← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.132

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.132 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.7 Arrest- Rolnummer: 132/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 416 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de wet van 14 oktober 2018 « tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen », gesteld door de Vrederechter van het eerste kanton Bergen. Registratie-, hypotheek- en griffierechten - Rolrecht - Niet-Belgische onderdanen - Rijksregisternummer. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-10-2018 Tekst van de beslissing Rolnummer 7399 Arrest nr. 132/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 14 oktober 2018 « tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen », gesteld door de Vrederechter van het eerste kanton Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 mei 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 juni 2020, heeft de Vrederechter van het eerste kanton Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « De wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (Belgisch Staatsblad van 20 december 2018) voorziet niet in de mogelijkheid om een onderdaan die buiten het Belgische grondgebied woont te laten veroordelen, omdat hij in België niet over een rijksregisternummer beschikt. De FOD Financiën verkeert in de onmogelijkheid om de rolrechten van 50 euro te recupereren omdat de Rechtbank niet in staat is om voor een onderdaan die buiten het Belgische grondgebied woont een Belgisch rijksregisternummer op te geven. Bevat de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (Belgisch Staatsblad van 20 december 2018) bijgevolg geen discriminatie tussen de Belgische onderdanen die over een rijksregisternummer beschikken en de onderdanen die buiten het Belgische grondgebied wonen en die niet over een rijksregisternummer beschikken, die strijdig is met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, doordat zij niet voorziet in de mogelijkheid om de rolrechten van 50 euro die moeten worden betaald wanneer het dossier wordt afgesloten met een veroordelend vonnis te recupereren op verzoek van de FOD Financiën, die zich baseert op het rijksregisternummer van de in het ongelijk gestelde partij ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fekenne, advocaat bij de balie Luik-Hoei, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 30 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 30 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter wordt een vordering tot invordering van onbetaalde kosten en honoraria ingesteld, bij dagvaarding van 20 februari

  1. 3 De verwijzende rechter willigt de vordering in maar is van mening dat hij, met toepassing van de wet, de in het ongelijk gestelde verwerende partij niet kan veroordelen tot betaling van de rolrechten, omdat zij van Franse nationaliteit is en niet over een rijksregisternummer beschikt. Hij acht het bijgevolg aangewezen de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag op een verkeerde premisse is gebaseerd. Zij is bijgevolg niet nuttig voor de oplossing van het geschil en behoeft geen antwoord. Artikel 2692 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalt immers dat de rolrechten verschuldigd zijn door de persoon die de zaak op de rol heeft doen inschrijven of door de verweerder wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld. Dat artikel geeft geenszins aan dat alleen Belgische onderdanen die rechten verschuldigd zouden zijn. De invordering van de rolrechten wordt voortaan toevertrouwd aan de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, met de medewerking van de griffies van de rechterlijke orde. Met toepassing van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 « betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken », komt het de griffies toe aan de administratie een aantal gegevens te bezorgen, waaronder het rijksregisternummer van de partijen. Dat gegeven dient echter enkel te worden vermeld indien het beschikbaar is. Zulks blijkt uit de bewoordingen van artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek en wordt bevestigd door de omzendbrief van de FOD Justitie nr. 272 van 29 januari 2019 alsook door de omzendbrief van de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering nr. 2019/C/16 van 15 februari
  3. Bijgevolg kan nergens uit worden afgeleid dat alleen de Belgische rechtzoekenden rolrechten verschuldigd zijn. A.
  4. De Ministerraad is van mening, in ondergeschikte orde, dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord omdat de categorieën van personen niet voldoende nauwkeurig worden aangeduid en zij niet op pertinente wijze met elkaar worden vergeleken. –B– B.
  5. Uit de formulering van de prejudiciële vraag en uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de wet van 14 oktober 2018 « tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen » (hierna : de wet van 14 oktober 2018) en de wetgeving die in het algemeen van toepassing is inzake rolrechten niet-Belgische onderdanen uitsluiten van de betaling van die rechten omdat zij niet over een rijksregisternummer beschikken. B.2.
  6. Een rolrecht is een belasting die wordt gevorderd van de rechtzoekende die een vordering voor een rechtscollege instelt. Het gaat om een bijzonder recht dat verschuldigd is als bijdrage in de kosten van de rechtspleging. De wet van 14 oktober 2018 wijzigt het Wetboek 4 der registratie-, hypotheek- en griffierechten en heeft tot doel de rolrechten te hervormen. Zij verschuift met name het tijdstip waarop die rechten opeisbaar zijn van het begin naar het einde van het geding. Bij zijn arrest nr. 84/2021 van 10 juni 2021, heeft het Hof de artikelen 2 en 3 van de wet van 14 oktober 2018 vernietigd in zoverre zij van toepassing zijn op de rechtzoekenden van wie de zaak op de rol is ingeschreven tussen 1 februari 2019 en 31 augustus 2020, die uiterlijk op 31 augustus 2020 zijn veroordeeld tot betaling van de rolrechten, en van wie de bestaansmiddelen lager zijn dan de plafonds om juridische tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand te genieten, zoals vastgesteld krachtens de artikelen 3 en 4 van de wet van 31 juli 2020 « tot wijziging van het gerechtelijk wetboek teneinde de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen », maar hoger dan de plafonds die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van die bepalingen. B.2.
  7. Artikel 2692 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten geeft aan welke partijen de rolrechten verschuldigd zijn. Het bepaalt : « §
  8. De rechter veroordeelt in zijn eindbeslissing de partij of de partijen die het recht verschuldigd zijn tot de betaling ervan of tot betaling van hun deel erin. Tegen de beslissing van de rechter kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Het recht is volledig verschuldigd door de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen, behalve indien : 1° de verweerder in het ongelijk wordt gesteld, in welk geval het recht volledig verschuldigd is door de verweerder; 2° de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, in welk geval het recht ten dele door de eiser en ten dele door de verweerder verschuldigd is, volgens de beslissing van de rechter. Het recht wordt opeisbaar op de datum van de veroordeling. §
  9. In geval de zaak op de rol wordt doorgehaald of van de rol wordt weggelaten bij toepassing van artikel 730 van het Gerechtelijk Wetboek, is het recht vanaf de datum van de doorhaling of van de weglating opeisbaar ten laste van de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen ». 5 B.
  10. De invordering van de rolrechten wordt voortaan toevertrouwd aan de federale administratie, overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 januari 2019 « betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken ». In dat kader dienen bepaalde gegevens aan die administratie te worden doorgegeven. Artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit bepaalt daartoe : « De Federale Overheidsdienst Justitie maakt via een elektronische flux de lijsten met opeisbaar geworden rolrechten over aan de Federale Overheidsdienst Financiën binnen de drie werkdagen na de dag waarop ze opeisbaar zijn geworden. Een in het eerste lid bedoelde lijst bevat per zaak de volgende gegevens : […] 5° de identificatie van de belastingschuldigen met vermelding van, indien beschikbaar, hun nationaal nummer, of bij gebrek daarvan hun identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid wanneer het natuurlijke personen betreft of hun identificatienummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen wanneer het rechtspersonen betreft. […] ». De omzendbrief van de Federale Overheidsdienst Justitie nr. 272 van 29 januari 2019, die bestemd is voor alle instanties van de rechterlijke orde, bevestigt dat de griffies de personen die rolrechten verschuldigd zijn, moeten identificeren door vermelding van het rijksregisternummer, indien beschikbaar. Dat wordt herhaald in de omzendbrief van de Federale Overheidsdienst Financiën nr. 2019/C/16 van 15 februari 2019 « betreffende de hervorming van de rolrechten ». B.
  11. Krachtens artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 14 oktober 2018, dient ieder vonnis in de regel de naam, de voornaam en de woonplaats die de partijen bij hun verschijning en hun conclusies hebben opgegeven en, in voorkomend geval, hun rijksregister- of ondernemingsnummer te vermelden. B.
  12. De vermelding van het rijksregisternummer maakt deel uit van de algemene verplichting tot identificatie van de partijen in het geding. Wanneer dat nummer niet kan worden vermeld, omdat de betrokken partij niet van Belgische nationaliteit is, gebeurt de identificatie van de persoon die rolrechten verschuldigd is door middel van andere 6 vermeldingen. De onmogelijkheid om een rijksregisternummer te vermelden vormt dus geen beletsel voor de veroordeling tot betaling van de rolrechten, noch voor de invordering ervan, zodat er geen door de wet georganiseerde uitsluiting van betaling van die rechten is ten gunste van de niet-Belgische onderdanen. B.
  13. Aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van een verkeerde premisse, is het antwoord op die vraag kennelijk niet nuttig voor de oplossing van dat geschil. B.
  14. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 oktober
  15. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.132 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.