelijk zouden maken het aanvullend pensioen op te nemen na het ingaan van het vervroegd wettelijk pensioen. B.8.
  40. Bij het bepalen van zijn pensioenbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat is des te meer het geval wanneer de betrokken regeling, zoals te dezen het geval is, het voorwerp heeft uitgemaakt van sociaal overleg. B.8.
  41. Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die 14 grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. Daarenboven kan de wetgever, wanneer hij meent dat een beleidsverandering noodzakelijk is, beslissen daaraan een onmiddellijk gevolg te geven en is hij er in beginsel niet toe gehouden te voorzien in een overgangsregeling. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de ontstentenis van een overgangsmaatregel leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat beginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.9.
  42. Met de in het geding zijnde wetswijziging beoogde de wetgever te vermijden dat de tweede pensioenpijler, de aanvullende pensioenprestatie, zou worden gebruikt voor andere doeleinden dan de aanvulling van het wettelijk pensioen. Om die doelstelling te bereiken, wordt de opname van het aanvullend pensioen vóór het ingaan van het wettelijk pensioen verboden : « Indien men wenst dat de tweede pijler deze noodzakelijke aanvulling vormt op het wettelijke pensioen, moet de uitbetaling van deze tweede pijler voor het ingaan van het wettelijke pensioen ontmoedigd worden » (ibid., p. 29). B.9.
  43. Niettegenstaande het hoofdzakelijk de bedoeling was van de wetgever om de opname van het aanvullend pensioen vóór het ingaan van het wettelijk pensioen te verbieden, past een verbod op uitbetaling van het aanvullend pensioen na de pensionering eveneens in het kader van de doelstellingen van de wetgever. Door het tijdstip van uitbetaling van het aanvullend pensioen te verbinden aan het tijdstip van pensionering, worden de niet- uitgetreden aangeslotenen gestimuleerd hun pensionering uit te stellen tot aan de eindleeftijd in hun persoonlijke pensioenplan. B.10.
  44. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de mogelijke discriminatie van de categorie van personen die de aanvraag voor hun vervroegd wettelijk pensioen hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet 18 december 2015, zijnde 1 januari 2016, doch wier wettelijk pensioen ingaat na die datum. 15 B.10.
  45. Zoals de Ministerraad opmerkt, is niet de datum van de pensioenaanvraag, maar de ingangsdatum van het wettelijk pensioen relevant voor de vaststelling van de pensioenrechten. Het feit dat een pensioenaanvraag werd ingediend, kan op zich niet verhinderen dat nieuwe wettelijke maatregelen met onmiddellijke werking tot stand komen vóór de datum van de effectieve wettelijke pensionering, die mogelijk de pensioenrechten beïnvloeden. Dit is des te meer het geval nu de pensioenaanvraag kan worden ingediend vanaf twaalf maanden vóór de ingang van het wettelijk pensioen. Bovendien beschikt de aanvrager over de mogelijkheid om zijn pensioenaanvraag in te trekken, indien wettelijke maatregelen die na zijn pensioenaanvraag tot stand komen, zijn situatie ongunstig beïnvloeden en kan hij dat verhinderen door het ogenblik van zijn wettelijke pensionering te wijzigen. B.10.
  46. Bij de invoering van nieuwe pensioenmaatregelen rust op de wetgever niet op algemene wijze een verplichting om in een overgangsmaatregel te voorzien voor degenen die bij de inwerkingtreding van die maatregelen reeds een pensioenaanvraag hadden ingediend. De nakende inwerkingtreding van een nieuwe pensioenregeling kan immers leiden tot een toename aan pensioenaanvragen, waardoor het door de wetgever beoogde doel in het gedrang kan komen. B.10.
  47. De wetgever moet echter, wanneer hij een nieuwe pensioenregeling invoert, van geval tot geval onderzoeken of overgangsmaatregelen noodzakelijk zijn, rekening houdend met de impact van de nieuwe regels en met de legitieme verwachtingen van de betrokken rechtsonderhorigen. Wanneer een wettelijke regeling gepaard gaat met overgangsmaatregelen voor een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen, doch niet voor een andere vergelijkbare categorie, dan dient dat verschil in behandeling te berusten op een redelijke verantwoording. B.11.
  48. De wet van 18 december 2015 bepaalt het tijdstip van de vereffening van de aanvullende pensioenprestaties en bevat onder meer een overgangsregeling voor de categorie van personen die in 2016 ten minste 55 jaar oud waren en die hun aanvullend pensioen wensen op te vragen vóór het ingaan van hun wettelijk pensioen. Uit de in B.6.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat die overgangsregeling werd ingevoerd omdat het niet billijk werd geacht de aangeslotenen die bij het ingaan van de nieuwe regeling bijna de leeftijd hadden die hun zou hebben toegelaten hun aanvullend pensioen op te nemen, onmiddellijk aan de nieuwe regels te onderwerpen, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan 16 hun legitieme verwachtingen. Om die reden wordt bij wijze van overgangsmaatregel aan die categorie van personen de keuze gelaten om de aanvullende pensioenprestatie niet op te nemen bij het ingaan van het wettelijk pensioen. B.11.
  49. In het licht van het vertrouwensbeginsel, waardoor de wetgever zich aldus heeft laten leiden, is er geen redelijke verantwoording voor het feit dat niet tevens in een overgangsregeling werd voorzien voor de omgekeerde situatie, namelijk die van de aangeslotenen die bij het ingaan van de nieuwe regeling op het punt stonden vervroegd hun wettelijk pensioen op te nemen, maar de wens hadden om de aanvullende pensioenprestatie later te kunnen ontvangen op de leeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. Ook in dat geval kan de onmiddellijke inwerkingtreding van de nieuwe regeling immers de legitieme verwachtingen van de betrokkenen doorkruisen doordat hun de keuze wordt ontnomen om het aanvullend pensioen niet op te nemen bij het ingaan van het wettelijk pensioen. B.11.
  50. De in het geding zijnde bepaling is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre ze de aangeslotenen die de aanvraag voor hun vervroegd wettelijk pensioen hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 en wier wettelijk pensioen is ingegaan in 2016, niet toelaat de aanvullende pensioenprestatie te ontvangen op de leeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van de voormelde wet. B.
  51. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
  52. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003, zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat door de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen personen die zelf hun pensioeninstelling moesten inlichten, namelijk de uitgetreden 17 aangeslotenen (tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016), en personen voor wie de vzw « Sigedis » de pensioeninstelling zal inlichten (vanaf 1 januari 2017). B.
  53. De wetgever heeft aan de vzw « Sigedis » de verplichting opgelegd om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. Omdat de vzw « Sigedis » die verplichting nog niet onmiddellijk op zich kon nemen, werd als overgangsregeling erin voorzien dat de uitgetreden aangeslotene tot en met 31 december 2016 zelf de pensioeninstelling moest inlichten over zijn pensionering uiterlijk 90 dagen vóór zijn pensionering. Hierdoor ontstaat, volgens de verwijzende rechter, een verschil in behandeling tussen, enerzijds, uitgetreden aangeslotenen die zelf hun pensioeninstelling dienden in te lichten over hun wettelijk pensioen en, anderzijds, uitgetreden aangeslotenen voor wie de vzw « Sigedis » de pensioeninstelling zal inlichten. B.
  54. Zoals reeds opgemerkt in B.8.2 is het inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. Overgangsmaatregelen moeten echter algemeen zijn en gebaseerd zijn op objectieve en pertinente criteria die verantwoorden waarom voor sommige personen tijdelijk maatregelen gelden die afwijken van de regeling die door de nieuwe norm is vastgesteld. B.
  55. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het noodzakelijk achtte dat de pensioeninstelling over de pensionering van de aangeslotenen zou worden geïnformeerd, zodat de pensioeninstelling de mogelijkheid zou hebben haar eigen informatieverplichting na te komen. Aangezien de vzw « Sigedis » nog niet onmiddellijk in staat was om de pensioeninstelling te informeren, verplichtte de wetgever de uitgetreden aangeslotene om dat zelf te doen. 18 B.17.
  56. Het verschil in behandeling berust derhalve op een objectief criterium, namelijk het tijdstip waarop de pensioeninstelling moet worden ingelicht, te weten vóór of na 1 januari
  57. Dat criterium is pertinent, aangezien het verband houdt met de tijd die nodig was om de vzw « Sigedis » operationeel te maken zodat zij aan de informatieplicht zou kunnen voldoen. B.17.
  58. De categorie van personen die zelf de pensioeninstelling dienden te informeren over hun pensionering, te weten de uitgetreden aangeslotenen, wordt in principe niet op onevenredige wijze benadeeld, daar de informatieverplichting veelal slechts een kleine last vertegenwoordigt. In afwachting van het tijdstip waarop de vzw « Sigedis » de informatieverplichting zou kunnen overnemen, zijn de uitgetreden aangeslotenen immers het best in staat om zelf hun pensioeninstelling te informeren over hun pensioenaanvraag. Echter, voor wat de eisende partij voor de verwijzende rechter betreft, dient te worden vastgesteld dat zij, in overeenstemming met de wet van 18 december 2015, uiterlijk op 1 januari 2016, de dag van de inwerkingtreding van de wet, haar pensioeninstelling op de hoogte had moeten brengen van haar pensionering, terwijl zij haar pensioenaanvraag al geruime tijd voordien had ingediend voordat een dergelijke informatieplicht voor haar gold. Van haar kon redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij, op 1 januari 2016, de pensioeninstelling zou moeten inlichten. De pensioeninstelling werd uiteindelijk pas begin 2018 door vzw « Sigedis » ingelicht over de pensionering van de eisende partij voor de verwijzende rechter, waardoor deze pas dan door de pensioeninstelling in kennis werd gesteld van de nieuwe berekening van haar aanvullend pensioen. Te haren aanzien is het in het geding zijnde artikel derhalve zonder redelijke verantwoording. B.
  59. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 19 Om die redenen, het Hof, zegt voor recht : - Artikel 27, § 1, van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid », zoals vervangen bij artikel 18, 1°, van de wet van 18 december 2015 « tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de aangeslotenen die de aanvraag voor hun vervroegd wettelijk pensioen hebben ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 en wier wettelijk pensioen is ingegaan in 2016, niet toelaat de aanvullende pensioenprestatie te ontvangen op de leeftijd bepaald in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, zoals van kracht vóór de datum van inwerkingtreding van de voormelde wet. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor hen die, in overeenstemming met de wet van 18 december 2015, uiterlijk op 1 januari 2016, de dag van de inwerkingtreding van de wet, zelf hun pensioeninstelling op de hoogte hadden moeten brengen van hun pensionering. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 juli
  60. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.