id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210930.4 Arrest- Rolnummer: 120/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-13 Raadplegingen: 415 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 mei 2019 « houdende diverse bepalingen inzake leerplichtonderwijs en schoolgebouwen », ingesteld door Didier Mercier en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Leerplichtonderwijs - Internaten van de inrichtingen van het algemeen en technisch secundair onderwijs - Opvoeders - Maximale wekelijkse arbeidsduur - Slapende wacht - Meetellen van de wachturen in de vergoeding. Tekst van de beslissing Rolnummer 7338 Arrest nr. 120/2021 van 30 september 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 mei 2019 « houdende diverse bepalingen inzake leerplichtonderwijs en schoolgebouwen », ingesteld door Didier Mercier en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 december 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 31 december 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 mei 2019 « houdende diverse bepalingen inzake leerplichtonderwijs en schoolgebouwen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juli 2019) door Didier Mercier, Frédéric Dermien, Antoine Bouko en Thomas Lallemand, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Leroy, advocaat bij de balie te Charleroi. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Martens en Mr. K. Munungu Lungungu, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Henry, Mr. J. Merodio en Mr. L. Merodio, advocaten bij de balie te Luik. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 5 mei 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 19 mei 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 19 mei 2021 in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partijen zijn surveillanten, studiemeesters, die werken in internaten van inrichtingen van het klassiek en technisch secundair onderwijs die afhangen van de Franse Gemeenschap. In die hoedanigheid 3 moeten zij 48 uur per week of zelfs meer werken, waarvan een aanzienlijk deel tijdens de nacht, waarbij zij instaan voor de zogeheten « slapende » wachten, en dit minstens drie keer per week. A.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang bij hun beroep, aangezien zij zich, indien de bestreden bepaling wordt vernietigd, in een minder gunstige situatie zouden bevinden. Immers, in zoverre de bestreden bepaling erin voorziet dat de prestaties ’s nachts van negen uren voortaan worden meegeteld naar rata van vier uur en als dusdanig worden bezoldigd, tegenover naar rata van drie uur vroeger, verbetert zij de situatie van de surveillanten-opvoeders. A.
- De Vlaamse Regering is van haar kant van mening dat de verzoekende partijen doen blijken van een belang bij hun beroep, op voorwaarde evenwel dat zij aantonen waar zij daadwerkelijk zijn tewerkgesteld en dus vallen onder de toepassing van de bestreden bepaling. A.
- De verzoekende partijen bevestigen dat zij het beroep van surveillant of studiemeester uitoefenen in internaten van inrichtingen van de Franse Gemeenschap. Zij hebben dus klaarblijkelijk belang erbij de grondwettigheid van de bestreden bepaling te betwisten. A.
- « Wallonie Bruxelles Enseignement » (hierna : WBE), de autonome openbare instelling die de functie van inrichtende macht uitoefent voor het onderwijs dat is ingericht door de Franse Gemeenschap, verantwoordt haar belang om in de procedure tussen te komen door het feit dat de bestreden bepaling betrekking heeft op de door haar ingerichte internaten. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Vlaamse Regering A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de tussenkomst van de Vlaamse Regering, waarvan de memorie in het Nederlands is opgesteld, onontvankelijk moet worden verklaard, zo niet worden artikel 63 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat het beroep tot vernietiging wordt onderzocht en de daarop volgende procedure wordt gevoerd in uitsluitend de taal van het beroep, de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » en de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschonden. Zij voeren aan dat artikel 63 van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 ertoe verplicht alle procedurestukken voor het Hof oorspronkelijk op te stellen in de taal van de inleidende akte, in dit geval het Frans, zodat zij door de andere partijen kunnen worden begrepen, hetgeen te dezen niet geval is, aangezien noch de verzoekende partijen, noch hun raadsman het Nederlands begrijpen. A.
- De Vlaamse Regering antwoordt dat artikel 62, tweede lid, 2°, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 haar ertoe verplicht het Nederlands te gebruiken voor de akten en verklaringen van de procedure, op straffe van nietigheid. Haar memorie van tussenkomst is dus geldig ingediend, zodat haar tussenkomst ontvankelijk is. De wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » is overigens uitsluitend van toepassing op de rechterlijke macht. Ten slotte preciseren de verzoekende partijen niet in welke zin het gebruik van het Nederlands in een zaak die voor de rest wordt onderzocht in het Frans, zou leiden tot een schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die bepalingen zijn overigens niet van toepassing, aangezien het beroep tot vernietiging geen betrekking heeft op een betwisting van rechten of plichten van burgerlijke aard, noch op de gegrondheid van een strafvervolging. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 23, 35, 36, 38, 74, 127 tot 130 en 141 tot 143 van de Grondwet, alsook van de artikelen 4, 4bis en 5, inzonderheid paragraaf 1 ervan, en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 « betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk » (hierna : de richtlijn 89/391/EEG), met de richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 « betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd » (hierna : de richtlijn 2003/88/EG) en met artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest. 4 De bevoegdheidverdelende regels A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de aan de gemeenschappen inzake onderwijs verleende bevoegdheid zich niet uitstrekt tot de regels inzake de gezondheid en de veiligheid op het werk, die vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de federale overheid. In zoverre de bestreden bepaling de arbeidsduur regelt, maakt zij inbreuk op de bevoegdheid van de federale overheid. A.
- De Franse Gemeenschapsregering, de Ministerraad en de Vlaamse Regering voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 35, 74, 129, 130, 141, 142 en 143 van de Grondwet en van de artikelen 4, 4bis en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aangezien het verzoekschrift niet uiteenzet in welke zin de bestreden bepaling die bepalingen zou schenden. A.11.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de bestreden bepaling, in zoverre daarin de arbeidstijd van de ambtenaren wordt geregeld, valt onder de gemeenschapsbevoegdheid inzake onderwijs. Die bevoegdheid moet ruim worden begrepen. De bevoegdheid van de federale overheid inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid mag immers geen inbreuk maken op de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, zodat zij, in die aangelegenheid, alleen van toepassing kan zijn op het pensioenstelsel (arresten van het Hof nrs. 154/2005 van 20 oktober 2005 en 55/2016 van 28 april 2016). A.11.
- De Franse Gemeenschapsregering voert in ondergeschikte orde aan dat de decreetgever gebruik heeft gemaakt van zijn impliciete bevoegdheden op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. A.
- De Ministerraad voegt hieraan toe dat de voormelde rechtspraak van het Hof klaarblijkelijk kan worden omgezet naar de aangelegenheid van de gezondheid en veiligheid op het werk, zelfs indien de kwestie in de rechtsleer nog voor controverses zorgt (zie ook arrest van het Hof nr. 35/2019 van 28 februari 2019). De Ministerraad verwijst naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State volgens hetwelk de federale wetgever bevoegd is om de algemene regels in die aangelegenheid vast te stellen, terwijl de gemeenschappen dat uitsluitend zijn om specifieke regels vast te stellen die kunnen worden geacht te vallen onder het statuut van het onderwijzend personeel. De Ministerraad stelt vast dat de bestreden bepaling de rechtstoestand bepaalt van de surveillanten en studiemeesters en dat zij met name verband houdt met hun geldelijk statuut. De bestreden bepaling heeft eveneens rechtstreeks betrekking op het welzijn en de gezondheid van de werknemers, in zoverre zij met name het aantal nachten beperkt dat de surveillanten-opvoeders gemiddeld per week presteren over een periode van tien maanden. De Ministerraad besluit hieruit dat de decreetgever bevoegd is om de bestreden bepaling aan te nemen, op voorwaarde dat het Hof vaststelt dat de regels die in die bepaling zijn vervat, regels met een specifieke draagwijdte zijn die betrekking hebben op het statuut van het onderwijzend personeel en dat zij geen inbreuk maken op de bevoegdheid van de federale overheid voor het vaststellen van de algemene regels inzake het arbeidsrecht en inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers. A.
- De Vlaamse Regering is van mening dat de gemeenschappen bevoegd zijn om de arbeidstijd te regelen in het kader van de reglementering van het statuut van het onderwijzend personeel. Aldus zijn de gemeenschappen bevoegd om, met uitzondering van het pensioenstelsel, alle andere aspecten van het beleid inzake het onderwijzend personeel te regelen die betrekking hebben op het statuut, de aanwerving, het ontslag of het bepalen van de arbeidstijd van dat personeel. De Vlaamse Regering is overigens van mening dat de bestreden bepaling geen aangelegenheid inzake de veiligheid of de gezondheid op het werk regelt. In de veronderstelling dat het stelsel van de arbeidsduur zowel valt onder het statuut van het onderwijzend personeel als onder de federale bevoegdheid inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk, dient te worden vastgesteld dat de decreetgever wetgevend is opgetreden binnen de perken van hetgeen voor hem nodig was om zijn eigen beleid inzake onderwijs te voeren. De vaststelling van het aantal arbeidsuren waarmee rekening moet worden gehouden, is belangrijk voor de berekening van de arbeidstijd van die werknemers, in het kader van hun arbeidsrelatie met de onderwijsinrichtingen en met de internaten. Het definitieve bedrag van de financiering of subsidiëring van die in aanmerking genomen arbeidstijd vormt een cruciaal element in het onderwijsbeleid dat door de gemeenschappen wordt gevoerd om te waarborgen dat de onderwijzers en de leerlingen hun recht op onderwijs daadwerkelijk kunnen uitoefenen. De maatregel belet bovendien geenszins dat de federale overheid daarnaast wetgevend optreedt inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk. 5 De Vlaamse Regering voert aan dat de wet van 14 december 2000 « tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector » (hierna : de wet van 14 december 2000) niet van toepassing is op alle werknemers van de openbare sector. Aangezien de federale wetgever specifieke reglementeringen toestaat, kan de uitwerking, door de gemeenschappen, van een specifieke reglementering voor het onderwijzend personeel de bevoegdheid van de federale overheid niet schenden. Ten slotte is het Hof niet bevoegd om de verenigbaarheid van de bestreden bepaling rechtstreeks te toetsen aan de aangevoerde normen van Europees recht. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de door het Hof uitgevoerde controle zeer ruim moet worden geïnterpreteerd. Die controle betreft de naleving van niet alleen de bevoegdheidverdelende regels, maar ook van de grondwetsbepalingen die het recht op arbeid en het recht op een billijke beloning voor arbeid waarborgen, alsook de internationaalrechtelijke bepalingen die rechtstreeks van toepassing zijn in de Belgische interne orde. De verzoekende partijen zijn van mening dat uit de theorie van de door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheden, zoals die theorie is bevestigd door het Hof, blijkt dat een afwijking van de bevoegdheden van de federale wetgever moet steunen op een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging, hetgeen artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet is. Uit geen enkele wetsbepaling of grondwetsbepaling vloeit voort dat een gemeenschap, bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, afbreuk zou kunnen doen aan het fundamenteel recht van de werknemers om billijk te worden vergoed voor al hun prestaties, met inachtneming van het recht van de Unie. Bovendien legt het beginsel van een economische en monetaire unie op dat die gemeenschap het recht van de Unie, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, strikt naleeft. Het zijn echter die regels die de bestreden bepaling klaarblijkelijk schendt door te voorzien in een terbeschikkingstelling van de surveillanten van een internaat tegen een forfaitaire vergoeding per nacht dat zij werken, waarbij geenszins rekening wordt gehouden met die permanente terbeschikkingstelling. A.
- WBE sluit zich aan bij de analyse van de bevoegdheidverdelende regels door de Franse Gemeenschapsregering, de Vlaamse Regering en de Ministerraad, in elk geval in zoverre die partijen aanvoeren dat de bestreden bepaling valt onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap. WBE onthoudt de interpretatie van de Ministerraad volgens welke de bestreden bepaling regels met een specifieke draagwijdte bevat die betrekking hebben op het statuut van het personeel van het onderwijs. A.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs rechtstreeks voortvloeit uit de Grondwet. Hierdoor moeten de aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheden strikt worden geïnterpreteerd en heeft de Franse Gemeenschap geen bijzondere en uitdrukkelijke machtiging nodig om ter zake op te treden. De Franse Gemeenschapsregering preciseert overigens dat de rechtspraak van het Hof die de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aanhalen, steunt op artikel 19, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, vóór de wijziging ervan in 1993, terwijl, naar aanleiding van die wijziging, het gebruik van de impliciete bevoegdheden voortaan eveneens mogelijk is voor de aangelegenheden die de Grondwet aan de federale overheid voorbehoudt. De Franse Gemeenschapsregering preciseert ten slotte dat het beginsel van de economische en monetaire unie, dat betrekking heeft op het vrij verkeer in economische aangelegenheden in België, alleen van toepassing is in economische aangelegenheden, in het kader van de door de gewesten uitgeoefende bevoegdheden. Dat beginsel impliceert op zich niet de strikte naleving van het recht van de Unie door de gewesten en de gemeenschappen. De decreetgever heeft dat beginsel dan ook niet geschonden. A.17.
- De Ministerraad voert aan dat de kritiek van de verzoekende partijen volgens welke de bestreden bepaling moest steunen op een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, daar zij betrekking heeft op de grondrechten van de leden van het onderwijzend personeel en inbreuk maakt op een aan de federale overheid voorbehouden aangelegenheid, en de kritiek betreffende het beginsel van de economische en monetaire unie niet ontvankelijk zijn, daar zij voor het eerst worden geformuleerd in de memorie van antwoord. A.17.
- De Ministerraad herinnert voor het overige eraan dat het aan elke overheid staat om de naleving van de grondrechten in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheden te waarborgen. Bovendien schendt de bestreden bepaling niet het beginsel van de economische en monetaire unie, daar zij geen afbreuk doet aan de regels inzake de interne markt, noch aan de vrijheid van handel en nijverheid, noch aan de regels betreffende de monetaire unie. 6 A.17.
- De Ministerraad is van mening dat de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap hun bevoegdheid inzake onderwijs te ruim interpreteren en dat zij geen rekening houden met de bevoegdheden van de federale overheid inzake het arbeidsrecht en inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk. Volgens hem kan het onderscheid dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gemaakt, de respectieve bevoegdheden van de federale overheid en van de gemeenschappen wellicht het best met elkaar verzoenen. A.18.
- De Vlaamse Regering zet een argumentatie uiteen die analoog is aan die van de Franse Gemeenschapsregering. Zij onderstreept inzonderheid dat de bestreden bepaling niet de vergoeding, maar de arbeidsduur regelt, en dat de gemeenschappen bevoegd zijn om die aangelegenheid te regelen in het kader van het statuut van het onderwijzend personeel. Volgens haar is de decreetgever bevoegd om alle aspecten van het arbeidsrecht inzake onderwijs te reglementeren, met inbegrip van de arbeidsduur. A.18.
- In uiterst ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat de decreetgever gebruik heeft gemaakt van zijn impliciete bevoegdheden. Het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en op een billijke beloning A.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling artikel 23 van de Grondwet en artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest schendt, die het recht op een billijke beloning en op billijke arbeidsvoorwaarden beschermen en die dwangarbeid verbieden. A.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de verzoekende partijen geen enkele aanknoping tussen hun situatie en de uitvoering van het recht van de Unie aantonen. De Ministerraad voert daarnaast aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest, aangezien in het verzoekschrift niet wordt uiteengezet in welke zin de bestreden bepaling die bepalingen zou schenden. Ten slotte onderstreept de Vlaamse Regering dat het Hof niet bevoegd is om de verenigbaarheid van een decreet rechtstreeks te toetsen aan het herziene Europees Sociaal Handvest. A.
- De Franse Gemeenschapsregering voert allereerst aan dat de bestreden bepaling geen betrekking heeft op het loon van de werknemers, maar uitsluitend op de arbeidsduur. De problematiek staat dus los van artikel 23 van de Grondwet. Vervolgens definieert artikel 23 van de Grondwet niet wat moet worden begrepen onder een billijke beloning, zodat de bevoegde wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake. Het zou vanuit ethisch, budgettair en economisch oogpunt noch mogelijk, noch aanvaardbaar zijn om de actieve prestaties en inactieve prestaties tijdens de slapende wachten op dezelfde manier te vergoeden. Het lijkt niet onredelijk dat de decreetgever de uren die de ambtenaar slaapt terwijl hij ter beschikking staat van de werkgever, slechts voor de helft wil vergoeden. Ten slotte is de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet niet geschonden, aangezien het beschermingsniveau van de werknemers niet is verminderd nadat de bestreden bepaling is aangenomen. Integendeel, die bepaling verbetert aanzienlijk hun situatie door de arbeidstijd van de opvoeders mee te tellen naar rata van vier uur per nacht van acht uren, in plaats van naar rata van drie uur per nacht van negen uren. A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen niet aangeven in welke zin de bestreden bepaling het recht op een billijke beloning zou schenden. De bestreden bepaling reglementeert niet de beloning, maar de arbeidsduur. Artikel 23 van de Grondwet bevat geen enkel voorschrift volgens hetwelk de arbeid per gepresteerd uur moet worden vergoed. Een forfaitaire beloning kan een billijke verbetering zijn. Wat het tweede middel betreft A.
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 89/391/EEG, met de richtlijn 2003/88/EG en met artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij voorschrijft dat de slapende wachten, tijdens welke de surveillanten kunnen slapen terwijl zij beschikbaar blijven wanneer dat nodig is, slechts worden 7 meegeteld naar rata van vier uur, voor een effectieve aanwezigheid van acht uur, voor de surveillanten welke die wachten uitvoeren, een beperking inhoudt van hun rechten die niet verenigbaar is met de in het middel vermelde bepalingen. De verzoekende partijen voeren aan dat uit de bestreden bepaling voortvloeit dat, voor een effectieve wekelijkse aanwezigheid van 60 uren, daarbij inbegrepen drie slapende wachten van telkens acht uren, de surveillant wordt geacht slechts 48 uur te hebben gewerkt. De compenserende rusttijden, die op dezelfde manier moeten worden vergoed als de arbeidsprestaties, kunnen pas worden berekend vanaf het 49ste werkuur. De bestreden bepaling zou die surveillanten dus discrimineren ten opzichte van de andere leden van het openbaar ambt, aangezien de prestaties van die laatstgenoemden in principe niet meer kunnen bedragen dan 38 uur per week en dat elke overschrijding van die limiet aanleiding geeft tot een compenserende rusttijd, die verhoudingsgewijs wordt vergoed. Die maatregel is niet evenredig met het nagestreefde doel, dat niet ertoe kan leiden de betrokken surveillanten de billijke compensatie te ontzeggen die wordt bedoeld in artikel 23 van de Grondwet. Bovendien bedraagt de referentieperiode om de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur te berekenen tien maanden, terwijl artikel 8 van de wet van 14 december 2000, die de in het middel vermelde richtlijnen omzet, die periode vaststelt op vier maanden. De verzoekende partijen verwijzen in dat verband naar de omzendbrief WBE 7230 van 10 juli 2019 « betreffende de slapende wachten in de internaten, opvangtehuizen, permanente opvangtehuizen en de recreatie- en openluchtcentra ingericht door de federatie Wallonië-Brussel ». Zij voeren aan dat de in het middel vermelde richtlijnen, inzonderheid de richtlijn 2003/88/EG in artikel 2 ervan, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, tot gevolg hebben dat de uren tijdens welke een werknemer ter beschikking staat van zijn werkgever, moeten worden beschouwd als effectieve arbeidsuren (HvJ, 9 september 2003, C-151/02, Jaeger; 1 december 2005, C-14/04, Dellas e.a.). A.24.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat het uitgangspunt van het middel verkeerd is. De bestreden bepaling schrijft uitdrukkelijk voor dat de wekelijkse arbeidsduur, wanneer alle uren aanwezigheid van de werknemer op het internaat worden meegeteld, met inbegrip van die tussen 22.30 uur en 6.30 uur, niet meer mag bedragen dan 48 uur gemiddeld op een referentieperiode van tien maanden, en niet 60 uur. De maximale wekelijkse arbeidsduur van 48 uur bepaald in artikel 6 van de richtlijn 2003/88/EG is dus wel degelijk in acht genomen. A.24.
- Ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voert de Franse Gemeenschapsregering vervolgens aan dat de in het middel beoogde categorieën van personen zich bevinden in objectief verschillende situaties. De categorie van de leden van het openbare ambt is zeer moeilijk te omvatten; zij dekt immers talrijke situaties die verschillend zijn op het vlak van de verplichtingen, de zwaarte van het werk of de uurregelingen. De situatie van de opvoeders die slapende wachten verrichten in de internaten van inrichtingen van de Franse Gemeenschap kan in het bijzonder niet worden vergeleken met die van de andere leerkrachten of opvoeders die hun prestaties overdag verrichten. De categorieën van personen waarmee de opvoeders in internaten op relevante manier zouden kunnen worden vergeleken, zijn overigens onderworpen aan een juridische regeling die vergelijkbaar is met of zelfs identiek is aan die welke de bestreden bepaling invoert ten aanzien van het neutraliseren van bepaalde arbeidsuren tijdens de slapende wachten (zie met name het koninklijk besluit van 8 april 1959 « tot regeling van het stelsel der dienstprestaties van de surveillanten en studiemeesters bij de Rijksinrichtingen voor middelbaar en technisch onderwijs » en het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 tot wijziging van dat koninklijk besluit, voor de Vlaamse Gemeenschap). De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat, in elk geval, het verschil in behandeling redelijk verantwoord is door de aard van de prestaties van de opvoeders, waarvan een aanzienlijk deel bestaat in slapende wachten tijdens welke geen enkele actieve taak wordt uitgevoerd. Het verschil bij het meetellen van de arbeidstijd is dus verantwoord door de specifieke gevolgen van die prestaties voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers. Het is aldus niet onredelijk dat een werknemer die slaapt tijdens een aanzienlijk deel van zijn arbeidstijd ’s nachts, ertoe wordt gebracht wekelijks meer arbeidsuren te presteren dan een werknemer die uitsluitend actieve taken verricht. Bovendien streeft de bestreden bepaling doelstellingen na van budgettaire en organisatorische aard. Het zou vanuit een budgettair en organisatorisch standpunt onmogelijk zijn om alle uren die de opvoeders in internaten ’s nachts presteren, mee te tellen, tenzij wordt beslist de wedde te verminderen. A.24.
- Ten aanzien van artikel 23 van de Grondwet verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar hetgeen hiervoor is vermeld en onderstreept zij dat de bestreden bepaling geen aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau van enig recht met zich meebrengt. 8 A.24.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het tweede middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van alle aangevoerde internationaalrechtelijke bepalingen. Het Hof is immers niet bevoegd om een decreet rechtstreeks te toetsen aan internationale en Europese bepalingen. Het middel preciseert overigens niet in welke zin de aangevoerde schending van de richtlijn 2003/88/EG zou leiden tot de niet-naleving van een grondwettelijk recht of tot een discriminatie tussen twee categorieën van personen. In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de bestreden bepaling in overeenstemming is met het Unierecht. Zoals hiervoor is vermeld, houdt de bestreden bepaling rekening met de volledige tijd tijdens welke de werknemer ter beschikking staat van zijn werkgever op zijn arbeidsplaats, zelfs op niet-actieve wijze, bij de beoordeling van de naleving van de limiet van de arbeidstijd die is vastgelegd op 48 uur per week gemiddeld. Voor de rest beschikken de lidstaten over een ruime bewegingsvrijheid en kunnen zij alleen forfaits per nacht met wachtdienst vaststellen voor de beoordeling van de meest geschikte arbeidsduur in het nationaal recht. A.
- De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de richtlijn 89/391/EEG en van artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest, daar de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet uiteenzetten in welke zin die bepalingen zouden zijn geschonden. Het Hof is overigens niet bevoegd om rechtstreeks toe te zien op de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met het Unierecht. Volgens de Vlaamse Regering staat het niet aan het Hof zich uit te spreken over de beleidskeuze die de decreetgever heeft gemaakt wanneer hij de bestreden bepaling heeft aangenomen. De Vlaamse Regering is van mening dat de verzoekende partijen niet de categorieën identificeren die met elkaar moeten worden vergeleken. Zoals hiervoor is vermeld, is de wet van 14 december 2000 niet van toepassing op alle ambtenaren van de openbare sector. De verzoekende partijen kunnen dus niet beweren dat de opvoeders zouden worden gediscrimineerd ten opzichte van die andere ambtenaren in het algemeen. De verzoekende partijen tonen daarnaast niet aan in welke zin de bestreden bepaling het algemene maandelijkse loon van de opvoeders onbillijk zou maken. Hoewel het Hof van Justitie in zijn voormelde arrest Dellas e.a. heeft geoordeeld dat de wachtdiensten die worden gepresteerd door de opvoeders, moeten worden erkend als arbeidsduur, is een regeling van gedeeltelijke gelijkwaardigheid met de arbeidstijd op zich niet in strijd met het Unierecht. Dat is volgens het Hof van Justitie alleen het geval wanneer « niet is verzekerd dat wordt voldaan aan alle minimumvoorschriften die in deze richtlijn zijn vastgesteld om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers doeltreffend te beschermen ». -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 mei 2019 « houdende diverse bepalingen inzake leerplichtonderwijs en schoolgebouwen » (hierna : het decreet van 3 mei 2019), dat bepaalt : « In artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 april 1959 tot regeling van het stelsel der dienstprestaties van de surveillanten en studiemeesters bij de Rijksinrichtingen voor middelbaar en technisch onderwijs, worden het tweede lid en het derde lid geschrapt en vervangen door de volgende leden, luidend als volgt : 9 ‘ Voor de bepaling van de arbeidsduur worden de aanwezigheidsuren van de personeelsleden in het internaat tussen tweeëntwintig uur dertig en zes uur dertig beschouwd als de tijd gedurende welke het personeelslid ter beschikking van de werkgever staat en worden naar rata van vier uur bezoldigd. De wekelijkse arbeidsduur, door alle uren van aanwezigheid van de werknemer in het internaat mee te tellen, inclusief die tussen tweeëntwintig uur dertig en zes uur dertig, mag gemiddeld niet meer dan 48 uur bedragen over een referentieperiode van tien maanden die op 1 september begint en op 30 juni eindigt. De referentieperiode bedoeld in het eerste lid wordt tot twaalf maanden verlengd, tussen 1 september tot 31 augustus voor permanente opvangtehuizen. Het aantal prestaties van de personeelsleden die ter plaatse moeten slapen, mag gemiddeld drie nachten per week over de periode van tien maanden niet overschrijden. ’ » Die bepaling vloeit voort uit een amendement, waarvan de verantwoording luidt : « De aanzienlijke budgettaire impact van de toepassing van de Belgische rechtspraak en van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vereist dat progressief te werk wordt gegaan. Bijgevolg en in een eerste fase zal een door een opvoeder in een internaat gepresteerde nacht worden meegeteld als vier diensturen in plaats van als drie uren vandaag. Dat artikel maakt het mogelijk de prestaties van een nacht van acht uren mee te tellen naar rata van vier diensturen. Teneinde de organisatie van die prestaties in de betrokken internaten en opvangtehuizen te vergemakkelijken, worden de prestaties berekend op basis van een referentieperiode van tien maanden die begint op 1 september en eindigt op 30 juni. Die prestaties mogen niet meer bedragen dan gemiddeld 48 uur per week. De Vlaamse Gemeenschap telt de nachturen van de opvoeders in internaten mee naar rata van vier diensturen. De nacht wordt er geteld als acht uren. Het onderhavige amendement voert dus een vergelijkbare regeling in de Franse Gemeenschap in » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 825/2, p. 3). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang bij hun beroep, daar zij zich, in geval van vernietiging van de bestreden bepaling, in een minder gunstige situatie zouden bevinden. Immers, de bestreden bepaling verbetert hun situatie doordat zij erin voorziet dat de prestaties ’s nachts van de opvoeders in een internaat – de zogeheten « slapende wachten », omdat de opvoeders op hun arbeidsplaats 10 kunnen slapen terwijl zij ter beschikking staan wanneer dat nodig is – voortaan worden meegeteld als vier uur en als dusdanig worden vergoed, tegenover drie uur voorheen. De Vlaamse Regering is van haar kant van mening dat de verzoekende partijen doen blijken van een belang bij hun beroep, op voorwaarde dat zij aantonen waar zij daadwerkelijk zijn tewerkgesteld en dat zij bijgevolg vallen onder de toepassing van de bestreden bepaling. B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- In zoverre de bestreden bepaling de maximale wekelijkse arbeidsduur van de opvoeders in de internaten van de inrichtingen van het algemeen en technisch secundair onderwijs van de Franse Gemeenschap vaststelt op 48 uur, duur waarvan de naleving moet worden gecontroleerd op basis van een referentieperiode van tien maanden die op 1 september begint en op 30 juni eindigt, en in zoverre zij bepaalt dat de prestaties ‘s nachts worden vergoed ten belope van vier uur voor acht uur effectieve aanwezigheid, raakt zij de situatie van de partijen, die verklaren te werken als opvoeders in dergelijke internaten, rechtstreeks en ongunstig. In dat verband zij onderstreept dat geen enkele bepaling van de bijzondere wet van 6 januari 1989 de verzoekende partijen ertoe verplicht het bewijs te leveren van feiten die zij aanvoeren om hun belang bij het beroep te verantwoorden wanneer een andere partij zich ertoe beperkt het bestaan ervan te betwisten zonder zelf aanwijzingen te geven op grond waarvan aan de realiteit kan worden getwijfeld. Het gegeven dat de bestreden bepaling de situatie van de verzoekende partijen zou verbeteren, althans wat sommige aspecten betreft, in vergelijking met hun situatie onder de vroegere regeling, verandert in elk geval niets aan het feit dat de situatie van die partijen rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door die bepaling. Een eventuele vernietiging daarvan zou de decreetgever overigens ertoe kunnen brengen de op de betrokken materie toepasselijke regels opnieuw te onderzoeken. 11 B.3.
- De verzoekende partijen doen dus blijken van het vereiste belang. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst van de Vlaamse Regering B.
- De verzoekende partijen voeren aan dat de tussenkomst van de Vlaamse Regering nietig en derhalve onontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de memorie die zij heeft ingediend, is opgesteld in het Nederlands. Zo niet zouden artikel 63 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » en de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden geschonden. B.
- De voormelde wet van 15 juni 1935 is niet van toepassing op de rechtsplegingen voor het Grondwettelijk Hof. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is de taal waarin de Vlaamse Regering haar memories moet indienen, niet vastgelegd in artikel 63 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, maar in artikel 62, tweede lid, 2°, van diezelfde wet, dat bepaalt dat, in de akten en verklaringen, de regeringen hun bestuurstaal gebruiken. Aangezien de memorie van tussenkomst van de Vlaamse Regering in het Nederlands is opgesteld, is die ontvankelijk. B.
- Het is te dezen niet nodig te onderzoeken of de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing zijn, daar de vereisten vervat in het voormelde artikel 6 inzake het recht op een eerlijk proces gelden als een algemeen rechtsbeginsel. De bijzondere aard van het grondwettelijk contentieux onderscheidt een grondwettelijk hof van de hoven en rechtbanken en van de administratieve rechtscolleges. Een grondwettelijk hof spreekt zich immers niet uit over de aanspraken van de procespartijen, maar oordeelt uitsluitend in abstracto of de toepasselijke wetsbepalingen in overeenstemming zijn met de regels waaraan het kan toetsen (EHRM, grote kamer, 22 oktober 1984, Sramek t. Oostenrijk, § 35). Het recht op een eerlijk proces dat de partij geniet die voor het Grondwettelijke Hof een beroep tot vernietiging instelt tegen een wetskrachtige norm, impliceert niet het recht voor die 12 partij om een memorie in haar taal te ontvangen, noch een vertaling van een memorie die in een van de drie landstalen geldig is ingediend door een overheid die is onderworpen aan verplichtingen inzake het gebruik der talen. Ten gronde B.
- Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de verzoekende partijen in wezen twee grieven uiteenzetten, die respectievelijk betrekking hebben op de bevoegdheidsverdeling, enerzijds, en op het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en op het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en op een billijke beloning, anderzijds. Het Hof onderzoekt de twee grieven in die volgorde. Wat de bevoegdheidsverdeling betreft B.
- De eerste grief is afgeleid uit de schending van de artikelen 35, 36, 38, 74, 127 tot 130 en 141 tot 143 van de Grondwet, alsook van de artikelen 4, 4bis, 5, § 1, en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Volgens de verzoekende partijen strekt de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs zich niet uit tot de regels betreffende de gezondheid en de veiligheid op het werk, die vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid. In zoverre de bestreden bepaling de arbeidsduur van de opvoeders in een internaat regelt, zou zij dus inbreuk maken op de bevoegdheid van de federale overheid. B.9.
- De artikelen 36, 38, 127 en 128 van de Grondwet bepalen : « Art.
- De federale wetgevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door de Koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat ». « Art.
- Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste, worden toegekend ». 13 « Art.
- §
- De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet : […] 2° het onderwijs, met uitsluiting van: a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's; c) de pensioenregeling; […] §
- Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». « Art.
- §
- De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen. §
- Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». B.9.
- Artikel 5, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 somt de persoonsgebonden aangelegenheden op die worden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet, waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn op het vlak van het gezondheidsbeleid. B.9.
- In het verzoekschrift wordt niet uiteengezet in welke zin de bestreden bepaling de artikelen 35, 74, 129, 130, 141, 142 en 143 van de Grondwet en de artikelen 4, 4bis en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zou schenden. De grief is dus niet ontvankelijk in zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd. 14 B.
- De bevoegdheidsverdeling inzake onderwijs wordt geregeld door artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet. De gemeenschappen hebben de volheid van bevoegdheid tot het regelen van het onderwijs in de ruimste zin van het woord, behalve voor de drie in die grondwetsbepaling vermelde uitzonderingen, die strikt dienen te worden geïnterpreteerd. Die bevoegdheid omvat onder meer het vaststellen van de regels betreffende de rechtspositie van het onderwijspersoneel, met inbegrip van het geldelijk statuut. B.
- Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid als enige bevoegd inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid. Uit artikel 6, § 1, II, eerste lid, 3°, van die bijzondere wet blijkt voorts dat de federale overheid bevoegd is inzake arbeidsbescherming. Die bevoegdheid omvat het welzijn op het werk, met inbegrip van de bescherming van de gezondheid van de werknemers en de arbeidsduur. Artikel 6, § 1, II, eerste lid, 3°, en VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 mag evenwel geen afbreuk doen aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake onderwijs, die rechtstreeks voortvloeit uit de Grondwet. Die bepaling moet immers worden gelezen in samenhang met artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet. Hieruit volgt dat, inzake arbeidsrecht en arbeidsbescherming, de federale overheid bevoegd is om de algemene regels uit te vaardigen die van toepassing zijn op abstracte categorieën van werknemers en werkgevers, terwijl de gemeenschappen, op grond van hun bevoegdheid inzake onderwijs, specifieke regels mogen uitvaardigen die van toepassing zijn op het onderwijzend personeel. B.
- In zoverre de bestreden bepaling de rechtstoestand van de opvoeders in een internaat van de inrichtingen van het algemeen en technisch secundair onderwijs van de Franse Gemeenschap regelt, met name wat betreft de arbeidsduur en het meetellen van de prestaties voor het loon van die opvoeders, valt zij onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap inzake onderwijs, bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet. B.
- De grief die is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels is niet gegrond. 15 Wat betreft het gelijkheidsbeginsel en het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en op een billijke beloning B.
- De tweede grief is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 « betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk » (hierna : de richtlijn 89/391/EEG), met de richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 « betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd » (hierna : de richtlijn 2003/88/EG) en met artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling erin te voorzien dat de slapende wachten verricht door de opvoeders in een internaat die daarin worden beoogd, slechts worden meegeteld naar rata van vier uur voor een effectieve aanwezigheid van acht uur. Hieruit vloeit voort dat de opvoeders in een internaat, voor een effectieve wekelijkse aanwezigheid van 60 uur, met hoogstens drie slapende wachten, worden geacht slecht 48 uur te hebben gewerkt. Echter, op grond van de voormelde richtlijnen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie, moeten alle uren tijdens welke de werknemer ter beschikking staat van zijn werkgever worden beschouwd als effectieve arbeidsuren. Bovendien bedraagt de referentieperiode voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur tien maanden. Hieruit zou een schending voortvloeien van artikel 23 van de Grondwet en van artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest, die het recht op een billijke beloning en op billijke arbeidsvoorwaarden beschermen en die dwangarbeid verbieden. Volgens de verzoekende partijen discrimineert de bestreden bepaling daarnaast de opvoeders in een internaat die daarin worden beoogd, ten opzichte van de andere leden van het openbaar ambt, aangezien de prestaties van die laatstgenoemden in principe niet meer mogen bedragen dan 38 uur per week, de referentieperiode voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur vier maanden is en elke overschrijding van die limiet aanleiding geeft tot een compenserende rusttijd, die verhoudingsgewijs wordt vergoed, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 14 december 2000 « tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector » (hierna : de wet van 14 december 2000). 16 B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden of uit het recht van de Europese Unie. B.16.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen; 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; […] ». B.16.
- Artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden te waarborgen verbinden de Partijen zich :
- redelijke dagelijkse en wekelijkse arbeidstijden vast te stellen, waarbij de werkweek geleidelijk dient te worden verkort voorzover de vermeerdering der productiviteit en andere van invloed zijnde factoren zulks toelaten;
- voor algemeen erkende feestdagen behoud van loon te waarborgen;
- een jaarlijks verlof van ten minste twee weken met behoud van loon te waarborgen;
- de risico's weg te werken die inherent zijn aan de gevaarlijke of voor de gezondheid schadelijke werkzaamheden en wanneer die risico's niet zijn weggewerkt of onvoldoende zijn verkleind voor de werknemers die dergelijke werkzaamheden verrichten, hetzij een verkorting van de arbeidsduur, hetzij bijkomende vrije dagen met behoud van loon te waarborgen; 17
- een wekelijkse rusttijd te waarborgen, die zoveel mogelijk samenvalt met de dag die volgens de traditie of gewoonte in het betrokken land of in de betrokken streek als rustdag wordt erkend;
- erop toe te zien dat de werknemers zo snel mogelijk schriftelijk en ieder geval uiterlijk twee maanden na het aanvangen van hun arbeidstaak worden geïnformeerd over de belangrijkste punten van de arbeidsovereenkomst of -verhouding;
- ervoor te zorgen dat de werknemers die nachtarbeid verrichten maatregelen genieten die rekening houden met de bijzondere aard van dat soort arbeid ». B.16.
- In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, is de grief ontvankelijk in zoverre die is afgeleid uit de schending van artikel 2 van het herziene Europees Sociaal Handvest, aangezien de verzoekende partijen in het verzoekschrift uiteenzetten in welke zin de bestreden bepaling het in die bepaling beoogde recht op billijke arbeidsvoorwaarden zou schenden. B.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waaronder het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en op een billijke beloning, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. Het staat op dezelfde wijze aan de bevoegde wetgever de inhoud te preciseren van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden, gewaarborgd bij artikel 2 van het voormelde Handvest. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.
- De verzoekende partijen preciseren niet welke specifieke bepaling van de richtlijn 89/391/EEG zou zijn geschonden door de bestreden bepaling. De grief is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre die is afgeleid uit de schending van die richtlijn. 18 B.
- Artikel 2, punt 1, van de richtlijn 2003/88/EG bepaalt : « Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder :
- arbeidstijd : de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken ». De verzoekende partijen identificeren geen andere bepalingen in die richtlijn. B.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, houdt de maximale wekelijkse arbeidsduur van 48 uur die is vastgelegd in de bestreden bepaling, rekening met alle uren die als slapende wachten zijn gepresteerd. Artikel 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 april 1959 « tot regeling van het stelsel der dienstprestaties van de surveillanten en studiemeesters bij de Rijksinrichtingen voor middelbaar en technisch onderwijs », zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, voorziet immers uitdrukkelijk erin dat « alle uren van aanwezigheid van de werknemer in het internaat […], inclusief die tussen tweeëntwintig uur dertig en zes uur dertig » worden meegeteld voor de berekening van die maximale duur. Uit artikel 2, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, blijkt overigens dat, in geval van slapende wachten, de inaanmerkingneming van vier uur voor acht uur effectieve aanwezigheid alleen geldt voor de vergoeding van die slapende wachten. In zoverre in de grief wordt aangevoerd dat de uren als slapende wachten niet integraal worden meegeteld bij de berekening van de wekelijkse arbeidsduur, is het uitgangspunt ervan verkeerd. B.
- De verzoekende partijen vragen het Hof de situatie van de opvoeders in de internaten van de inrichtingen van het algemeen of technisch secundair onderwijs van de Franse Gemeenschap te vergelijken met de situatie van de andere leden van het openbaar ambt, die een gunstigere behandeling zouden genieten wat betreft de gemiddelde maximale wekelijkse arbeidsduur, met inbegrip van de referentieperiode die wordt gebruikt voor de berekening van die duur, en de vergoeding van de prestaties, krachtens de wet van 14 december
- 19 B.
- De opvoeders in een internaat bevinden zich in een situatie die objectief verschilt van die van de andere leden van het openbaar ambt, gelet op de bijzondere aard van de prestaties van die opvoeders. Aangezien, tijdens de slapende wachten, de opvoeder in een internaat slaapt op zijn arbeidsplaats terwijl hij ter beschikking blijft wanneer dat nodig is, is het immers niet zonder redelijke verantwoording dat, enerzijds, die prestaties het voorwerp uitmaken van een bijzondere behandeling op het vlak van de vergoeding en dat, anderzijds, de opvoeders in een internaat worden onderworpen aan een langere maximale wekelijkse arbeidsduur dan die welke geldt voor de ambtenaren die geen prestaties moeten verrichten die vergelijkbaar zijn met de slapende wachten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in dat verband geoordeeld dat de voormelde richtlijn 2003/88/EG « zich ertoe beperkt bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd te regelen, zodat zij in beginsel niet van toepassing is op de beloning van werknemers » (HvJ, beschikking, 11 januari 2007, C-437/05, Vorel t. Nemocnice Český Krumlov, punten 32 ent 34; zie ook 1 december 2005, C-14/04, Dellas e.a. t. Eerste Minister e.a., punt 38). Het Hof van Justitie heeft eveneens geoordeeld dat « de richtlijnen 93/104 en 2003/88 er niet aan in de weg [staan] dat een lidstaat een regeling toepast die voor de vergoeding van de werknemer voor de wachtdienst die hij verricht op zijn werkplek, de perioden tijdens welke daadwerkelijke arbeidsprestaties worden verricht en de perioden tijdens welke geen daadwerkelijke arbeid wordt verricht, op verschillende wijze in aanmerking neemt, voor zover een dergelijke regeling integraal het nuttig effect waarborgt van de rechten die door die richtlijnen aan de werknemers zijn verleend om hun gezondheid en veiligheid doeltreffend te beschermen » (HvJ, 11 januari 2007, C-437/05, Vorel, voormeld, punt 35). De verzoekende partijen brengen geen enkel element naar voren dat het redelijke karakter van de maatregel ter discussie kan stellen, zowel wat betreft het meetellen van de uren in het kader van de berekening van het loon als wat betreft de vaststelling van de maximale wekelijkse arbeidsduur op 48 uur. Er dient in dat verband te worden onderstreept dat de berekening van de prestaties op basis van een referentieperiode van tien maanden die begint op 1 september en eindigt op 30 juni, redelijk verantwoord is door het doel « de organisatie van die prestaties in de betrokken internaten en opvangtehuizen te vergemakkelijken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 825/2, p. 3). Het feit dat bij de berekening van het loon geen rekening wordt gehouden met alle gepresteerde arbeidsuren in geval van slapende wachten 20 zorgt overigens op zich niet ervoor dat het loon van de betrokken werknemers niet billijk is en komt niet erop neer hen te onderwerpen aan een regeling van dwangarbeid. B.
- Voorts tonen de verzoekende partijen niet concreet aan in welke zin de bestreden bepaling voor de betrokken opvoeders een betekenisvolle vermindering van het beschermingsniveau van het recht op een billijke beloning en op billijke arbeidsvoorwaarden zou teweegbrengen, vermindering die niet zou kunnen worden verantwoord door de in B.22 vermelde redenen van algemeen belang. B.
- De tweede grief is niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div