← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.130

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.130 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.3 Arrest- Rolnummer: 130/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-21 Raadplegingen: 748 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt in het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » de woorden « of verplaatsing » in artikel 26, § 3; 2. onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.18.6, verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen », ingesteld door Hilde Vertommen en door de vzw « Landelijk Vlaanderen » en anderen. Publiek recht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Vlaams Gewest - Gemeentewegen - Wijzigingen van het gemeentelijk wegennet - Gemeentelijk rooilijnplan - Realisatie van gemeentewegen - Ontstaan en opheffing van gemeentewegen - Bestemming via een overeenkomst - Beheer van gemeentewegen - In ongebruik geraakte grondstroken - Wegenregister - Handhaving. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 03-05-2019 - 26,§3 - 47 ELI link Pub nr 2019013704 Tekst van de beslissing Rolnummers 7290 en 7361 Arrest nr. 130/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen », ingesteld door Hilde Vertommen en door de vzw « Landelijk Vlaanderen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft Hilde Vertommen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2019). Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de gedeeltelijke schorsing van hetzelfde decreet. Bij het arrest nr. 21/2020 van 6 februari 2020, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 september 2020, heeft het Hof de vordering tot gedeeltelijke schorsing verworpen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 februari 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door de vzw « Landelijk Vlaanderen », René Verhaert en Carina Bauwens, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Verbist en Mr. J. Claes, advocaten bij de balie van Antwerpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7290 en 7361 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Vernaillen en Mr. K. Dams, advocaten bij de balie van Antwerpen, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 2 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 16 juni 2021 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 16 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaak nr. 7290 A.1.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 7290 bij de vernietiging. De mogelijke toepassing van het bestreden decreet is louter hypothetisch. Volgens de Regering verschilt de situatie van de verzoekende partij niet van haar situatie onder de vorige regeling, die de gemeente eveneens de mogelijkheid bood tot onteigening te besluiten. Onder de vorige regeling was het bovendien eveneens mogelijk om een rooilijnplan vast te leggen zonder onmiddellijk over te gaan tot onteigening, waarbij een bouwverbod werd opgelegd zonder vergoeding. A.1.2. De Vlaamse Regering voert daarnaast aan dat het enige middel in de zaak nr. 7290 onontvankelijk is, bij gebrek aan uiteenzetting zowel omtrent een groot aantal van de bestreden bepalingen, als inzake de normen die zouden zijn geschonden. Zij benadrukt dat het Hof in zijn arrest nr. 21/2020 vaststelde dat de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7290 enkel ontvankelijk zijn bevonden in zoverre zij gericht zijn tegen de artikelen 2, 11° en 12°, 25, § 2, 26, §§ 2 en 3, en 28 van het bestreden decreet. Wat betreft de zaak nr. 7361 A.2.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 niet beschikken over het vereiste belang. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij bestaat erin te ijveren voor de belangen van het platteland en de natuur in het algemeen in Vlaanderen, waarbij zij stelt dat alle zakelijke rechten op onroerende goederen in de ruimste betekenis van het woord behartigd moeten worden. Zij toont volgens de Vlaamse Regering niet aan dat een dergelijk ruim doel niet samenvalt met het algemeen belang. A.2.2. Wat betreft de tweede en derde verzoekende partij voert de Vlaamse Regering aan dat hun belang louter hypothetisch is, aangezien zij hun vrees om geconfronteerd te worden met een nieuwe beslissing van de gemeente Grobbendonk op geen enkele wijze staven met concrete elementen. In elk geval hebben de verzoekende partijen voldoende mogelijkheden om eventuele uitvoeringsbesluiten aan te vechten. Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 A.3.1. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 2, 4, 6, 8, 10 tot 12, 16 tot 19, 24 tot 28, 66, 70, 72 en 85 tot 87 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (hierna : het decreet van 3 mei 2019), van de artikelen 10, 11, 13, 16, 23, 40, 144 en 145 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus, en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». De verzoekende partij klaagt aan dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen de eigenaar van een grond waarop een nieuwe gemeenteweg wordt aangelegd, en de eigenaar van een grond waarop een bestaande gemeenteweg wordt aangelegd, gewijzigd of verplaatst. In het eerste geval is de gemeente in beginsel gehouden de nodige grond te verwerven, eventueel in de vorm van een onteigening, waarbij de eigenaar recht heeft op een integrale schadeloosstelling. In dat geval beschikt de eigenaar bovendien over een beroepsmogelijkheid bij een rechter met volle rechtsmacht. In het tweede geval heeft de vaststelling van het rooilijnplan de automatische vastlegging van een publieke erfdienstbaarheid van doorgang tot gevolg, waarbij de eigenaar enkel recht heeft op een vergoeding voor de waardevermindering. Bovendien kan uit het decreet volgen dat die waardevermindering enkel betrekking heeft op de grond, en niet op de gebouwen die op die grond gevestigd 4 zijn. Tegen een rooilijnplan is weliswaar een administratief beroep bij de Vlaamse Regering mogelijk, maar die kan het plan slechts wegens een beperkt aantal motieven vernietigen, zonder dat rekening wordt gehouden met het al dan niet correct begroten van de waardevermindering. Een eventueel beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de Vlaamse Regering kan niet worden beschouwd als een beroep met volle rechtsmacht. Dat verschil in behandeling is niet verantwoord, onder andere in het licht van de eigendomsbeperking die de vastlegging tot gevolg heeft voor de eigenaars van een grond waarop een bestaande gemeenteweg gesitueerd is. Door het rooilijnplan worden deze eigenaars immers geconfronteerd met een bouwverbod, maar bovendien is het mogelijk dat de aanleg of de aanpassing van de gemeenteweg ingevolge de inname van de grond door een verharding, enkel aanleiding geeft tot een waardevermindering, terwijl het gaat om een eigendomsberoving en een feitelijke onteigening. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt volgens de verzoekende partij dat de enige reden voor het aangeklaagde verschil in behandeling erin bestaat de begroting van de gemeente te vrijwaren. Bovendien laat deze regeling toe om verharding in te voeren in zones waarin kwetsbare natuur aanwezig is. A.3.2. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste onderdeel van het middel, indien het ontvankelijk zou zijn, niet gegrond is aangezien het berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Zowel bij de aanleg van nieuwe gemeentewegen als bij de wijziging of verplaatsing van bestaande gemeentewegen is er geen absolute verplichting om te onteigenen. Bovendien is er in het geval van een erfdienstbaarheid geen sprake van een onteigening, waardoor er in principe zelfs geen enkele vergoeding vereist is. Het decreet voorziet echter alsnog in een vergoedingsregeling. De concrete toepassing van die vergoedingsregeling kan bovendien krachtens artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek voor de rechtbank van eerste aanleg worden betwist. Personen die geconfronteerd worden met een wijziging van een gemeenteweg, worden dus geenszins nadeliger behandeld dan degenen die onteigend worden in het kader van de aanleg van een nieuwe weg. Wat betreft het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 A.4.1. In het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 klaagt de verzoekende partij aan dat het bestreden decreet de aanleg, wijziging en verplaatsing van gemeentewegen niet omringt met voldoende procedurele waarborgen, en bijgevolg een schending inhoudt van de artikelen 10, 11, 13, 16, 23, 40, 144 en 145 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus, en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». Zo is niet vereist dat de aanleg, wijziging of verplaatsing strikt noodzakelijk is, of dat er een billijk evenwicht moet worden gezocht tussen het algemeen belang en het individueel eigendomsrecht. Tot slot is niet gewaarborgd dat de schadevergoeding voor de waardevermindering de werkelijke kosten dekt. Daarnaast verwijst de verzoekende partij naar de grieven die in het kader van het eerste onderdeel werden uiteengezet. A.4.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partij over het hoofd ziet dat het bestreden decreet uitdrukkelijk bepaalt dat alle onteigeningen moeten gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : decreet van 24 februari 2017), dat alle noodzakelijke waarborgen bevat. Met betrekking tot het georganiseerd administratief beroep merkt de Vlaamse Regering op dat dit de partijen niet verhindert een procedure aanhangig te maken bij de gewone hoven en rechtbanken. Ook voor het overige biedt het bestreden decreet voldoende waarborgen, en sluit het de toepassing van andere waarborgen, zoals bijvoorbeeld de uitvaardiging van een dwangbevel, niet uit. Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 A.5.1. De Vlaamse Regering stelt dat het eerste middel in de zaak nr. 7361 in grote mate onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 beperken zich volgens de Vlaamse Regering tot zeer algemene beweringen zonder dat op concrete wijze wordt toegelicht hoe de bestreden bepalingen de aangehaalde normen schenden. A.5.2. Het eerste middel in de zaak nr. 7361 bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel van hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 de schending aan, door het bestreden decreet, van de artikelen 11, 12, 16 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het beginsel van gelijkheid van de burgers 5 voor openbare lasten, met de artikelen 17, lid 1, en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 3, lid 9, van het Verdrag van Aarhus en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». Dat onderdeel, waarin de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden decreet zonder compenserende vergoeding of noodzaak het eigendomsrecht beperkt dan wel volledig opheft, is op zijn beurt opgedeeld in veertien verschillende grieven. A.6.1. In de eerste grief, die op zijn beurt in negen punten is opgedeeld, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 aan dat de volgende termen onduidelijk gedefinieerd zijn : - « aangelanden », omdat volgens de verzoekende partijen de definitie in het decreet niet toelaat met zekerheid te bepalen of eigenaars van percelen die door een gemeenteweg doorkruist worden, onder dat begrip vallen; - « rooilijn », omdat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de definitie in het bestreden decreet en de definitie uit het decreet van 8 mei 2009 « houdende vaststelling en realisatie van de gewestelijke rooilijnen » (hierna : het decreet van 8 mei 2009); - « gemeentelijk rooilijnplan » omdat het gemeentelijk rooilijnplan een openbare bestemming geeft aan de gronden die in de gemeenteweg opgenomen zijn, en bijgevolg een directe impact heeft op het eigendomsrecht van de betrokken eigenaars; - « gemeenteweg », omdat uit de definitie blijkt dat een gemeenteweg ook over privaat terrein kan lopen. Dit dreigt rechtsonzekerheid te doen ontstaan ten opzichte van de eigenaars van private wegen die in het kader van het decreet van 21 oktober 1997 « betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu » (hierna : het decreet van 21 oktober 1997) worden opengesteld, omdat dit de betrokken eigenaren zou kunnen ontraden om hun wegen open te stellen; - « trage weg », omdat niet duidelijk is wat traag dan wel snel verkeer is, waardoor de beslissing in de praktijk aan de gemeente wordt overgelaten; - « verplaatsing of wijziging van een gemeenteweg », aangezien het begrip gemeenteweg zelf onduidelijk is. Een verwijzing naar de gebruikelijke betekenis van verplaatsen of wijzigen volstaat volgens de verzoekende partijen niet; - « gemeentelijk beleidskader », omdat het instrument van het gemeentelijk beleidskader de ruimte laat om het decretaal kader willekeurig in te vullen, zonder dat de eigenaars van de betrokken percelen voldoende inspraak krijgen, waardoor hun eigendomsrecht wordt aangetast; - « bestaande gemeenteweg », omdat onduidelijk is hoe die term zich verhoudt tot wegen die vóór 1 september 2019 in onbruik zijn geraakt, waarbij de verzoekende partijen opmerken dat ook de term « gebruik door het publiek » onvoldoende duidelijk is; - « beheer », omdat de definitie te verregaand is en de gemeente te veel mogelijkheden biedt om maatregelen te nemen op andermans eigendom. A.6.2. De Vlaamse Regering betwist dat de opgesomde definities onduidelijk zijn : - het begrip « aangelanden » is wel degelijk duidelijk omschreven. Percelen die door een gemeenteweg worden doorkruist, zijn per definitie ook percelen die gelegen zijn langs een gemeenteweg; - met betrekking tot het begrip « rooilijn », dient het begrip « aangelanden » te worden begrepen in de voormelde betekenis. Het decreet van 8 mei 2009 heeft immers, ten gevolge van het bestreden decreet, enkel betrekking op gewestwegen. Het feit dat het bestreden decreet een autonome definitie hanteert, is dus logisch. De rooilijn in de betekenis van het bestreden decreet, is geen eigendomsgrens, maar de grens van de openbare weg; 6 - in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, geeft het gemeentelijk rooilijnplan enkel een toekomstige openbare bestemming aan de gronden die in de gemeenteweg worden opgenomen, door de rooilijn te bepalen. Het vormt slechts de basis voor de aanleg van de gemeenteweg. Tegen de definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan staat bovendien een georganiseerd administratief beroep met schorsende werking open; - de omschrijving van het begrip « gemeenteweg » is duidelijk. Het feit dat een gemeenteweg ook over private eigendom kan lopen, doet daaraan geen afbreuk; - met betrekking tot de « trage wegen » kunnen de verzoekende partijen evenmin worden gevolgd. De verwijzing naar de hoofdzakelijke bestemming voor niet-gemotoriseerd verkeer leunt het dichtst aan bij het dagdagelijkse woordgebruik. De verzoekende partijen verwijzen ten onrechte naar de snelheid als bepalend criterium. De bevoegdheid van de gemeente is een logisch gevolg van het feit dat dergelijke trage wegen gemeentewegen zijn. Tot slot wordt voornamelijk naar de trage wegen verwezen in het kader van de doelstellingen van het decreet, waarvoor op verschillende niveaus concretisering nodig is. De definitie heeft dan ook niet de verregaande gevolgen die de verzoekende partijen eraan verbinden; - het « gemeentelijk beleidskader » wordt op participatieve wijze opgesteld conform de beginselen die door het decreet worden vastgelegd. Het gaat om een beleidskader dat op zichzelf geen uitdrukkelijke rechtsgevolgen teweegbrengt; - met betrekking tot de term « bestaande gemeenteweg », benadrukt de Vlaamse Regering dat dit past in het algemene kader van het bestreden decreet. Het is duidelijk dat dit begrip slaat op alle oude buurtwegen en gemeentelijke wegen die niet zijn verdwenen door onbruik of uitdrukkelijk zijn afgeschaft onder de wet van 10 april 1841 « op de buurtwegen ». A.7.1. In de tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 8, 13, 35, 38, 52, 53 en 68 aan derden een initiatiefrecht toekennen om gemeentewegen te realiseren, zonder dat de betrokken eigenaars enige inspraak hebben. Ze klagen eveneens aan dat het decreet in conflict dreigt te komen met de wet van 22 juli 1970 « op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet » (hierna : de wet van 22 juli 1970), die meer waarborgen biedt voor eigenaars. Daardoor wordt zowel het eigendomsrecht als het gelijkheidsbeginsel geschonden. A.7.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de grief is afgeleid uit een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Het initiatiefrecht voor het aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen van een gemeenteweg ligt duidelijk bij de overheid. De mogelijkheid om de gemeenteraad te attenderen op het feit dat een grondstrook gedurende meer dan dertig jaar als openbare weg gebruikt wordt, verandert daar niets aan. Het blijft nog steeds aan de gemeenteraad om dat gebruik vast te stellen in een formele administratieve beslissing. Die beslissing heeft een publiek recht van doorgang tot gevolg, maar is geen uitspraak over het eigendomsrecht van de eigenaar van de wegbedding. Met betrekking tot de wet van 22 juli 1970, is de cumulatieve werking uitdrukkelijk uitgesloten. A.8.1. In de derde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 klagen de verzoekende partijen aan dat krachtens artikel 13 van het bestreden decreet een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid kan worden opgelegd, terwijl de vereiste van « publiek gebruik » niet beantwoordt aan de vereisten die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie omtrent de verjaring op grond van het Burgerlijk Wetboek. A.8.2. Volgens de Vlaamse Regering moet het publiek gebruik duidelijk en ondubbelzinnig zijn, maar volstaat het dat het publiek openlijk de weg gebruikt heeft en dat nog steeds doet. Het is duidelijk dat het niet voldoende is dat een strook in het verleden ooit gedurende 30 jaar publiek werd gebruikt. Het feit dat de decreetgever een autonome visie heeft ontwikkeld op dat gebruik, past perfect in zijn materiële bevoegdheid en moet worden gezien in het kader van de nood aan een eenduidig en eengemaakt wegenrecht. Het feit dat die regeling bepaalde gelijkenissen vertoont met de regeling in het Burgerlijk Wetboek doet daaraan geen afbreuk. Tegelijk benadrukt de Regering dat de autonome regeling voldoende waarborgen biedt. Een eigenaar die zich duidelijk verzet tegen het publiek gebruik, bijvoorbeeld door aanduidingen of afsluitingen, zorgt ervoor dat er geen sprake kan zijn van een duidelijk en ondubbelzinnig publiek gebruik. Zelfs indien het publiek gebruik wordt vastgesteld, leidt dit enkel tot een erfdienstbaarheid van openbaar nut, die geen formele overdracht van een zakelijk recht inhoudt. Aangezien de eigenaar zijn eigendomstitel niet verliest, is de decreetgever in principe niet verplicht om in een vergoeding te voorzien. Om redenen van billijkheid heeft de decreetgever in artikel 28 van het bestreden decreet echter wel een uitdrukkelijke vergoedingsregeling opgenomen. Er is dus geen sprake van enige schending van het eigendomsrecht. 7 Met betrekking tot artikel 13, § 5, van het bestreden decreet, benadrukt de Vlaamse Regering dat voor de toepassing van die bepaling gedurende 30 jaar een ongestoord, openbaar, niet-dubbelzinnig bezit als eigenaar van de wegbedding is vereist, zoals duidelijk blijkt uit de parlementaire voorbereiding. De eigenaar kan die verjaring verhinderen door die bezitsdaden te betwisten bij de gewone hoven en rechtbanken. Ook tegen de beslissing van de gemeenteraad staat een jurisdictioneel beroep open. A.9.1. In de vierde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 klagen de verzoekende partijen aan dat artikel 15 van het bestreden decreet voorziet in de mogelijkheid dat er een overeenkomst wordt gesloten tussen de gemeente, de eigenaars en gebruikers van percelen of grondstroken om die tijdelijk of permanent als gemeenteweg te beschouwen. Zij leiden hieruit af dat de gemeente, in overeenkomst met derden, het gebruik van percelen kan regelen zonder de eigenaars van die percelen daarin te betrekken. Dit schendt het eigendomsrecht. Zij vragen zich daarnaast af hoe artikel 15 zich verhoudt tot de regeling inzake de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen, waarvoor de goedkeuring van de gemeenteraad vereist is. Tot slot is er een tegenstrijdigheid tussen de mogelijkheid om een grondstrook permanent als gemeenteweg te beschouwen en de beperking van de duur van de overeenkomst. A.9.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen zich opnieuw baseren op een foutieve lezing van het bestreden decreet. De overeenkomst wordt wel degelijk gesloten met de eigenaars en/of de gebruikers van het perceel, en niet met derden. De beperkte duur van de overeenkomst is er net op gericht te voorkomen dat een dergelijke overeenkomst kan leiden tot de verkrijgende verjaring van rechtswege door het dertigjarig publiek gebruik. A.10.1. In de vijfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 klagen de verzoekende partijen aan dat de procedure voor de opmaak van gemeentelijke rooilijnplannen, zoals bepaald in de artikelen 16 tot 19 van het bestreden decreet, onduidelijk is en lacunes bevat. Artikel 16 spreekt van een eventuele meer- of minderwaarde, terwijl artikel 28 uitgaat van een zekere meer- of minderwaarde. Artikel 16 vermeldt bovendien geen schattingsverslag. Er is evenmin duidelijkheid over de aanleg van nutsleidingen op private eigendom. Volgens de verzoekende partijen blijkt uit artikel 17 onvoldoende duidelijk wie wordt bedoeld met de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan, waardoor getroffen eigenaars geen kennisgeving zullen krijgen en mogelijk niet tijdig een administratief beroep kunnen instellen. A.10.2. Volgens de Vlaamse Regering beperken de verzoekende partijen zich tot een opsomming van zogenaamde onduidelijkheden en lacunes, zonder op enige manier uiteen te zetten hoe de aangehaalde rechtsbeginselen zouden zijn geschonden. Ondergeschikt is het duidelijk dat de realisatieplicht in het kader van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg in principe de rechtsplicht inhoudt om de wegbedding te verwerven, desnoods via onteigening. Van dat principe kan worden afgeweken bij middel van een overeenkomst met de eigenaar. Afhankelijk van de impact op de eigendomstitel, is in een verschillend vergoedingsstelsel voorzien. De Regering herhaalt haar argumentatie in het kader van de derde grief. Met betrekking tot artikel 17 van het bestreden decreet is het duidelijk dat het ontwerp van rooilijnplan voldoende wordt verspreid. Zo worden alle eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan persoonlijk bericht. A.11.1. In de zesde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 20 tot 23 en 28 van het bestreden decreet op ongrondwettige wijze onduidelijkheden bevatten. Opnieuw klagen zij aan dat in artikel 20 slechts sprake is van eventuele meerwaarde bij de opheffing van een gemeenteweg, terwijl artikel 28 lijkt uit te gaan van een zekere meerwaarde. Dit doet onzekerheid ontstaan bij de betrokken eigenaars. A.11.2. Opnieuw klaagt de Vlaamse Regering aan dat de verzoekende partijen zich beperken tot het aanhalen van vermeende onduidelijkheden, zonder uiteen te zetten hoe de opgesomde rechtsbeginselen geschonden zouden zijn. Er kan niet worden ingezien in welk opzicht de regeling betreffende de waardevermeerdering onduidelijk is. A.12.1. In de zevende grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, klagen de verzoekende partijen aan dat er krachtens artikel 26 van het bestreden decreet op de gemeente een realisatieplicht rust, wat volgens de verzoekende partijen impliceert dat derden de realisatie zouden kunnen afdwingen, zelfs op private eigendommen, zonder dat die mogelijkheid in de tijd wordt beperkt of met voldoende waarborgen wordt omringd. Zij verwijzen daarbij naar het decreet van 24 februari 2017, dat meer waarborgen zou bevatten. Volgens 8 de verzoekende partijen is artikel 26 bovendien tegenstrijdig, omdat de gemeente enerzijds moet overgaan tot de verwerving van de betrokken onroerende goederen, maar anderzijds een overeenkomst met de eigenaar kan afsluiten tot vaststelling van een erfdienstbaarheid van openbaar nut. Nochtans impliceert artikel 2, 5°, dat die erfdienstbaarheid rechtstreeks voortvloeit uit de vaststelling van het rooilijnplan. A.12.2. Volgens de Vlaamse Regering rust de grief weerom op een verkeerde lezing van het decreet. Er is geen sprake van een interne contradictie. Het feit dat bij de aanleg van een nieuwe gemeenteweg de eigendomsverwerving door de gemeente het principe is, sluit niet uit dat er in een mogelijkheid wordt voorzien om in bepaalde gevallen van dat principe af te wijken. Het is logisch dat de overheid de noodzaak tot onteigening steeds moet afwegen en motiveren. Het feit dat er geen termijn verbonden is aan de realisatieplicht, is het logische gevolg van het feit dat de gemeente over een discretionaire bevoegdheid beschikt om over te gaan tot realisatie wanneer haar budgetten dit toelaten. De vergelijking met het decreet van 24 februari 2017 is onterecht, aangezien noch in het kader van dat decreet, noch in het kader van enige andere Belgische wetgeving, enige verplichting bestaat voor de onteigenende overheid om daadwerkelijk tot onteigening over te gaan binnen een bepaalde termijn. A.13.1. In de achtste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, klagen de verzoekende partijen aan dat in de artikelen 26, 27 en 80 van het bestreden decreet in een habilitatiegrond voor onteigening wordt voorzien, hoewel het decreet eigendomsneutraal zou moeten zijn. Als het bestreden decreet werkelijk eigendomsneutraal is, dan is er per definitie nooit sprake van een onteigeningsnoodzaak. Er is evenmin in een billijke vergoeding voorzien. A.13.2. Het antwoord van de Vlaamse Regering loopt in grote mate gelijk met haar antwoord op de zevende grief. Wat betreft artikel 27 van het bestreden decreet, is het duidelijk dat de verzoekende partijen die bepalingen op kunstmatige wijze opdelen om tot een foutieve interpretatie te komen. Tot slot voorzien het decreet in een billijke compensatieregeling. A.14.1. In de negende grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, gericht tegen de artikelen 13, 16, 28 en 66 van het bestreden decreet, klagen de verzoekende partijen aan dat de waardevermeerdering of -vermindering in het decreet de ene keer als een vaststaand feit, en de andere keer als een mogelijkheid wordt behandeld. Dit leidt volgens hen tot ongrondwettige onzekerheid bij de eigenaars. Ook de concrete beoordeling van de waardevermeerdering of -vermindering wordt niet op voldoende duidelijke wijze geregeld. A.14.2. Het antwoord van de Vlaamse Regering loopt in grote mate gelijk met haar antwoord op de vorige grieven. Daarnaast benadrukt de Vlaamse Regering dat het logisch is dat de waardevermindering of -vermeerdering afhankelijk is van de concrete omstandigheden. De niet-limitatieve opsomming van de mogelijke criteria bij de begroting past in het kader van die logica. Het feit dat de waardevermeerdering krachtens artikel 28, § 2, derde lid, van het bestreden decreet, geacht wordt nihil te zijn als de gemeenteweg in de feiten verdwenen is, is het logische gevolg van het feit dat de gemeenteweg in dat geval louter administratief wordt opgeheven, maar dat er aan de feitelijke omstandigheden niets verandert, en er dus ook geen waardevermindering of -vermeerdering ontstaat. Wat de onderlinge neutralisering van de waardevermindering en -vermeerdering betreft, sluit dit uiteraard niet uit dat er een saldo in de ene of de andere richting kan zijn. Tot slot zijn er voldoende waarborgen die de tijdige betaling garanderen, en staan de gebruikelijke jurisdictionele beroepen open. A.15.1. In de tiende grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, klagen de verzoekende partijen aan dat het voorkeursrecht vervat in artikel 29 van het bestreden decreet onvoldoende precies geregeld is. Volgens hen doet het begrip « ongebruikt deel van een gemeenteweg » de indruk ontstaan dat het gaat om delen die nooit gebruikt zijn. De term ongebruikt is te onduidelijk. A.15.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat artikel 29 uitdrukkelijk bepaalt dat de waarde wordt begroot op de wijze vermeld in artikel 28, §§ 2 en 3, van het bestreden decreet. Zij ziet voor het overige niet in hoe de betrokken bepaling onduidelijk zou zijn, laat staan dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden. Hetzelfde geldt voor het begrip « ongebruikt », dat duidelijk verwijst naar het deel van de gemeenteweg dat in onbruik is geraakt door de wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. Het voorkeursrecht doet overigens geen afbreuk aan het recht van wederoverdracht in het kader van artikel 65 van het decreet van 24 februari 2017, dat onverkort van kracht blijft. A.16.1. De elfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 heeft betrekking op de afpaling, geregeld in de artikelen 30 tot 33 van het bestreden decreet. De verzoekende partijen klagen in essentie aan dat die regeling verschilt van de afpaling zoals die wordt geregeld in het Burgerlijk Wetboek. 9 A.16.2. De Vlaamse Regering wijst andermaal op het autonome karakter van het bestreden decreet. De eigenheid van het bestreden decreet, dat uitgaat van het eigendomsneutraal karakter van de gemeentewegen, heeft tot gevolg dat de afpaling in de zin van het bestreden decreet betrekking heeft op de grenzen van de gemeenteweg, zonder dat dit noodzakelijk ook eigendomsgrenzen zijn. De procedure biedt voldoende waarborgen. A.17.1. In de twaalfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 34 tot 36 van het bestreden decreet, die het beheer van de gemeentewegen regelen, een onzeker en onduidelijk kader creëren, dat de gemeenten toestaat om zeer verregaand op te treden op private eigendom. A.17.2. Allereerst wijst de Vlaamse Regering erop dat artikel 36 van het bestreden decreet volledig buiten beschouwing blijft in de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. De loutere uitoefening van beheerstaken op een gemeenteweg vormt geen inperking van het eigendomsrecht van de eigenaar. Bovendien dient bij de uitoefening van de beheerstaken steeds toepassing te worden gemaakt van de relevante regelgeving. Ook de beheersovereenkomst kan enkel betrekking hebben op de uitvoering van beheerstaken op gemeentewegen, waartoe de gemeentelijke overheid als enige bevoegd is. Voor het overige wordt niet in concreto uiteengezet hoe de opgesomde rechtsbeginselen geschonden zouden zijn. A.18.1. De dertiende grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 heeft betrekking op het wegenregister, geregeld bij de artikelen 37 en 86 van het bestreden decreet. De verzoekende partijen vrezen dat er fouten kunnen sluipen in het register, waardoor het louter informatief bestand tot publiek gebruik kan leiden. A.18.2. De Vlaamse Regering stelt dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling was van de decreetgever om een nieuwe allesomvattende atlas der gemeentewegen te creëren. Het gemeentelijke wegenregister is daarentegen een louter informatief gegevensbestand. Het valt niet in te zien hoe dat register op zich rechtstreeks negatieve gevolgen zou hebben voor de betrokken eigenaars. De grief is volledige gebaseerd op louter hypothetische veronderstellingen. A.19.1. In de veertiende grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 voeren de verzoekende partijen aan dat de ongrondwettigheid van de nieuwe bepalingen van het bestreden decreet tot gevolg heeft dat ook de bepalingen die de oude regels opheffen of wijzigen, vernietigd moeten worden. A.19.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen niet kunnen volstaan met de algemene stelling dat alle wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen moeten worden vernietigd. Wat betreft het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 A.20.1. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is op zijn beurt opgedeeld in twee grieven. Ten eerste klagen de verzoekende partijen dat artikel 4 van het bestreden decreet bepaalt dat wijzigingen van het gemeentelijk wegennet steeds in het algemeen belang moeten gebeuren. In tegenstelling tot de belangenafweging waarin voorzien is in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is er in de belangenafweging dus geen plaats voor de private belangen van de betrokken eigenaars. Ten tweede werpen de verzoekende partijen op dat in de procedure zoals bepaald in de artikelen 16 tot 20 van het bestreden decreet, niet in een effectenrapportage is voorzien, in tegenstelling tot de procedures in het kader van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 21 oktober 1997. A.20.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen over het hoofd zien dat, ondanks de verbeterde coördinatie tussen de verschillende domeinen die dankzij het bestreden decreet wordt gecreëerd, er nog steeds een duidelijk onderscheid bestaat tussen de besluitvorming over de zaak der wegen en de besluitvorming inzake ruimtelijke ordening. Wijzigingen van het gemeentelijk wegennet dienen steeds ten dienste te staan van het algemeen belang, maar dit sluit niet uit dat private belangen in overweging worden genomen. Uit het bestreden decreet blijkt dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen. De beslissing om het gemeentelijk wegennet te wijzigen is een uitzonderingsmaatregel, die afdoende gemotiveerd moet worden. 10 Volgens de Vlaamse Regering kan een wijziging van het gemeentelijk wegennet niet als een plan of project worden beschouwd. Het bestreden decreet doet op geen enkele wijze uitspraak over enige vergunning, noch wordt er op enige manier een kader gecreëerd voor toekomstige vergunningen. Wat betreft het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 A.21.1. In het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 voeren de verzoekende partijen aan dat de administratieve beroepsprocedure waarin is voorzien in de artikelen 24, 25 en 72 van het bestreden decreet onvoldoende waarborgen biedt inzake rechtsbescherming. De betekening van de gemeenteraadsbeslissing gebeurt enkel aan wie in het kader van het openbaar onderzoek een opmerking of bezwaar heeft ingediend. De mogelijkheid om beroep aan te tekenen wordt op die manier afhankelijk gemaakt van het toeval. Daarnaast blijkt uit artikel 25 dat het besluit van de gemeenteraad slechts om specifieke redenen kan worden vernietigd, wat de rechtsbescherming op onverantwoorde wijze beperkt. Eigenaars die met die procedure worden geconfronteerd, worden bijgevolg gediscrimineerd ten opzichte van personen die betrokken zijn in andere procedures, zoals bijvoorbeeld inzake omgevingsvergunningen. A.21.2. Met betrekking tot het openbaar onderzoek, kunnen de verzoekende partijen volgens de Vlaamse Regering geenszins worden gevolgd. Zij is van oordeel dat er voldoende waarborgen zijn ingebouwd, waaronder een afzonderlijke mededeling naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen gelegen in het ontwerp van gemeentelijke rooilijnplan. Idem voor het uiteindelijke besluit. Ook wat de rest van de procedure betreft, vertrekken de verzoekende partijen van een verkeerd uitgangspunt. Tegen het besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan of tot opheffing van de gemeenteweg is in een duidelijk en toegankelijk administratief beroep bij de Vlaamse Regering voorzien. Alle andere beslissingen van de gemeente zijn vanzelfsprekend steeds aanvechtbaar conform het gemeen recht. Het oordeel van de Vlaamse Regering moet gebeuren op grond van het bestreden decreet en de daarin vastgelegde doelstellingen en principes, het eventuele gemeentelijke beleidskader en afwegingskader, en de voorgeschreven substantiële vormen. Het gaat om een bijzondere ruime omschrijving van mogelijke vernietigingsgronden. Wat betreft het tweede middel in de zaak nr. 7361 A.22.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 13, 14, 28 en 38 tot 49 van het bestreden decreet, van de artikelen 11, 12, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 40 en 144 van de Grondwet, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het recht op toegang tot de rechter, met het beginsel van gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissing, met het beginsel van de scheiding der machten, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en met het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. A.22.2. De Vlaamse Regering voert aan dat het middel in grote mate onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. A.23.1. In het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7361 klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 13 en 14 van het bestreden decreet aan de gemeenteraad de mogelijkheid bieden om op eenzijdige wijze en zonder de betrokken eigenaars te horen, een vaststelling te doen inzake gemeentewegen. Op die manier is de gemeenteraad volgens hen rechter en partij bij het nemen van beslissingen over gemeentewegen, terwijl met betrekking tot de vaststelling van burgerlijke rechten, de burgerlijke rechter als enige bevoegd is. Artikel 28 van het bestreden decreet voorziet volgens de verzoekende partijen eveneens in een te verregaande mogelijkheid voor de gemeente om eenzijdig een landmeter-expert aan te stellen om de waardevermeerdering of –vermindering vast te stellen, een procedure die duidelijk minder waarborgen biedt dan de regels van het decreet van 28 maart 2014 « betreffende de landinrichting ». De artikelen 38 tot 51 van het bestreden decreet geven het college van burgemeester en schepenen tot slot veel te ruime mogelijkheden om in het kader van de handhaving eenzijdig op te treden. A.23.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat de gemeente, conform het subsidiariteitsbeginsel, zich in de beste positie bevindt om beslissingen te nemen over haar wegennet. Dit doet geen afbreuk aan artikel 144 van de Grondwet, maar past binnen een modern, eenduidig en eengemaakt wegenrecht. Bovendien doet het decreet geen afbreuk aan de mogelijkheid om tegen de beslissingen van de gemeente een jurisdictioneel beroep in te stellen. Er 11 is op dat vlak bijgevolg geen verschil in behandeling ten aanzien van de regeling inzake omgevingsvergunningen. Met betrekking tot artikel 28, § 2, van het bestreden decreet, is er geen sprake van enige onrechtmatige bevoegdheidstoe-eigening. De mogelijkheid tot aanstelling van een landmeter-expert vloeit voort uit artikel 296 van het decreet van 22 december 2017 « over het lokaal bestuur ». De mogelijkheid om bij betwisting een college van experten samen te stellen, is een bijkomende waarborg voor de objectiviteit. Tot slot belet niets de betrokken partijen om bij voortdurende betwisting zich tot de gewone rechter te wenden. De Vlaamse Regering merkt op dat handhavend optreden door de gemeenten als bestuur niet nieuw is. Die maatregelen zijn nodig om de effectiviteit van het decreet en de besluiten te waarborgen. Er is hoegenaamd geen probleem in het licht van de scheiding der machten. Tot slot zijn de verbodsbepalingen geenszins ingeschreven ter benadeling van de betrokken eigenaars. A.24.1. In het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 7361, voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 13 en 14 van het bestreden decreet, met betrekking tot respectievelijk de vaststelling van het bestaan van een gemeenteweg en de opheffing van een gemeenteweg, onvoldoende waarborgen bevatten voor de subjectieve rechten van de betrokkenen. Ze verwijzen daarbij naar de invulling van het dertigjarig gebruik, het gebrek aan hoorplicht ten aanzien van de eigenaar van het betrokken perceel en de mogelijkheid om vonnissen van de burgerlijke rechter tegenstelbaar te maken aan partijen die niet bij de procedure betrokken waren. Daarnaast klagen zij aan dat niet in een overgangsbepaling is voorzien voor gemeentewegen die reeds lang vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet in onbruik zijn geraakt. A.24.2. Volgens de Vlaamse Regering is dat onderdeel gebaseerd op een manifest verkeerde lezing van de bestreden bepalingen. Zoals reeds eerder gesteld, moet het publieke gebruik duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Het louter negeren van een verbodsbord volstaat dus in geen geval om van een gemeenteweg te spreken. De verzoekende partijen gaan bovendien voorbij aan het feit dat de vaststelling van het dertigjarig publiek gebruik leidt tot de opmaak van een rooilijnplan, dat gepaard gaat met een openbaar onderzoek. Met betrekking tot artikel 14 van het bestreden decreet gaan de verzoekende partijen voorbij aan de motiveringsplicht, die ook in dit kader geldt. Daarnaast vergissen de verzoekende partijen zich als zij menen dat die bepaling toelaat om in te gaan tegen een rechterlijke beslissing. De Vlaamse Regering merkt eveneens op dat de bestuurlijke handhavingsmaatregelen van het bestreden decreet een verbijzondering uitmaken van artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet. Er is geen sprake van enige tegenstrijdigheid tussen de regeling inzake het beheer van de gemeentewegen en de bestraffing van de verbodsbepalingen. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het belang van de verzoekende partijen B.1.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen in zowel de zaak nr. 7290 als in de zaak nr. 7361 bij de vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2019 « houdende de gemeentewegen » (hierna : het decreet van 3 mei 2019). B.1.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 12 B.1.3. Uit de verzoekschriften blijkt dat de verzoekende partij in zaak nr. 7290 en de tweede en derde verzoekende partij in de zaak nr. 7361 reeds gedurende enkele jaren zijn betrokken in een juridisch conflict met de gemeenten waarin hun respectieve onroerende goederen gelegen zijn, omtrent de wijziging van een gemeenteweg dan wel de ligging van een buurtweg. Bijgevolg doen die verzoekende partijen blijken van een belang bij hun beroepen. Daar het belang van de tweede en derde verzoekende partij in de zaak nr. 7361 vaststaat, is het niet nodig het belang om in rechte te treden van de eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7361 te onderzoeken. Wat betreft de ontvankelijkheid van de middelen B.2.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid, bij gebrek aan uiteenzetting, van het enige middel in de zaak nr. 7290 en van de middelen in de zaak nr. 7361. B.2.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan de voormelde vereisten voldoen. B.3.1. Het enige middel in de zaak nr. 7290 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 16, 23, 40, 144 en 145 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». 13 B.3.2. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, zet de verzoekende partij in de zaak nr. 7290 niet uiteen op welke wijze het bestreden decreet afbreuk zou doen aan de artikelen 23 en 40 van de Grondwet, aan artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aan de artikelen 17, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aan de artikelen 2, 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus of aan de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd. B.3.3. Het middel dient zo te worden begrepen dat een schending wordt aangevoerd van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.4.1. Het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van de artikelen 11, 12, 16 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het beginsel van gelijkheid van de burgers voor openbare lasten, de artikelen 17, lid 1, en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met artikel 3, lid 9, van het Verdrag van Aarhus en met de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». B.4.2. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verwijzing naar de artikelen 11 en 12 van de Grondwet op een materiële vergissing berust, en dat de verzoekende partijen in werkelijkheid willen verwijzen naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.4.3. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, zetten de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 niet uiteen op welke wijze het bestreden decreet afbreuk zou doen aan artikel 23 van de Grondwet, aan de artikelen 17, lid 1, en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aan artikel 3, lid 9, van het Verdrag van Aarhus of aan de artikelen 1 en 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 14 « betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ». Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd. B.4.4. Het middel dient aldus te worden begrepen dat een schending wordt aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten. B.5.1. Het tweede middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van de artikelen 11, 12, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 40 en 144 van de Grondwet, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het recht op toegang tot de rechter, met het beginsel van gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissing, met het beginsel van de scheiding der machten, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en met het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. B.5.2. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verwijzing naar de artikelen 11 en 12 van de Grondwet op een materiële vergissing berust, en dat de verzoekende partijen in werkelijkheid willen verwijzen naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.3. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, zetten de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 niet uiteen op welke wijze het bestreden decreet afbreuk zouden doen aan artikel 40 van de Grondwet of aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk in zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd. B.5.4. Het middel dient aldus te worden begrepen dat een schending wordt aangevoerd van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikel 144 van de Grondwet, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het recht op toegang tot de rechter, met het beginsel van gezag van 15 gewijsde van de rechterlijke beslissing, met het beginsel van de scheiding der machten, met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en met het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.6.1. Het decreet van 3 mei 2019 voert een uniform juridisch statuut in voor alle wegen waarvan de gemeente de beheerder is. De decreetgever heeft de bedoeling om de versnipperde bestaande regelgeving inzake gemeentewegen te harmoniseren en te moderniseren : « De volgende uitgangspunten vormen de basis voor het decreet houdende de gemeentewegen : 1° vereenvoudigde procedures, met maximale inschakeling van bestaande instrumenten; 2° administratieve lastenverlaging; 3° subsidiariteit; 4° duidelijkheid en rechtszekerheid; 5° voldoende inspraak- en beroepsmogelijkheden voor derden. Het decretale initiatief past bijgevolg ook in het kader van de modernisering van het instrumentarium en van een efficiëntere overheid. Procedures moeten vereenvoudigd worden zonder de rechtszekerheid in het gedrang te brengen. De administratieve lasten worden afgebouwd, zowel voor de overheid als voor de burger » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1847/1, pp. 7-8). B.6.2. Artikel 2 van het bestreden decreet bevat een aantal definities : « Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° aangelanden : de eigenaars van percelen die palen aan een gemeenteweg of die door een gemeenteweg worden doorkruist; 2° beheer van een gemeenteweg : het onderhoud, de vrijwaring van de toegankelijkheid en de verbetering van een gemeenteweg, alsook de nodige maatregelen tot herwaardering van in onbruik geraakte gemeentewegen; 3° beveiligde zending : een van de hierna volgende betekeningswijzen : 16

  1. a)een aangetekend schrijven;
  2. b)een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  3. c)elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld; 4° departement: het Departement Mobiliteit en Openbare Werken; 5° gemeentelijk rooilijnplan : grafisch verordenend plan waarbij de huidige en toekomstige grenzen van een of meer gemeentewegen worden bepaald. Het gemeentelijk rooilijnplan geeft een openbare bestemming aan de gronden die in de gemeenteweg opgenomen zijn of opgenomen zullen worden; 6° gemeenteweg : een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond; 7° overtreder : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de overtreding heeft begaan, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend; 8° projectbesluit : een besluit als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten; 9° rooilijn : de huidige of de toekomstige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, vastgelegd in een rooilijnplan. Als een rooilijnplan ontbreekt, is de rooilijn de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen; 10° trage weg : een gemeenteweg die hoofdzakelijk bestemd is voor niet-gemotoriseerd verkeer; 11° verplaatsing van een gemeenteweg : de vervanging van een af te schaffen gemeenteweg of een gedeelte daarvan door een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel; 12° wijziging van een gemeenteweg: de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg, met uitsluiting van verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden ». B.6.3. Artikel 3 van het bestreden decreet benadrukt het belang van zachte mobiliteit en het beleid dat de gemeenten daartoe moeten voeren : « Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op : 1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau; 17 2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak ». Krachtens artikel 4 van het bestreden decreet moet bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet minimaal rekening worden gehouden met de volgende principes : « 1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; 2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; 3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; 4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen ». Krachtens artikel 6 moeten de gemeenten de voormelde doelstellingen en principes in acht nemen bij beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentelijke wegen. Zij kunnen die doelstellingen en principes verfijnen, concretiseren en aanvullen in een gemeentelijk beleidskader, eventueel gekoppeld aan actieplannen (artikel 7). B.6.4. Artikel 10 van het bestreden decreet herhaalt de verplichting om met die principes rekening te houden, specifiek met betrekking tot beslissingen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van gemeentewegen. Het bestreden decreet is gebaseerd op het uitgangspunt dat een gemeenteweg enkel kan worden aangelegd, gewijzigd, verplaatst of opgeheven met voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad (artikel 8). De breedte en de ligging van de gemeentewegen worden door de gemeenten vastgelegd in een gemeentelijk rooilijnplan (artikel 11). De procedure voor de vaststelling en de wijziging van de gemeentelijke rooilijnplannen is vervat in de artikelen 16 tot 19 van het bestreden decreet. Artikel 12 regelt de gevallen waarin het rooilijnplan, de wijziging ervan of de opheffing van een gemeenteweg tegelijk met een ruimtelijk uitvoeringsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning wordt aangenomen. 18 B.6.5. Krachtens artikel 11, § 1, van het decreet van 3 mei 2019 leggen de gemeenten de ligging en de breedte van de gemeentewegen op hun grondgebied in beginsel vast in gemeentelijke rooilijnplannen. De procedure voor de vastlegging van een gemeentelijk rooilijnplan is vervat in de artikelen 16 tot 19 van het decreet : « Art. 16. § 1. Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak van de gemeentelijke rooilijnplannen. § 2. Het gemeentelijk rooilijnplan bevat minstens de volgende elementen : 1° de actuele en toekomstige rooilijn van de gemeenteweg; 2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen; 3° de naam van de eigenaars van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn. Een gemeentelijk rooilijnplan kan ook een achteruitbouwstrook vastleggen. § 3. In voorkomend geval bevat het rooilijnplan de volgende aanvullende elementen : 1° een berekening van de eventuele waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden ten gevolge van de aanleg, wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg overeenkomstig artikel 28; 2° de nutsleidingen die door de wijziging of verplaatsing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen. § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van een gemeentelijk rooilijnplan. Art. 17. § 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan voorlopig vast. § 2. Het college van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan aan een openbaar onderzoek dat binnen een ordetermijn van dertig dagen na de voorlopige vaststelling, vermeld in paragraaf 1, minstens wordt aangekondigd door : 1° aanplakking aan het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel; 19 2° een bericht op de website van de gemeente of in het gemeentelijk infoblad; 3° een bericht in het Belgisch Staatsblad; 4° een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan; 5° een afzonderlijke mededeling aan de aanpalende gemeenten, als de weg paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding; 6° een afzonderlijke mededeling aan de deputatie en het departement; 7° een afzonderlijke mededeling aan de beheerders van aansluitende openbare wegen; 8° een afzonderlijke mededeling aan de maatschappijen van openbaar vervoer. De aankondiging, vermeld in het eerste lid, vermeldt minstens : 1° de locatie waar de beslissing tot voorlopige vaststelling en het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ter inzage liggen; 2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek; 3° het adres waar de opmerkingen en bezwaren naartoe gestuurd moeten worden of worden afgegeven, en de te volgen formaliteiten. § 3. Na de aankondiging wordt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis en gepubliceerd op de gemeentelijke website. § 4. De opmerkingen en de bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek schriftelijk of digitaal aan het gemeentebestuur bezorgd. De deputatie en het departement bezorgen het gemeentebestuur binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, een advies over de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. § 5. De gemeenteraad stelt binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk rooilijnplan definitief vast. Bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op de bezwaren en opmerkingen die tijdens het openbaar onderzoek zijn geformuleerd, of eruit voortvloeien. De definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde gemeentelijk rooilijnplan. 20 § 6. Als het rooilijnplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in paragraaf 5, vervalt het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan. Art. 18. Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan wordt onmiddellijk na de definitieve vaststelling gepubliceerd op de gemeentelijke website, en aangeplakt bij het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel. Het college van burgemeester en schepenen brengt iedereen die in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend met een beveiligde zending op de hoogte van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan. Het rooilijnplan wordt samen met het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement en aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt. Art. 19. Als de gemeente niet binnen een termijn van dertig dagen op de hoogte is gebracht van een georganiseerd administratief beroep als vermeld in artikel 24, wordt het besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de gemeentelijke website. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij het vaststellingsbesluit een ander tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Het vaststellingsbesluit kan in het bijzonder bepalen dat het gemeentelijk rooilijnplan pas wordt uitgevoerd vanaf een bepaalde datum of naarmate de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of tot verkavelen worden ingediend ». B.6.6. Artikel 13 van het decreet van 3 mei 2019 voorziet in de mogelijkheid, voor de gemeente, om grondstroken waarvan met enig middel van recht bewezen wordt dat zij de voorbije dertig jaar door het publiek werden gebruikt, in aanmerking te nemen als gemeenteweg, alsook in de mogelijkheid om grondstroken zonder financiële vergoeding op te nemen in het openbaar domein, wanneer de gemeente al dertig jaar bezitshandelingen heeft gesteld waaruit haar wil om eigenaar te worden van de wegbedding duidelijk tot uiting komt : « § 1. Grondstroken waarvan met enig middel van recht bewezen wordt dat ze gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek werden gebruikt, kunnen in aanmerking komen als gemeenteweg. De toegankelijkheid van private wegen, vermeld in artikel 12septies, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, geldt niet als bewijs van een dertigjarig gebruik door het publiek. 21 § 2. De gemeenteraad die op eigen initiatief of op grond van een verzoekschrift vaststelt dat een grondstrook gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek gebruikt werd, belast het college van burgemeester en schepenen met de opmaak van een rooilijnplan, en met de vrijwaring en het beheer van de weg overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsbevoegdheden. De vaststelling door de gemeenteraad van een dertigjarig gebruik door het publiek heeft van rechtswege de vestiging van een publiek recht van doorgang tot gevolg. § 3. Voor de toepassing van paragraaf 2 kan eenieder een verzoekschrift indienen bij de voorzitter van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen. Dat verzoekschrift wordt schriftelijk ingediend, en bevat een toelichting en de nodige bewijsmiddelen over het dertigjarige gebruik door het publiek. § 4. Als het dertigjarige gebruik door het publiek is vastgesteld in een uitvoerbare rechterlijke uitspraak, vloeien de verplichting tot de opmaak van een rooilijnplan en de vestiging van een publiek recht van doorgang rechtstreeks uit die uitspraak voort. § 5. Als de gemeente met betrekking tot een grondstrook al dertig jaar bezitshandelingen heeft gesteld waaruit de wil van de gemeente om eigenaar te worden van de wegbedding duidelijk tot uiting komt, dan is de gemeenteraad ertoe gerechtigd om de grondstrook zonder financiële vergoeding op te nemen in het openbaar domein, zonder toepassing van artikel 28. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder meer het aanbrengen van een duurzame wegverharding over het geheel of over een substantieel deel van de weg of het aanbrengen van openbare verlichting als bezitshandelingen beschouwd ». B.6.7. Gemeentewegen kunnen krachtens artikel 14 van het bestreden decreet alleen worden opgeheven door een bestuurlijke beslissing en kunnen niet verdwijnen door niet- gebruik. De gemeenteraad kan evenwel op basis van de vaststelling van een dertigjarig niet- gebruik door het publiek, overgaan tot de uitdrukkelijke opheffing van de gemeenteweg : « § 1. Gemeentewegen kunnen alleen opgeheven worden door een bestuurlijke beslissing ter uitvoering van dit decreet en kunnen niet verdwijnen door niet-gebruik. § 2. Eenieder heeft het recht om een verzoekschrift in te dienen bij de gemeente waarin gemotiveerd wordt dat een gemeenteweg, of een deel ervan, getroffen is door een dertigjarig niet-gebruik door het publiek. Het bewijs wordt geleverd door een rechterlijke uitspraak of met alle middelen van recht. De gemeenteraad die op grond van een verzoekschrift als vermeld in het eerste lid vaststelt dat er sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, oordeelt over de wenselijkheid van de opheffing van de gemeenteweg of het deel ervan, rekening houdend met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4, en in voorkomend geval het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6. Een eventuele opheffingsprocedure verloopt overeenkomstig afdeling 3. 22 Als de gemeenteraad vaststelt dat er geen sprake is van een dertigjarig niet-gebruik door het publiek, geeft de gemeenteraad aan het college van burgemeester en schepenen de opdracht om de publieke doorgang te vrijwaren overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsbevoegdheden ». De procedure tot opheffing is geregeld in de artikelen 20 tot 23 van het bestreden decreet. B.6.8. Artikel 15 van het bestreden decreet regelt de mogelijkheid voor de gemeente om een overeenkomst te sluiten met de eigenaars en gebruikers van percelen om grondstroken permanent of tijdelijk als gemeenteweg te bestemmen. B.6.9. Tegen het besluit van de gemeente tot definitieve vaststelling van een rooilijnplan, of tot opheffing van een gemeenteweg, kan krachtens artikel 24 van het decreet van 3 mei 2019 door de belanghebbenden een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. Dat beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing. De Vlaamse Regering kan de beslissing vernietigen op basis van de motieven opgesomd in artikel 25, § 2, van het decreet : « Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg kan alleen worden vernietigd : 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste ». B.6.10. De definitieve vastlegging van een gemeenteweg heeft tot gevolg dat op de gemeente de rechtsplicht rust om over te gaan tot de realisatie, de vrijwaring en het beheer van de gemeenteweg. Wanneer het gaat om een nieuwe weg gelegen op private gronden, gebeurt dat in principe via de verwerving van de betrokken onroerende goederen door de gemeente, indien nodig middels onteigening (artikel 26, § 2, en artikel 27). Bij de wijziging of verplaatsing van een gemeenteweg op privaat domein geldt de definitieve vaststelling van het rooilijnplan als de titel voor de vestiging van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang (artikel 26, § 3). Krachtens artikel 29 geldt voor een ongebruikt deel van de 23 gemeenteweg ten gevolge van de wijziging, verplaatsing of opheffing ervan, een voorkeursrecht ten aanzien van de eigenaars van de aangelanden. De aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg geeft aanleiding tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop die weg is gesitueerd. Die waardevermindering of waardevermeerdering wordt vastgesteld door een landmeter-expert aangesteld door de gemeente, die in geval van betwisting een college vormt met een landmeter-expert aangesteld door de eigenaar van het betrokken perceel (artikel 28). De berekening van de waardevermindering of waardevermeerdering moet worden opgenomen in het ontwerp van rooilijnplan (artikel 16, § 3, 1°). B.6.11. De artikelen 30 tot 33 van het bestreden decreet regelen de afpaling van de gemeenteweg. Het beheer wordt geregeld in de artikelen 34 tot 36 van het bestreden decreet. Artikel 37 van het bestreden decreet voorziet in de creatie van een gemeentelijk wegenregister. De artikelen 38 tot 50 hebben betrekking op de handhaving. Ten gronde B.7. Zowel het enige middel van de verzoekende partij in de zaak nr. 7290 als de middelen van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 bestaan uit een groot aantal grieven, die vaak elkaar overlappen en herhalingen bevatten. In zoverre die middelen voldoen aan de in B.2.2 vermelde vereisten, blijkt uit het onderzoek ervan dat het Hof zich dient uit te spreken over de grondwettigheid van de volgende aspecten van het bestreden decreet : 1. de duidelijkheid van een aantal begrippen en definities (B.8.1 tot B.9.3); 2. de principes die in overweging moeten worden genomen bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet (B.10.1 tot B.10.4); 3. de gemeentelijke rooilijnplannen (B.11.1 tot B.16.2); 24 4. de realisatie van de gemeentewegen (B.17.1 tot B.24.7); 5. het ontstaan en de opheffing van gemeentewegen wegens langdurig gebruik of niet- gebruik (B.23.1 tot B.27.5); 6. de mogelijkheid om grondstroken via een overeenkomst als gemeenteweg te bestemmen (B.28.1 tot B.28.5); 7. de afpaling (B.29.1 tot B.29.3); 8. het beheer van de gemeentewegen (B.30.1 tot B.30.6); 9. het zogenaamde initiatiefrecht en de rol van derden inzake in ongebruik geraakte grondstroken (B.31.1 tot B.31.4); 10. het wegenregister (B.32.1 tot B.32.5); 11. de handhaving (B.33.1 tot B.33.3); 12. de overgangsbepalingen (B.34.1 tot B.34.4); 13. de wijzigings- en opheffingsbepalingen (B.35.1 tot B.35.2). 1. Ten aanzien van de duidelijkheid van bepaalde definities B.8.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 leiden, verspreid over de verschillende onderdelen van hun middelen, een aanzienlijk aantal grieven af uit de schending, door verschillende bepalingen van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die bepalingen onvoldoende duidelijk zouden zijn en bijgevolg tot een « ongrondwettige rechtsonzekerheid » zouden leiden. 25 B.8.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.8.3. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.8.4. Aangezien die internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn vervat in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.8.5. Elke inmenging, door de overheid, in het recht op het ongestoord genot van de eigendom moet worden bepaald door een norm die voldoende nauwkeurig is geformuleerd opdat de betrokkenen, zo nodig met behulp van deskundig advies, de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen voortvloeien in redelijke mate, gelet op de omstandigheden van de zaak, kunnen voorzien. De vereiste mate van nauwkeurigheid hangt grotendeels af van de inhoud van de maatregel in kwestie, van het domein dat in principe erdoor wordt bestreken en van het aantal en de hoedanigheid van diegenen voor wie hij bestemd is (EHRM, grote kamer, 22 juni 2004, Broniowski t. Polen, §§ 136-147; grote kamer, 25 oktober 2012, Vistiņš en 26 Perepjolkins t. Letland, §§ 95-97; 16 september 2014, Plechkov t. Roemenië, §§ 88-89; grote kamer, 5 september 2017, Fábián t. Hongarije, §§ 64-66). B.9.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 aan dat de begrippen « aangelanden », « rooilijn », « gemeentelijk rooiplan », « gemeenteweg », « trage weg », « verplaatsing van een gemeenteweg », « wijziging van een gemeenteweg » en « beheer van een gemeenteweg », die zijn vermeld in artikel 2 van het decreet van 3 mei 2019, onduidelijk zouden zijn gedefinieerd. B.9.2. Uit de definities die in artikel 2 van het decreet van 3 mei 2019 worden gegeven van de voormelde begrippen kan niet worden afgeleid dat zij op zich op enigerlei wijze een schending zouden inhouden van het eigendomsrecht zoals dat wordt beschermd door de in B.8.1 vermelde referentienormen. Of van een dergelijke schending sprake is, kan slechts blijken uit het onderzoek van de concrete regeling waarin die begrippen zijn opgenomen. B.9.3. In zoverre de grieven van de verzoekende partijen betrekking hebben op de in artikel 2 van het bestreden decreet vermelde definities van de voormelde begrippen worden zij bijgevolg gevoegd bij het onderzoek van de overige grieven. 2. Ten aanzien van de principes die in overweging moeten worden genomen bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet (artikel 4) B.10.1. Het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 en de eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 zijn afgeleid uit de schending, door artikel 4 van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen in beide zaken klagen aan dat artikel 4 van het bestreden decreet bepaalt dat wijzigingen van het gemeentelijk wegennet steeds in het algemeen belang moeten gebeuren. In tegenstelling tot de belangenafweging waarin voorzien is in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is er in de belangenafweging dus geen plaats voor de private belangen van de betrokken eigenaars. 27 B.10.2. Artikel 4 van het bestreden decreet bepaalt : « Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes : 1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; 2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; 3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; 4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen ». B.10.3. Het is op zich niet onrechtmatig dat de decreetgever verwacht dat de gemeente, als overheid, bij de belangenafweging omtrent het gemeentelijk wegennet in de eerste plaats het algemeen belang op het oog dient te hebben, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding : « Beslissingen rond een verplaatsing of opheffing moeten steeds afgewogen en gemotiveerd worden uitgaande van het algemeen belang. Dat is in overeenstemming met bestaande rechtspraak van de Raad van State, die ook een belangenafweging vooropstelt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1847/1, p. 9). In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, sluit de voormelde bepaling daarnaast geenszins uit dat ook private belangen worden meegenomen in die belangenafweging, zoals tevens blijkt uit het gebruik van het woord « minimaal » in de aanhef van de bestreden bepaling. B.10.4. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 in zijn tweede grief, alsook het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290, zijn gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt. 28 3. Ten aanzien van de gemeentelijke rooilijnplannen Wat betreft de aankondiging van het ontwerp van gemeentelijk rooiplan B.11.1. De vijfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending, door artikel 17 van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten. In het licht van artikel 17 van het bestreden decreet is het volgens de verzoekende partijen onvoldoende duidelijk wie wordt bedoeld met de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan, waardoor getroffen eigenaars geen kennisgeving zullen krijgen en mogelijk niet tijdig een administratief beroep kunnen instellen. B.11.2. Uit artikel 17, § 2, 4°, van het bestreden decreet volgt dat het openbaar onderzoek in het kader van de rooilijnprocedure onder andere moet worden aangekondigd door middel van « een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ». In het licht van die verplichting valt niet in te zien op welke wijze die bepaling een onduidelijkheid zou bevatten waardoor die eigenaars niet op de hoogte worden gesteld, laat staan dat er sprake zou zijn van een schending van de in B.10.1 opgesomde normen. B.11.3. De vijfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is niet gegrond. Wat betreft het ontbreken van een effectenrapportage B.12.1. De tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat in de procedure tot vaststelling van het rooilijnplan, niet in een effectenrapportage is voorzien, in tegenstelling tot de procedures in het kader van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of het decreet van 21 oktober 1997 « betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu ». Die 29 grief sluit aan bij het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290, waarin eveneens op algemene wijze wordt verwezen naar het ontbreken van een effectenrapportage. B.12.2. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling teweegbrengen dat discriminerend zou zijn. Die vereisten zijn ingegeven, onder meer, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partij te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. B.12.3. In de uiteenzetting van hun middelen verwijzen de verzoekende partijen op algemene wijze naar de nood aan een effectenrapportage. Ze vermelden daarbij een groot aantal mogelijke effecten die zouden kunnen worden beoordeeld en een niet-limitatieve lijst van andere procedures waarin wel sprake is van een of andere effectenrapportage. Dit laat niet toe om met voldoende nauwkeurigheid te bepalen welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling teweegbrengen dat discriminerend zou zijn. B.12.4. In zoverre zij zijn afgeleid uit het ontbreken van een effectenrapportage, zijn het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 en de tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, niet ontvankelijk. Wat betreft de kennisgeving van de eindbeslissing inzake de vaststelling van het rooilijnplan (artikel 18, eerste lid) B.13.1. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, doordat de administratieve beroepsprocedure tegen de beslissing tot vaststelling van een rooilijnplan onvoldoende rechtsbescherming zou bieden, waardoor zij een onevenredige beperking van het eigendomsrecht tot gevolg zou hebben. De betekening van de gemeenteraadsbeslissing gebeurt volgens artikel 18, tweede lid, van het bestreden decreet enkel aan wie in het kader van het openbaar onderzoek een opmerking of 30 bezwaar heeft ingediend. De mogelijkheid om beroep aan te tekenen zou op die manier afhankelijk worden gemaakt van het toeval. B.13.2. Zoals is vermeld in B.10.2, worden de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan, op de hoogte gebracht van het openbaar onderzoek over dat ontwerp door middel van een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending naar hun woonplaats wordt gestuurd (artikel 17, § 2, 4°, van het bestreden decreet). Indien zij in het kader van het openbaar onderzoek een standpunt, opmerking of bezwaar indienen, worden zij persoonlijk met een beveiligde zending op de hoogte gesteld van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan (artikel 18, tweede lid, van het bestreden decreet). Bovendien moet het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan onmiddellijk na de definitieve vaststelling worden gepubliceerd op de gemeentelijke website, en worden aangeplakt bij het gemeentehuis en ter plaatse, minstens aan het begin- en eindpunt van het nieuwe, gewijzigde of verplaatste wegdeel (artikel 18, eerste lid, van het betreden decreet). Zelfs wanneer de eigenaar van een betrokken onroerend goed dit niet of slechts heel zelden bezoekt, wordt hij bijgevolg persoonlijk op de hoogte gesteld van het feit dat de procedure voor het opstellen van een gemeentelijk rooilijnplan is opgestart, en van de mogelijkheid dat de gemeenteraad een beslissing tot definitieve vaststelling neemt, zodat zijn recht wordt gewaarborgd om binnen de voorgeschreven termijn een administratief of jurisdictioneel beroep in te dienen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 aanvoeren, is de mogelijkheid voor de eigenaars van de betrokken onroerende goederen bijgevolg niet afhankelijk van het toeval. B.13.3. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is niet gegrond in zoverre het betrekking heeft op artikel 18, eerste lid, van het bestreden decreet. 31 Wat betreft het administratief beroep bij de Vlaamse Regering (artikelen 24, 25 en 72) B.14.1. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is eveneens afgeleid uit een schending, door de artikelen 24, 25, en 72 van het bestreden decreet, doordat de administratieve beroepsprocedure onvoldoende procedurele waarborgen zou bieden en bijgevolg het eigendomsrecht op onevenredige wijze zou beperken. In het bijzonder voeren de verzoekende partijen aan dat het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg in het kader van het administratief beroep slechts om specifieke redenen kan worden vernietigd, wat de rechtsbescherming op onverantwoorde wijze beperkt. Eigenaars die met die procedure worden geconfronteerd, worden bijgevolg gediscrimineerd ten opzichte van personen die betrokken zijn in andere procedures, zoals bijvoorbeeld inzake omgevingsvergunningen. Die grief sluit aan bij het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290, dat onder andere is afgeleid uit de schending, door artikel 25, § 2, van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij in de zaak nr. 7290 klaagt aan dat de Vlaamse Regering, in het kader van het administratief beroep tegen het rooilijnplan, dat plan slechts om een beperkt aantal motieven kan vernietigen. zonder dat rekening wordt gehouden met het al dan niet correct begroten van de waardevermindering. Een eventueel beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de Vlaamse Regering kan volgens de verzoekende partij niet worden beschouwd als een beroep met volle rechtsmacht. B.14.2. In zoverre het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 slechts op algemene wijze verwijst naar een gebrek aan waarborgen in de procedure, voldoet dat onderdeel niet aan de in B.2.2 vermelde vereisten. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is bijgevolg in die mate onontvankelijk. B.14.3. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die 32 procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. In zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 7361 niet concreet uiteenzetten uit welk verschil met betrekking tot de toepasselijke procedureregels het aangeklaagde verschil in behandeling voortvloeit, voldoet het middel bovendien niet aan de in B.2.2 vermelde vereisten. B.14.4. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.15.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. B.15.2. Het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, houdt in dat een belanghebbende een administratieve beslissing moet kunnen voorleggen aan een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie met volle rechtsmacht, die « bij de wet » is ingesteld en die binnen een redelijke termijn uitspraak doet. Op grond van artikel 24 van het bestreden decreet kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de beslissing tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan of tot opheffing van de gemeenteweg, tegen die beslissing een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Artikel 72 van het bestreden decreet voegt in het decreet van 25 april 2014 « betreffende de omgevingsvergunning » (hierna : het decreet van 25 april 2014) een artikel 31/1 in, dat een zeer gelijksoortige administratieve beroepsprocedure organiseert ten aanzien van het besluit van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging verplaatsing of opheffing 33 van een gemeenteweg dat wordt genomen in het kader van de behandeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning. Tegen de beslissing van de Vlaamse Regering in het kader van de administratieve beroepsprocedure kan een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State. B.15.3. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de laatstgenoemde een volwaardige toetsing doorvoert zowel aan de wet als aan de algemene rechtsbeginselen. De Raad van State gaat daarbij na of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft en of de beslissing niet kennelijk onevenredig is met de vastgestelde feiten. Weliswaar kan de Raad van State zijn beslissing niet in de plaats stellen van die van de betrokken overheid, doch wanneer hij die beslissing vernietigt, dient de overheid zich te schikken naar het arrest van de Raad van State : indien de overheid een nieuwe beslissing neemt, mag zij de motieven van het arrest dat de eerste beslissing heeft vernietigd, niet miskennen. B.15.4. Artikel 25, § 2, van het bestreden decreet bepaalt dat het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg alleen kan worden vernietigd om de volgende redenen : « 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste ». Artikel 31/1, § 5, van het decreet van 25 april 2014, zoals ingevoegd bij artikel 72 van het bestreden decreet, beperkt eveneens de vernietigingsgronden tot de drie in artikel 25, § 2, opgesomde redenen. De aldus beperkte toetsingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering heeft echter niet tot gevolg dat de Raad van State niet zou kunnen oordelen over middelen die niet op een van de opgesomde elementen gegrond zijn. De Raad van State verwacht van diegene die een 34 jurisdictioneel beroep instelt, dat hij voorafgaandelijk alle procedureel gewaarborgde mogelijkheden uitput teneinde zijn rechten te vrijwaren. Wanneer echter door een verzoekende partij middelen worden aangevoerd die zij hoe dan ook in de administratieve beroepsprocedure niet zou kunnen hebben doen gelden, is haar beroep echter wel ontvankelijk voor zover zij dergelijke middelen aanvoert (RvSt, 24 januari 2019, nr. 243.487). B.15.5. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7290 en het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361, in zoverre zij zijn afgeleid uit de ongrondwettigheid van de artikelen 25, § 2 en 72 van het bestreden decreet, zijn niet gegrond. Wat betreft de verplichte vermelding van de nutsleidingen (artikel 16, § 3, 2°) B.16.1. De vijfde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending, door artikel 16, § 3, 2°, van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, doordat er geen duidelijkheid zou zijn over de rechtsgrond die toelaat om nutsleidingen aan te leggen op grond in private eigendom. Artikel 16, § 3, 2°, van het bestreden decreet bepaalt dat het rooilijnplan, in voorkomend geval, « de nutsleidingen die door de wijziging of verplaatsing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen » moet bevatten. Artikel 20, § 3, 2°, van hetzelfde decreet bevat een gelijksoortige verplichting met betrekking tot de nutsleidingen die als gevolg van de opheffing van de gemeenteweg op private eigendom zullen liggen. B.16.2. Noch uit de formulering van die bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding, kan worden afgeleid dat de decreetgever met die bepaling de bedoeling had af te wijken van de bestaande regelingen die van toepassing zijn op de verschillende mogelijke nutsleidingen. In zoverre de vijfde grief van het eerste onderdeel bijgevolg betrekking heeft op die regelingen, is hij niet ontvankelijk. 35 4. Ten aanzien van de realisatie van de gemeentewegen Wat betreft de habilitatiegrond voor onteigening (artikel 27) B.17.1. De achtste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7361 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, doordat in artikel 27 van het bestreden decreet in een habilitatiegrond voor onteigening wordt voorzien, hoewel het decreet eigendomsneutraal zou moeten zijn. Als het bestreden decreet werkelijk eigendomsneutraal is, dan is er volgens de verzoekende partijen per definitie nooit sprake van een onteigeningsnoodzaak. B.17.2. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Dit wordt ook bevestigd in artikel 3 van het decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het decreet van 24 februari 2017). B.17.3. De onteigenende instantie moet bijgevolg met de onteigening het algemeen belang nastreven. Zoals is vermeld in B.10.2, bepaalt artikel 4, 1°, van het bestreden decreet uitdrukkelijk dat alle wijzigingen van het gemeentelijk wegennet steeds ten dienste staan van het algemeen belang. Het feit dat een gemeenteweg op private eigendom gelegen kan zijn, neemt niet weg dat het in een concrete situatie noodzakelijk kan zijn voor het algemeen belang dat de gemeente eigenaar wordt van de grondstrook waarop de gemeenteweg gelegen is. Zoals blijkt uit artikel 27, tweede lid, van het bestreden decreet, moeten de onteigeningen worden uitgevoerd conform de bepalingen van het decreet van 24 februari 2017. Artikel 3 van dat decreet bepaalt onder andere de volgende onteigeningsvoorwaarden : « § 1. Onteigening is, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, slechts mogelijk ten algemenen nutte. Indien zij ook een privaat belang dient, kan dat slechts in zoverre het algemeen nut primeert. 36 § 2. Onteigening is, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, slechts mogelijk indien daartoe een uitdrukkelijke wettelijke of decretale rechtsgrond is voorzien. § 3. Onteigening is, overeenkomstig artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, slechts mogelijk als dit noodzakelijk is. Deze onteigeningsnoodzaak heeft op cumulatieve wijze betrekking op de volgende drie elementen : 1° het doel van de onteigening; 2° de onteigening als middel; 3° het voorwerp van de onteigening. § 4. Onteigening is slechts mogelijk nadat daartoe de volgens dit decreet bepaalde procedures werden gevolgd. § 5. Onteigening is, overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet, slechts mogelijk tegen een billijke en voorafgaandelijke schadeloosstelling ». Artikel 10, § 1, van het decreet van 24 februari 2017 bepaalt dat in elk onteigeningsbesluit onder andere de specifieke onteigeningsnoodzaak moet worden vermeld : « De onteigenende instantie maakt een voorlopig onteigeningsbesluit op dat, op straffe van nietigheid, de volgende elementen bevat : 1° de omschrijving van de te onteigenen onroerende goederen of de te onteigenen zakelijke rechten; 2° de vermelding van de onteigenende instantie; 3° de rechtsgrond voor de onteigening; 4° de omschrijving van het onteigeningsdoel van algemeen nut; 5° de omschrijving en de motivering van de onteigeningsnoodzaak; 6° de minnelijke onderhandelingstermijn ». Het feit dat artikel 26, § 2, tweede lid, van het bestreden decreet in de mogelijkheid voorziet dat met de eigenaars van de gronden waarop de gemeenteweg gelegen is, een overeenkomst kan worden gesloten waarbij een erfdienstbaarheid van openbaar nut wordt vastgelegd, neemt niet weg dat de onteigening in een concreet geval noodzakelijk kan zijn voor de realisatie van de gemeenteweg, bijvoorbeeld wanneer noch de minnelijke verwerving van de grondstrook, noch een dergelijke overeenkomst mogelijk blijkt. 37 B.17.4. De grief is niet gegrond. Wat betreft het verschil in behandeling tussen eigenaars van grondstroken waarop een nieuwe gemeenteweg wordt vastgelegd en eigenaars van grondstroken betrokken bij de verplaatsing of wijziging van een bestaande gemeenteweg (artikelen 26 en 28) B.18.1. In het eerste onderdeel van haar enige middel klaagt de verzoekende partij in de zaak nr. 7290 onder andere aan dat artikel 26 van het bestreden decreet een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de eigenaar van een perceel waarop een nieuwe gemeenteweg wordt aangelegd, en de eigenaar van een perceel waarop een bestaande gemeenteweg wordt gewijzigd of verplaatst. In het eerste geval is de gemeente in beginsel gehouden de nodige grond te verwerven, eventueel in de vorm van een onteigening, waarbij de eigenaar recht heeft op een integrale schadeloosstelling. In dat geval beschikt de eigenaar bovendien over een beroepsmogelijkheid bij een rechter met volle rechtsmacht. In het tweede geval heeft de vaststelling van het rooilijnplan de automatische vastlegging van een publieke erfdienstbaarheid van doorgang tot gevolg, waarbij de eigenaar enkel recht heeft op een vergoeding voor de waardevermindering, die bovendien onvoldoende de werkelijke gevolgen van de erfdienstbaarheid zou compenseren. B.18.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.18.3. Artikel 26 van het bestreden decreet bepaalt dat in het geval van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg op de gemeente in beginsel een verwervingsplicht rust. Wanneer er sprake is van de verplaatsing of wijziging van een gemeenteweg op privaat domein, geldt geen 38 dergelijke verwervingsplicht, maar geldt de definitieve vaststelling van het rooilijnplan als titel voor de vestiging van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang. B.18.4. De verplaatsing van een gemeenteweg wordt gedefinieerd als « de vervanging van een af te schaffen gemeenteweg of een gedeelte daarvan door een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel » (artikel 2, 11°, van het bestreden decreet). Uit die definitie kan worden afgeleid dat een verplaatsing kan worden opgesplitst in, enerzijds, de opheffing van een bestaande weg of een bestaand wegdeel en, anderzijds, de vaststelling van een nieuwe weg of een nieuw wegdeel. Er valt niet in te zien waarom ten aanzien van de eigenaar van de grondstrook waarop die nieuwe weg of dat nieuwe wegdeel zal worden gesitueerd, op de gemeente geen verwervingsplicht rust, terwijl die plicht wel bestaat ten aanzien van de eigenaar van een grondstrook waarop een nieuwe gemeenteweg wordt aangelegd die niet het gevolg is van een verplaatsing. Het feit dat de aanleg van het nieuwe wegdeel het gevolg is van de opheffing van een bestaande weg, is geen pertinent criterium ter verantwoording van een verschil in behandeling tussen de eigenaars van grondstroken waarop een nieuw wegdeel wordt aangelegd. B.18.5. Het middel is gegrond in zoverre het betrekking heeft op een verschil in behandeling tussen eigenaars van een grondstrook waarop een nieuwe weg in de zin van artikel 26, § 2, van het bestreden decreet wordt aangelegd, en de eigenaars van de grondstrook waarop het nieuwe tracé van een verplaatste gemeenteweg wordt aangelegd. In de interpretatie dat het enkel van toepassing is op de vaststelling van een nieuwe gemeenteweg die niet het gevolg is van de verplaatsing van een gemeenteweg, schendt artikel 26, § 2, van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.18.6. De bestreden bepaling is evenwel ook voor een andere interpretatie vatbaar. Zoals is vermeld in B.18.4, wordt de verplaatsing van de gemeenteweg in artikel 2, 11°, van het bestreden decreet gedefinieerd als « de vervanging van een af te schaffen gemeenteweg of een gedeelte daarvan door een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel ». In de interpretatie dat het eveneens van toepassing is op de in artikel 2, 11°, vermelde nieuwe gemeentewegen of 39 nieuwe wegdelen, schendt artikel 26, § 2, van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. In die interpretatie is het middel niet gegrond. B.18.7. Uit hetgeen is vermeld in B.18.4, volgt eveneens dat niet kan worden ingezien waarom de verplaatsing van de gemeenteweg, in tegenstelling tot de aanleg van een nieuwe gemeenteweg, zou moeten gelden als titel voor de vestiging van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang. Uit artikel 9 van het bestreden decreet volgt immers uitdrukkelijk dat bij verplaatsing van een gemeenteweg het bestaande tracé blijft openstaan totdat het nieuwe tracé openstaat voor het publiek. Bijgevolg moeten in artikel 26, § 3, van het decreet van 3 mei 2019 de woorden « of verplaatsing » worden vernietigd. B.19.1. De wijziging van een gemeenteweg wordt gedefinieerd als « de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg, met uitsluiting van verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden » (artikel 2, 12°, van het bestreden decreet). Artikel 4, 2°, van het bestreden decreet bepaalt dat de wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg een uitzonderingsmaatregel is. Ook uit de parlementaire voorbereiding blijkt duidelijk, enerzijds, dat de decreetgever de bedoeling had om zoveel mogelijk het bestaande wegennet te behouden en te herwaarderen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1847/1, p. 8) en, anderzijds, dat een deel van het bestaande gemeentelijk wegennet gesitueerd is op grondstroken waarvan de gemeente geen eigenaar is (ibid., p. 29). In het licht van die overwegingen is het niet onredelijk dat de decreetgever in geval van wijziging van een bestaande gemeenteweg, geen verwervingsplicht oplegt, in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij de vaststelling van een nieuwe gemeenteweg. Het feit dat in die gevallen vaak reeds een deel van de bestaande weg is gesitueerd op een grondstrook waarvan de gemeente geen eigenaar is, laat bovendien toe te veronderstellen dat het in die gevallen over het algemeen ook moeilijker zou zijn om een onteigeningsnoodzaak aan te tonen. B.19.2. Het Hof moet nog onderzoeken of de bestreden bepaling geen onevenredige beperkingen van het eigendomsrecht met zich meebrengt. 40 B.19.3. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.19.4. Het opleggen, door een gemeentelijk rooilijnplan, van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang, met een daaruit volgend bouwverbod, vormt een inmenging in het eigendomsrecht. B.19.5. Het enkele feit dat de overheid in het algemeen belang beperkingen van het eigendomsrecht oplegt, heeft niet tot gevolg dat zij tot schadeloosstelling is gehouden. Uit de vestiging van een door of krachtens een wettelijke bepaling opgelegde beperking van het eigendomsrecht in het algemeen belang vloeit aldus in beginsel voor de eigenaar van het bezwaarde onroerend goed geen recht op vergoeding voort (Cass., 16 maart 1990, Arr. Cass., 1989-1990, nr. 427; EHRM, 25 juni 2015, Couturon t. Frankrijk, §§ 34 tot 43). Evenzo, « wanneer een maatregel inzake de regeling van het gebruik van de goederen in het geding is, is de niet-vergoeding één van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of een billijk evenwicht in acht is genomen, maar zij zou op zich geen schending van artikel 1 van het Eerste Protocol kunnen inhouden » (zie met name EHRM, grote kamer, 29 maart 2010, Depalle t. Frankrijk, § 91; 26 april 2011, Antunes Rodrigues t. Portugal, § 32). In geval van een overdreven verstoring van het ongestoord genot van het eigendomsrecht kan die last evenwel niet zonder een redelijke vergoeding van de waardevermindering van het perceel, aan een eigenaar worden opgelegd (EHRM, 19 juli 2011, Varfis t. Griekenland). B.19.6. Het bepalen van de gevallen waarin een beperking van het eigendomsrecht tot een vergoeding aanleiding kan geven en de voorwaarden waaronder die vergoeding kan worden toegekend, is een keuze die aan de bevoegde wetgever toekomt, onder voorbehoud van de toetsing door het Hof ten aanzien van de redelijkheid en de evenredigheid van de genomen maatregel. 41 B.20.1. Bij artikel 28 van het decreet van 3 mei 2019 heeft de decreetgever erin voorzien dat de wijziging van een gemeenteweg, door middel van het opleggen van een erfdienstbaarheid van doorgang, aanleiding geeft tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is : « § 1. De aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg geeft aanleiding tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is. De vergoeding voor waardevermindering is verschuldigd door de gemeente aan de eigenaar van de grond in kwestie. De vergoeding voor waardevermeerdering is verschuldigd door de eigenaar van de betrokken grond en komt ten goede aan de gemeente. Het eerste en het tweede lid gelden met behoud van de toepassing van artikel 13, § 5. § 2. De waardevermindering of de waardevermeerdering wordt vastgesteld door een landmeter-expert, aangesteld door de gemeente. Bij betwisting door de eigenaar wordt de waardevermindering of de waardevermeerdering vastgesteld door een college dat bestaat uit de landmeter-expert die de gemeente heeft aangesteld en een landmeter-expert die de eigenaar aanstelt. Bij de berekening van de waardevermindering of de waardevermeerdering wordt onder meer rekening gehouden met het verschil in venale waarde, de gelijke behandeling van burgers voor de openbare lasten opgelegd in het kader van het algemeen belang, de bestaande openbare en private erfdienstbaarheden, en de vigerende overheidsbesluiten over het grondgebruik. De waardevermeerdering wordt geacht nihil te zijn als de gemeenteweg in de feiten verdwenen is, omdat infrastructuren door of in opdracht van de overheid zijn aangelegd of omdat de gemeenteweg werd bebouwd krachtens een rechtsgeldige, niet-vervallen vergunning die werd verleend vóór 1 september 2019. Waardeverminderingen en waardevermeerderingen ingevolge wijzigingen of verplaatsingen van een gemeenteweg op een goed van dezelfde eigenaar door de toepassing van dit decreet worden geacht elkaar te neutraliseren. § 3. De gemeenteraad kan de principes en bepalingen van paragraaf 2 verder verfijnen en aanvullen in een algemeen reglement of richtkader, waarbij het recht op tegenspraak wordt gewaarborgd. § 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor vergunningverlenende overheden tot het opleggen van de last tot gratis overdracht van in een vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen en aanhorigheden en van de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd, vermeld in artikel 75, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning ». 42 B.20.2. Artikel 28 wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht : « Bij wijzigingen, verplaatsingen of in het uitzonderlijke geval van een opheffing van een gemeenteweg kan er sprake zijn van een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is. In de gevallen waarbij de ongebruikte delen van de gemeenteweg ten gevolge van de wijziging, verplaatsing of opheffing in volle eigendom teruggaan naar de aangelanden, wordt dat verrekend in de aankoopprijs (zie artikel 29). Het is natuurlijk anders als de wegzate private eigendom is. Dat is nog steeds het geval bij heel wat buurtwegen die werden vastgelegd in de Atlas der Buurtwegen. Het gaat hier dus om een publiek recht van doorgang waardoor het privaat erf bezwaard is. Afschaffing van die publieke doorgang resulteert in een meerwaarde, zeker als daardoor bouw- of ontwikkelingsmogelijkheden ontstaan die vóór de opheffing niet mogelijk waren. In de Buurtwegenwet wordt dat geregeld in de zogenaamde ‘ welvoegelijkheidsbeschikking ’, die de eigenaars van de gronden moeten betalen aan de gemeente voor de opheffing, verplaatsing of wijziging van een buurtwegentracé. Die verouderde regelgeving en de rechtsleer laten weinig of geen marge om rekening te houden met specifieke situaties. Bovendien start de discussie over de omvang van de eventuele ‘ welvoegelijkheidsbeschikking ’ pas op het einde van de procedure, wat tot een impasse in het dossier kan leiden. Dit artikel omvat daarom een nieuwe regeling die bepaalt hoe gemeenten moeten omgaan met het vraagstuk van waardeverminderingen en -vermeerderingen. Het is raadzaam dat die bedragen objectief en zo vroeg mogelijk bij het begin van de procedure bepaald worden, zodat burgers duidelijkheid hebben over de financiële gevolgen van eventuele verplaatsingen of opheffingen. De berekening van de eventuele waardevermindering of waardevermeerdering wordt opgenomen in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan of het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg, en maakt op die manier mee het voorwerp uit van het openbaar onderzoek (zie artikel 16, § 3, en 20, § 3). De waardevermindering of waardevermeerdering wordt steeds vastgesteld door een landmeter-expert in opdracht van de gemeente. Paragraaf 2 bepaalt verder de principes waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de waardevermindering of -vermeerdering. Er kan ook rekening gehouden worden met specifieke situaties waarbij de overheid in het verleden bepaalde beslissingen heeft genomen, zoals het afleveren van bouw- of verkavelingsvergunningen of de aanleg van wegen, kanalen of spoorwegen en waarbij de buurtwegen de facto verdwenen zijn. In die gevallen kan bezwaarlijk nog gesproken worden van een meerwaarde op het moment dat die wegen louter administratief worden opgeheven. Algemeen uitgangspunt is dat een opheffing resulteert in een waardevermeerdering van het goed. Bij wijzigingen en verplaatsingen gebeurt het vaak dat een gewijzigd tracé langer of korter wordt op één perceel of op een groep van percelen van dezelfde eigenaar, waardoor er eigenlijk geen min- of meerwaarde optreedt. In dit geval worden de waardeverminderingen en -vermeerderingen geacht elkaar te neutraliseren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1847/1, pp. 29-30). B.20.3. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de vergoeding betrekking heeft op de meer- of minderwaarde van het perceel waarop de gemeenteweg gelegen is, en niet louter op de meer- of minderwaarde van de grondstrook die 43 wordt ingenomen door de wijziging van de gemeenteweg. Daarnaast kan uit artikel 28, § 2, tweede lid, van het bestreden decreet alsook uit de in B.20.2 vermelde parlementaire voorbereiding worden afgeleid dat de decreetgever de bedoeling heeft dat de waardevermindering of -vermeerdering zo concreet mogelijk wordt vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder onder andere de in artikel 28, § 2, tweede lid, opgesomde elementen. B.20.4. De berekening van de eventuele waardevermindering of -vermeerdering van de gronden ten gevolge van de aanleg, wijziging of verplaatsing overeenkomstig artikel 28 van het bestreden decreet moet krachtens artikel 16, § 3, 1°, worden vermeld in het gemeentelijk rooilijnplan. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, wordt het ontwerp van rooilijnplan voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad, waarna het aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen dat onder meer wordt aangekondigd door « een afzonderlijke mededeling die met een beveiligde zending wordt gestuurd naar de woonplaats van de eigenaars van de onroerende goederen die zich bevinden in het ontwerp van gemeentelijk rooilijnplan ». De artikelen 20 en 21 van het bestreden decreet bevatten soortgelijke voorschriften met betrekking tot het besluit tot opheffing van een gemeenteweg en de waardevermeerdering die daarvan het gevolg kan zijn. Aldus wordt de eigenaar die wordt geconfronteerd met een waardevermindering of -vermeerdering in een vroeg stadium van de procedure, namelijk in het kader van het openbaar onderzoek, in kennis gesteld van de berekening daarvan, zoals vastgesteld door de landmeter-expert die door de gemeente is aangesteld. Krachtens artikel 28, § 2, eerste lid, van het bestreden decreet heeft die eigenaar de mogelijkheid om de vaststelling te betwisten, waarbij de waardevermindering of -vermeerdering wordt vastgesteld door een college dat bestaat uit de landmeter-expert die door de gemeente is aangesteld en een landmeter-expert die door de eigenaar is aangesteld. Het feit dat de waardevermindering of -vermeerdering in eerste instantie wordt vastgesteld door een landmeter-expert die door de gemeente is aangesteld, past in het kader van de voorbereiding van het ontwerp van rooilijnplan of van grafisch plan tot opheffing van een gemeenteweg, en laat de gemeenteraad toe om met kennis van zaken, ook wat de eventuele impact op de gemeentelijke financiën betreft, te beslissen over de vaststelling van dat plan. 44 Zoals de Vlaamse Regering aanvoert, volgt uit de formulering van artikel 28, § 1, eerste lid, van het bestreden decreet en uit het feit dat de begroting ervan reeds moet zijn opgenomen in het rooilijnplan, dat de minder- of meerwaardevergo

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.