← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.129

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.129 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.2 Arrest- Rolnummer: 129/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 890 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Sociale zekerheid - Kinderbijslag - Loontrekkenden - Terugvordering van onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen - Verjaring - Stuiting - Ingebrekestelling - Kennisgeving bij gewone brief. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13,L2 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13,L3 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13,L4 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Tekst van de beslissing Rolnummer 7171 Arrest nr. 129/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, J. Moerman, Y. Kherbache en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 26 april 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 mei 2019, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Doet artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in die zin geïnterpreteerd dat het de RVA niet de verplichting oplegt om de beslissing waarbij de genoemde Dienst aan een werkloze kennisgeeft van zijn beslissing om over te gaan tot de terugvordering van de uitkeringen die hij onterecht heeft ontvangen, bij een ter post aangetekende brief te verzenden, niet een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdig verschil in behandeling ontstaan in zoverre die interpretatie, zonder verband van evenredigheid met de bij die bepaling nagestreefde doelstelling, ertoe leidt ten aanzien van de wijze van stuiting van de verjaring sociaal verzekerden verschillend te behandelen die zich in een identieke situatie bevinden in zoverre de terugbetaling van sommen die zij onterecht hebben ontvangen, door een socialezekerheidsinstelling van hen wordt gevorderd, namelijk : - enerzijds, de sociaal verzekerde van wie de terugbetaling wordt gevorderd van een niet-verschuldigd bedrag inzake gezondheidszorg of vergoedingen, inzake prestaties op het vlak van pensioenen of van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of van vergoedingen gestort ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte, of nog inzake kinderbijslag, en die, in een dergelijk geval, het voorwerp moet uitmaken van een beslissing tot terugvordering waarbij de wetsbepalingen van elk van die regelingen erin voorzien dat daarvan bij aangetekende brief kennis dient te worden gegeven opdat de betrokken socialezekerheidsinstelling het voordeel van de verjaringsstuitende werking geniet; - anderzijds, de sociaal verzekerde die schuldenaar is van onterecht ontvangen werkloosheidsuitkeringen en van wie, in die interpretatie, de terugbetaling ervan zou kunnen worden gevorderd bij een gewoon schrijven, dat geacht wordt dezelfde verjaringsstuitende werking te hebben als de aangetekende brief die in de andere sectoren van de sociale zekerheid wordt vereist ? Is artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in die zin geïnterpreteerd dat het de stuiting van de verjaring afhankelijk maakt van de kennisgeving bij aangetekende brief, door de RVA aan de werkloze, van de beslissing tot uitsluiting en tot terugvordering van de uitkeringen die hij onterecht heeft ontvangen, in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet het verschil in behandeling veroorzaakt dat het gevolg is van de niet-inachtneming van die formaliteit ten opzichte van de sociaal verzekerden die schuldenaars zijn van sociale uitkeringen die in de andere, hiervoor vermelde socialezekerheidsregelingen zijn ontvangen zonder recht erop te hebben ? ». Memories zijn ingediend door : - C.P., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Martin, advocaat bij de balie te Verviers; 3 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Loveniers, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 30 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 30 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C.P. geniet werkloosheidsuitkeringen sinds 1 oktober

  1. Op 8 augustus 2014 beslist de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : de RVA) C.P. uit te sluiten van de werkloosheidsuitkeringen van 20 februari 2008 tot 27 mei 2013, om reden dat hij, voor eigen rekening en voor rekening van derden, een activiteit heeft uitgeoefend die niet verenigbaar is met het ontvangen van de uitkeringen. Hij sluit hem tevens uit van het recht op de uitkeringen voor een duur van 27 weken vanaf 11 augustus 2014, bij wijze van sanctie. Ten slotte beveelt hij de terugvordering van de sinds 1 juli 2009 ten onrechte ontvangen uitkeringen. Op dezelfde datum wordt van die beslissing bij gewone brief aan C.P. kennisgegeven. Op 30 oktober 2014 stelt C.P. tegen die beslissing beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers. Op 18 september 2017 wijst de Rechtbank haar vonnis. Op 18 oktober 2017 stelt C.P. tegen dat vonnis hoger beroep in bij het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Voor het Arbeidshof zijn de partijen het oneens over de vraag of de RVA de uitkeringen kan terugvorderen die C.P. ten onrechte heeft ontvangen tussen juni 2011 en september 2013, terwijl van de beslissing van 8 augustus 2014 waarbij die terugvordering wordt bevolen, niet bij aangetekende brief aan de geadresseerde ervan is kennisgegeven. Het verwijzende rechtscollege is van mening dat de stuiting van de verjaring altijd afhankelijk is van het stellen, door de schuldeiser, van een handeling waaruit voor zijn schuldenaar de intentie blijkt om de verjaring te stuiten, met, in dalende volgorde wat de complexiteit van de stuitende handeling betreft, de dagvaarding in rechte, het betalingsbevel, de aangetekende brief met ontvangstbewijs en, in fine, de aangetekende brief, die de meest eenvoudige en minst dure manier is waarin de wetgever heeft voorzien voor de socialezekerheidsinstellingen. Volgens het verwijzende rechtscollege rijst de vraag of de RVA, die beschikt over het « privilège du préalable », wanneer hij de in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : de besluitwet van 28 december 1944) bedoelde 4 verjaringstermijn wil stuiten, zich bij gewone brief kan onttrekken aan de vormvereiste van de stuiting van de verjaring die bestaat in de kennisgeving bij aangetekende brief van de beslissing tot het bevelen van de terugvordering van de ten onrechte ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De verwijzende rechter stelt bijgevolg aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
  2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat het Hof van Cassatie, bij zijn arrest van 22 maart 2010, heeft geoordeeld dat, opdat het verloop van de verjaring wordt gestuit, de beslissing van de RVA moet zijn genomen binnen de verjaringstermijn bedoeld in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december
  3. Zij is van mening dat artikel 7, § 13, vierde lid, van die besluitwet de RVA ertoe verplicht van zijn beslissing kennis te geven bij een ter post aangetekende brief. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege veronderstelt de kennisgeving bij aangetekende brief dat de geadresseerde ofwel de aangetekende brief heeft ontvangen, ofwel een bericht van de postbode waarin wordt meegedeeld dat de brief kan worden afgehaald in het aangegeven postkantoor, wanneer de postbode de brief niet heeft kunnen afgeven. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de RVA, net als andere socialezekerheidsinstellingen, aan de sociaal verzekerde via de aangetekende kennisgeving duidelijk moet aangeven dat hij het verloop van de verjaring wil stuiten en de ten onrechte betaalde bedragen wil terugvorderen. Zij voert enerzijds aan dat de sociaal verzekerde op zekere wijze moet kunnen worden geïnformeerd en anderzijds dat de RVA met zekerheid moet weten dat de beslissing door de sociaal verzekerde in ontvangst is genomen. Zij is van mening dat die zekerheid wordt geboden door de aangetekende brief. Volgens haar maakt die vormvereiste het ook mogelijk de aandacht van de sociaal verzekerde te vestigen op het belang en op de gevolgen van de beslissing waarvan aan hem is kennisgegeven. A.1.
  4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat daarnaast rekening moet worden gehouden met het voornemen van de wetgever om de periode te beperken tijdens welke de ten onrechte betaalde uitkeringen kunnen worden teruggevorderd, teneinde te voorkomen dat te grote schulden zich opstapelen zodat de sociaal verzekerde wordt geruïneerd. Volgens haar zou, indien wordt aanvaard dat de verzending van een gewone brief door de RVA de verjaring kan stuiten, tot gevolg hebben dat de werkloze wordt benadeeld ten opzichte van alle andere sociaal verzekerden ten aanzien van wie de verjaring alleen bij aangetekende brief kan worden gestuit. A.2.
  5. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen op verkeerde premissen berusten. A.2.
  6. Volgens hem blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 27 maart 2006, S.05.0022.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060327.4 en 22 maart 2010, S.09.0084.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100322.7) en die van het Grondwettelijk Hof (arresten nrs. 83/2009 van 14 mei 2009 en 162/2009 van 20 oktober 2009) dat de RVA is onderworpen aan twee verjaringstermijnen wanneer het de werkloosheidsuitkeringen wil terugvorderen die de sociaal verzekerde ten onrechte heeft ontvangen. In de eerste plaats beschikt de RVA, krachtens artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944, over een termijn van drie jaar of, ingeval van bedrog, vijf jaar om de terugvordering te bevelen van de ten onrechte ontvangen uitkeringen. De beslissing van de RVA is een uitvoerbare titel. De Ministerraad is van mening dat, overeenkomstig artikel 7, § 13, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944, de voormelde verjaringstermijnen van drie of vijf jaar kunnen worden gestuit bij een ter post aangetekende brief en door de andere gemeenrechtelijke wijzen van stuiting, waartoe de gewone brief niet behoort. 5 Ten tweede kan de RVA de beslissing uitvoeren door over te gaan tot de effectieve terugvordering van het onverschuldigde bedrag binnen de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. A.2.
  7. Hij preciseert dat de RVA uit artikel 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering » (hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991) de bevoegdheid ontleent om zichzelf een uitvoerbare titel te verlenen met bevel de ten onrechte ontvangen uitkeringen terug te vorderen. Hij herinnert eraan dat de RVA beschikt over het voorrecht van de gedwongen tenuitvoerlegging. Volgens hem vormt de administratieve beslissing van de RVA die in het geding is voor het verwijzende rechtscollege dus geen verjaringstuitende handeling, maar de uitoefening van het recht om de terugvordering van de ten onrechte ontvangen uitkeringen te bevelen. Die administratieve beslissing van de RVA heeft gevolgen die gelijkwaardig zijn aan die van een uitvoerbaar vonnis. Een van die gevolgen is dat de aanvankelijke bevrijdende verjaring van drie of vijf jaar wordt vervangen door de bevrijdende verjaring van 10 jaar, bepaald in artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijke Wetboek. Hij is met andere woorden van mening dat, zodra die beslissing is genomen, zij niet een nieuwe termijn van drie of vijf jaar doet ingaan, maar de tweede verjaringstermijn van tien jaar die van toepassing is op de effectieve terugvordering van het onverschuldigde bedrag. Hij voert aan dat geen enkele norm de geldigheid van de administratieve beslissing van de RVA waarbij de terugvordering van het onverschuldigde bedrag wordt bevolen, afhankelijk maakt van de kennisgeving ervan bij aangetekende brief. Van die beslissing kan worden kennisgegeven bij gewone brief, overeenkomstig artikel 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en artikel 16 van het Handvest van de sociaal verzekerde. Hij herinnert tevens eraan dat het Hof van Cassatie een arrest van het Arbeidshof te Luik heeft vernietigd waarbij dat rechtscollege had geoordeeld dat de verjaringstermijn van drie jaar, bepaald in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944, niet op geldige wijze was gestuit daar van de beslissing waarbij de terugvordering van het onverschuldigde bedrag is bevolen, niet bij aangetekende brief, maar bij gewone brief was kennisgegeven. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het aan het Arbeidshof staat te bepalen of een termijn van drie jaar is verstreken tussen de effectieve betalingen en de beslissing waarbij de terugvordering van het onverschuldigde bedrag was bevolen (Cass., 8 oktober 2007, S.07.0012.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071008.4). De Ministerraad is van mening dat de RVA evenwel van de beslissing kan kennisgeven bij aangetekende brief indien hij het bewijs wil van de datum waarop van die beslissing is kennisgegeven aan de geadresseerde ervan. Volgens hem blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie van 27 maart 2017 (S.16.0065.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170327.4) dat dat bewijs evenwel via elk rechtsmiddel kan worden verkregen. A.2.
  8. De Ministerraad leidt hieruit af dat de prejudiciële vragen berusten op premissen volgens welke, enerzijds, de kennisgeving van de beslissing waarbij de terugvordering van de werkloosheidsuitkeringen wordt bevolen, een handeling is die de verjaringstermijn van drie jaar bepaald in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 stuit, en, anderzijds, de interpretatie van het Hof van Cassatie erop neerkomt te beschouwen dat de RVA zich zou kunnen onttrekken aan de vormvereiste van de aangetekende brief om de verjaring te stuiten overeenkomstig artikel 7, § 13, vierde lid, van dezelfde besluitwet. A.2.
  9. Daarnaast voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling dat wordt opgeworpen in de eerste prejudiciële vraag, niet bestaat, daar de andere socialezekerheidsreglementeringen die worden beoogd in het verwijzingsarrest, eveneens bepalen dat de verjaringstermijn van drie of vijf jaar die van toepassing is op de vordering tot terugvordering van het onverschuldigde bedrag kan worden gestuit door de aangetekende zending of door de gemeenrechtelijke wijzen van stuiting van de verjaring. Hoewel het juist is dat in de andere takken van de sociale zekerheid die vordering daarentegen bij een rechter moet worden ingesteld door de betrokken socialezekerheidsinstellingen teneinde een uitvoerbare titel te verkrijgen, terwijl de RVA de bevoegdheid geniet om zichzelf een uitvoerbare titel toe te kennen door de beslissing te nemen waarbij de terugvordering van het onverschuldigde bedrag wordt bevolen, herinnert de Ministerraad eraan dat het Grondwettelijk Hof bij zijn voormelde arrest nr. 162/2009 heeft geoordeeld dat dat verschil in behandeling niet discriminerend is. A.2.
  10. De Ministerraad merkt eveneens op dat de mogelijkheid om van de beslissing waarbij de terugvordering van het onverschuldigde bedrag wordt bevolen, kennis te geven bij gewone brief, niet is voorgeschreven bij de in geding zijnde bepaling, maar bij de artikelen 146, vierde lid, en 170 van het koninklijk besluit van 25 november
  11. Die bepalingen ontsnappen volgens hem echter aan de toetsing door het Hof. 6 -B- B.
  12. Artikel 7, § 13, van de besluitwet van 28 december 1944 « betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : de besluitwet van 28 december 1944), zoals gewijzigd bij artikel 112 van de programmawet van 30 december 1988, bepaalt : « De rechtsvorderingen tot uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Deze termijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben. Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. De verjaringstermijnen bepaald in het tweede lid gaan in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd. Wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven geldig ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen. […] ». B.2.
  13. Die bepaling vindt haar oorsprong in een voorontwerp van wet « tot wijziging van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot intrekking van de wet van 11 maart 1977 tot invoering van een verjaringstermijn voor schulden jegens de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen », dat uiteindelijk niet is neergelegd bij het Parlement, maar het voorwerp heeft uitgemaakt van een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. B.2.
  14. De afdeling wetgeving van de Raad van State had opgemerkt : 7 « De eerste volzin van het tweede lid van de ontworpen paragraaf 13 bepaalt dat ‘ de rechtsvorderingen en de administratieve beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar ’. Er is in die bepaling niet alleen sprake van rechtsvorderingen, maar ook van administratieve beslissingen, omdat, naargelang van het geval, de terugvordering wordt bevolen ofwel door de gewestelijke inspecteur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ofwel door de bevoegde rechtsmacht ingevolge een door de betalingsinstelling ingestelde rechtsvordering (zie artikelen 211 en 216 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid). De verjaring is echter een termijn na verloop waarvan een bepaald recht hetzij verkregen wordt, hetzij verloren gaat, zodat er bezwaarlijk kan worden gesproken van de verjaring van een administratieve beslissing. Wat blijkbaar wordt bedoeld, is het bepalen van een termijn gedurende welke de beslissing kan worden genomen. Er wordt dan ook in overweging gegeven de eerste volzin van het tweede lid van de ontworpen paragraaf 13 als volgt te stellen : ‘ Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvorderingen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaren na drie jaar ’ » (RvSt, advies nr. 18.232/1/V van 3 september 1987). B.3.
  15. De door de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgestelde formulering is overgenomen in het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de programmawet van 30 december 1988 (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 609/1, pp. 203-204). B.3.
  16. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Dit artikel stelt een termijn van drie jaar vast voor de verjaring van de rechtsvorderingen tot betaling van de werkloosheidsuitkeringen, ter vervanging van de huidige termijn van vijf jaar in het gemeen recht en conformeert zich aldus aan de praktijk die in de andere sectoren van de sociale zekerheid van kracht is (eerste lid). Een termijn van dezelfde duur wordt ten behoeve van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening vastgesteld om de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen evenals ten behoeve van de uitbetalingsinstellingen om hun vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen in te stellen; deze termijn wordt evenwel op vijf jaar gebracht in geval van arglist of bedrog van de werkloze (tweede lid). Deze bepalingen zijn analoog aan de bepalingen van de wet van 11 maart
  17. Dienaangaande dient eraan herinnerd dat in artikel 210 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid wordt bepaald dat, wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw werkloosheidsuitkeringen, waarop hij geen recht had, ontvangen heeft, de terugvordering beperkt wordt tot de laatste honderdvijftig dagen van de onverschuldigde betaling. 8 De administratieve beslissingen waarvan sprake, hebben hetzelfde gevolg als het optreden in rechte, want doordat de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, die in hoedanigheid van administratie over het ‘ privilège du préalable ’ beschikt, deze beslissingen neemt, bezorgt hij zichzelf een uitvoerbare titel. Uiteraard beschikt de werkloze daartegen over een beroep : tegen de administratieve beslissing die de uitsluiting van het recht op uitkeringen inhoudt en die de terugvordering beveelt van de bedragen die eventueel gedurende de uitsluitingsperiode ontvangen werden, beschikt hij over een beroep wat het recht op werkloosheidsuitkeringen zelf betreft en wat het principe van de terugvordering betreft; tegen de daaropvolgende beslissing die het juiste bedrag betekent van de bedragen die moeten worden terugbetaald, beschikt hij over een beroep wat het bedrag ervan betreft. Gelet op de duur van de in aanmerking genomen termijnen, wordt er met de voorgelegde tekst eveneens naar gestreefd de stuiting van de verjaring te vergemakkelijken. Naast de gewone methoden, namelijk de dagvaarding, het bevelschrift door de gerechtsdeurwaarder en elke vorm van beslag, wordt er voorzien in een vereenvoudigde manier, zijnde de aangetekende brief. Van deze methode zullen zowel de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en de uitbetalingsinstelling als de werkloze eenmaal of verscheidene malen gebruik kunnen maken (vierde lid) » (ibid., pp. 55-56). B.
  18. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo geïnterpreteerd dat van een sociaal verzekerde die ten onrechte ontvangen werkloosheidsuitkeringen verschuldigd is, bij beslissing die bij gewone brief ter kennis wordt gebracht, kan worden gevorderd die terug te betalen, waarbij die kennisgeving dezelfde verjaringsstuitende werking heeft als een aangetekende brief, terwijl, in de andere takken van de sociale zekerheid de kennisgeving moet gebeuren bij aangetekende brief opdat de verjaring kan worden gestuit. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 7, § 13, tweede, derde en vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo geïnterpreteerd dat van een sociaal verzekerde die ten onrechte ontvangen werkloosheidsuitkeringen verschuldigd is, bij beslissing waarvan is kennisgegeven bij aangetekende brief opdat de bevrijdende verjaring zou worden gestuit, zou moeten worden gevorderd die terug te betalen, zoals in de andere takken van de sociale zekerheid het geval zou zijn. B.
  19. Artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 machtigt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : de RVA) ertoe de beslissing waarbij de terugvordering wordt bevolen van de ten onrechte ontvangen uitkeringen, te nemen binnen een 9 termijn van drie jaar die ingaat de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarop de uitkeringen betrekking hebben. Die termijn wordt op vijf jaar gebracht in geval van arglist of bedrog van de werkloze. Overeenkomstig artikel 7, § 13, vierde lid, van dezelfde besluitwet kunnen de voormelde verjaringstermijnen van drie of vijf jaar worden gestuit bij ofwel een ter post aangetekende brief, ofwel één van de in het oud Burgerlijk Wetboek opgesomde wijzen van stuiting, namelijk de dagvaarding voor het gerecht, het bevel tot betaling, de aanmaning tot betaling bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of het beslag, betekend aan diegene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen (artikel 2244, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek), de ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs (artikel 2244, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek) en de erkenning van het recht van de schuldeiser (artikel 2248 van het oud Burgerlijk Wetboek). B.
  20. Daar de RVA een administratie is die beschikt over het « privilège du préalable » en over het voorrecht van de gedwongen tenuitvoerlegging, geldt de administratieve beslissing waarbij de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen wordt bevolen, als een uitvoerbare titel. De tienjarige verjaringstermijn, bepaald in artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek, toegepast op de terugbetaling van de door de RVA ten onrechte uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen, kan alleen betrekking hebben op de uitvoering van de door de RVA verleende uitvoerbare titel. Die tweede verjaringstermijn kan eveneens worden gestuit door de voormelde gemeenrechtelijke wijzen van stuiting. B.
  21. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat wanneer de RVA de beslissing neemt om de terugvordering van het onverschuldigde bedrag te bevelen, de verjaringstermijn van drie of vijf jaar niet verder loopt, maar niet wordt gestuit (Cass., 27 maart 2006, S.05.0022.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060327.4, 8 oktober 2007, S.07.0012.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071008.4, en 22 maart 2010, S.09.0084.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100322.7). De stuiting van de verjaring zou immers inhouden dat een nieuwe termijn waarvan de duur gelijk is aan die van de vorige, zou ingaan teneinde de RVA toe te laten een beslissing te nemen, terwijl die beslissing reeds is genomen. 10 B.
  22. Artikel 7, § 13, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 beoogt alleen de verjaringsstuitende handelingen. Het legt dus geen bijzondere wijze van kennisgeving op ten aanzien van de administratieve beslissing van de RVA. B.
  23. De eerste prejudiciële vraag berust op de premisse volgens welke de kennisgeving van de beslissing waarbij de terugvordering van de werkloosheidsuitkeringen wordt bevolen, ongeacht of dat gebeurt bij aangetekende brief of bij gewone brief, een handeling is die de in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december 1944 vastgestelde verjaringstermijnen stuit. De tweede prejudiciële vraag berust op de premisse volgens welke de kennisgeving van die beslissing de voormelde verjaringstermijnen stuit, voor zover die kennisgeving bij aangetekende brief gebeurt. B.
  24. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de kennisgeving van de beslissing waarbij de terugvordering van de werkloosheidsuitkeringen wordt bevolen, geen handeling is die de verjaringstermijnen stuit die zijn bepaald in artikel 7, § 13, tweede lid, van de besluitwet van 28 december
  25. Artikel 7, § 13, vierde lid, van dezelfde besluitwet is derhalve daarop niet van toepassing. De twee prejudiciële vragen berusten dus op een verkeerde premisse, zodat zij geen antwoord behoeven. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 oktober
  26. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.129 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060327.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071008.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100322.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170327.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.