← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.109

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.109 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210715.4 Arrest- Rolnummer: 109/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-08-10 Raadplegingen: 369 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 8 van de wet van 29 april 1999 « betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Geneeskunde - Erkende niet-conventionele praktijken - Uitoefening van homeopathie - Modaliteiten van de individuele registratie - Bevoegdheidverdelende regels. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-04-1999 - 8 - 68 ELI link Pub nr 1999022439 Tekst van de beslissing Rolnummer 7401 Arrest nr. 109/2021 van 15 juli 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 8 van de wet van 29 april 1999 « betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen », gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, de rechters T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 28 mei 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juni 2020, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 8 van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, artikel 5, § 1, I, 7°,

  1. a)van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in een lezing dat : - de Gemeenschappen bevoegd zijn voor de in artikel 8 van voormelde wet van 29 april 1999 bedoelde registratie van homeopaten; - de Federale overheid bevoegd is voor de in artikel 8 van voormelde wet van 29 april 1999 bedoelde registratie van homeopaten ? 2. Schendt artikel 8 van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, artikel 5, § 1, I, 7°,
  2. a)van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in de interpretatie dat : - de Gemeenschappen bevoegd zijn inzake de invulling van de opleiding zoals bedoeld in de artikelen 4 en 8 van het Koninklijk Besluit van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie, en om daartoe de betrokken Kamer zoals bedoeld in artikel 2, § 3 van de wet van 29 april 1999, samen te roepen; - de Federale overheid bevoegd is inzake de invulling van de opleiding zoals bedoeld in de artikelen 4 en 8 van het Koninklijk Besluit van 26 maart 2014 betreffende de uitoefening van de homeopathie, en om daartoe de betrokken Kamer zoals bedoeld in artikel 2, § 3 van de wet van 29 april 1999, samen te roepen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Lesaffer, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Vlaamse Regering en de Vlaamse Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 19 mei 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 2 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 2 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica » vordert voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel concrete uitvoeringsmaatregelen van de Vlaamse Gemeenschap en, subsidiair, van de Belgische Staat, opdat het systeem van individuele registratie als beoefenaar van de homeopathie, zoals geregeld in de wet van 29 april 1999 « betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen » (hierna : de wet van 29 april 1999) kan worden georganiseerd. In ondergeschikte orde stelt zij voor een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen over welke overheid hiertoe bevoegd is. De verwijzende rechter stelt allereerst vast dat niet wordt betwist dat noch de Vlaamse Gemeenschap, noch de Belgische Staat enige beslissing heeft genomen over de ingediende aanvragen tot individuele registratie als beoefenaar van de homeopathie en dat de Kamer Homeopathie al jaren niet meer is samengekomen en dus ook geen adviezen heeft verstrekt over die aanvragen, zoals daarin is voorzien in artikel 8, §§ 1 en 2, van de wet van 29 april 1999. Voorts heeft de Kamer Homeopathie zich niet gebogen over de goedkeuring van de opleiding homeopathie, overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie ». De verwijzende rechter is van oordeel dat homeopathie dient te worden beschouwd als een gezondheidszorgberoep in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat bepaalt dat de erkenning van de gezondheidszorgberoepen tot de persoonsgebonden aangelegenheden behoort met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden. De bevoegdheidverdelende regel verwijst niet naar de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, die overigens een ruimere betekenis toelaat dan de daarin opgesomde beroepen. Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat er uiteenlopende meningen bestaan over de interpretatie van het begrip « erkenning » en over de vraag of dat begrip ook de « registratie » omvat. De beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica » en de Belgische Staat zijn van oordeel dat uit artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voortvloeit dat de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is voor de registratie van de beoefenaars van de homeopathie, terwijl de Vlaamse Gemeenschap staande houdt dat de federale overheid hiervoor bevoegd is. Daarenboven rijst de vraag welke overheid bevoegd is voor de nadere invulling van de opleiding homeopathie en het daartoe samenroepen van de Kamer Homeopathie. Aangezien dit een wezenlijke invloed heeft op het voorliggende geschil, acht de verwijzende rechter het aangewezen om het Hof hierover prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1. De beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica », eisende partij in het bodemgeschil, is van oordeel dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de registratie van de beoefenaars van de homeopathie, zoals bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 april 1999, evenals voor de invulling van de opleiding homeopathie, zoals bedoeld in de artikelen 4 en 8 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie », en het daartoe samenroepen van de Kamer Homeopathie. 4 A.2.1. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag, die ertoe strekt te bepalen wie de bevoegde overheid is voor de individuele registratie van de beoefenaars van de homeopathie, verwijst de beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica » naar de vaste rechtspraak van het Hof waaruit volgt dat de Grondwetgever en de bijzondere wetgever bij het toewijzen van bevoegdheden aan de gemeenschappen geacht worden deze globaal te hebben overgedragen. Met de zesde staatshervorming is het bestaande homogene bevoegdheidspakket van de gemeenschappen inzake gezondheidszorg uitgebreid met de erkenning van de gezondheidsberoepen. De uitzondering op die bevoegdheid, namelijk de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden, dient volgens de Vlaamse Gemeenschap restrictief te worden geïnterpreteerd. A.2.2. De bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen definieert niet wat onder erkenning van de gezondheidsberoepen moet worden verstaan. De afdeling wetgeving van de Raad van State staat een functionele interpretatie van dat begrip voor, zodat een louter terminologische benadering niet bepalend is. Volgens de adviespraktijk dient de term « erkenning » te worden begrepen als een vergunning of toelating vanwege de overheid die vereist is om een beroep of bijzondere beroepsbekwaamheid uit te oefenen of een bijzondere beroepstitel te dragen. De individuele registratie van de beoefenaars van de homeopathie in het kader van de wet van 29 april 1999 heeft betrekking op de toelating om de bijzondere beroepstitel van homeopaat te dragen in de uitoefening van een van de gezondheidszorgberoepen bedoeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015. Zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat in alle gevallen een registratie vereist is om homeopathie te mogen beoefenen, los van het voeren van de titel, wat niet het geval is, dient dit te worden beschouwd als een vergunning om de bijzondere beroepsbekwaamheid uit te oefenen. De erkenning van die bijzondere beroepstitel of -bekwaamheid is dan ook een bevoegdheid van de gemeenschappen. A.3. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag, die ertoe strekt te bepalen wie de bevoegde overheid is voor de invulling van de opleiding van de beoefenaars van de homeopathie en welke overheid daartoe de Kamer Homeopathie kan samenroepen, stelt de beroepsvereniging « Unio Homoeopathica Belgica » vast dat dit toekomt aan de gemeenschappen in het kader van hun onderwijsbevoegdheid. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof hebben de gemeenschappen de volheid van bevoegdheid tot het regelen van het onderwijs in de ruimste zin van het woord. De gemeenschappen zijn aldus bevoegd om een invulling te geven aan het leerprogramma voor homeopathie. De bevoegdheid om een dergelijk diploma als voorwaarde voor het voeren van de beroepstitel van homeopaat op te leggen, is federaal gebleven. Het gegeven dat de federale overheid bevoegd is voor de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma’s doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gemeenschappen om de opleiding van homeopaten in te vullen. A.4.1. De Ministerraad licht allereerst de draagwijdte toe van het begrip « gezondheidszorgberoep » in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Aangezien de erkenning van gezondheidszorgbeoefenaars is overgedragen aan de gemeenschappen met de zesde staatshervorming, is het antwoord op de prejudiciële vragen afhankelijk van de draagwijdte die aan dat begrip gegeven wordt. Homeopathie wordt niet uitdrukkelijk opgenomen in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, maar toch voeren de beoefenaars van de homeopathie wel degelijk een gezondheidszorgberoep uit in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. A.4.2. Het begrip « gezondheidszorg » wordt in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, zeer ruim uitgelegd en heeft betrekking op de diensten verstrekt in het kader van de geneeskunde die ertoe dienen de gezondheidstoestand van patiënten vast te stellen, te behouden, te herstellen of te verbeteren. Een gezondheidszorgberoep is een beroep in de geneeskunst in het kader waarvan die diensten worden aangeboden. De wet van 29 april 1999 verwijst uitdrukkelijk naar de geneeskunde in haar benaming. Homeopathie valt dan ook onder de uitoefening van de geneeskunde, zoals erkend in de rechtspraak van de Raad van State. Voorts beschikken de beoefenaars van de homeopathie verplicht over de beroepstitel van arts, tandarts of voedvrouw, naast een bijkomend diploma homeopathie, en zijn dus reeds gezondheidszorgbeoefenaar. De niet-conventionele praktijken, waartoe homeopathie behoort, kunnen dan ook tot de gezondheidszorgberoepen worden gerekend. A.5. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag stelt de Ministerraad dat de bevoegdheid inzake de registratie van de beoefenaars van de homeopathie bij de gemeenschappen ligt. Uit de adviezen van de Raad van State vloeit immers voort dat het begrip « registratie » binnen de draagwijdte valt van het begrip « erkenning » in de zin artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat functioneel moet worden begrepen. Het verlenen van de registratie beperkt zich niet tot het louter nagaan van 5 de titels van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen. Er dient onderzoek te worden gedaan naar het beantwoorden van de door de betrokkenen gevolgde opleidingen aan de vastgelegde erkennings- of registratievoorwaarden. De toepassing van de federaal vastgelegde erkennings- of registratievoorwaarden en de regeling van de uiteindelijke erkenningsprocedure behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. A.6. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag is de Ministerraad van oordeel dat de invulling van de opleiding homeopathie en het daartoe samenroepen van de Kamer Homeopathie, eveneens tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren. De federale wetgever was ook in het verleden niet verplicht om de opleidingsvereisten nader vorm te geven. In de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie » worden de basisvereisten inzake het diploma en de opleiding homeopathie vastgelegd. Zodoende heeft de federale overheid haar bevoegdheid inzake het vastleggen van de erkenningsvoorwaarden voor de toegang tot de uitoefening van het gezondheidszorgberoep uitgeoefend. De invulling van die opleidingen komt toe aan de gemeenschappen in het licht van hun onderwijsbevoegdheid. Tot slot beklemtoont de Ministerraad dat de Kamer Homeopathie, die georganiseerd werd door de federale overheid, na de zesde staatshervorming niet langer bevoegd is om de registraties uit te voeren. Aangezien de gemeenschappen instaan voor de specifieke registraties, dienen zij ook de procedure te organiseren om tot registratie te kunnen overgaan. Dit impliceert dat de gemeenschappen de Kamer Homeopathie dienen samen te roepen. A.7.1. Voorafgaand aan de bespreking van de prejudiciële vragen merkt de Vlaamse Regering op dat ze zich niet kan vinden in het uitgangspunt van de verwijzende rechter dat de beoefening van de homeopathie een gezondheidszorgberoep zou zijn in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag benadrukt de Vlaamse Regering dat het begrip « registratie » dient te worden onderscheiden van het begrip « erkenning ». De erkenning is een titel die aantoont dat de houder ervan met succes een theoretische en praktische opleiding heeft gevolgd en dus voldaan is aan de verschillende federale erkenningsvoorwaarden. Daarnaast dient de erkende arts ook over een visum te beschikken om medische handelingen in de praktijk te stellen en het beroep van arts daadwerkelijk uit te oefenen. Het uitvaardigen en intrekken van een dergelijk visum is een federale bevoegdheid. A.7.2. Het begrip « registratie » wordt niet gedefinieerd in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, noch in wet van 29 april 1999. Het begrip « registratie » wordt naast de niet-conventionele praktijken, slechts gebruikt met betrekking tot twee andere gezondheidszorgberoepen, namelijk de zorgkundigen en de apothekers. Voor de zorgkundigen komt de registratie neer op een erkenning, terwijl voor de apothekers de registratieverplichting zich duidelijk onderscheidt van een erkenningsplicht. De functionele interpretatie van het begrip « registratie », zoals verdedigd door de eisende partij in het bodemgeschil en de Ministerraad, gaat voorbij aan de onmiskenbare verschillen die bestaan tussen de registratie-, erkenning- en visumverplichting inzake de gezondheidszorgberoepen. De bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de erkenning van gezondheidszorgberoepen omvat niet de bevoegdheid om een toelating tot het uitoefenen van een beroep uit te vaardigen. De registratie van de beoefenaars van de niet-conventionele praktijken is dus nog steeds een residuaire federale bevoegdheid, wat recent bevestigd is in een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.8. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag stelt de Vlaamse Regering dat de opleiding van de beoefenaars van de homeopathie eveneens aan de federale wetgever toekomt. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie » voorziet erin dat de minimale inhoud en vormen van de opleiding homeopathie door de federale regelgever kunnen worden bepaald. Met die bijkomende kwalificatie wordt vermeden dat de beoefenaars van niet-gezondheidsberoepen aan homeopathie zouden doen, aangezien er geen wetenschappelijk bewijs bestaat dat homeopathie werkt. Om die reden kan homeopathie evenmin worden beschouwd als een gezondheidszorgberoep en is de federale overheid bevoegd voor de invulling van de opleiding, die onmogelijk onder een onderwijskundige noemer kan worden gevat. Het komt dan ook eveneens aan de federale overheid toe om de Kamer Homeopathie samen te roepen. 6 -B- B.1.1. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van artikel 8 van de wet van 29 april 1999 « betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen » (hierna : de wet van 29 april 1999) met artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.1.2. Uit de formulering van de prejudiciële vragen en uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op de vraag welke overheid thans bevoegd is om uitvoering te geven aan de wet van 29 april 1999, voor wat betreft de individuele registratie van de beoefenaars van de homeopathie (eerste prejudiciële vraag) en voor wat betreft de invulling van de opleiding die voor een dergelijke registratie is vereist (tweede prejudiciële vraag). Met de procedure voor de verwijzende rechter wil de eiser concrete uitvoeringsmaatregelen afdwingen, hetzij van de federale overheid, hetzij van de gemeenschappen, opdat het systeem van de individuele registratie als beoefenaar van de homeopathie doorgang kan vinden. B.1.3. In zoverre de prejudiciële vragen zouden worden begrepen als een uitnodiging om na te gaan of de federale overheid dan wel de gemeenschappen ertoe gehouden zijn uitvoering te geven aan de voormelde wet, zou het Hof niet bevoegd zijn om erop te antwoorden. Het Hof is wel bevoegd om te oordelen of een wetskrachtige norm al dan niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Het is vanuit dat uitgangspunt dat het Hof de prejudiciële vragen beantwoordt. B.2.1. Met de wet van 29 april 1999 beoogde de wetgever een wettelijk kader voor bepaalde niet-conventionele praktijken te creëren, waardoor men de gebruiker de waarborg kon geven dat hij niet bij een « onbekwaam beoefenaar [zou terechtkomen]. De hoofddoelstelling [bestond] er […] in om regels te bepalen waardoor de patiënt zeker is van kwaliteitsvolle zorgen » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1714/1, p. 2). B.2.2. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 29 april 1999 dient onder een « niet-conventionele praktijk » te worden verstaan « het gewoonlijk verrichten van handelingen die tot doel hebben de gezondheidstoestand van een menselijk wezen te bevorderen en/of te 7 bewaken, met inachtneming van de in deze wet opgenomen voorschriften en voorwaarden ». Als niet-conventionele praktijken worden beschouwd de homeopathie, de chiropraxie, de osteopathie en de acupunctuur. B.2.3. De wet van 29 april 1999 voorziet in een structuur en in een procedure die kan leiden tot, enerzijds, de registratie van niet-conventionele praktijken en, anderzijds, de registratie van de individuele beoefenaars van die niet-conventionele praktijken (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1714/1, p. 2). Ter uitvoering van de wet van 29 april 1999 is voor alle beoefenaars van de niet-conventionele praktijken bedoeld in artikel 2, § 1, van die wet het koninklijk besluit van 26 maart 2014 betreffende de algemene voorwaarden die gelden voor de uitoefening van alle niet-conventionele praktijken genomen, waardoor de beroepsverzekering en de minimale dekking, het lidmaatschap van een erkende beroepsorganisatie, het registratiesysteem, de regeling inzake bekendmaking, alsook een lijst van niet-toegestane handelingen voor beoefenaars die geen arts zijn, zijn vastgelegd (artikel 3, § 1, van de wet van 29 april 1999). B.2.4. De parlementaire voorbereiding van de wet van 29 april 1999 vermeldt : « [Het] wetsontwerp [strekt] er niet toe […] niet-conventionele praktijken te erkennen, noch ze uit te sluiten. Het wetsontwerp houdt als dusdanig geen registratie van die praktijken in. Het voorziet daarentegen wel in een structuur en in een procedure die kunnen leiden tot de registratie van de niet-conventionele praktijken, én van de individuele beoefenaars van die praktijken. Het wetsontwerp strekt ertoe een wettelijk kader uit te werken op grond waarvan beslissingen kunnen worden genomen. Zo voorziet het wetsontwerp in de oprichting van een paritair samengestelde commissie, als koepel voor de uiteenlopende niet-conventionele praktijken. Die commissie zou paritair zijn samengesteld, te weten uit artsen (die door de faculteiten geneeskunde worden aangewezen) en uit representatieve vertegenwoordigers van de niet-conventionele praktijken. Krachtens dit wetsontwerp wordt al een aantal kamers opgericht, met name de kamers voor homeopathie, osteopathie, chiropraxie en acupunctuur. Ook andere kamers kunnen worden opgericht nadat de nodige adviezen zijn ingewonnen. De paritair samengestelde commissie en de kamers worden ermee belast voorstellen te formuleren in verband met de criteria voor de registratie van de praktijk en van de individuele beoefenaars (basisopleiding, permanente vorming, richtlijnen voor een goede praktijk enz.), Aldus krijgen de patiënten zekerheid inzake kwalitatief hoogstaande zorg verstrekt door hoog opgeleide mensen » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1714/5, p. 5). 8 B.3.1. Uit de wet van 29 april 1999 blijkt dat een niet-conventionele praktijk slechts wettig kan worden uitgeoefend na als zodanig te zijn geregistreerd. Homeopathie is geregistreerd als niet-conventionele praktijk bij het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie ». Een dergelijke registratie volstaat niet om wettig een niet- conventionele praktijk uit te oefenen, nu de wet van 29 april 1999 vereist dat de beoefenaar ook individueel moet zijn geregistreerd, wat slechts mogelijk is als de betrokkene beantwoordt aan de bij koninklijk besluit bepaalde uitoefeningsvoorwaarden. B.3.2. Het systeem van individuele registratie is geregeld bij artikel 8 van de wet van 29 april 1999, dat bepaalt : « § 1. Niemand mag één van de geregistreerde niet-conventionele praktijken beoefenen of handelingen stellen die tot die praktijk behoren, dan na voor die praktijk te zijn geregistreerd. Tot zolang de minister zich niet heeft uitgesproken over de individuele registratie, overeenkomstig de procedure bedoeld in § 2, mag de betrokken beroepsbeoefenaar de desbetreffende niet-conventionele praktijk niet blijven uitoefenen. In afwijking van het eerste lid kan de beroepsbeoefenaar, die een aanvraag tot registratie heeft ingediend binnen een periode van 6 maanden na bekendmaking, in het Belgisch Staatsblad, van de krachtens artikel 3, § 3, genomen maatregelen, de niet-conventionele praktijk blijven uitoefenen. De minister moet zich binnen een termijn van twaalf maanden uitspreken over de aanvraag van registratie. § 2. De registratie wordt verleend door de minister op advies van de betrokken kamer. De registratie wordt toegekend als de betrokkene beantwoordt aan alle voorwaarden bepaald overeenkomstig artikel 3. De kamer kan slechts een negatief advies geven nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt voor de kamer uiteen te zetten. Daartoe wordt hij bij aangetekend schrijven opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat laten bijstaan of vertegenwoordigen. In haar advies beantwoordt de kamer de middelen van de betrokkene. § 3. Als een beoefenaar de bepalingen van deze wet of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan niet naleeft, kan zijn registratie worden geschorst voor een termijn van maximum één jaar, of ingetrokken. De schorsing of de intrekking wordt bevolen door de minister op voorstel van de betrokken kamer. De kamer kan slechts een voorstel tot schorsing of intrekking doen, nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt voor de kamer uiteen te zetten. Daartoe wordt hij bij aangetekend schrijven opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat laten bijstaan of vertegenwoordigen. Het voorstel van de kamer is gemotiveerd en bevat een antwoord op de middelen van de betrokkene. 9 § 4. De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de toekenning van de individuele registratie evenals de intrekking en de schorsing ». B.4.1. De eerste prejudiciële vraag dient aldus te worden begrepen dat het Hof wordt gevraagd of artikel 8 van de wet van 29 april 1999, dat de modaliteiten regelt van de individuele registratie die vereist is om de homeopathie te mogen beoefenen, in overeenstemming is met artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.4.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter uitgaat van de interpretatie dat de beoefening van de homeopathie zoals geregeld in de wet van 29 april 1999, een gezondheidsberoep is in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.4.3. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Bij de beoordeling van de overeenstemming van de in het geding zijnde bepaling met artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, komt het aan het Hof toe de draagwijdte van die bevoegdheidverdelende regel te bepalen. B.5. Artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals ingevoegd bij artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, bepaalt : « § 1. De persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet, zijn : I. Wat het gezondheidsbeleid betreft : […] 7° wat betreft de gezondheidszorgberoepen : 10
  3. a)hun erkenning met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden ». B.6. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 48/2007 van 21 maart 2007 viel de aangelegenheid van de erkenning van de gezondheidszorgberoepen, die betrekking heeft op het regelen van de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, vóór de wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid (zie in dezelfde zin : Parl. St., Senaat, 2013-2014, nr. 5-2232/5, pp. 19 en 46-47; Raad van State, afdeling wetgeving, advies nr. 65.203/VR van 25 maart 2019, p. 5). B.7.1. Krachtens artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gemeenschappen thans bevoegd voor de erkenning van de gezondheidszorgberoepen met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden. B.7.2. De erkenningsvoorwaarden voor de gezondheidszorgberoepen waren op het ogenblik van de wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming opgenomen in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 « betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen » en zijn daarna ongewijzigd overgenomen in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, en in de uitvoeringsbesluiten ervan. Het begrip « gezondheidszorgberoepen » in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dient in het licht van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, te worden uitgelegd. Andere beoefenaars van activiteiten in de gezondheidszorg die niet in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, worden geregeld, vallen niet onder het begrip « gezondheidszorgberoepen » in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 11 B.7.3. De registratie van de beoefenaars van de niet-conventionele praktijken, waaronder de homeopathie, die afzonderlijk geregeld worden in de wet van 29 april 1999 en niet in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, is derhalve een federale bevoegdheid gebleven (Raad van State, afdeling wetgeving, advies nr. 65.203/VR van 25 maart 2019, p. 8). B.8.1. Uit het bovenstaande volgt dat de eerste prejudiciële vraag, in zoverre de verwijzende rechter ervan uitgaat dat de beoefening van de homeopathie, zoals geregeld in de wet van 29 april 1999, een gezondheidszorgberoep is in de zin van artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, berust op een kennelijk verkeerd uitgangspunt. B.8.2. Bijgevolg behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord. B.9. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de overeenstemming van artikel 8 van de wet van 29 april 1999, met artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor wat betreft de invulling van de opleiding homeopathie, zoals bedoeld in de artikelen 4 en 8 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie », en voor wat betreft het samenroepen van de Kamer Homeopathie, die is opgericht overeenkomstig artikel 2, § 3, van de wet van 29 april 1999 en die de bedoelde opleiding moet goedkeuren. B.10. De bedoelde vereisten betreffende de invulling van de opleiding homeopathie en betreffende de samenroeping van de Kamer Homeopathie worden niet geregeld bij artikel 8 van de wet van 29 april 1999. In zoverre de prejudiciële vraag voorts betrekking heeft op het koninklijk besluit van 26 maart 2014 « betreffende de uitoefening van de homeopathie » behoort de beantwoording ervan niet tot de bevoegdheid van het Hof. B.11. De tweede prejudiciële vraag behoeft bijgevolg evenmin te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 juli 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.