id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.128 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.1 Arrest- Rolnummer: 128/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre zij een kind dat is verlaten door zijn beide nog in leven zijnde ouders, uitsluiten van het voordeel van de wezenbijslag bepaald in artikel 50bis van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, schenden artikel 56bis, § 1 en § 2, vierde lid, en artikel 58, eerste lid, van dezelfde wet niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 56bis, §§ 1 en 2, vierde lid, en 58, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau. Sociale zekerheid - Werkloosheidsuitkeringen - Bedrag voor wezen - Uitsluiting - Kind dat door zijn beide nog in leven zijnde ouders is verlaten. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-1939 - 56bis,§1 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Wet - 19-12-1939 - 56bis,§2,L4 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Wet - 19-12-1939 - 58,L1 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Tekst van de beslissing Rolnummer 7156 Arrest nr. 128/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 56bis, §§ 1 en 2, vierde lid, en 58, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, J. Moerman, Y. Kherbache en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 maart 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 april 2019, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 56bis, § 1, 56bis, § 2, vierde lid, en 58, eerste lid, van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, - in zoverre zij een kind dat vanaf zijn geboorte door zijn beide ouders is verlaten uitsluiten van het voordeel van de verhoogde kinderbijslag tegen het bedrag bepaald in artikel 50bis van die wet, terwijl een kind van wie één ouder overleden is dat voordeel wel kan genieten ? - in zoverre zij een kind dat vanaf zijn geboorte door zijn beide ouders is verlaten uitsluiten van het voordeel van de verhoogde kinderbijslag tegen het bedrag bepaald in artikel 50bis van die wet, terwijl een kind van wie één ouder afwezig is verklaard overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek dat voordeel wel kan genieten ? - in zoverre de verlating enkel in aanmerking wordt genomen wanneer zij een weeskind treft dat door zijn overlevende ouder is verlaten, terwijl zij even moeilijk te verduren is voor een kind dat door zijn beide ouders is verlaten ? ». Memories zijn ingediend door : - het Federaal Agentschap voor de kinderbijslag (FAMIFED), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. D. Neven, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. D. Neven; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - het Federaal Agentschap voor de kinderbijslag (FAMIFED); - de Waalse Regering. Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 30 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 30 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A.G. wordt op 4 juli 2010 in België geboren. Zijn ouders verlaten hem vrijwel meteen. De daaropvolgende maand verlaten zij het Rijk met hun twee oudste kinderen, om zich te vestigen op een eiland in de Indische Oceaan. Op 3 oktober 2011 stelt de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Marche-en-Famenne, vast dat de vader en de moeder van A.G. « in de voortdurende onmogelijkheid zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen » in de zin van artikel 389 van het oud Burgerlijk Wetboek, doordat zij blijvend geografisch verwijderd zijn. Zij beslist ook, met toepassing van artikel 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat die onmogelijkheid, voor die ouders, het verlies meebrengt van hun recht op het genot van de goederen van hun zoon, dat hun bij artikel 384 van het oud Burgerlijk Wetboek was toegekend. Bij een beschikking van 28 november 2011 benoemt de Vrederechter van het vierde kanton Luik de tante van vaderszijde van A.G. tot voogd van het kind. In september 2016 ontvangt de voogd van A.G., in haar hoedanigheid van bijslagtrekkende van diens kinderbijslag, nog de maandelijkse bijslag waarin artikel 40, 1°, van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW) voorziet. Op 17 december 2016 vraagt haar echtgenoot, die de rechthebbende op de kinderbijslag is, aan het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED) om, vanaf de maand december 2016, voor A.G. de maandelijkse kinderbijslag waarin artikel 50bis van de AKBW voor wezen voorziet te kunnen genieten, om reden dat de ouders van het kind geen contact meer met hem hebben en niet meer bijdragen in de kosten van zijn levensonderhoud. Op 20 december 2016 motiveert FAMIFED zijn weigering om dat verzoek in te willigen door de omstandigheid dat A.G. geen wees is in de zin van de artikelen 50bis en 56bis van de AKBW, omdat zijn vader en zijn moeder nog in leven zijn. Bij vonnis van 12 april 2018 verwerpt de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Marche-en-Famenne, het beroep dat de voogd en haar echtgenoot tegen die beslissing hadden ingesteld. Het Arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau, waarbij hoger beroep tegen dat vonnis is ingesteld, stelt vast dat de weigering van FAMIFED in overeenstemming is met de artikelen 56bis, § 1, en 58, eerste lid, van de AKBW. Het merkt evenwel op dat de situatie van A.G., die in het Franse taalgebied woont, vergelijkbaar is met die van een wees, aangezien zijn ouders nooit hebben bijgedragen in de kosten van zijn levensonderhoud en hem nooit enige affectie hebben betoond. Het vraagt zich dus af of het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de AKBW tussen, enerzijds, een wees en, anderzijds, een kind dat op die manier verlaten is, niet discriminerend is. Het Arbeidshof beslist dan ook het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- Het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag (FAMIFED), de Vlaamse Regering en de Waalse Regering zijn van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.
- FAMIFED en de Waalse Regering preciseren dat de gezinsbijslagen die verschuldigd zijn aan de kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2020 en die gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het Franse taalgebied, geregeld blijven door de AKBW, zoals zij ietwat werd gewijzigd door het Waalse Gewest dat ter zake bevoegd is geworden ingevolge de zesde staatshervorming. 4 Ten aanzien van de niet-vergelijkbaarheid van de in de prejudiciële vraag geïdentificeerde situaties A.
- FAMIFED, de Waalse Regering en de Vlaamse Regering zetten uiteen dat de situatie van een kind dat door zijn beide nog in leven zijnde ouders bij de geboorte is verlaten, niet kan worden vergeleken met de situatie van de drie andere categorieën van kinderen die in de prejudiciële vraag zijn omschreven. A.
- FAMIFED en de Waalse Regering zijn van mening dat de verlating van een kind door zijn vader en moeder niet vergelijkbaar is, noch met het overlijden van de vader of de moeder van het kind, noch met de afwezigheid van de vader of de moeder, waarvan een verklaring is uitgesproken door een rechtsinstantie met toepassing van artikel 118 van het oud Burgerlijk Wetboek. Zij wijzen in dat verband in de eerste plaats erop dat, in tegenstelling tot het overlijden of de afwezigheid van een ouder, de verlating van een kind een feit is dat niet duidelijk is afgelijnd, waaraan het oud Burgerlijk Wetboek geen juridisch gevolg meer verbindt sinds de opheffing van de artikelen 370bis tot 370quater van dat Wetboek door de wet van 7 mei 1999 « tot afschaffing van de verlatenverklaring en van de overdracht van het ouderlijk gezag ». FAMIFED en de Waalse Regering onderstrepen vervolgens dat, in tegenstelling tot het overlijden van een ouder of diens afwezigheid in de zin van het oud Burgerlijk Wetboek, de verlating van een kind geen definitieve of definitief geachte situatie is. A.5.
- De Vlaamse Regering merkt op dat zowel het overlijden als de afwezigheid van een ouder die laatste beletten om zijn ouderlijke verantwoordelijkheden op zich te nemen. Zij oordeelt dat, in het licht van een bijslag die tot doel heeft de materiële en morele moeilijkheden te compenseren van een kind dat een ouder heeft verloren, die twee situaties fundamenteel verschillen van die van de ouders van wie men weet dat zij nog in leven zijn. A.5.
- De Vlaamse Regering merkt ook op dat de situatie van een kind dat door zijn beide nog in leven zijnde ouders is verlaten, niet kan worden vergeleken met de situatie van een kind dat door de overlevende ouder is verlaten, bedoeld in artikel 56bis, § 2, vierde lid, van de AKBW, en dat recht heeft op de wezenbijslag. Zij merkt op dat dit laatste kind die bijslag niet geniet omdat het is verlaten, maar vooral omdat één van zijn ouders overleden is. Zij brengt in herinnering dat die bepaling de regel corrigeert die is vermeld in artikel 56bis, § 2, eerste lid, van de AKBW, die zelf een afwijking vormt van het beginsel van toekenning van een hogere kinderbijslag aan een wees. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat een kind dat door zijn beide nog in leven zijnde ouders is verlaten, in werkelijkheid niet minder goed door de wet wordt behandeld dan een verlaten kind zoals bedoeld in artikel 56bis, § 2, vierde lid, van de AKBW. Zij leidt in dat verband uit het arrest van het Hof nr. 13/2005 van 19 januari 2005 af dat de wezenbijslag aan de wees kan worden geweigerd wanneer hij in een ander gezin wordt opgevangen en zijn overlevende ouder hem een voldoende hoge onderhoudsbijdrage betaalt. Zij merkt daarnaast op dat, zelfs wanneer beide in leven zijnde ouders van een verlaten kind dat in een ander gezin wordt opgevangen in het buitenland wonen, het niet onmogelijk is om van hen een onderhoudsbijdrage te vorderen. Ten aanzien van de redelijke verantwoording van de in het geding zijnde verschillen in behandeling A.6.
- In ondergeschikte orde zetten FAMIFED en de Waalse Regering uiteen dat het hogere bedrag van de wezenbijslag bedoeld in de artikelen 50bis en 56bis van de AKBW tot doel heeft de materiële en morele moeilijkheden te compenseren die het rechtgevende kind vermoedelijk ondervindt wegens het overlijden of de afwezigheid van één van zijn ouders. Zij zijn van mening dat het bijgevolg pertinent is die bijslag niet toe te kennen aan een kind dat bij de geboorte verlaten is en van wie de ouders nog steeds in leven en gelokaliseerd zijn, omdat de moeilijkheden die dat kind ondervindt van een andere aard zijn dan die waarvoor de voormelde bijslag bedoeld is. A.6.
- FAMIFED en de Waalse Regering zetten vervolgens uiteen dat de in de prejudiciële vraag geïdentificeerde verschillen in behandeling geen onevenredige gevolgen hebben. Zij herinneren in de eerste plaats eraan dat een kind dat niet de wezenbijslag bedoeld in de artikelen 50bis en 56bis van de AKBW kan genieten, toch de basisbijslag ingevoerd bij artikel 40 van dezelfde wet kan genieten, en dat de toeslagen waarin de artikelen 41 en 42bis van die wet voorzien, aan die laatste bijslag kunnen worden toegevoegd teneinde rekening te houden met bepaalde sociaal minder gunstige situaties. Zij merken op dat die toeslagen niet kunnen worden toegekend aan een kind dat recht geeft op een wezenbijslag. Zij wijzen ook erop dat, bij de « rangbepaling » van de kinderen van een gezin die de basisbijslag en bepaalde toeslagen genieten, artikel 42, § 3, van de AKBW bepaalt dat geen rekening wordt gehouden met het kind dat een wezenbijslag geniet. 5 FAMIFED en de Waalse Regering wijzen vervolgens erop dat een kind dat door zijn beide ouders is verlaten, het recht behoudt om, door middel van een rechtsvordering, van hen te eisen dat zij hun onderhoudsverplichtingen vermeld in de artikelen 203 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek nakomen, terwijl een weeskind kennelijk niet meer van zijn overleden ouder kan eisen dat hij die verplichtingen nakomt. Zij merken ook op dat de collectieve solidariteit die tot uiting komt in de invoering van een systeem van kinderbijslag, steeds haar subsidiaire karakter moet behouden ten opzichte van de familiale solidariteit die tot uiting komt in de verplichtingen tot onderhoud van de kinderen, die op hun ouders rusten. FAMIFED en de Waalse Regering zijn ten slotte van mening dat de wetgevende macht redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat het niet noodzakelijk was een bijzondere regel uit te vaardigen ten gunste van een kind dat door beide ouders is verlaten, aangezien die situatie vrij zelden voorkomt en de wetgevende macht op dat gebied de verscheidenheid van gezinssituaties met een zekere graad van benadering vermag op te vangen. A.
- De Vlaamse Regering zet uiteen dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen tussen, enerzijds, een kind van wie een ouder overleden is of afwezig werd verklaard overeenkomstig het oud Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, een kind dat bij zijn geboorte door zijn beide nog in leven zijnde ouders verlaten is, redelijk verantwoord is. Zij is van mening dat, ook al neemt geen enkele van die ouders daadwerkelijk zijn ouderlijke verantwoordelijkheden op zich, alleen de ouders die overleden zijn of afwezig zijn verklaard kennelijk niet in staat zijn om dat te doen. De Vlaamse Regering merkt op dat er, naast de situaties van overlijden of afwezigheid van een ouder, een zeer groot aantal zeer diverse feitelijke situaties bestaan waarin een kind niet langer een morele, affectieve of financiële band heeft met zijn ouders of met één van hen (hechtenis, internering, …). Zij is van mening dat louter de omstandigheid dat, gedurende een langere of minder lange periode, de ouders van hun kind verwijderd zijn, hen niet definitief ontslaat van hun ouderlijke verantwoordelijkheden. Zij leidt eruit af dat men de wetgevende macht redelijkerwijs niet kan verwijten dat zij het voordeel van de wezenbijslag waarin is voorzien voor de gevallen van overlijden of afwezigheid van een ouder, niet heeft uitgebreid tot de kinderen in de hiervoor vermelde situaties. De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat een kind dat is verlaten door zijn beide nog in leven zijnde ouders en dat in een opvanggezin verblijft, kinderbijslag kan genieten waarvan het bedrag identiek is aan dat van de bijslag die alle kinderen die met hun ouders samenleven, genieten. Zij is van mening dat een uitbreiding van het voordeel van de wezenbijslag tot dat verlaten kind andere betwistbare verschillen in behandeling zou doen ontstaan. Ten aanzien van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het Verdrag inzake de rechten van het kind A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, niet schenden omdat die bepalingen niet onbestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en omdat de wetgevende macht, bij het bepalen van de begunstigden van de wezenbijslag, de belangen van het kind in aanmerking heeft genomen. Ten aanzien van de eventuele vaststelling van een lacune A.
- In uiterst ondergeschikte orde zetten FAMIFED en de Waalse Regering uiteen dat, indien het Hof de prejudiciële vraag bevestigend zou beantwoorden, de lacune die uit de vaststelling van discriminatie zou voortvloeien, enkel door de wetgevende macht zou kunnen worden weggewerkt. Zij preciseren in dat verband dat de wet zou moeten worden gewijzigd rekening houdend met alle specifieke kenmerken van de situatie van een kind dat is verlaten door zijn beide nog in leven zijnde ouders, waarbij moet worden vermeden dat nieuwe discriminaties worden gecreëerd ten aanzien van een kind dat in een instelling of in een opvanggezin is geplaatst wegens het feit dat zijn ouders, of zijn nog in leven zijnde ouder, hun ouderlijk gezag niet kunnen uitoefenen om een reden die onafhankelijk is van hun wil, zoals opsluiting of internering. 6 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
- Artikel 40, 1°, van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de AKBW), zoals gewijzigd bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 11 december 2001 « tot uniformisering van de spilindexen in de aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet die ressorteren onder het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu », voorziet, « voor het eerste kind », in een « maandelijkse bijslag van […] 68,42 EUR ». Artikel 50bis van dezelfde wet, zoals gewijzigd bij artikel 14 van hetzelfde koninklijk besluit, bepaalt : « De maandelijkse kinderbijslag waarop de wees bedoeld in artikel 56bis, § 1, gerechtigd is, bedraagt 262,84 EUR ». De voormelde bedragen van de artikelen 40, 1°, en 50bis van de AKBW variëren naar gelang van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen (artikel 76bis van die wet). B.2.
- Sinds de wijziging ervan bij artikel 10 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2016 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap « betreffende de aan de kinderbijslagregelgeving aan te brengen wijzigingen », bepaalt artikel 56bis van de wet van de AKBW : « §
- Is rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 50bis, de wees indien op het ogenblik van het overlijden van één van de ouders, een rechthebbende bedoeld in artikel 51, §§ 3 en 4 in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk het overlijden voorafgaan de voorwaarden heeft vervuld om krachtens deze wet aanspraak te maken op tenminste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen. §
- De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende ouder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad. 7 Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin. Het voordeel van § 1 mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register. Deze paragraaf is niet toepasselijk indien de wees door zijn overlevende ouder verlaten is ». B.2.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat, volgens een ministeriële omzendbrief van 9 november 1981, een kind van wie de overlevende ouder niet langer een relatie met hem onderhoudt en niet meer financieel bijdraagt in zijn onderhoudskosten, een « verlaten » kind is in de zin van artikel 56bis, § 2, van de AKBW. B.3.
- Artikel 58, eerste lid, van de AKBW, zoals hersteld bij artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 « tot wijziging van de kinderbijslagregeling voor werknemers », bepaalt : « Voor de toepassing van de artikelen 56bis, […] wordt de afwezigverklaring overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, gelijkgesteld met het overlijden ». B.3.
- Een verklaring van afwezigheid van een persoon is een beslissing die de familierechtbank kan nemen wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds een vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid van die persoon werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws van die persoon ontvangen heeft (artikel 118 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 12 van de wet van 9 mei 2007 « tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden », en vervolgens gewijzigd bij artikel 9, 1°, van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank »). De vrederechter kan een vermoeden van afwezigheid van een persoon vaststellen, wanneer die persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in de woon- of verblijfplaats en 8 men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen, en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood (artikel 112, § 1, van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij artikel 4 van de wet van 9 mei 2007, en vervolgens gewijzigd bij artikel 5, 1°, van de wet van 30 juli 2013). Wanneer de rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, maakt de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand onmiddellijk een akte van afwezigheid op (artikel 121, § 1, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 18 juni 2018 « houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing »). De rechterlijke beslissing heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de opmaak van de akte van afwezigheid (artikel 121, § 2, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 18 juni 2018). Ten aanzien van de eerste twee verschillen in behandeling B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof in de eerste plaats wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 56bis, § 1, en 58, eerste lid, van de AKBW, in zoverre die bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen categorieën van kinderen die met toepassing van die wet recht geven op kinderbijslag : enerzijds, het kind van wie een ouder is overleden of afwezig is verklaard met toepassing van artikel 118 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat de wezenbijslag bedoeld in artikel 50bis van de AKBW geniet, en, anderzijds, het kind dat door zijn beide nog in leven zijnde ouders is verlaten, dat de lagere bijslag bedoeld in artikel 40, 1°, van dezelfde wet, geniet. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 9 dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- De toekenning van kinderbijslag in de zin van de AKBW strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Zij biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het uitbreidt. B.6.
- De bijslag die aan een wees wordt toegekend met toepassing van de artikelen 50bis en 56bis van de AKBW, is een bijzondere bijslag die ertoe strekt het verlies dat het overlijden van een ouder inhoudt, op materieel vlak te compenseren en het rechtgevende kind toe te laten in zijn bestaansbehoeften te blijven voorzien ondanks dat overlijden, dat het verlies teweegbrengt van een belangrijke bron van inkomsten die kan dienen voor zijn onderhoud. Die bijslag wordt toegekend ongeacht de economische situatie waarin het overlijden de wees plaatst. B.
- De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsmarge in sociaal-economische aangelegenheden. Het Hof vermag de beleidskeuze die de wetgever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien ze niet redelijk verantwoord zijn. B.8.
- Zoals blijkt uit hetgeen in B.6.2 is vermeld, is het hogere bedrag van de wezenbijslag, ten opzichte van het bedrag van de bijslag dat is vastgelegd bij artikel 40, 1°, van de AKBW, gerechtvaardigd door de omstandigheid dat een wees een financieringsbron voor zijn onderhoud verliest. B.8.
- De ouders van een kind dienen te zorgen voor diens levensonderhoud (artikel 203, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 19 maart 2010 « tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen »). B.8.
- Een kind van wie een ouder overleden is, heeft die ouder definitief verloren. 10 Zoals in B.3.2 is vermeld, is de verklaring van afwezigheid van een persoon met toepassing van artikel 18 van het oud Burgerlijk Wetboek een rechterlijke beslissing betreffende een persoon van wie men reeds verscheidene jaren geen nieuws heeft en die alle gevolgen van een overlijden heeft. B.8.
- Een weeskind dat de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 50bis van de AKBW geniet, is een kind dat niet langer kan rekenen op de overleden ouder om in zijn onderhoud te voorzien. Een kind dat diezelfde bijslag geniet wegens de gerechtelijk verklaarde afwezigheid van een van zijn ouders, wordt daarmee gelijkgesteld. Een kind dat is verlaten en van wie beide ouders nog in leven zijn, kan daarentegen nog steeds rekenen op de verplichting tot onderhoud, die de wet hun oplegt. In tegenstelling tot een weeskind en een kind van wie een ouder afwezig is verklaard, kan dat verlaten kind de bevoegde rechtsinstantie verzoeken om zijn ouders te veroordelen tot het nakomen van hun wettelijke verplichting tot onderhoud, in natura of bij equivalent. B.
- Het in B.4 beschreven verschil in behandeling is dus niet zonder redelijke verantwoording in het licht van het doel dat met de wezenbijslag wordt nagestreefd. Ten aanzien van het derde verschil in behandeling B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof vervolgens wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 56bis, § 2, vierde lid, van de AKBW, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van verlaten kinderen die recht geven op kinderbijslag met toepassing van die wet : enerzijds, het kind dat is verlaten door een ouder die, na het overlijden van de andere ouder, is gehuwd of een feitelijk gezin heeft gevormd met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, dat de wezenbijslag bedoeld in artikel 50bis van de AKBW geniet, en, anderzijds, het kind dat is verlaten door zijn beide nog in leven zijnde ouders, dat de lagere bijslag bedoeld in artikel 40, 1°, van dezelfde wet geniet. 11 B.
- Zoals in B.6.2 is vermeld, strekt het hogere bedrag van de bijslag die aan een wees wordt toegekend met toepassing van de artikelen 50bis en 56bis van de AKBW ertoe het verlies dat het overlijden van een ouder inhoudt, op materieel vlak te compenseren en het het rechtgevende kind mogelijk te maken, ondanks dat overlijden dat leidt tot het verlies van een bron van inkomsten die kan dienen voor het onderhoud van het kind, in zijn bestaansbehoeften te blijven voorzien. B.
- Een weeskind dat door zijn overlevende ouder is verlaten, kan niet langer rekenen op de verplichting tot onderhoud die zijn overleden ouder ten aanzien van dat kind op zich moest nemen met toepassing van artikel 203 van het oud Burgerlijk Wetboek. In tegenstelling tot dat kind, kan een verlaten kind van wie beide ouders nog in leven zijn, de bevoegde rechtsinstantie verzoeken om zijn ouders te veroordelen tot het nakomen van hun wettelijke verplichting tot onderhoud, in natura of bij equivalent. B.
- Gelet op het doel dat met het hogere bedrag van de wezenbijslag wordt nagestreefd, is het in B.10 beschreven verschil in behandeling dus niet zonder redelijke verantwoording. Ten aanzien van de inachtneming van de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof ook wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de voormelde in het geding zijnde bepalingen van de AKBW met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. B.
- Artikel 2, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het Verdrag omschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht […] geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd ». Artikel 3, lid 1, van hetzelfde Verdrag bepaalt : 12 « Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging ». Artikel 26, lid 1, van hetzelfde Verdrag bepaalt : « De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid […] ». B.
- Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen in het licht van de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind leidt niet tot een andere conclusie dan hetgeen is vermeld in B.9 en in B.
- B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre zij een kind dat is verlaten door zijn beide nog in leven zijnde ouders, uitsluiten van het voordeel van de wezenbijslag bepaald in artikel 50bis van de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939, schenden artikel 56bis, § 1 en § 2, vierde lid, en artikel 58, eerste lid, van dezelfde wet niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3 en 26, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.128 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div