← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.113

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.113 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210722.1 Arrest- Rolnummer: 113/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-08-10 Raadplegingen: 754 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vorderingen tot schorsing van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen », ingesteld door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » en anderen en door de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen » en anderen. Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Tweede en derde graad - Onderwijsdoelen - Eindtermen. Tekst van de beslissing Rolnummers 7578, 7588 en 7589 Arrest nr. 113/2021 van 22 juli 2021 In zake : de vorderingen tot schorsing van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen », ingesteld door de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » en anderen en door de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 17 mei 2021 en 31 mei 2021 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19 mei 2021 en 1 juni 2021, zijn vorderingen tot schorsing van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2021) ingesteld door

(1)de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen »,
(2)de vzw « Organisatie Broeders van Liefde »,
(3)de vzw « Comité voor Onderwijs Annuntiaten Heverlee »,
(4)de vzw « Onderwijsinrichtingen Voorzienigheid »,
(5)de vzw « Katholiek Onderwijs Brussel Annuntiaten »,
(6)de vzw « Katholiek Onderwijs regio Halle Annuntiaten »,
(7)de vzw « Scholen voor Buitengewoon Onderwijs De Triangel »,
(8)de vzw « Don Bosco Onderwijscentrum »,
(9)de vzw « Ignatiaanse Scholen Antwerpen »,
(10)de vzw « INIGO, Ignatiaanse Scholen »,
(11)de vzw « OZCS-Koepel »,
(12)de vzw « Oscar Romeroscholen »,
(13)de vzw « Karel de Goede »,
(14)de vzw « Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen »,
(15)de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Vlaamse Ardennen »,
(16)de vzw « Sint-Donatusinstellingen Merchtem »,
(17)de vzw « EDUGO Scholengroep »,
(18)de vzw « Zaventems Vrij Onderwijs (ZAVO) »,
(19)de vzw « Leuvense Katholieke Scholen aan de Dijle (LKSD) »,
(20)de vzw « Secundair Onderwijs Sint-Quintinus »,
(21)de vzw « Katholiek Vlaams Onderwijs »,
(22)de vzw « Katholiek Onderwijs Land van Waas »,
(23)de vzw « OZCS West-Brabant »,
(24)de vzw « OZCS Keerbergen »,
(25)de vzw « OZCS Noord-Kempen »,
(26)de vzw « OZCS Midden-Kempen »,
(27)de vzw « OZCS Zuid-Antwerpen »,
(28)de vzw « OZCS Zuid- Kempen »,
(29)de vzw « Scholengroep Katholiek Onderwijs Brugge en Ommeland (SKOBO) »,
(30)de vzw « Scholengemeenschap Katholiek Secundair Onderwijs Sint-Donaas »,
(31)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Oudenaarde »,
(32)de vzw « Ignatius Scholen in Beweging »,
(33)de vzw « KOBA Metropool »,
(34)de vzw « KOBA NoordkAnt »,
(35)de vzw « KOBA Zuiderkempen »,
(36)de vzw « KOBA Voorkempen »,
(37)de vzw « KOBA de Nete »,
(38)de vzw « KOBA Noorderkempen »,
(39)de vzw « KOBArT »,
(40)de vzw « KOBA ZuidkANT »,
(41)de vzw « KOBA Hoogstraten »,
(42)de vzw « Katholiek Onderwijs Hinterland »,
(43)de vzw « Spectrumcollege »,
(44)de vzw « Berkenboomscholen »,
(45)de vzw « Opvoeding En Cultuur in het Bisdom Antwerpen »,
(46)de vzw « Katholieke Scholen Heusden-Zolder »,
(47)de vzw « Vrij Onderwijs Regio Aalst (VORA) »,
(48)de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs te Herzele »,
(49)de vzw « Katholiek Onderwijs Groot-Beveren »,
(50)de vzw « Katholieke Scholen Groot-Bornem »,
(51)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Maasmechelen-de helix »,
(52)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs van de Zusters van de Voorzienigheid »,
(53)de vzw « Annuntia Scholen »,
(54)de vzw « Katholiek Onderwijs Wetteren »,
(55)de vzw « Vrij Katholiek Secundair Onderwijs Lievegem »,
(56)de vzw « Katholieke Scholengroep RHIZO »,
(57)de vzw « Katholiek Onderwijs Denderleeuw en Welle »,
(58)de vzw « Vrij Katholiek Onderwijs Maldegem »,
(59)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Zottegem »,
(60)de vzw « Katholiek Onderwijs Ronse »,
(61)de vzw « Vrij Onderwijs Blankenberge-Wenduine »,
(62)de vzw « Katholiek Onderwijs Geel-Kasterlee »,
(63)de vzw « KSOM »,
(64)de vzw « Prizma »,
(65)de vzw « KOHH »,
(66)de vzw « Hasp-O SZZ »,
(67)de vzw « KITOS »,
(68)de vzw « Petrus & Paulus »,
(69)de vzw « Diocesaan Schoolcomité Denderstreek-Zuid »,
(70)de vzw « Centraal Katholiek Schoolcomité van Antwerpen »,
(71)de vzw « WICO »,
(72)de vzw « Verwondering »,
(73)de vzw « Anker »,
(74)de vzw « Priester Daens College »,
(75)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Onze-Lieve-Vrouw Tongeren-Borgloon »,
(76)de vzw « Instituut van het Heilig 3 Graf »,
(77)de vzw « Vrij Technisch Instituut Deinze »,
(78)de vzw « Atlas College »,
(79)de vzw « Sint-Gerardusscholen »,
(80)de vzw « Instituut Ste. Elisabeth »,
(81)de vzw « Schoolcomité van het Sint-Franciscusinstituut »,
(82)de vzw « Onze-Lieve-Vrouwlyceum »,
(83)de vzw « Sint-Barbaracollege »,
(84)de vzw « Margareta-Maria-Instituut »,
(85)de vzw « Vita et Pax-College Schoten »,
(86)de vzw « Sportschool Meulebeke »,
(87)de vzw « SALCO »,
(88)de vzw « Lemmensinstituut »,
(89)de vzw « Heilig-Hartcollege-Tervuren »,
(90)de vzw « Sint-Lievenscollege »,
(91)de vzw « Instituut voor Verpleegkunde Sint-Vincentius »,
(92)de vzw « VISO »,
(93)de vzw « Basisschool en Humaniora DvM »,
(94)de vzw « Mariagaard »,
(95)de vzw « Sint-Lodewijk »,
(96)de vzw « Hotelschool Ter Duinen »,
(97)de vzw « Sint-Jozefcollege Turnhout »,
(98)de vzw « Schoolcomité Sint- Joris »,
(99)de vzw « Instituut Spes Nostra »,
(100)de vzw « Sint-Goedele Brussel »,
(101)de vzw « Onze-Lieve-Vrouwinstituut Boom »,
(102)de vzw « College O.-L.-V.-ten-Doorn »,
(103)de vzw « Instituut Sint Ursula »,
(104)de vzw « Katholiek Secundair Onderwijs Waregem-Anzegem-Avelgem »,
(105)de vzw « Dominiek Savio »,
(106)de vzw « Windekind »,
(107)de vzw « Sint-Andreasinstituut »,
(108)de vzw « Sint-Lukas Kunstschool Brussel »,
(109)de vzw « Sint-Gabriëlcollege »,
(110)de vzw « Inrichtend Comité Sint-Lucas Gent »,
(111)de vzw « Abdijschool van Zevenkerken »,
(112)de vzw « Instituut voor Voeding »,
(113)de vzw « ZoWe Verpleegkunde »,
(114)de vzw « Sint-Lodewijk-Brugge »,
(115)de vzw « Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen »,
(116)H.G.,
(117)S. V.E.,
(118)M.D.,
(119)D.P.,
(120)A.S.,
(121)G.N.,
(122)W.S.,
(123)W.G.,
(124)E. V.E.,
(125)T.B.,
(126)M.P. en
(127)E.N., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. S. Sottiaux en Mr. L. Janssens, advocaten bij de balie van Antwerpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 mei 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juni 2021, is een vordering tot schorsing van dezelfde decreetsbepalingen ingesteld door
(1)de vzw « Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen »,
(2)de vzw « Middelbare Steinerschool Vlaanderen »,
(3)de vzw « Hiberniaschool, Middelbare Steinerschool Antwerpen »,
(4)Hermelinde Laga,
(5)Paul Philippe Stevens,
(6)Wilbert Lambrechts en
(7)Guy Steegmans, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7578, 7588 en 7589 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij beschikkingen van 25 mei en 2 juni 2021 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vorderingen tot schorsing bepaald op 30 juni 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 18 juni 2021 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : 4 -
(1)« H/Art voor onderwijs »,
(2)Leen Ooms,
(3)Wim Winten,
(4)Werner Geboers,
(5)Ilse Roman,
(6)Griet Van Heddeghem,
(7)Evi Hoebrechts,
(8)Brechtje Louwaard,
(9)Iwan Verhulst,
(10)Kris Daems,
(11)Kathy Colpaert,
(12)Margareta Claeys,
(13)Kurt Snaet,
(14)Stefan Wesemael,
(15)Sophie Machtelinckx,
(16)Leen Strybol,
(17)Sonia Vanderveken,
(18)Noortje Dekker,
(19)Luc Dondeyne,
(20)Annelies Bergmans,
(21)Yves van den Boogaart,
(22)Julie Goetgebuer,
(23)Paul Vandekerckhove,
(24)Silvia Defrance,
(25)Guido Suykens,
(26)Emmanuel Box,
(27)Elke Wandelseck,
(28)Kurt Snaet,
(29)Janni Van Goor,
(30)Frederik Heyman,
(31)Saskia Boelens,
(32)Carine Demeuleneere,
(33)Winnie Bauwens,
(34)Anja Moors,
(35)Tanja Oostvogels,
(36)Vicky Lema,
(37)Natascha Vanhulsel,
(38)Daan Buys,
(39)Stefan de Clippele,
(40)Ellen Bollansee,
(41)Ine Dingenen,
(42)Tinne Driesen,
(43)Ans De Cnodder,
(44)David Huet,
(45)Ester Nackaerts,
(46)Martine Willemsens,
(47)Peter Coupé,
(48)Iris Meynen,
(49)Erika Torfs,
(50)Laurence Vlerick,
(51)Chokri Ben Chikha,
(52)Anne-Mie Van Kerckhoven,
(53)Senne Guns,
(54)Rita Van Damme,
(55)Ann Van Herreweghe,
(56)Marijke Vandekerckhove,
(57)François Antoine,
(58)Noël Quintyn,
(59)Michelle Adriaense,
(60)Kris Goubert,
(61)Tamara Van Schaeren,
(62)Katrien Reist en
(63)Kobe Matthijs; - de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Peeters, advocaat bij de balie van Antwerpen; - het « Gemeenschapsonderwijs GO! » en de vzw « GO! ouders », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry en B. Martel, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Logie, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, en Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent. Op de openbare terechtzitting van 30 juni 2021 : - zijn verschenen : . Mr. J. Roets, Mr. S. Sottiaux en Mr. L. Janssens, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588; . Mr. V. De Schepper, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589; . Wim Winten voor « H/Art voor onderwijs » e.a., in eigen persoon (tussenkomende partijen); . Mr. T. Peeters en Mr. S. Groetaers, advocaat bij de balie van Antwerpen, voor de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » (tussenkomende partij); . Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. V. Pertry, voor het « Gemeenschapsonderwijs GO! » en de vzw « GO! ouders » (tussenkomende partijen); . Mr. S. Logie en Mr. D. Vanheule, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; 5 - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de beroepen in de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.
  1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 zetten uiteen dat de bestreden bepalingen nieuwe onderwijsdoelen invoeren en zijn van oordeel dat zij doen blijken van een belang bij het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van die bepalingen. De eerste verzoekende partij is de ledenvereniging en netwerkorganisatie van de vrije katholieke scholen in Vlaanderen. Zij meent dat zij rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de bestreden bepalingen omdat zij een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van de leerplannen die de scholen toepassen en omdat zij de belangen behartigt van die scholen op basis van de vrijheid van onderwijs. De 2e tot en met de 75e verzoekende partij zijn scholengroepen en lokale onderwijskoepels van het vrij katholiek onderwijs en motiveren hun belang op een gelijksoortige wijze als de eerste verzoekende partij. De 77e tot en met de 114e verzoekende partij zijn schoolbesturen van het vrij katholiek onderwijs. Zij menen dat zij belang hebben omdat de bestreden bepalingen hun actieve vrijheid van onderwijs inperken en omdat de scholen die er niet in slagen de nieuwe onderwijsdoelen te behalen, zullen worden geraakt in hun recht op erkenning en subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap. De 115e verzoekende partij is de ouderkoepel van het vrij onderwijs in Vlaanderen, de 116e tot en met de 122e verzoekende partij zijn ouders van schoolgaande kinderen en de 123e tot en met de 127e verzoekende partijen zijn schoolgaande kinderen. Zij menen dat zij belang hebben doordat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan de vrije schoolkeuze van de ouders en de leerlingen en doordat de leerlingen worden geraakt in hun recht op kwalitatief onderwijs. A.
  2. De verzoekende partijen wijzen erop dat de bestreden bepalingen op het ogenblik van het indienen van hun verzoekschrift in de zaak nr. 7578 nog niet in het Belgisch Staatsblad waren bekendgemaakt. Zij menen niettemin dat hun beroep en hun vordering in die zaak ontvankelijk zijn ratione temporis en verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 109/2014 van 17 juli
  3. Zij zetten uiteen dat zij na de bekendmaking van de bestreden bepalingen in het Belgisch Staatsblad een tweede verzoekschrift (zaak nr. 7588) hebben ingediend dat identiek is aan het eerder ingediende verzoekschrift, en dat dit tweede verzoekschrift louter is ingegeven door de bekommernis om hun rechten veilig te stellen wat de ontvankelijkheid van hun verzoek betreft. A.3.
  4. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen, daar de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering. Zij stelt vast dat de verzoekende partijen in al hun middelen aanvoeren dat de eindtermen de verwezenlijking van het pedagogisch project van de katholieke scholen verhinderen, en wijst erop dat artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs precies beoogt tegemoet te komen aan de situatie waarbij een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen onvoldoende ruimte laten voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen. In zoverre een afwijzing van een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen zou leiden tot een schending van de referentienormen die de verzoekende partijen aanvoeren in hun middelen, zou die schending volgens de Vlaamse Regering voortvloeien uit de afwijzende beslissing en dus niet uit de bestreden bepalingen. A.3.
  5. Het « Gemeenschapsonderwijs GO! » (hierna : het GO!) en de vzw « GO! ouders », tussenkomende partijen, betwisten het belang van de verzoekende partijen niet, maar menen dat het beroep minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de aangevoerde middelen. Zij doen gelden dat het hun niet 6 altijd duidelijk is in welk opzicht elk van de door de verzoekende partijen bestreden bepalingen de aangevoerde referentienormen zou schenden. Zij menen dat de verplichting om in het verzoekschrift de grieven duidelijk te omschrijven des te meer geldt in het kader van een vordering tot schorsing, daar de rechten van verdediging van de Vlaamse Regering in dat kader beperkter zijn dan in het kader van een beroep tot vernietiging. Wat het beroep in de zaak nr. 7589 betreft A.
  6. Ook de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 zijn van oordeel dat zij doen blijken van een belang bij het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van de bestreden bepalingen. De eerste verzoekende partij is een vereniging die volgens haar statuten tot doel heeft de belangen van de Steinerscholen te verdedigen en de vrijheid van onderwijs te bevorderen. De tweede en de derde verzoekende partij zijn middelbare Steinerscholen. De vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij zijn ouders van leerlingen in het tweede of het vijfde leerjaar van een middelbare Steinerschool. De zevende verzoekende partij is een leerkracht in het eerste, tweede en derde leerjaar van een middelbare Steinerschool. De verzoekende partijen menen allen dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen omdat die bepalingen de Steinerscholen verhinderen om hun pedagogisch project te realiseren en het hun aldus onmogelijk maken om onderwijs te verstrekken of te ontvangen volgens de bijzondere pedagogische en onderwijskundige opvattingen van de Steinerscholen. A.5.
  7. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 op dezelfde wijze als die waarop zij het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 heeft betwist. A.5.
  8. Het GO! en de vzw « GO! ouders », tussenkomende partijen, betwisten het belang van de verzoekende partijen niet, maar menen dat het beroep minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting van de aangevoerde middelen. Wat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen betreft A.
  9. De memorie van tussenkomst werd ingediend door 63 partijen die de beroepen tot vernietiging en de vorderingen tot schorsing van de bestreden bepalingen wensen te ondersteunen. De eerste partij is de vereniging « H/Art voor onderwijs ». De tussenkomende partijen zetten uiteen dat die vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en een losse organisatievorm betreft die de 2e tot en met de 61e tussenkomende partij gebruiken om hun ongenoegen over het bestreden decreet te uiten. De 2e tot en met de 50e partij zijn leerkrachten, leerlingenbegeleiders en coördinatoren in het kunstonderwijs. Zij menen dat zij belang hebben bij hun tussenkomst doordat de bestreden bepalingen de inrichtende machten van onderwijs dwingen om het kunstonderricht aanzienlijk terug te schroeven in hun leerplannen of om het naar een woensdagnamiddag te verschuiven en doordat die bepalingen onvoldoende ruimte laten voor creativiteit, reflectie en beschouwing in het kunstonderwijs. De 51e tot en met de 54e partij zijn kunstenaars en docenten of ex-docenten in het hoger kunstonderwijs. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit hun wens om te kunnen lesgeven in het secundair onderwijs. Zij doen gelden dat hun kansen om te worden aangesteld in het secundair onderwijs aanzienlijk zijn gedaald ten gevolge van het terugschroeven van het kunstonderricht in dat onderwijs. De 55e tot en met de 61e partij zijn ouders van leerlingen in het kunstonderwijs en leerlingen die het schooljaar 2021-2022 wensen aan te vatten in dat onderwijs. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit het feit dat de bestreden bepalingen de passieve onderwijsvrijheid en meer in het bijzonder de vrije schoolkeuze van de ouders en de leerlingen in het gedrang brengen. De laatste twee partijen maken deel uit van « State of the Arts », een alliantie die opkomt voor een cultuurbeleid dat afgestemd is op de feitelijke noden en werkwijzen van artiesten en zich inzet voor de verbetering van de werkomstandigheden van onafhankelijke kunstenaars en kunstwerkers. Zij menen dat hun belang bij de tussenkomst blijkt uit het feit dat de bestreden bepalingen het door hen nagestreefde cultuurbeleid doorkruisen en doordat zij een negatief effect hebben op, enerzijds, de mogelijkheid voor kunstenaars om te worden tewerkgesteld in het secundair onderwijs en, anderzijds, de uitstroom van leerlingen naar de kunstensector. A.
  10. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », tussenkomende partij, voert aan dat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen slechts ontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van de acht natuurlijke personen die de memorie hebben ondertekend. Zij wijst erop dat de tussenkomende partijen geen advocaat hebben aangesteld en dat de memorie van tussenkomst enkel is ondertekend door acht natuurlijke personen. Zij meent bovendien dat de vereniging « H/Art voor onderwijs » niet kan tussenkomen in de onderhavige zaken, daar zij een feitelijke vereniging is. 7 Wat de memorie van tussenkomst van het GO! en de vzw « GO! ouders » betreft A.
  11. Het GO! en de vzw « GO! ouders » wensen tussen te komen in de onderhavige zaken ter verdediging van de bestreden bepalingen en ter bestrijding van de grieven van de verzoekende partijen. Zij zetten uiteen dat de eerste verzoekende partij het officieel onderwijs dat in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap wordt georganiseerd, vertegenwoordigt. Zij menen dat het GO! als onderwijsverstrekker beschikt over het rechtens vereiste belang om in de onderhavige procedure tussen te komen. Zij wijzen erop dat een eventuele schorsing van de eindtermen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs de continuïteit van het onderwijs dat door het GO! wordt verstrekt, ernstig in het gedrang zou brengen en tot onaanvaardbare rechtsonzekerheid zou leiden, niet alleen voor de scholen en de leerkrachten, maar ook voor de leerlingen. Zij wijzen erop dat de tweede tussenkomende partij, volgens haar statuten, de ouderwerking en de oprichting van ouderverenigingen bij onderwijsinstellingen van het GO! stimuleert en begeleidt. Zij menen dat ook de tweede tussenkomende partij belang heeft bij de tussenkomt, daar een schorsing en een vernietiging van de bestreden bepalingen de belangen van de ouders en van hun kinderen onherroepelijk zouden schaden. Wat de memorie van tussenkomst van de vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » betreft A.
  12. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » wenst tussen te komen in de onderhavige zaken ter verdediging van de bestreden bepalingen en ter bestrijding van de grieven van de verzoekende partijen. Zij zet uiteen dat zij de koepelorganisatie is van de provinciale scholen en centra in Vlaanderen en dat haar kerntaken bestaan uit belangenbehartiging, begeleiding en nascholing. Zij meent dat zij belang heeft bij de tussenkomst daar een schorsing en een vernietiging van de bestreden bepalingen tot gevolg zouden hebben dat het vele voorbereidende werk van de provinciale scholen, waaronder het opstellen van leerplannen die in overeenstemming zijn met de nieuwe eindtermen, teniet zou worden gedaan, dat er rechtsonzekerheid zou ontstaan, dat een normale start van het nieuwe schooljaar 2021-2022 in het gedrang zou worden gebracht, dat onderwijs zou moeten worden verstrekt zonder vastgelegde eindtermen die zijn geformuleerd op grond van onderwijsdoelen en sleutelcompetenties zoals bepaald in de artikelen 137 tot 147 van de Codex Secundair Onderwijs en dat afbreuk zou worden gedaan aan de progressieve uitrol van de vernieuwing van het secundair onderwijs. Ten aanzien van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel Wat de zaken nrs. 7578 en 7588 betreft A.10.
  13. De verzoekende partijen wijzen allereerst erop dat de nieuwe eindtermen in werking treden op 1 september 2021 voor wat betreft het eerste leerjaar van de tweede graad. Dit brengt volgens hen met zich mee dat de onderwijskoepels, de schoolbesturen en de leerkrachten tijd en middelen moeten investeren om tegen 1 september 2021 te kunnen voldoen aan de nieuwe eindtermen en dat zij dat nog verder zullen moeten doen in de loop van het schooljaar dat aanvangt op 1 september
  14. Indien de bestreden bepalingen niet zouden worden geschorst, maar later wel vernietigd, zouden die inspanningen volgens hen tevergeefs zijn geweest en bovendien hebben geleid tot onnodige bijkomende planlast. De geleverde en de te leveren inspanningen hebben volgens hen onder meer betrekking op het opstellen van leerplannen, het aanpassen van ondersteunend materiaal aan de nieuwe onderwijsdoelen, het vormen van de leerkrachten en de scholen, het maken van afspraken tussen de leerkrachten over wat ze in het eerste leerjaar en wat ze in het tweede leerjaar van de tweede graad aan bod zullen laten komen en het maken van afspraken over de vakken heen voor leerplandoelen die bijvoorbeeld betrekking hebben op het « leren leren ». De verzoekende partijen menen dat de financiële, organisatorische, pedagogische en morele/emotionele investering die daarmee gepaard gaat aanzienlijk is en moeilijk te herstellen, a fortiori op een moment dat alle onderwijsactoren erop gebrand zijn om alle beschikbare middelen en pedagogische inspanningen in te zetten om de leerachterstand veroorzaakt door COVID-19 zo vlug mogelijk weg te werken. Zij menen dat de voormelde nadelen ook gelden voor de eindtermen van het tweede leerjaar van de tweede graad die in werking treden op 1 september 2022, omdat er te weinig tijd is om zich kwaliteitsvol te kunnen voorbereiden : onder meer het lesmateriaal, de handboeken en de in de klas gebruikte software zullen moeten worden aangepast, wat volgens hen impliceert dat men weet wat in het eerste leerjaar van de tweede graad reeds werd bereikt, ermee rekening houdend dat de onderwijsdoelen vormgegeven zijn per graad. Zij verwijzen in dit kader ook naar het arrest nr. 37/2014 van 27 februari 2014, waarbij het Hof ten aanzien van de inwerkingtreding van diverse bepalingen van het decreet van 19 juli 2013 « betreffende het Onderwijs XXIII » besloten heeft tot de schorsing, omdat de 8 inwerkingtreding van het decreet te kort viel vóór de start van het schooljaar op 1 september
  15. Zij menen ten slotte dat dezelfde nadelen ook gelden voor de eindtermen van de derde graad. A.10.
  16. De verzoekende partijen wijzen ook erop dat de nieuwe leerplannen, die op basis van de nieuwe eindtermen worden opgesteld, de basis zullen vormen op grond waarvan de klassenraden A-, B- en C-attesten aan de leerlingen uitreiken. Zij menen dat de uitgereikte B- en C-attesten, wanneer het Hof de bestreden bepalingen niet zou schorsen maar later wel zou vernietigen, tot veel rechtsonzekerheid zullen leiden, omdat zij gebaseerd zullen zijn op leerplannen die vormgeven aan een vernietigd decreet. Zij menen dat het nadeel dat daaruit voortvloeit minstens voor de getroffen leerlingen moeilijk te herstellen zal zijn, omdat het attest uitgereikt zal zijn op basis van de effectief gegeven leerstof. A.10.
  17. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat de onderwijsinspectie in de inspectieverslagen onder meer nagaat of een school de onderwijsdoelen al dan niet heeft behaald. Een negatief inspectieverslag creëert volgens hen een negatief perceptieprobleem voor de betrokken school en dat probleem is naar hun oordeel moeilijk te herstellen, zelfs indien het inspectieverslag na een vernietiging door het Hof retroactief zijn rechtsgrond zou verliezen. A.10.
  18. De verzoekende partijen menen ten slotte dat een schorsing van de bestreden bepalingen beperkte gevolgen zou hebben voor het onderwijsveld. Zij wijzen erop dat de onderwijsverstrekkers bij een schorsing van die bepalingen opnieuw zouden dienen uit te gaan van de thans geldende set van eindtermen algemene vorming en cesuurdoelen. Zij erkennen dat het opnieuw van toepassing worden van die eindtermen en cesuurdoelen dan weliswaar gepaard gaat met de inwerkingtreding van de hervorming van het secundair onderwijs in het eerste leerjaar van de tweede graad, maar menen dat dit geen obstakel vormt, noch voor hen, noch voor andere onderwijsverstrekkers, omdat de bestreden bepalingen vooral voorzien in een uitbreiding van de onderwijsdoelen en een schorsing van die bepalingen dus in essentie met zich meebrengt dat de onderwijsverstrekkers met een beperktere set van decretaal vastgelegde eindtermen verder mogen werken. Zij menen dat de onderwijsverstrekkers ook ervoor zouden kunnen kiezen toch met de nieuw opgestelde leerplannen aan de slag te gaan. Zij menen ten slotte dat er maar een beperkt aantal fundamentele incongruenties zijn tussen de huidige eindtermen en cesuurdoelen en de nieuwe onderwijsdoelen. A.11.
  19. De Vlaamse Regering meent dat er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat voor de vzw « Katholiek Onderwijs Vlaanderen » (eerste verzoekende partij in de zaken nrs. 7578 en 7588) en de vzw « Vlaamse Confederatie van Ouders en Ouderverenigingen » (115e verzoekende partij in de voormelde zaken). Zij meent dat de aangevoerde nadelen betrekking hebben op de situatie van de onderwijsverstrekkers en aldus geen materiële nadelen betreffen die de voormelde vzw’s zelf zouden ondervinden. Het feit dat de onderwijsverstrekkers en de ouders, voor wie die verenigingen opkomen, in hun belangen en grondwettelijke rechten kunnen worden geraakt door de bestreden bepalingen, kan volgens de Vlaamse Regering een louter moreel nadeel opleveren voor de desbetreffende verenigingen. Dat moreel nadeel is volgens haar niet moeilijk te herstellen, daar het bij een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. A.11.
  20. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde rechtsonzekerheid met betrekking tot de aan de leerlingen uit te reiken B- en C-attesten betreft, is de Vlaamse Regering allereerst van oordeel dat de verzoekende partijen niet voldoende concreet en precies uiteenzetten waarin die rechtsonzekerheid zou bestaan. In zoverre de verzoekende partijen zouden bedoelen dat een vernietiging van de bestreden bepalingen de rechtsgeldigheid van de B- en C-attesten zou aantasten, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het aangevoerde nadeel juridisch niet juist is. Zij zet uiteen dat de attestering in het secundair onderwijs rechtstreeks voortvloeit uit de in artikel 115/6 van de Codex Secundair Onderwijs geregelde leerlingenevaluatie. Zodra de klassenraad beslist dat een leerling de doelstellingen, vastgelegd door of krachtens de op dat ogenblik geldende regelgeving, heeft bereikt of nagestreefd, blijven de evaluatie en de daarbij afgegeven attesten en studiebewijzen volgens haar rechtsgeldig. Bestuurshandelingen die rechtstreeks gebaseerd zijn op een vernietigde wetskrachtige norm blijven volgens haar bestaan, onverminderd de mogelijkheid tot het instellen van beroepen met toepassing van artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Zij meent evenwel dat de B- en C-attesten te dezen niet rechtstreeks zijn gebaseerd op de bestreden bepalingen, maar wel op artikel 115/6 van de Codex Secundair onderwijs. Zij merkt op dat zij in het kader van de beroepen tot vernietiging van de bestreden bepalingen het Hof wenst te verzoeken om, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. Wat de 123e en de 124e verzoekende partij betreft, voert de Vlaamse Regering ten slotte aan dat het aangevoerde nadeel hoe dan ook niet te hunnen aanzien kan ontstaan, vermits die partijen leerlingen zijn die nog in de lagere school zitten en die aldus de studies in de tweede graad van het secundair onderwijs niet kunnen aanvatten. 9 A.11.
  21. Met betrekking tot het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel betreffende de inspanningen die de leerkrachten en de scholen dienen te leveren met het oog op de implementatie van de bestreden bepalingen, voert de Vlaamse Regering allereerst aan dat geen enkele van de verzoekende partijen leerkrachten zijn. Zij meent dat de eventuele belasting van de leerkrachten geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan zijn voor de schoolbesturen en de scholengroepen. Zij merkt bovendien op dat het inherent is aan de invoering van nieuwe leerplannen dat de leerkrachten inspanningen dienen te leveren. Daarnaast is zij van oordeel dat het invoeren van nieuwe leerplannen niet het gevolg is van de bestreden bepalingen, maar wel van het decreet van 20 april
  22. Zij zet uiteen dat de ontwikkeling van nieuwe eindtermen deel uitmaakt van de modernisering van het secundair onderwijs, waaraan bepaalde ambities zijn gekoppeld wat de doorstroom van leerlingen naar het hoger onderwijs en naar de arbeidsmarkt betreft, evenals bepaalde ambities op het vlak van de basisvorming. De modernisering van het secundair onderwijs veronderstelt volgens haar dat de leerplannen moeten worden aangepast om de finaliteit van de structuurhervorming te bereiken. De structuurhervorming bepaalt volgens haar mee de contouren waarbinnen nieuwe leerinhouden moeten worden geformuleerd. Zij wijst bijvoorbeeld erop dat voor de eindtermen betreffende de basisvorming uitdrukkelijk ervoor werd gekozen deze per finaliteit (doorstroom-, dubbele en arbeidsmarktfinaliteit) te ontwikkelen en niet per onderwijsvorm (aso, tso, kso en bso). Zij wijst eveneens erop dat de eindtermen bovendien moeten worden geformuleerd op basis van de zestien sleutelcompetenties bedoeld in artikel 139 van de Codex Secundair Onderwijs. Zij meent dat de inspanningen die moeten worden verricht door de scholen niet zullen verdwijnen door de schorsing van de bestreden bepalingen, vermits die inspanningen inherent zijn aan de structuurhervorming waartoe de decreetgever, bij het decreet van 20 april 2018, al heeft beslist. Zelfs bij een vernietiging van de bestreden bepalingen zullen volgens haar aangepaste eindtermen moeten worden goedgekeurd en zullen de leerplannen moeten worden aangepast. Vanuit dat perspectief kunnen de inspanningen die de onderwijsverstrekkers moeten leveren volgens de Vlaamse Regering bezwaarlijk als een ernstig nadeel worden beschouwd. De Vlaamse Regering meent bovendien dat de inspanningen waaraan de verzoekende partijen refereren reeds zijn gebeurd, zodat zij door een schorsing niet meer ongedaan zouden kunnen worden gemaakt. Zij verwijst daarbij naar een nieuwsbrief die de eerste verzoekende partij heeft verstuurd naar de katholieke scholen, waaruit volgens haar blijkt dat de nieuwe leerplannen van de tweede graad reeds zijn opgemaakt. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde financiële, morele en emotionele nadelen betreft, merkt de Vlaamse Regering op dat dergelijke nadelen niet moeilijk te herstellen zijn. In zoverre het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel betrekking heeft op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen voor het tweede leerjaar van de tweede graad en voor de derde graad, meent de Vlaamse Regering dat het nadeel kan worden voorkomen door het arrest van het Hof betreffende de beroepen tot vernietiging. De Vlaamse Regering is ten slotte van oordeel dat de korte voorbereidingsperiode die de scholen hebben gehad in het kader van de implementatie van de nieuwe eindtermen onder meer voortvloeit uit het gedrag van de eerste verzoekende partij zelf. Zij wijst erop dat die partij betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de eindtermen en dat die eindtermen principieel werden goedgekeurd, ook door de eerste verzoekende partij, in mei
  23. Zij leidt daaruit af dat de scholen voldoende tijd hebben gehad om zich voor te bereiden op de implementatie van de bestreden bepalingen. Zij zet uiteen dat de eerste verzoekende partij na die principiële goedkeuring nog bezwaren heeft geformuleerd en dat dit ertoe heeft geleid dat de bestreden bepalingen pas in februari 2021 konden worden goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Zij meent dat de omstandigheden waarin de bestreden bepalingen tot stand zijn gekomen aldus niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waarin de wetskrachtige norm tot stand was gekomen die het voorwerp heeft uitgemaakt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof nr. 37/
  24. A.11.
  25. Met betrekking tot het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel dat ten gevolge van een negatief inspectieverslag voor een school zou ontstaan, meent de Vlaamse Regering dat het gaat om een moreel nadeel dat herstelbaar is door een vernietiging van de bestreden bepalingen. Dat nadeel vloeit volgens haar bovendien niet rechtstreeks voort uit die bepalingen. Zij wijst erop dat het een vast gebruik is van de onderwijsinspectie om niet over te gaan tot een doorlichting van de scholen in het schooljaar waarin nieuwe leerplannen naar aanleiding van een wijziging van de eindtermen voor het eerst worden toegepast. Zij wijst ook erop dat er een regeringsamendement werd ingediend in het Vlaams Parlement om die praktijk decretaal te verankeren in het thans in behandeling zijnde ontwerp van decreet betreffende het onderwijs XXXI. 10 A.11.
  26. De Vlaamse Regering meent dat een schorsing van de bestreden bepalingen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor het gehele onderwijsveld. Zij wijst erop dat de nieuwe eindtermen passen in het kader van de hervorming van de structuur van het secundair onderwijs en onlosmakelijk ermee zijn verbonden. Zij zet uiteen dat die hervormingen al in de eerste graad van het secundair onderwijs zijn doorgevoerd en dat de leerlingen die vanaf 1 september 2021 het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs zullen aanvatten, zekerheid moeten hebben over de continuïteit van het secundair onderwijs in de herziene vorm. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou volgens haar niet alleen neerkomen op een schorsing van de nieuwe eindtermen, maar ook op een verstoring van de structuurhervorming en de inhoudelijk hervorming van het secundair onderwijs. Zij beklemtoont dat de vroegere eindtermen waren geformuleerd per onderwijsvorm (aso, tso, kso, bso), terwijl de nieuwe eindtermen, als gevolg van de voormelde structuurhervorming, per finaliteit zijn geformuleerd. Zij wijst erop dat er in de vroegere regeling enkel specifieke eindtermen bestonden voor de aso-studierichtingen, dat werd vastgesteld dat die eindtermen niet voldeden in het licht van de succesvolle doorstroom van de leerlingen naar de academische bacheloropleidingen, en dat het aldus nodig was die eindtermen te herzien. Indien het Hof de bestreden bepalingen zou schorsen, zou voor de aso-studierichtingen teruggevallen moeten worden op de verouderde specifieke eindtermen voor die richtingen en zouden er voor de tso/kso–studierichtingen geen specifieke eindtermen voorhanden zijn. De Vlaamse Regering wijst vervolgens erop dat een schorsing van de bestreden bepalingen met zich mee zou brengen dat de leerlijnen van de leerlingen die de eerste graad van het secundair onderwijs achter de rug hebben, worden doorbroken. Zij zet uiteen dat de voorheen bestaande eindtermen al meer dan twintig jaar oud zijn en onvoldoende afgestemd zijn op de huidige verwachtingen in de samenleving, reden waarom de eindtermen werden geactualiseerd. Zij herinnert eraan dat de nieuwe eindtermen voor de eerste graad van secundair onderwijs reeds in werking zijn getreden en dat de bestreden bepalingen voorzien in eindtermen die aansluiten bij die eindtermen van de eerste graad. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou volgens haar met zich meebrengen dat bepaalde eindtermen binnen bepaalde sleutelcompetenties, in strijd met decretale voorschriften, geen vervolg krijgen in de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs. Aldus zou volgens haar afbreuk worden gedaan aan de studiecontinuïteit van de leerlingen. De Vlaamse Regering meent ook dat een schorsing van de bestreden bepalingen onzekerheid in het leven zou roepen met betrekking tot de door de leerlingen te maken studiekeuzes. Zij meent dat de door een schorsing veroorzaakte onduidelijkheid zou kunnen leiden tot wijzigende leerlingenstromen die extra druk met zich meebrengen in het kader van de organisatie van de scholen. Zij wijst bovendien erop dat de uitgeverijen van handboeken het voorbije jaar hard hebben gewerkt om die boeken aan te passen aan de nieuwe eindtermen en dat die handboeken ondertussen ter beschikking werden gesteld van de scholen, de leerkrachten en de leerlingen. Een schorsing van de nieuwe eindtermen zou volgens haar een negatieve financiële invloed hebben op de uitgeverijen, de scholen en de ouders die al materiaal hebben aangekocht. De Vlaamse Regering meent ten slotte dat er wat de verschillen betreft tussen, enerzijds, de nieuwe eindtermen en cesuurdoelen en, anderzijds, de vroegere eindtermen en cesuurdoelen, niet kan worden gesproken van een beperkt aantal incongruenties. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de nieuwe eindtermen en de van de specifieke eindtermen afgeleide cesuurdoelen in het merendeel van de gevallen de vroegere eindtermen en cesuurdoelen dekken. Zij meent dat de nieuw ontwikkelde leerplannen niet zullen kunnen worden gehanteerd. De inhouden van de vroegere eindtermen komen volgens haar immers niet steeds aan bod in de nieuwe eindtermen. Zij haalt in dit kader een aantal voorbeelden aan. Zij meent bovendien dat een schorsing van de bestreden bepalingen ook de leerkrachten en de scholen die zich reeds gedurende lange tijd aan het voorbereiden zijn op de nieuwe eindtermen, zou schaden. Zij wijst nog erop dat bij de ontwikkeling van de nieuwe eindtermen erover is gewaakt dat zij voldoende houvast bieden voor de leerkrachten om ermee aan de slag te gaan, en dat dit belangrijk is omdat de onderwijsinspectie de scholen niet langer zal doorlichten op basis van leerplannen en leerplandoelen, maar wel op basis van de eindtermen. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar de leerachterstand veroorzaakt door de COVID-19-pandemie, merkt de Vlaamse Regering op dat een schorsing van de bestreden bepalingen het wegwerken van die leerachterstand bij de leerlingen die de eerste graad van het secundair onderwijs in het schooljaar 2020-2021 afronden, zou bemoeilijken, vermits hun leerlijnen zouden worden doorbroken. 11 A.12.
  27. Het GO! en de vzw « GO! ouders » zijn van oordeel dat het aangevoerde nadeel betreffende de extra inspanningen die tevergeefs zouden moeten worden geleverd, reeds is gerealiseerd, zodat een schorsing van de bestreden bepalingen dat nadeel niet zou kunnen verhelpen. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als de Vlaamse Regering. Zij menen daarnaast dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de aangevoerde bijkomende planlast een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is en verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 9/89 van 27 april
  28. Zij zijn van oordeel dat het opmaken van leerplannen inherent herstelbaar is. Net zoals de Vlaamse Regering zijn zij van oordeel dat de in het arrest van het Hof nr. 37/2014 van 27 februari 2014 vervatte rechtspraak te dezen niet kan worden toegepast. Zij wijzen in dit kader erop dat de verzoekende partijen te dezen de ontstentenis van een overgangsbepaling niet bekritiseren. Wat de eindtermen voor de derde graad van het secundair onderwijs betreft, menen zij dat het aangevoerde nadeel niet kan voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen, daar de eindtermen voor de derde graad ten vroegste op 1 september 2023 in werking kunnen treden. A.12.
  29. De aangevoerde rechtsonzekerheid betreffende de B- en C-attesten, is volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » evenmin een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zij zetten uiteen dat de eindtermen moeten worden bereikt op populatieniveau en niet op het niveau van de individuele leerling, zodat er geen rechtstreekse band bestaat tussen de eindtermen en de bekrachtiging van de studies. Bovendien wijzen zij erop dat het aangevoerde nadeel zich ten vroegste zou kunnen manifesteren op het einde van het schooljaar 2021-2022, zodat het Hof in de mogelijkheid is om vóór het ontstaan van het nadeel uitspraak te doen over de beroepen tot vernietiging. A.12.
  30. Het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel betreffende een negatief perceptieprobleem dat zou kunnen ontstaan ten gevolge van een negatief advies van de onderwijsinspectie, is volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » een hypothetisch nadeel. Het nadeel vloeit bovendien volgens hen niet rechtstreeks voort uit de bestreden bepalingen. Zij wijzen erop dat de onderwijsinspectie bij de invoering van nieuwe eindtermen een gedoogperiode hanteert. A.12.
  31. Net zoals de Vlaamse Regering menen het GO! en de vzw « GO! ouders » dat een schorsing van de bestreden bepalingen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor het gehele onderwijsveld, niet alleen voor de scholen en de leerkrachten, maar ook voor de leerlingen en de ouders van de leerlingen die nu in de eerste graad van het secundair onderwijs zitten en die op 1 september 2021 de overstap maken naar de tweede graad. Een schorsing van de bestreden bepalingen brengt volgens hen immers met zich mee, ten eerste, dat de onderwijsdoelen van de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs niet langer op elkaar zullen zijn afgestemd, ten tweede, dat de structuurhervorming van het secundair onderwijs en de inhoudelijke hervorming van dat onderwijs niet langer met elkaar zullen sporen, en, ten slotte, dat de scholen en de leerkrachten tijdens de zomervakantie 2021 de oude leerplannen in de nieuwe onderwijsstructuur zullen moeten inpassen, wat volgens hen volstrekt onhaalbaar is. Voor het overige beargumenteren zij hun standpunt aan de hand van voorbeelden en op een gelijksoortige wijze als de Vlaamse Regering. A.13.
  32. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de scholen in de onmogelijkheid zijn om zich tijdig voor te bereiden op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen op 1 september
  33. Zij meent dat de datum van de bekendmaking van de bestreden bepalingen in het Belgisch Staatsblad geen invloed heeft gehad op het aanpassen van de leerplannen, daar die aanpassing reeds vóór die bekendmaking is gebeurd. Zij meent eveneens dat de in het arrest van het Hof nr. 37/2014 vervatte rechtspraak te dezen geen toepassing kan vinden. Zij verwijst ten slotte naar het regeringsamendement waar ook de Vlaamse Regering naar verwijst en leidt eruit af dat het laatste door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel niet kan ontstaan. A.13.
  34. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen » is van oordeel dat een schorsing van de bestreden bepalingen zou leiden tot rechtsonzekerheid in het onderwijsveld en voert daarbij argumenten aan die gelijksoortig zijn aan die welke de Vlaamse Regering, het GO! en de vzw « GO! ouders » aanvoeren. Zij wijst bovendien erop dat de verzoekende partijen een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen kunnen indienen, in welk geval zij een gedoogperiode kunnen genieten waarbinnen zij nog met de oude eindtermen kunnen werken. Wat de zaak nr. 7589 betreft A.14.
  35. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 voeren ten eerste aan dat wanneer het Hof de bestreden bepalingen niet schorst, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt gecreëerd voor de leerlingen van de Steinerscholen. Zij menen dat de bestreden bepalingen de Steinerscholen verhinderen onderwijs te verstrekken 12 volgens hun bijzondere pedagogische en onderwijskundige opvattingen. Zij zetten uiteen dat de Steinerpedagogie is gebaseerd op een generiek concept met betrekking tot de inhoud van het onderwijs en dat de aan de leerlingen aangeboden leerinhouden mede geënt zijn op een eigen visie op de ontwikkeling van de jongere. Zij vervolgen dat die visie richtinggevend is voor het beantwoorden van de vragen betreffende de leerinhouden en vormingscomponenten die in het onderwijs idealiter aan bod moeten komen en betreffende de volgorde waarin die leerinhouden en componenten aan bod moeten komen. Zij beklemtonen dat hun pedagogie niet alleen oog heeft voor de verticale dimensie (de leerlijnen binnen een competentiegebied doorheen de leerjaren), maar ook voor de horizontale dimensie (kruisbestuiving tussen verschillende competentiegebieden binnen hetzelfde leerjaar) en de diagonale dimensie (waardoor leervorderingen in één gebied later in andere competentiegebieden vruchten afwerpen) van leervorderingen. Zij beklemtonen ook dat de inhoud die aan de leerlingen wordt aangeboden en het tijdstip waarop die inhoud wordt aangeboden in hun pedagogie verweven zijn met hoe men de ontwikkeling van de leerlingen pedagogisch-didactisch wil ondersteunen. Zij menen dat leerlingen ernstige nadelen zullen ondervinden wanneer zij plots worden onttrokken aan dat pedagogisch project. A.14.
  36. Een tweede door de verzoekende partijen aangevoerd nadeel heeft betrekking op de inwerkingtreding van het bestreden decreet op 1 september 2021 voor het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs. Zij wijzen erop dat de onderwijsdoelen in leerplannen moeten worden geïntegreerd, dat die doelen door de schoolbesturen aan de vakken moeten worden toegewezen, dat lessentabellen moeten worden opgesteld, dat de leerkrachten moeten worden opgeleid en dat moet worden voorzien in didactisch materiaal. Zij menen dat het om een enorme investering in tijd, mensen en geld gaat. A.14.
  37. Een derde door de verzoekende partijen aangevoerd nadeel heeft betrekking op de aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen die de Steinerscholen op basis van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs wensen in te dienen bij de Vlaamse Regering. Zij wijzen erop dat die aanvraag uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende onderwijsdoelen zullen gelden, moet worden ingediend. Zij menen dat het voorbereiden van die aanvraag een enorme investering in tijd, mensen en geld vergt, onder meer gelet op het feit dat het om ongeveer 5 000 eindtermen gaat waarvoor gelijkwaardige eindtermen moeten worden geformuleerd. Zij doen ook gelden dat de behandeling van de aanvraag die zij hebben ingediend in het kader van de nieuwe eindtermen voor de eerste graad, heeft aangetoond dat de gelijkwaardigheidsprocedure hun geen soelaas kan bieden. Gelet op de omvang van de door de decreetgever vastgestelde onderwijsdoelen, kunnen gelijkwaardige onderwijsdoelen volgens hen alleen maar even omvangrijk zijn en verhinderen zulke gelijkwaardige onderwijsdoelen de Steinerscholen evenzeer hun pedagogisch project te verwezenlijken. A.15.
  38. In zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 een nadeel aanvoeren dat voor de leerlingen van de Steinerscholen zou ontstaan, wijst de Vlaamse Regering erop dat geen van de verzoekende partijen leerling is van een Steinerschool. Zij leidt daaruit af dat het aangevoerde nadeel niet eigen is aan de verzoekende partijen. Bovendien is het nadeel volgens haar niet onherstelbaar en is het ook vermijdbaar, vermits de Steinerscholen een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen kunnen indienen met toepassing van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs. A.15.
  39. Met betrekking tot het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel betreffende de inspanningen die de leerkrachten en de scholen dienen te leveren met het oog op de implementatie van de bestreden bepalingen, wijst de Vlaamse Regering erop dat dit nadeel gelijksoortig is aan één van de nadelen die de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 hebben aangevoerd. Zij verwijst naar haar argumentatie betreffende het in die zaken aangevoerde nadeel. A.15.
  40. Wat het derde door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel betreft, wijst de Vlaamse Regering erop dat de gelijkwaardigheidsprocedure een middel is dat de decreetgever biedt aan de scholen om, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, afwijkingen aan te vragen op de eindtermen om zo hun pedagogisch project te kunnen realiseren. Zij meent dat het doorlopen van een dergelijke procedure op zich niet kan worden beschouwd als een nadeel, precies omdat die procedure waarborgt dat de verzoekende partijen de vrijheid van onderwijs genieten. De Vlaamse Regering meent voorts dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen, maar uit artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs. A.16.
  41. Het GO! en de vzw « GO! ouders » wijzen erop dat de Steinerscholen de mogelijkheid hebben om een aanvraag in te dienen tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen en dat het indienen van een dergelijke aanvraag tot gevolg heeft dat er voor de aanvrager een gedoogperiode geldt van één volledig schooljaar waarbinnen nog met de oude eindtermen of de oude afwijkende eindtermen kan worden gewerkt. Zij leiden daaruit af dat het 13 aangevoerde nadeel betreffende het onttrekken van de leerlingen aan het pedagogisch project van de Steinerscholen zich minstens niet onmiddellijk zal manifesteren. A.16.
  42. Met betrekking tot het tweede door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel, verwijzen het GO! en de vzw « GO! ouders » naar hun argumentatie bij het eerste door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 aangevoerde nadeel. A.16.
  43. Het derde door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel is volgens het GO! en de vzw « GO! ouders » niet het gevolg van de bestreden bepalingen, maar wel van de autonome beslissing van de Steinerscholen om een gelijkwaardigheidsaanvraag in te dienen bij de Vlaamse Regering. Zij wijzen daarbij erop dat de verzoekende partijen zelf aangeven dat zij in het verleden bij elke vernieuwing van de eindtermen een afwijking hebben aangevraagd. Ten aanzien van de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen A.
  44. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel menen de tussenkomende partijen « H/Art voor onderwijs » en anderen dat er onvoldoende tijd voorhanden is om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  45. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589 vorderen de schorsing en de vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4, alsook van de bijlagen 1 tot 7, van het decreet van 12 februari 2021 « betreffende de onderwijsdoelen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs en diverse andere verwante maatregelen » (hierna : het decreet van 12 februari 2021). B.1.
  46. De artikelen 2, 3 en 4 van het decreet van 12 februari 2021 bepalen : « Art.
  47. Dit decreet bevat de onderwijsdoelen voor de tweede graad en, met uitzondering van het derde leerjaar, voor de derde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, voor zover het eindtermen tweede en derde graad en specifieke eindtermen derde graad betreft. De eindtermen zijn geformuleerd in functie van de zestien sleutelcompetenties die zijn bepaald in artikel 139, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs. De specifieke eindtermen zijn ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. De kennis, dimensies en indien van toepassing de context en tekstkenmerken die in de bijlagen zijn opgenomen, maken telkens integraal deel uit van de eindterm of de specifieke 14 eindterm waarbij ze zijn vermeld, met dien verstande dat de affectieve dimensie en de psychomotorische dimensie indicatief zijn. Art.
  48. De onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad zijn : 1° eindtermen; 2° attitudinale eindtermen; 3° specifieke eindtermen; 4° attitudinale specifieke eindtermen. Bij de implementatie van de onderwijsdoelen in kwestie worden de volgende bepalingen nageleefd : 1° onderwijsdoelen zijn te bereiken op populatieniveau; 2° tenzij het expliciet anders is vermeld, wordt een onderwijsdoel door de leerling zelfstandig gerealiseerd; 3° in afwijking van punt 1° zijn attitudinale (specifieke) eindtermen minimumdoelen die omschrijven welke houdingen wenselijk worden geacht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de attitudinale (specifieke) eindtermen bij de leerlingenpopulatie na te streven. Attitudinale (specifieke) eindtermen zijn aangeduid met het symbool ‘ ° ’. Art.
  49. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad doorstroomfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de tweede graad arbeidsmarktfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 3, die bij dit decreet is gevoegd. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad doorstroomfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 4, die bij dit decreet is gevoegd. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 5, die bij dit decreet is gevoegd. De eindtermen voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad arbeidsmarktfinaliteit zijn opgenomen in bijlage 6, die bij dit decreet is gevoegd. 15 De specifieke eindtermen voor de derde graad doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit zijn opgenomen in bijlage 7, die bij dit decreet is gevoegd ». B.1.
  50. De bijlagen 1 tot 7 bij het decreet van 12 februari 2021 bevatten, zoals omschreven in het bestreden artikel 4, de eindtermen en specifieke eindtermen per graad van het secundair onderwijs (tweede en derde graad) en per finaliteit van de studierichting (doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit en arbeidsmarktfinaliteit). B.2.
  51. De bestreden bepalingen kunnen niet los worden gezien van afdeling 3 (« Doelen, curriculumdossiers en leerplannen ») van deel IV, titel 1, hoofdstuk 1, van de Codex Secundair Onderwijs, die, zoals ingevoegd bij artikel 6 van het decreet van 26 januari 2018 « tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs, wat onderwijsdoelen betreft, en tot wijziging van de decreten Rechtspositie onderwijspersoneel » (hierna : het decreet van 26 januari 2018), bestaat uit de artikelen 138 tot
  52. B.2.
  53. Volgens artikel 139, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs zijn eindtermen minimumdoelen die het Vlaams Parlement noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Met minimumdoelen wordt volgens die bepaling bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die leerlingenpopulatie. Elke school heeft de maatschappelijke opdracht om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken. De eindtermen moeten op populatieniveau worden bereikt. De eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes moeten bij de leerlingen worden nagestreefd. Volgens artikel 139, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs worden bepaalde eindtermen als basisgeletterdheid aangeduid. Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die ertoe strekken te kunnen participeren in de maatschappij. De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling worden bereikt op het einde van de eerste graad. B.2.
  54. Artikel 143 van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt de wijze waarop de onderwijsdoelen worden ontwikkeld. 16 De ontwikkeling van eindtermen met inbegrip van eindtermen basisgeletterdheid, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen, wordt volgens die bepaling gecoördineerd door de Vlaamse Regering, die daartoe één of meerdere ontwikkelcommissies samenstelt die ten minste bestaan uit leerkrachten uit de betrokken graad en de aansluitende graden of onderwijsniveaus, de vertegenwoordigers van het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en vak- en andere experten uit het hoger onderwijs. De ontwikkelcommissies dienen volgens die bepaling een beperkt aantal sober geformuleerde, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen waar de aspecten kennis, vaardigheden, inzichten en, indien van toepassing, attitudes aan bod komen, te formuleren. De ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering voorgelegd aan een valideringscommissie, die bestaat uit leden van de onderwijsinspectie en andere experten. De valideringscommissie valideert de ontwikkelde eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, of stuurt ze terug naar de ontwikkelcommissies met het oog op bijsturing alvorens tot validering over te gegaan. De eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen en specifieke eindtermen worden vervolgens door de Vlaamse Regering als een ontwerp van decreet ingediend bij het Vlaams Parlement, dat ze, in voorkomend geval na wijziging ervan, al dan niet goedkeurt. B.2.
  55. Artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs voorziet in een procedure tot goedkeuring van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen. Wanneer een schoolbestuur oordeelt dat de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, kan het bij de 17 Vlaamse Regering een aanvraag tot gelijkwaardigheid indienen van vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen. Die aanvraag dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden, te worden ingediend. Wanneer de aanvraag gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of, in voorkomend geval, met de oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen, mag werken. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en, zo ja, of de door de aanvrager voorgestelde vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen in hun geheel gelijkwaardig zijn met die welke zijn goedgekeurd door het Vlaams Parlement, en derhalve toelaten gelijkwaardige studiebewijzen uit te reiken. De aanvraag is slechts ontvankelijk indien precies wordt aangegeven waarom de eindtermen, de uitbreidingsdoelen Nederlands, de ontwikkelingsdoelen of de specifieke eindtermen voor de eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze er niet mee verzoenbaar zijn. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid wordt het gemotiveerde advies ingewonnen van een commissie van deskundigen en de onderwijsinspectie en wordt de aanvrager telkens gehoord. De vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen die door de Vlaamse Regering ontvankelijk en gelijkwaardig zijn beoordeeld, worden binnen zes maanden ter goedkeuring ingediend bij het Vlaams Parlement. B.3.
  56. De onderwijsdoelen van de eerste graad van het secundair onderwijs zijn vastgesteld bij het decreet van 14 december 2018 « betreffende de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs ». Dat decreet is in werking getreden op 1 september 18 2019 voor het eerste leerjaar van de eerste graad en op 1 september 2020 voor het tweede leerjaar van die graad (artikel 5 van het decreet van 14 december 2018). B.3.
  57. De onderwijsdoelen van de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs zijn vervolgens vastgesteld bij het decreet van 12 februari 2021, waar de bestreden bepalingen deel van uitmaken. Krachtens – het niet bestreden – artikel 24 van het decreet van 12 februari 2021 treedt het decreet voor het eerste leerjaar van de tweede graad in werking op 1 september 2021 en voor het tweede leerjaar van die graad op 1 september
  58. Voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad wordt de Vlaamse Regering gemachtigd de inwerkingtredingsdatum van het decreet te bepalen. B.
  59. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 februari 2021 vermeldt : « Eindtermen zijn het instrument waarmee de samenleving duidelijk maakt wat van ons onderwijs minimaal verwacht wordt. De voorbije 20 jaar is de wereld niet minder complex geworden. Deze nieuwe set aan eindtermen weerspiegelt deze toegenomen complexiteit : in vergelijking met 20 jaar geleden wordt er vandaag meer verwacht van ons onderwijs. Dit betekent niet dat deze nieuwe eindtermen zomaar een uitbreiding zijn. Ze zijn tot stand gekomen na veel overleg in ontwikkelcommissies, met de betrokken professionals, met de Vlaamse Regering, met verschillende groepen aan belanghebbenden en met de bevoegde commissie van het Vlaams parlement in een hoorzitting. Op deze manier zijn de eindtermen die werden ontwikkeld en verder overlegd een uiting van wat de maatschappij anno 2020 vraagt van het onderwijs. […] De vrijheid van onderwijs is een grondwettelijk recht. Ambitieuze en heldere eindtermen moeten haalbaar zijn voor onze scholen en steeds de nodige ruimte bieden om eigen doelen na te streven. Ze mogen van leraars geen uitvoerders maken, maar moeten net inspireren om verder te gaan en excellentie voor alle leerlingen na te streven. Daarover blijven we waken. Deze eindtermen blijven minimumdoelen. Als maatschappij moeten we bezorgd zijn over de dalende kwaliteit van ons onderwijs. Daarom is het noodzakelijk dat deze nieuwe doelen voldoende scherp vorm krijgen, zodat het voor alle betrokkenen helder is waar deze minimumlat ligt en wat ze betekent. Heldere verwachtingen en duidelijke doelstellingen zijn een belangrijke eerste stap naar excellentie. 19 […] Zoals uit de verdere toelichting zal blijken zijn er na de ontwikkeling van deze eindtermen nog heel wat bijkomende inspanningen geleverd met het oog op de haalbaarheid en het creëren van voldoende ruimte in het curriculum van onze scholen om hen toe te laten om vanuit hun eigen pedagogische vrijheid verder te gaan da[n] wat dit decreet vastlegt en ook eigen doelen op te nemen. Ook in dit ontwerp dat voorgelegd wordt, werden nog een aantal bijsturingen doorgevoerd om tegemoet te komen aan deze bekommernis waar ook de Raad van State uiting aan heeft gegeven. De manier waarop deze eindtermen tot stand zijn gekomen, is identiek aan deze van de eindtermen voor de eerste graad, die ondertussen werden ingevoerd. Maar waar we voor de eerste graad een set eindtermen voor de A-stroom en een set voor de B-stroom hadden, is het aantal richtingen waarvoor in de 2de en de 3de graad eindtermen werden ontwikkeld een veelvoud hiervan, waardoor het voorliggende decreet omvangrijker lijkt. […] De sets (specifieke) eindtermen voor de tweede en derde graad secundair onderwijs zijn geformuleerd volgens het decreet [van 26 januari 2018] op de onderwijsdoelen. Dat decreet brengt ingrijpende wijzigingen met zich mee t.o.v. de vigerende (specifieke) eindtermen. Ten eerste werden de eindtermen voor de tweede en derde graad per finaliteit (doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit, arbeidsmarktfinaliteit) geformuleerd in functie van sleutelcompetenties. Het decreet op de onderwijsdoelen bepaalt dat de specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad doorstroomfinaliteit en dubbele finaliteit en gericht zijn op het aanvatten van vervolgonderwijs. De specifieke eindtermen worden ontwikkeld uit kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein. De (specifieke) eindtermen worden niet vastgehaakt aan vakken. Het zijn de schoolbesturen die de verbinding maken tussen de (specifieke) eindtermen en de vakken of vakkenclusters. Ze bepalen ook welke leraar verantwoordelijk is voor de uitwerking en realisatie van die (specifieke) eindtermen. Bij het ontwikkelen van de eindtermen werd rekening gehouden met de uitdagingen van de 21ste eeuw en de daaraan verbonden maatschappelijke ontwikkelingen en verwachtingen. Dat leidde tot een verbreding van het curriculum. Zo is er bv. meer aandacht voor digitale competentie en mediawijsheid, STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics), economische en financiële competenties, juridische competenties en duurzaamheid. 20 Daarnaast vertonen de (specifieke) eindtermen een grotere inhoudelijke samenhang en afstemming. Zo is bv. de terminologie bij de competenties in het Nederlands en bij de competenties in andere talen onderling afgestemd, bouwen sommige specifieke eindtermen wiskunde verder op de inhouden van de basisvorming enz. In de tweede plaats legt het decreet op de onderwijsdoelen sterker en algemener de nadruk op de resultaatsverbintenis bij de eindtermen. Het onderscheid tussen te bereiken vakgebonden eindtermen en na te streven vakoverschrijdende eindtermen is opgeheven. Zo zijn bv. eindtermen inzake burgerschapscompetenties, sociaal-relationele competenties en initiatief en ondernemingszin voortaan te bereiken eindtermen. Dergelijke eindtermen golden tot nu toe als vakoverschrijdende, na te streven eindtermen. Een derde belangrijke wijziging ligt in de sobere, duidelijke, competentiegerichte en evalueerbare formulering volgens een vaste systematiek met een explicitering van de kennis. Er is afgestapt van de klassieke formulering van de (specifieke) eindtermen met ‘ kennen ’ en ‘ kunnen ’. Waar dat relevant is worden ook de context en complexiteit geconcretiseerd. Belangrijke aandachtspunten zijn het beperkte aantal (specifieke) eindtermen en de consistentie en coherentie bij de formulering. Tot slot is met het decreet op de onderwijsdoelen gekozen voor een bredere participatie aan het ontwikkelproces van (specifieke) eindtermen. Ontwikkelcommissies worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de onderwijskoepels en het GO!, leerkrachten en experten uit het hoger onderwijs. De valideringscommissie is samengesteld uit de onderwijsinspectie en experten (een taalexpert, onderwijskundige en ontwikkelingspsychologische experten). De valideringscommissie heeft een belangrijke rol als kwaliteitsbewaker door de validering van de (specifieke) eindtermen op basis van de criteria evalueerbaarheid, consistentie en coherentie. De inhoudelijke accenten en de wijzigingen in statuut en formulering van de nieuwe (specifieke) eindtermen, hebben geleid tot ambitieuze, en concreet geformuleerde (specifieke) eindtermen die beantwoorden aan de uitdagingen van de 21ste eeuw. Ze zullen periodiek worden gescreend op hun actualiteitswaarde en zo nodig worden bijgestuurd. […] De eerste generatie eindtermen is twintig jaar oud. In 1997 (gewoon secundair onderwijs), 1998 (gewoon basisonderwijs) en 1999 (buitengewoon onderwijs) zijn de eindtermen en ontwikkelingsdoelen geleidelijk aan ingevoerd in het onderwijs in Vlaanderen en in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Twintig jaar geleden was het begrip ‘ eindtermen ’ nieuw in de geschiedenis van het Vlaamse onderwijs. Voortaan werden minimumdoelstellingen geformuleerd die door de meerderheid van de leerlingen moesten worden bereikt. 21 In de afgelopen twintig jaar zijn actualiseringen doorgevoerd in een aantal sets van eindtermen, maar niet op een systematische manier zoals dit nu gebeurd is voor de nieuwe eindtermen. In 2010 zijn de volgende actualiseringen in werking getreden : - vakoverschrijdende eindtermen (SO) - wetenschap en techniek (LO) - natuurwetenschappen (SO) - Nederlands en Frans (LO) - Frans 1ste graad B-stroom - moderne vreemde talen (SO) […] Het toekomstige Vlaamse onderwijs ambieert dat jongeren in het secundair onderwijs competenties ontwikkelen die bijdragen tot hun persoonlijke ontwikkeling en hen toelaten om autonoom en interactief in de samenleving te functioneren en er een bijdrage aan te leveren. Dat veronderstelt overdracht van kennis, inzicht, vaardigheden, attitudes en waarden tussen generaties maar ook het kritisch overstijgen van trends. Het secundair onderwijs bereidt jongeren ook voor op het functioneren op de arbeidsmarkt en/of het doorstromen naar het hoger onderwijs en vervolgopleidingen. De ambitie is elke jongere blijvend uit te dagen, zodat zoveel mogelijk jongeren uitblinken in hun talenten en hun interesses versterkt worden. Deze visie voor het Vlaamse onderwijs van morgen en het Nederlandstalige onderwijs in Brussel kreeg vorm op basis van de (Europese) sleutelcompetenties, het maatschappelijk en het parlementair eindtermendebat, internationale ontwikkelingen, lopend nationaal onderzoek, vergelijkingen met internationale curriculumontwikkeling zoals Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO, het nationale expertisecentrum voor leerplanontwikkeling in Nederland), ‘ Next Generation Science Standards ’ (NGSS), ‘ 21st century skills ’, enz. De (specifieke) eindtermen zijn competentiegericht geformuleerd. Er is bijzondere aandacht voor de inhoudelijke afstemming tussen de basisvorming en de specifieke eindtermen en voor de haalbaarheid van het totale pakket eindtermen, specifieke eindtermen en/of beroepskwalificaties. Bij het formuleren van de specifieke eindtermen wordt als doel voor ogen gehouden dat de slaagkansen van de leerlingen in het hoger onderwijs moeten verhogen. Bij de ontwikkeling van de nieuwe (specifieke) eindtermen is uitgegaan van een reductie en een duidelijkere formulering. Op die manier komt de nieuwe generatie (specifieke) eindtermen tegemoet aan vaak gehoorde verzuchtingen wat het aantal, de overlap ertussen en 22 de duidelijkheid betreft. De kennis wordt telkens geëxpliciteerd. Het verwachte minimumniveau moet duidelijk zijn en de (specifieke) eindterm moet evalueerbaar zijn. Daarnaast behouden we voldoende differentiële ruimte voor de leerkrachten, schoolteams en schoolbesturen om te remediëren, verdiepen en versterken op maat van de leerling. De (specifieke) eindtermen zijn in evenwicht met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. De concrete invulling en de pedagogisch-didactische vertaling worden opgenomen door schoolbesturen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 594/1, pp. 3-6). Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep in de zaak nr. 7578 betreft B.5.
  60. Het verzoekschrift in de zaak nr. 7578 werd ingediend vooraleer de bestreden bepalingen op 26 mei 2021 in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt. B.5.
  61. Krachtens artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) moet een beroep tot vernietiging in beginsel worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Krachtens artikel 21, tweede lid, van diezelfde bijzondere wet moet een vordering tot schorsing worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. De bekendmaking van een norm vormt een voorwaarde om die norm te kunnen tegenwerpen. Weliswaar doet de bekendmaking de termijn ingaan waarbinnen de norm kan worden bestreden, maar zij vormt geen voorwaarde voor de opening van het recht van beroep tegen een aangenomen, bekrachtigde en afgekondigde norm (vergelijk HvJ, 26 september 2013, C-626/11 P, PPG en SNF t. ECHA, punten 32-39). B.5.
  62. Daar het decreet van 12 februari 2021 op het ogenblik van het inleiden van het beroep in de zaak nr. 7578 was aangenomen, bekrachtigd en afgekondigd, is dat beroep ontvankelijk ratione temporis. B.
  63. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7578 hebben na de bekendmaking van de bestreden bepalingen in het Belgisch Staatsblad opnieuw een verzoekschrift ingediend (zaak nr. 7588). Aangezien beide verzoekschriften in gelijkluidende bewoordingen zijn 23 geformuleerd, dienen zij voor het verdere onderzoek ervan als één enkel beroep tot vernietiging en als één enkele vordering tot schorsing te worden beschouwd. Wat het belang van de verzoekende partijen betreft B.7.
  64. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.7.
  65. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt. B.7.
  66. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589, daar de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering. B.7.
  67. Zoals is vermeld in B.2.2, bepaalt artikel 139, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs dat elke school de maatschappelijke opdracht heeft om de eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht, vaardigheden en bepaalde attitudes bij de leerlingen te bereiken en de eindtermen met betrekking tot bepaalde andere attitudes bij de leerlingen na te streven. Daar die bepaling elke secundaire school de opdracht geeft om de eindtermen bij de leerlingen te bereiken of na te streven, doen minstens de verzoekende partijen die secundaire scholen zijn, blijken van een belang bij een vernietiging van de bestreden bepalingen, die nieuwe eindtermen invoeren voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs. De omstandigheid dat de scholen op grond van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs beschikken over de mogelijkheid om een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende eindtermen in te dienen bij de Vlaamse Regering, doet daar geen afbreuk aan. Daar alle verzoekschriften mede namens een aantal secundaire scholen werden ingediend, doen minstens 24 een aantal verzoekende partijen in elk van de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589 blijken van het vereiste belang en dient het belang van de overige verzoekende partijen niet te worden onderzocht. B.7.
  68. De exceptie wordt verworpen. Wat de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen betreft B.8.
  69. De vzw « Provinciaal Onderwijs Vlaanderen », tussenkomende partij, voert aan dat de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen slechts ontvankelijk is in zoverre zij uitgaat van de acht natuurlijke personen die de memorie hebben ondertekend en dat de vereniging « H/Art voor onderwijs » niet kan tussenkomen in de onderhavige zaken omdat zij een feitelijke vereniging is. B.8.
  70. De acht natuurlijke personen die de memorie van tussenkomst van « H/Art voor onderwijs » en anderen hebben ondertekend, kunnen in hun hoedanigheid van leerkracht, leerlingenbegeleider of coördinator in het secundair onderwijs rechtstreeks in hun situatie worden geraakt door het arrest dat het Hof dient te wijzen. In de huidige stand van de rechtspleging doen zij aldus blijken van een voldoende belang bij hun tussenkomst. Bijgevolg dient de procesbekwaamheid en het belang van de feitelijke vereniging « H/Art voor onderwijs » niet te worden onderzocht. B.8.
  71. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de vorderingen tot schorsing B.9.
  72. Volgens artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan het Hof, op vordering van de verzoekende partij, bij een met redenen omklede beslissing, het decreet waartegen een beroep tot vernietiging gericht is, geheel of ten dele schorsen. 25 B.9.
  73. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.9.
  74. Zoals het Hof reeds meerdere malen heeft geoordeeld (zie de arresten nrs. 116/2002, 174/2002, 34/2009 en 97/2010), volgt uit het gebruik van het woord « kan » in artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dat het Hof, zelfs wanneer het oordeelt dat aan de twee grondvoorwaarden in artikel 20, 1°, van dezelfde bijzondere wet om tot schorsing te kunnen overgaan is voldaan, niet is verplicht tot schorsing over te gaan. Het Hof dient na te gaan of het verantwoord is om tot schorsing van de bestreden bepalingen over te gaan, waarbij het de nadelen van de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen moet afwegen tegen de nadelen voor het algemeen belang die een schorsing zou meebrengen. B.
  75. Wat het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partijen door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 26 Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.11.
  76. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 doen in het kader van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten eerste gelden dat de onderwijskoepels, de schoolbesturen en de leerkrachten tijd en middelen moeten investeren om tegen 1 september 2021 te kunnen voldoen aan de nieuwe onderwijsdoelen en dat zij dat in de loop van het schooljaar dat aanvangt op 1 september 2021 nog verder zullen moeten doen. Indien de bestreden bepalingen niet zouden worden geschorst maar later wel zouden worden vernietigd, zouden die inspanningen volgens hen tevergeefs zijn geweest en bovendien hebben geleid tot onnodige bijkomende planlast. Zij zetten uiteen dat die inspanningen onder meer betrekking hebben op het opstellen van leerplannen, het aanpassen van ondersteunend materiaal aan de nieuwe onderwijsdoelen, het vormen van de leerkrachten en de scholen, het maken van afspraken tussen de leerkrachten over de leerstof die in het eerste leerjaar en in het tweede leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs aan bod dient te komen en het maken van afspraken over de vakken heen. De verzoekende partijen menen dat de financiële, organisatorische, pedagogische en morele/emotionele investering die daarmee gepaard gaat aanzienlijk is en moeilijk te herstellen, a fortiori op een moment dat de onderwijsactoren alle beschikbare middelen en pedagogische inspanningen willen inzetten om de leerachterstand veroorzaakt door de COVID-19-pandemie zo vlug mogelijk weg te werken. Zij menen dat het voormelde nadeel niet alleen geldt ten aanzien van de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen voor het eerste leerjaar van de tweede graad, maar ook ten aanzien van de inwerkingtreding van die bepalingen voor het tweede leerjaar van die graad en voor de derde graad, omdat er weinig tijd overblijft om zich kwaliteitsvol te kunnen voorbereiden op de implementatie van die bepalingen. B.11.
  77. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 voeren ten tweede aan dat de nieuwe leerplannen, die op basis van de nieuwe onderwijsdoelen worden opgesteld, de basis vormen op grond waarvan de klassenraden A-, B- en C-attesten uitreiken aan de leerlingen en dat, wanneer het Hof de bestreden bepalingen niet zou schorsen maar later wel zou vernietigen, de uitgereikte B- en C-attesten tot rechtsonzekerheid zullen leiden, daar zij gebaseerd zullen zijn op leerplannen die werden opgesteld ter uitvoering van vernietigde wetskrachtige 27 bepalingen. Zij menen dat het nadeel dat daaruit voortvloeit voor de betrokken leerlingen ernstig en moeilijk te herstellen is. B.11.
  78. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 doen ten slotte gelden dat wanneer de onderwijsinspectie in een inspectieverslag betreffende een school oordeelt dat die school de onderwijsdoelen niet heeft behaald, een negatief perceptieprobleem in het leven wordt geroepen voor die school, en dat een dergelijk perceptieprobleem moeilijk te herstellen is, zelfs indien het inspectieverslag na een vernietiging van de bestreden bepalingen door het Hof, retroactief zijn rechtsgrond zou verliezen. B.12.
  79. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 voeren ten eerste aan dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het leven roept voor de leerlingen van de Steinerscholen, omdat zij vanaf 1 september 2021 onttrokken worden aan het pedagogisch project van de Steinerscholen dat, volgens hen, vanaf die datum niet meer kan worden verwezenlijkt. B.12.
  80. Het tweede door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangevoerde nadeel is soortgelijk aan het eerste - in B.11.1 vermelde - nadeel dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 aanvoeren. B.12.
  81. Een derde door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangevoerd nadeel heeft betrekking op de aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen, die de Steinerscholen op basis van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs wensen in te dienen bij de Vlaamse Regering. De verzoekende partijen wijzen erop dat die aanvraag uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende onderwijsdoelen zullen gelden, moet worden ingediend en voeren aan dat het voorbereiden van die aanvraag een enorme investering in tijd, mensen en geld vergt. De gelijkwaardige onderwijsdoelen kunnen volgens hen bovendien alleen maar even omvangrijk zijn als de door de decreetgever goedgekeurde onderwijsdoelen, wat volgens hen met zich meebrengt dat gelijkwaardige onderwijsdoelen de onmogelijkheid van de Steinerscholen om hun pedagogisch project te verwezenlijken, niet kunnen verhelpen. B.13.
  82. Zoals is vermeld in B.3.2, treedt het decreet van 12 februari 2021 voor het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs in werking op 1 september 2021 en 28 voor het tweede leerjaar van die graad op 1 september
  83. Voor het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad machtigt het decreet van 12 februari 2021 de Vlaamse Regering om de inwerkingtredingsdatum van het decreet te bepalen. Volgens artikel 138, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs treden « de doelen en de leerplannen die tot stand komen in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling [...] progressief in werking, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, vanaf 1 september 2019 ». Gelet op die bepaling en rekening houdend met de voor de tweede graad van het secundair onderwijs vastgestelde data van inwerkingtreding van de bestreden bepalingen, evenals met het feit dat de onderwijsdoelen van de derde graad aansluiten op die van de tweede graad, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de bestreden bepalingen voor de derde graad van het secundair onderwijs ten vroegste op 1 september 2023 in werking kunnen treden. B.13.
  84. De aldus bepaalde inwerkingtreding van het decreet van 12 februari 2021 stelt het Hof in staat om, wat het tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste en het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs betreft, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen uitspraak te doen over de beroepen tot vernietiging. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen, wat die leerjaren betreft, geen ernstige nadelen voor de verzoekende partijen doen ontstaan die bij een eventuele vernietiging niet of nog moeilijk zouden kunnen worden hersteld. Daaruit volgt eveneens dat de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen uitsluitend dienen te worden onderzocht in zoverre zij betrekking hebben op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen op 1 september 2021 voor het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs. B.14.
  85. In zoverre de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578, 7588 en 7589 doen gelden dat de onderwijskoepels, de schoolbesturen en de leerkrachten, indien de bestreden bepalingen niet zouden worden geschorst maar later wel zouden worden vernietigd, nutteloze inspanningen dienen te leveren in het kader van de voorbereiding op de inwerkingtreding, op 1 september 2021, van de bestreden bepalingen, dient te worden vastgesteld dat het aangevoerde nadeel op het ogenblik waarop het Hof zich kan uitspreken over de vorderingen tot schorsing reeds in ruime mate is gerealiseerd. Redelijkerwijs kan immers worden aangenomen dat de onderwijskoepels, de scholen en de leerkrachten op dat ogenblik de belangrijkste voorbereidingen op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen hebben 29 getroffen. Een schorsing van die bepalingen zou het aangevoerde nadeel aldus niet wezenlijk kunnen verhelpen. Hoewel de bestreden bepalingen pas op 26 mei 2021 in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt, werd bij de voorbereiding van het decreet, waarbij het onderwijsveld betrokken was, steeds 1 september 2021 als datum van inwerkingtreding van de onderwijsdoelen voor het eerste jaar van de tweede graad van het secundair onderwijs vooropgesteld. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat het voor de scholen onmogelijk is om zich tijdig aan te passen aan de bij de bestreden bepalingen ingevoerde nieuwe onderwijsdoelen. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 voeren weliswaar eveneens aan dat de onderwijskoepels, de scholen en de leerkrachten ook in de loop van het schooljaar 2021-2022 extra inspanningen zullen moeten leveren met het oog op de implementatie van de bestreden bepalingen in het eerste jaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, maar laten na aan te tonen in welke zin die inspanningen, ermee rekening houdend dat de belangrijkste voorbereidingen op de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen reeds vóór de aanvang van dat schooljaar zijn getroffen, zouden dienen te worden gekwalificeerd als een ernstig nadeel in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari
  86. De loutere omstandigheid dat scholen op organisatorisch vlak maatregelen dienen te nemen en te implementeren om zich te kunnen conformeren aan nieuwe decretale normen, vormt op zich geen ernstig nadeel in de zin van de voormelde bepaling. In zoverre de verzoekende partijen bij de uiteenzetting van het aangevoerde nadeel gewag maken van financiële en morele nadelen, dient eveneens te worden vastgesteld dat zij onvoldoende aantonen dat die nadelen ernstig en moeilijk te herstellen zijn. B.14.
  87. Een schorsing van de bestreden bepalingen op een ogenblik waarop de scholen en de leerkrachten de belangrijkste voorbereidingen op de inwerkingtreding van die bepalingen achter de rug hebben, zou de organisatie en de planning van die scholen en leerkrachten wezenlijk doorkruisen, te dezen bovendien op een tijdstip waarop zij niet meer in de mogelijkheid zijn om die organisatie en planning nog fundamenteel bij te sturen. Krachtens artikel 138, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs dient bij de implementatie van de onderwijsdoelen rekening te worden gehouden « met de coherentie en continuïteit over het lager en het secundair onderwijs heen en, specifiek voor het secundair onderwijs, over de graden heen ». Gelet op de sinds 1 september 2019 voor de eerste graad van het secundair onderwijs 30 geldende nieuwe onderwijsdoelen, zou een schorsing van de voor de tweede graad van dat onderwijs geldende doelen op een tijdstip waarop de scholen en de leerkrachten niet meer in de mogelijkheid zijn om hun organisatie en planning nog fundamenteel bij te sturen, de bij de implementatie van de onderwijsdoelen vereiste coherentie en continuïteit over de graden van het secundair onderwijs heen, in het gedrang kunnen brengen. Bovendien treedt de in artikel 133/4 van de Codex Secundair Onderwijs bedoelde matrix, waarin de studierichtingen voor de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs worden geordend op basis van studiedomeinen, finaliteiten en onderwijsvormen, voor het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs in werking op 1 september 2021, waardoor vanaf die datum nieuwe studierichtingen gelden voor dat jaar. Gelet op het feit dat de in bestreden bepalingen vervatte onderwijsdoelen mede zijn geënt op de voormelde matrix, zou een schorsing van die bepalingen de toepassing van die matrix en de daaraan verbonden invoering van nieuwe studierichtingen in het eerste leerjaar van de tweede graad van het secundair onderwijs in het gedrang kunnen brengen en aldus ook op dat vlak de organisatie en de planning van de scholen en de leerkrachten kunnen doorkruisen op een ogenblik waarop zij niet meer in de mogelijkheid zijn om nog fundamenteel bij te sturen. De nadelen die de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen zou kunnen meebrengen, wegen aldus niet op tegen de nadelen van een schorsing van die bepalingen voor het gehele onderwijsveld. B.
  88. Wat de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 aangevoerde rechtsonzekerheid omtrent de uit te reiken B- en C-attesten en het daaruit voortvloeiende mogelijk nadeel voor de betrokken leerlingen betreft, dient te worden opgemerkt dat een vernietiging van de bestreden bepalingen niet met zich meebrengt dat de administratieve beslissingen die zouden zijn genomen op grond van die bepalingen, uit het rechtsverkeer verdwijnen. Artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt dat tegen zulke administratieve beslissingen, binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van het vernietigingsarrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad, elk administratief of rechterlijk beroep kan worden ingesteld dat daartegen openstaat. De rechtsonzekerheid die dergelijke beroepen met zich zouden kunnen meebrengen, volstaat echter op zich niet om te voldoen aan de in B.10 vermelde schorsingsvoorwaarde. B.
  89. In zoverre de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7578 en 7588 aanvoeren dat een negatief inspectieverslag betreffende een school aanleiding kan geven tot een negatief 31 perceptieprobleem voor die school, voeren zij een nadeel aan dat te hypothetisch is om in aanmerking te kunnen worden genomen in het kader van het onderzoek van een vordering tot schorsing. B.17.
  90. Met betrekking tot de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangevoerde nadelen, dient rekening ermee te worden gehouden dat de Steinerscholen, zoals de verzoekende partijen aangeven in hun verzoekschrift, op basis van artikel 146 van de Codex Secundair Onderwijs, een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen wensen in te dienen bij de Vlaamse Regering. B.17.
  91. Zoals is vermeld in B.2.4, dient een dergelijke aanvraag uiterlijk op 1 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de vervangende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen zullen gelden, te worden ingediend (artikel 146, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs). De in de aanvraag van de Steinerscholen vervatte vervangende onderwijsdoelen kunnen aldus ten vroegste gelden vanaf het schooljaar 2022-
  92. B.17.
  93. Wanneer de aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen gebeurt ingevolge een wijziging van ontwikkelingsdoelen, uitbreidingsdoelen Nederlands, eindtermen of specifieke eindtermen door het Vlaams Parlement, geldt volgens artikel 146, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs een gedoogperiode van één volledig schooljaar waarbinnen de aanvrager nog met de oude eindtermen of in voorkomend geval de oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke eindtermen mag werken. B.
  94. Uit het voorgaande volgt dat wanneer de Steinerscholen een aanvraag tot gelijkwaardigheid van vervangende onderwijsdoelen indienen uiterlijk op 1 september 2021, het die scholen, op basis van artikel 146, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs, is toegelaten om gedurende het schooljaar 2021-2022 te werken met de oude eindtermen of in voorkomend geval de oude afwijkende eindtermen, uitbreidingsdoelen Nederlands, ontwikkelingsdoelen of specifieke uitbreidingdoelen. Ermee rekening houdend dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangeven dat de Steinerscholen een dergelijke aanvraag wensen in te dienen, zou de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen 32 niet met zich mee kunnen brengen dat de leerlingen van de Steinerscholen vanaf 1 september 2021 worden onttrokken aan het pedagogisch project van die scholen. De onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen doet aldus het eerste door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangevoerde - en in B.12.1 vermelde - nadeel niet ontstaan. B.
  95. Wat het laatste door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7589 aangevoerde - en in B.12.3 vermelde - nadeel betreft, dient eveneens te worden vastgesteld dat het nadeel op het ogenblik waarop het Hof zich kan uitspreken over de vorderingen tot schorsing reeds in ruime mate is gerealiseerd. Redelijkerwijs kan immers worden aangenomen dat op dat ogenblik de belangrijkste voorbereidingen betreffende de aanvraag tot het indienen van vervangende onderwijsdoelen zijn getroffen. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou het aangevoerde nadeel aldus niet wezenlijk kunnen verhelpen. De loutere omstandigheid dat de scholen inspanningen dienen te leveren met het oog op het aanvragen van vervangende onderwijsdoelen, kan bovendien, mede gelet op het feit dat zulk een aanvraag inherent inspanningen vereist, niet worden gekwalificeerd als een ernstig nadeel in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari
  96. In zoverre de verzoekende partijen in het kader van het derde door hen aangevoerde nadeel nog doen gelden dat gelijkwaardige onderwijsdoelen de onmogelijkheid van de Steinerscholen om hun pedagogisch project te verwezenlijken, niet zouden kunnen verhelpen, dient te worden vastgesteld dat de in een aanvraag van de Steinerscholen vervatte vervangende onderwijsdoelen te dezen ten vroegste kunnen gelden, zoals is vermeld in B.17.2, vanaf het schooljaar 2022-
  97. Gelet op wat is vermeld in B.13.2, kan het voormelde aspect van het aangevoerde nadeel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden beschouwd. B.
  98. Bijgevolg zijn de voorwaarden die het Hof ertoe zouden kunnen brengen tot schorsing van de bestreden bepalingen over te gaan niet vervuld, mede rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.9.3 en B.14.
  99. 33 Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 juli
  100. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.113 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.035 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.