← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.125

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210930.9 Arrest- Rolnummer: 125/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-15 Raadplegingen: 331 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH ». Leefmilieu - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Misdrijven - Sancties - Administratieve geldboete - Verhoging - Parallellisme met de beoordeling door de strafrechter. Tekst van de beslissing Rolnummer 7552 Arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april 2021, heeft de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens, advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr. 73/2020 van 28 mei 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2020), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei

  1. Op 28 april 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. J. Renaux, advocaten bij de balie te Brussel. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  2. De verzoekende partij voert aan dat zij doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing was vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ». Zij is een rechtspersoon naar Duits recht die beschikt over een Belgisch filiaal dat actief is op het gebied van de luchtvaartmaatschappijen. In die hoedanigheid is zij bestraft met verschillende administratieve geldboetes omdat zij de door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vastgestelde geluidsnormen tussen augustus 2008 en maart 2012 heeft overschreden, geldboetes die werden verhoogd op grond van de bestreden bepaling. Zij voert aan dat tegen die geldboetes verschillende beroepen tot nietigverklaring werden ingesteld voor de Raad van State, die deze stelselmatig heeft verworpen. Die geldboetes zijn tot op heden niet betaald. 3 A.2.
  3. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bestreden bepaling, in zoverre die laatste haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. De verzoekende partij voert aan dat het Hof bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020, dat werd gewezen op een prejudiciële vraag, heeft geoordeeld dat in die interpretatie de bestreden bepaling ongrondwettig was. Zij stelt eveneens vast dat het Hof geen gebruik heeft gemaakt van de techniek van de verzoenende interpretatie en dat, bijgevolg, de bestreden bepaling niet anders kan worden geïnterpreteerd. Om dezelfde redenen dient, volgens de verzoekende partij, artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 te worden vernietigd. A.2.
  4. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 2, en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partij voert aan dat artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 toelaat het bedrag van de administratieve geldboete te verzwaren mits er een eerder proces-verbaal ten laste van de overtreder bestaat, zonder dat het noodzakelijk is dat de feiten die ten grondslag liggen aan dat proces-verbaal het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve schuldigverklaring, in tegenstelling tot hetgeen de ordonnantie van 25 maart 1999 op strafrechtelijk gebied bepaalt. In zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een voorafgaande schuldigverklaring waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld, schendt de bestreden bepaling het beginsel van het vermoeden van onschuld dat voortvloeit uit de in het middel aangehaalde bepalingen en zij is bijgevolg discriminerend ten opzichte van hetgeen is bepaald bij de ordonnantie van 25 maart 1999 met betrekking tot de verzwaring van de strafrechtelijke sancties. A.
  5. In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de rechtspleging af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, waarbij het beroep gegrond wordt verklaard om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het arrest nr. 73/
  6. Volgens de rechters-verslaggevers zou het onderzoek van het tweede middel bovendien niet nodig zijn, daar de hypothese die daarin wordt beoogd, reeds is vervat in het eerste middel, aangezien de vereiste van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld, noodzakelijkerwijs een voorafgaande « schuldigverklaring » veronderstelt, wegens de initiële administratieve geldboete. A.4.
  7. In zijn memorie met verantwoording betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden en formuleert zij geen opmerkingen ten gronde. A.4.
  8. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt aan het Hof evenwel, in geval van vernietiging, de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven. Zij merkt op dat, naar aanleiding van het arrest nr. 73/2020 – waarin het Hof de gevolgen van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 niet heeft gehandhaafd –, de Raad van State stelselmatig heeft besloten dat het volledige bedrag van de op grond van de bestreden bepaling verhoogde geldboete onwettig is, en niet uitsluitend het verhoogde deel ervan. De vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 zou bijgevolg leiden tot een grote rechtsonzekerheid, daar alle administratieve handelingen die op die grond zijn genomen, in het geding zouden kunnen worden gebracht. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering schat de budgettaire gevolgen van een vernietiging zonder handhaving van de gevolgen op meer dan twaalf miljoen euro. Het niet-handhaven van de gevolgen zou eveneens kunnen leiden tot een aanzienlijke achterstand bij het Milieucollege of bij de Raad van State. Bovendien zou de niet-handhaving van de gevolgen niet verantwoord zijn in het licht van de door de verzoekende partij opgeworpen grieven, namelijk de verhoging van het bedrag van de administratieve geldboete wegens herhaling. Ten slotte preciseert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat het Gewest uit eigen beweging heeft beslist het deel van de geldboetes dat overeenstemt met de verhoging wegens herhaling niet meer te vorderen en dat deel, indien het is betaald, onder voorbehoud van de wettelijke schuldvergelijking, op verzoek terug te betalen. A.4.
  9. In hoofdorde verzoekt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de gevolgen van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 te handhaven voor alle geldboetes die zijn opgelegd of, bij ontstentenis, definitief zijn uitgesproken, tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad, waarbij zij zich ertoe verbindt, wat die geldboetes betreft, het deel van het bedrag dat overeenstemt met de verhoging wegens herhaling niet te vorderen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt in dat verband op dat de handhaving van de gevolgen in de strafrechtelijke of daarmee gelijkgestelde zaken, frequent wordt uitgesproken door het Hof. Zij verwijst, bij wijze van voorbeeld, naar de arresten nrs. 83/2015 van 11 juni 2015, 185/2014 van 18 december 2014 en 134/2012 van 30 oktober
  10. In ondergeschikte orde verzoekt de Brusselse 4 Hoofdstedelijke Regering om de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven uitsluitend voor dat deel van de tot 5 oktober 2020 opgelegde of, bij ontstentenis ervan, definitief uitgesproken geldboetes dat overeenstemt met het bedrag van de geldboete voor de eerste overtreding, zonder de staat van herhaling in aanmerking te nemen. Volgens haar beschikt het Hof over een dergelijke bevoegdheid op grond van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat het toelaat alle gevolgen in aanmerking te nemen die voortvloeien uit een vernietigingsarrest teneinde de gevolgen ervan te moduleren. In uiterst ondergeschikte orde vraagt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan het Hof te preciseren dat op de artikelen 17 en 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 alleen een beroep kan worden gedaan teneinde de herziening of de vernietiging te verkrijgen van de administratieve handelingen die zijn gesteld op grond van de bestreden bepaling, uitsluitend ten aanzien van het verhoogde deel van de opgelegde administratieve geldboete. Volgens haar staat artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het Hof toe aldus de omvang te bepalen van de beroepen die worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 van die bijzondere wet. A.5.
  11. In haar memorie met verantwoording verklaart de verzoekende partij dat, in tegenstelling tot wat de rechters-verslaggevers in hun conclusies voorstellen, het onderzoek van het tweede middel nuttig is in het kader van het onderzoek van het verzoek om de gevolgen te handhaven. De verzoekende partij vraagt het Hof de gevolgen van de bestreden bepaling niet te handhaven in geval van vernietiging. Zij merkt op dat het Hof in het arrest nr. 73/2020 het verzoek van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de gevolgen van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 te handhaven, uitdrukkelijk heeft verworpen, om reden dat de eventuele latere beroepen geen risico op verstoring van de rechtsorde vormden dat verantwoordt dat de gevolgen van die bepaling in het prejudicieel contentieux worden gehandhaafd. De verzoekende partij vraagt het Hof een vergelijkbare redenering te volgen in het vernietigingscontentieux. A.5.
  12. Volgens de verzoekende partij strekt het beginsel van de handhaving van de gevolgen niet ertoe elk administratief en gerechtelijk contentieux te vermijden, in tegenstelling tot wat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verklaart, maar uitsluitend een contentieux te vermijden waarvan de omvang niet evenredig zou zijn met het voordeel dat wordt gehaald uit het effect van de niet-gemoduleerde vernietiging. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering toont niet het aantal administratieve geldboetes aan waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de bestreden bepaling en die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een administratief beroep of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een door de Raad van State verworpen beroep. Bijgevolg is het niet mogelijk te besluiten tot het onevenredige karakter van het voordeel dat wordt gehaald uit de niet-gemoduleerde vernietiging ten opzichte van de verstoring die deze met zich zou meebrengen voor de rechtsorde. Bovendien verklaart de verzoekende partij dat vrijwel alle luchtvaartmaatschappijen die de grondwettigheid hebben betwist van de administratieve beslissingen die zijn genomen op grond van de bestreden bepaling, geen enkele van de geldboetes hebben betaald waarvan het bedrag is verhoogd, zodat het eventuele financiële nadeel dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zou lijden, niet als onevenredig kan worden beschouwd. De verzoekende partij voert aan dat, zelfs indien zou worden aangetoond dat de vernietiging van de bestreden bepaling zonder handhaving van de gevolgen een ernstige verstoring van de rechtsorde met zich zou meebrengen, de handhaving van de gevolgen van de vernietigde norm aanleiding zou geven tot nog grotere verstoringen, aangezien artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 het vermoeden van onschuld klaarblijkelijk schendt, zoals zij in haar tweede middel uiteenzet. In die omstandigheden twijfelt de verzoekende partij aan de bevoegdheid van het Hof om de gevolgen van de vernietigde norm te handhaven. Ten slotte merkt de verzoekende partij op dat de rechtspraak van het Hof waarbij andere bepalingen van de ordonnantie van 25 maart 1999 worden vernietigd, niet vast is wat het al dan niet handhaven van de gevolgen ervan betreft, zodat het niet mogelijk is daaruit conclusies te trekken in het kader van het te dezen onderzochte beroep. Bij zijn arrest nr. 134/2012 heeft het Hof artikel 33, 7°, b), van de voormelde ordonnantie vernietigd met handhaving van de gevolgen. Bij zijn arrest nr. 25/2016 van 18 februari 2016 heeft het Hof daarentegen artikel 45 van het Wetboek van inspectie vernietigd zonder de gevolgen ervan te handhaven. -B- B.1.
  13. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de 5 vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid ». Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepaalt : « Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de artikelen 32 en 33, verdubbeld ». B.1.
  14. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in artikel 1 bedoelde regels schendt. B.2.
  15. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. B.2.
  16. Bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 heeft het Hof voor recht gezegd : « B.
  17. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een administratieve geldboete opgelegd krijgen. In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie, indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand 6 aan het misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld, zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve administratieve of rechterlijke beslissing. B.
  18. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de te volgen strafrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is. B.
  19. Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die een ‘ recidive ’ vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie. B.6.
  20. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf. B.6.
  21. De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die, in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing, in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader. B.
  22. Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord ». B.2.
  23. Om identieke redenen dient te worden vastgesteld dat het eerste middel gegrond is. Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd, beslissing waartegen met andere woorden niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. 7 B.
  24. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, moet het niet worden onderzocht. B.4.
  25. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt het Hof om, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad. Zij voert aan dat de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 zonder handhaving van de gevolgen het Gewest een financieel nadeel kan berokkenen dat zij op twaalf miljoen euro raamt. Bovendien zou, in die hypothese, het contentieux voor het Milieucollege en voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook zeer aanzienlijk zijn. B.4.
  26. Het feit dat administratieve beroepen kunnen worden ingesteld tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de in het geding zijnde bepaling en dat eveneens verzoekschriften tot intrekking van arresten van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn verworpen, kunnen worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, vormt op zich geen risico op verstoring van de rechtsorde waardoor de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling verantwoord is. Het gaat om het normale gevolg dat de bijzondere wetgever heeft verbonden aan de vernietigingsarresten. Het Hof merkt overigens op dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in haar memorie met verantwoording de omvang van het financieel nadeel dat uit de vernietiging zou voortvloeien, onvoldoende aantoont. Bovendien blijkt uit die memorie dat de terug te betalen bedragen kunnen worden geïdentificeerd. De gevolgen van de bestreden bepaling dienen derhalve niet te worden gehandhaafd. 8 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 september
  27. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.