← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.135

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.135 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.10 Arrest- Rolnummer: 135/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De eerste, de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag zijn niet ontvankelijk. - Artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. - Artikel 70, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Artikel 70, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 51bis, § 4, en 70, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Strafrecht - Fiscaal strafrecht -

  1. Bestuurlijke en/of strafrechtelijke vervolging - Overleg -
  2. BTW - Misdrijven - Fiscale geldboeten - Bedragen. Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 02-07-1969 - 51bis,§4 - 32 Link Justel databank 19690702-32 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 02-07-1969 - 70,§1 - 32 Link Justel databank 19690702-32 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 02-07-1969 - 70,§2 - 32 Link Justel databank 19690702-32 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 29,L3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Rolnummer 7482 Arrest nr. 135/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 51bis, § 4, en 70, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 9 november 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 december 2020, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1) Schendt art. 51bis, § 4 W.BTW de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en het hierin vervatte evenredigheidsbeginsel nu deze bepaling voorziet in een onvoorwaardelijke algehele aansprakelijkheid en de rechter deze niet kan beoordelen in functie van eenieders bijdrage aan de belastingfraude ? 2) Schendt artikel 51bis, § 4 W.BTW het evenredigheidsbeginsel in de zin van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat artikel 51bis, § 4 W.BTW als een strafsanctie in de zin van art. 6.1 EVRM beschouwd moet worden, in die zin dat een leverancier hoofdelijk aansprakelijk is voor de door zijn afnemer ontdoken belastingen, zelfs indien de leverancier geen enkel vermogensvoordeel uit de feiten heeft geput ? 3) Schendt artikel 51bis, § 4 W.BTW het evenredigheidsbeginsel doordat de hoofdelijke aansprakelijkheid tevens zou gelden voor leveranciers voor iedere verdere doorverkoop door één van haar afnemers en niet louter voor afnemers in het kader van de bevoorradingsketen ? 4) Schenden de artikelen 70, § 1 en § 2 W.BTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het non bis in idem-beginsel een andere toepassing vindt inzake inkomstenbelastingen dan in btw, waardoor belastingplichtigen die het voorwerp zijn van een heffing in de inkomstenbelastingen en belastingplichtigen die het voorwerp zijn van een btw-heffing, anders behandeld worden, aangezien het EHRM oordeelt dat het non bis in idem-beginsel van toepassing blijft bij opeenvolgende procedures (arrest van 19 december 2017, Ramda/Frankrijk), daar waar het EHJ bij arresten van 20 maart 2018 (Mend [lees : Menci], Garlsson Real Estate SA) aanvaardt dat twee afzonderlijke procedures kunnen worden gevoerd en twee sancties opgelegd kunnen worden, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden ? 5) Schendt art. 29, lid 3 Sv. het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vastgelegd in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat dit artikel zou toelaten dat een opsplitsing gemaakt wordt tussen feiten die verbonden zijn met elkaar door een eenheid van opzet, waarbij feiten voor één jaar bestuurlijk vervolgd worden en feiten voor een ander jaar strafrechtelijk vervolgd worden, en dit tot gevolg heeft dat aan een rechtsonderhorige in dit geval zowel een administratieve sanctie als een strafrechtelijke sanctie opgelegd wordt, terwijl aan een rechtsonderhorige, voor wie tijdens het in artikel 29, lid 3 Sv. bedoelde overleg besloten wordt om enkel tot strafrechtelijke vervolging over te gaan in het kader van eenheid van opzet, slechts een strafrechtelijke sanctie opgelegd wordt, terwijl dit onderscheid niet gebaseerd is op een redelijke verantwoording ? 6) Schendt artikel 70 § 1 en § 2 W.BTW het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel door een zelfde straf te bepalen voor het geval iemand btw niet betaalt als voor de degene die wel de btw betaalt maar verkeerde facturen opstelt ? 7) Schendt artikel 70, § 1 W.BTW het gelijkheidsbeginsel en inherent hieraan het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM doordat een boete 3 wordt opgelegd van 200 % wat ontegensprekelijk meer is dan de btw die men wil recupereren ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Dranken Van Eetvelde », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vandebergh, advocaat bij de balie van Limburg; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. Maenhout, advocaat bij de balie van Antwerpen. Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 30 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 30 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De fiscale administratie heeft bij de nv « Dranken Van Eetvelde » een fiscaal onderzoek uitgevoerd inzake de toepassing van de btw voor de periode van 1 januari 2011 tot 31 december
  3. Dat fiscaal onderzoek heeft geresulteerd in een dwangbevel dat werd uitgevaardigd op 10 december 2018, waarin de nv « Dranken Van Eetvelde » op grond van artikel 51bis, § 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek) hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de door haar afnemers ontdoken btw ten bedrage van 141 665,30 euro. Voorts wordt in dat dwangbevel op grond van artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek een boete opgelegd ten bedrage van 347 000 euro voor onjuiste vermeldingen op facturen en op grond van artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek een boete ten bedrage van 283 320,00 euro voor niet-betaalde btw. Met betrekking tot de periode 2012 tot 2014 werd de nv « Dranken Van Eetvelde » bij een vonnis van 18 juni 2019 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, zitting houdende in strafzaken, veroordeeld tot een geldboete van 20 000 euro, te vermeerderen met de wettelijke opdeciemen, met een gewoon uitstel gedurende drie jaar voor de helft van de boete, voor fiscale valsheid en het gebruik van valse stukken inzake btw en inkomstenbelastingen, evenals voor de niet-aangifte van inkomsten in de vennootschapsbelasting en de niet-aangifte van verkopen en de erop verschuldigde btw, dit alles met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. De nv « Dranken Van Eetvelde » heeft tegen het voormelde dwangbevel van 10 december 2018 verzet ingesteld bij de verwijzende rechter. Op verzoek van de nv « Dranken Van Eetvelde » stelt de verwijzende rechter de bovenvermelde prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A– Ten aanzien van de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag A.1.
  4. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op een verschil in behandeling dat het in het geding zijnde artikel 51bis, § 4, van het BTW-Wetboek in het leven zou roepen tussen belastingplichtigen, zonder dat evenwel wordt aangegeven tussen welke belastingplichtigen. Voorts zou de prejudiciële vraag er verkeerdelijk van uitgaan dat de voormelde bepaling een onvoorwaardelijke aansprakelijkheid inhoudt die strijdig is met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en met de Grondwet. De hoofdelijkheid geldt immers niet wanneer het een vergissing te goeder trouw betreft of wanneer de belastingplichtige geen fout of nalatigheid kan worden verweten. De administratie dient te bewijzen dat de belastingplichtige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de verschuldigde belasting niet zou worden betaald. De vermoedens waarop de belastingdiensten zich baseren zijn bovendien weerlegbaar. Ten slotte komt het de rechtbanken toe te oordelen over de gegrondheid van de vermoedens van de administratie. A.1.
  5. De Ministerraad stelt inzake de tweede prejudiciële vraag dat, volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de hoofdelijke aansprakelijkheid niet beschouwd kan worden als een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Daarenboven doet de maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de schuldenaar, nu de bewijslast voor de kwade trouw bij de administratie ligt, de hoofdelijkheid beperkt is tot de belasting zelf en de betrokkene recht heeft op toegang tot een rechter die een toetsing met volle rechtsmacht uitoefent. A.1.
  6. De Ministerraad stelt inzake de derde prejudiciële vraag dat het niet relevant is wie het vermogensvoordeel uit de feiten heeft geput. Het gaat erom de schade te recupereren die de Schatkist heeft geleden door het ontlopen van fiscale inkomsten. Door het toepassingsgebied van het in het geding zijnde artikel 51bis, § 4, van het BTW-Wetboek niet te beperken tot de volgende schakel in het fraudecircuit, heeft de wetgever een efficiënte antifraudemaatregel willen installeren. Die maatregel is noodzakelijk en allerminst onredelijk. A.2.
  7. De nv « Dranken Van Eetvelde » voert aan dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, niemand onvoorwaardelijk gehouden kan zijn voor de fraude van iemand anders. Een dergelijke onvoorwaardelijke aansprakelijkheid gaat verder dan hetgeen nodig is om de rechten van de Schatkist te vrijwaren en belastingfraude te bestrijden. Doordat het in het geding zijnde artikel 51bis, § 4, van het BTW-Wetboek niet als dusdanig kan worden geïnterpreteerd dat de rechter enige afweging kan maken bij het beoordelen van iemands aansprakelijkheid en rekening kan houden met iemands goede trouw, worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het evenredigheidsbeginsel geschonden. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt bovendien dat een rechter met volle rechtsmacht moet kunnen oordelen over een hoofdelijke aansprakelijkheid. Doordat de maatregel toelaat de nv « Dranken Van Eetvelde » voor de volledige belasting te laten opdraaien, zelfs wanneer die vennootschap geen vermogensvoordeel heeft verkregen noch zelf belastingen heeft ontdoken, houdt de hoofdelijke aansprakelijkheid een bijkomende straf in. In zoverre de rechtbank niet met volle rechtsmacht kan oordelen over die straf, wordt het evenredigheidsbeginsel geschonden. Tot slot benadrukt de nv « Dranken Van Eetvelde » inzake de derde prejudiciële vraag dat de regeling in artikel 51bis, § 4, van het BTW-Wetboek enkel is ingevoerd om de afnemers hoofdelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor de btw die de leverancier niet zou hebben betaald, en niet omgekeerd. Indien die regeling op haar, als leverancier aan cafés (en dus niet aan de eindgebruiker), van toepassing zou zijn, zou dit betekenen dat zij aansprakelijk is voor iedere verdere doorverkoop, zelf de doorverkoop door haar afnemers aan latere afnemers in de keten. Een dergelijke maatregel is niet objectief gerechtvaardigd. A.2.
  8. In haar memorie van antwoord stelt de nv « Dranken Van Eetvelde » dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op een toepassing van het evenredigheidsbeginsel, dat vervat is in het gelijkheidsbeginsel en bovendien een algemeen rechtsbeginsel is in het Belgisch en Europees recht. Voor zover als nodig wijst ze op het verschil in behandeling tussen de situatie bedoeld in artikel 51bis, § 3, en die welke is bedoeld in artikel 51bis, § 4, van het BTW-Wetboek : vermits de beperking tot personen te goeder trouw is opgenomen in de eerstgenoemde bepaling, had de wetgever ook in de laatstgenoemde bepaling daarin kunnen voorzien. 5 Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag A.
  9. De Ministerraad stelt inzake de vijfde prejudiciële vraag, met verwijzing naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie, dat het exclusief aan de procureur toekomt te beslissen voor welke feiten hij de strafvervolging zal uitoefenen. Artikel 151, § 1, van de Grondwet stelt immers duidelijk dat het openbaar ministerie onafhankelijk is in de individuele opsporing en vervolging. Bijgevolg moet het openbaar ministerie autonoom kunnen beslissen enkel over te gaan tot vervolging voor feiten met betrekking tot de jaren 2012-
  10. De zienswijze dat de procureur ook verplicht is feiten uit andere jaren te vervolgen indien er eenheid van opzet zou bestaan, botst met artikel 151 van de Grondwet. Het una via-overleg laat voorts het subsidiariteitsprincipe onverlet. De administratie behoudt haar wettelijke taak die erin bestaat fiscale fraude vast te stellen, de correcte belastingen te vestigen en de wettelijk voorgeschreven sancties toe te passen. De eisende partij voor de verwijzende rechter werd immers enkel vervolgd voor de feiten met betrekking tot de jaren 2012-2014, en niet voor de feiten met betrekking tot
  11. Vermits de feiten aldus betrekking hebben op een andere periode, en bijgevolg op totaal verschillende btw-aangiftes, kan het beginsel non bis in idem niet geschonden zijn. Daarenboven, zelfs in de veronderstelling dat het wel zou gaan om identieke of wezenlijk dezelfde feiten, dan nog is er niet automatisch sprake van een schending van het beginsel non bis in idem. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen twee bestraffingen voor identieke feiten door verschillende instanties en in aparte procedures wel in overeenstemming zijn met het voormelde beginsel indien de twee procedures zo nauw verbonden zijn dat ze in dat geval als één procedure kunnen worden beschouwd. Aldus sluit artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet uit dat er gemengde procedures worden uitgevoerd indien een aantal voorwaarden vervuld zijn. Ook het Europees Hof van Justitie en het Hof van Cassatie volgen die rechtspraak. A.
  12. De nv « Dranken Van Eetvelde » benadrukt inzake de vijfde prejudiciële vraag dat de opgelegde fiscale boete onmiskenbaar het karakter van een strafsanctie heeft. Derhalve is het beginsel non bis in idem daarop van toepassing, zodra de feiten waarvoor men bestraft wordt in hoofdzaak dezelfde zijn. Er is sprake van dezelfde feiten wanneer de materiële feiten een onlosmakelijk geheel vormen door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp, ongeacht de strafrechtelijke kwalificatie of het beschermde rechtsbelang en ongeacht het vereiste opzet. Dit is te dezen het geval. Volgens de nv « Dranken Van Eetvelde » vormt het een schending van het grondwettelijk gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat belastingplichtigen die het voorwerp zijn van een heffing in de inkomstenbelastingen en belastingplichtigen die het voorwerp zijn van een btw-heffing anders worden behandeld, gelet op de verschillende beoordeling van het beginsel non bis in idem door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en door het Hof van Justitie. In het geval van twee afzonderlijke procedures, zoals in de zaak voor de verwijzende rechter, stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onverkort het beginsel non bis in idem voorop. Het Hof van Justitie aanvaardt daarentegen wel dat twee afzonderlijke procedures worden gevoerd, zolang het wettelijke kader voorwaarden stelt die ervoor zorgen dat het beginsel non bis in idem niet ongerechtvaardigd wordt beperkt. Zelfs indien de recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie wordt toegepast, moet worden geoordeeld dat het beginsel non bis in idem geschonden wordt. De fiscale strafbepalingen bestraffen immers feiten die in wezen identiek zijn aan de feiten waarvoor de fiscaal-administratieve sancties kunnen worden opgelegd. De wet stelt echter geen duidelijke voorwaarden vast waaronder een cumulatie van administratieve en strafrechtelijke sancties mogelijk is. De samenloop van beide procedures is noch in rechte, noch in feite voorzienbaar. Daarenboven zijn beide procedures totaal onafhankelijk van elkaar. Er wordt geen dubbele beoordeling van het bewijs vermeden en er is geen sprake van een adequate samenwerking. Evenmin is er in de Belgische wetgeving in regels voorzien die de voorwaarden vaststellen die moeten verzekeren dat de bevoegde autoriteiten de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties beperken tot het strikt noodzakelijke in verhouding tot de ernst van het gepleegde delict. Dat een dergelijke regelgeving niet bestond op het moment van onderhavig geding voor de strafrechter, wordt ook erkend door de Belgische wetgever. De wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » zal daar immers verandering in brengen door de invoeging van een artikel 29bis in het Wetboek van strafvordering en van een artikel 73bis/1 in het BTW-Wetboek. Voorts zal de strafrechter krachtens het nieuwe artikel 4bis van de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering » ook de bevoegdheid hebben om de fiscale vordering te beoordelen. De huidige geschillenregeling, waarbij na een strafprocedure nog een aparte fiscale 6 procedure mogelijk is, wordt aldus vervangen door één procedure voor de strafrechter. Indien de belastingplichtige de fiscale zaak reeds voor de burgerlijke rechter zou hebben gebracht, wordt die procedure beëindigd en voortgezet voor de strafrechter. Dit zal tot gevolg hebben dat de situatie in het bodemgeschil, waarbij zowel een strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken als boetes ten bedrage van het dubbele van de verschuldigde btw worden opgelegd, niet meer de norm zal zijn. Ten aanzien van de vierde, de zesde en de zevende prejudiciële vraag A.
  13. De Ministerraad stelt inzake de vierde prejudiciële vraag dat het beginsel non bis in idem een universeel beginsel is, dat door de Belgische wetgever op dezelfde wijze wordt toegepast inzake directe belastingen als inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek verschilt niet wezenlijk van artikel 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
  14. De prejudiciële vraag is volgens de Ministerraad niet-ontvankelijk, nu het Hof niet bevoegd is om te beoordelen of er een ongeoorloofd verschil zou zijn ontstaan tussen de rechtspraak van de hoogste Europese rechtscolleges. In ieder geval zitten het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Hof van Justitie momenteel wel degelijk op dezelfde lijn inzake de toepassing van het beginsel non bis in idem. A.
  15. De nv « Dranken Van Eetvelde » voert ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag dezelfde argumenten aan als ten aanzien van de zesde prejudiciële vraag (zie A.4). A.
  16. Ten aanzien van de zesde prejudiciële vraag stelt de Ministerraad dat de in artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale geldboeten tot doel hebben de inbreuken op dat Wetboek door de belastingplichtigen, zonder onderscheid, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter tot gestrengheid te dwingen wanneer een overtreding inzonderheid het algemeen belang schaadt. Het feit dat de btw al dan niet door de belastingplichtige aan de Schatkist werd doorgestort, is niet relevant nu in beide gevallen btw wordt ontdoken. In het geval van valse facturen (bijvoorbeeld aan failliete ondernemingen of aan onwetende particulieren) is het verlies voor de Schatkist zelfs nog groter, doordat de afnemende horecazaken in het zwart konden werken. De wetgever heeft binnen zijn ruime beoordelingsbevoegdheid ervoor gekozen in zware sancties te voorzien in geval van fraude. Die fraude heeft ertoe geleid dat btw werd ontdoken bij tal van horecazaken met een groot verlies voor de Schatkist tot gevolg. De voorgeschreven sanctie is evenredig met het doel belastingontduiking te voorkomen en te bestraffen en de belangen van de Schatkist te beschermen. De wetgever heeft dan ook, zonder het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden, kunnen beslissen dat de boete van 200 % van de verschuldigde btw van toepassing is bij het opstellen en het gebruik van valse facturen. A.
  17. De nv « Dranken Van Eetvelde » is van oordeel dat het niet evenredig is dat diegene die alleen maar verkeerde facturen opstelt, even streng wordt gestraft als diegene die de verschuldigde btw niet betaalt. Nochtans pleegt de laatstgenoemde een zwaardere overtreding dan de eerstgenoemde. De nv « Dranken Van Eetvelde » wijst er daarbij op dat zij in het geding voor de verwijzende rechter niet de belastingplichtige zelf is, maar de hoofdelijk aansprakelijke. Zowel die hoofdelijke aansprakelijkheid als de boete zelf van 200 % van de verschuldigde btw vormen strafsancties in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Doordat het in het geding zijnde artikel 70, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek toelaat de nv « Dranken Van Eetvelde » voor die boete te laten opdraaien, zelfs wanneer zij geen vermogensvoordeel heeft verkregen of zelf belastingen heeft ontdoken, wordt het evenredigheidsbeginsel geschonden. A.
  18. Wat de zevende prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat het tegengaan van fiscale fraude een doel van algemeen belang is. Een sanctietarief van 200 % van de verschuldigde btw kan als onredelijk worden beschouwd wanneer het niet in verhouding staat tot de begane overtreding. Omdat die beoordeling in concreto door een onafhankelijke rechter dient te gebeuren, heeft het Grondwettelijk Hof meermaals herhaald dat de regeling inzake btw-boetes – op straffe van schending van de Grondwet – aldus moet worden geïnterpreteerd dat de rechter de bevoegdheid heeft om met volle rechtsmacht de beslissing van de minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete te beoordelen. De rechtbank kan ten volle gebruik maken van de bevoegdheid die aan de hoven en de rechtbanken toekomt om met volle bevoegdheid een oordeel te vellen over een administratieve boete. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van 7 het Hof van Cassatie mag de rechter oordelen of de administratie de boete « naar redelijkheid » heeft opgelegd en of de straf « niet onevenredig » is met de inbreuk, maar wordt uitgesloten dat de rechtbank op basis van een subjectieve beoordeling « verzachtende omstandigheden » in aanmerking neemt. A.
  19. De nv « Dranken Van Eetvelde » stelt dat een boete van 200 % van de verschuldigde btw niet evenredig is met hetgeen haar wordt verweten. De boete is derhalve strijdig met het gelijkheidsbeginsel, dat het evenredigheidsbeginsel omvat, en met het verbod van onteigening dat is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. -B- Ten aanzien van de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag B.1.
  20. De eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag hebben betrekking op artikel 51bis, § 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : het BTW-Wetboek), dat bepaalt : « Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken ». B.1.
  21. De eerste prejudiciële vraag betreft de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met « de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en het hierin vervatte evenredigheidsbeginsel nu deze bepaling voorziet in een onvoorwaardelijke algehele aansprakelijkheid en de rechter deze niet kan beoordelen in functie van eenieders bijdrage aan de belastingfraude ». De tweede prejudiciële vraag betreft de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met « het evenredigheidsbeginsel in de zin van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat artikel 51bis, § 4 [van het BTW-Wetboek] als een strafsanctie in de zin van [artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens] beschouwd moet worden, in die zin dat een leverancier hoofdelijk aansprakelijk is voor de door zijn afnemer ontdoken belastingen, zelfs indien de leverancier geen enkel vermogensvoordeel uit de feiten heeft geput ». 8 De derde prejudiciële vraag betreft de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met « het evenredigheidsbeginsel doordat de hoofdelijke aansprakelijkheid tevens zou gelden voor leveranciers voor iedere verdere doorverkoop door één van haar afnemers en niet louter voor afnemers in het kader van de bevoorradingsketen ». B.2.
  22. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.2.
  23. Het Hof heeft niet als opdracht de naleving, door de wetgevers, van andere regels rechtstreeks te toetsen, tenzij zij samenhangen met de grondwettelijke regels die onder zijn bevoegdheid vallen, waaronder het door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het evenredigheidsbeginsel is geen norm die samenhangt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vermits het reeds impliciet in die bepalingen vervat ligt. B.2.
  24. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Opdat die toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan worden uitgeoefend, moeten de prejudiciële vragen verduidelijken welke categorieën van personen met elkaar worden vergeleken. Minstens moeten die categorieën blijken uit de motivering van het 9 verwijzingsvonnis. Als dat niet het geval is, kan het Hof niet oordelen of het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden. B.2.
  25. De eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag preciseren niet welke categorieën van personen met elkaar worden vergeleken. Het verwijzingsvonnis biedt geen verduidelijking op dat punt. In de derde prejudiciële vraag wordt het Hof overigens verzocht rechtstreeks te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert in haar memorie van antwoord aan dat de eerste prejudiciële vraag een vergelijking betreft tussen de situatie bedoeld in artikel 51bis, § 3, van het BTW-Wetboek en die welke is bedoeld in artikel 51bis, § 4, van hetzelfde Wetboek. De partijen voor het Hof vermogen de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet te wijzigen of uit te breiden door andere categorieën van personen dan die welke zijn bepaald in de prejudiciële vraag aan te wijzen waarmee bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou moeten worden vergeleken. B.2.
  26. De eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag zijn derhalve niet ontvankelijk. Ten aanzien van de vijfde prejudiciële vraag B.3.
  27. De vijfde prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering. In de versie ervan vóór de wijziging bij de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », bepaalde artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering : « De in het tweede lid bedoelde adviseur-generaal [van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie] of de ambtenaar die hij aanwijst, kan in het kader van de strijd tegen de fiscale fraude over concrete dossiers overleg plegen met de procureur des Konings. 10 De procureur des Konings kan de strafrechtelijk strafbare feiten waarvan hij kennis heeft genomen tijdens het overleg, vervolgen. Het overleg kan ook plaatsvinden op initiatief van de procureur des Konings. De bevoegde politionele overheden kunnen deelnemen aan het overleg ». B.3.
  28. Die bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « De strijd tegen de fiscale fraude vereist een wederkerig overleg tussen de gewestelijke directeur en de magistraten van het openbaar ministerie die de vervolging uitoefenen, en hun respectieve medewerkers. De voornoemde fiscale fraude manifesteert zich in concrete dossiers zodat, om de efficiëntie en de effectiviteit van dit overleg in functie van de fraudebestrijding te garanderen, dit overleg dient te kunnen gebeuren op basis van concrete dossiers. Met dit artikel wordt dit wederzijds overleg mogelijk gemaakt. Dit overleg dient om de procureur des Konings vanuit zijn grondwettelijke bevoegdheid in staat te stellen een oordeel te vormen over de noodzaak om een opsporingsonderzoek op te starten of een gerechtelijk onderzoek te vorderen en of dat de feiten kunnen leiden tot individuele vervolgingen in het fiscale fraudedossier. Na dit overleg zal volgens het ‘ una via ’- principe bepaald worden of het fraudedossier de administratieve weg, dan wel de strafrechtelijke weg zal volgen. Bij het volgen van de administratieve weg zullen de fiscale administraties de fraude in een fiscaal dossier zelf aanpakken en beboeten. Bij het volgen van de strafrechtelijke weg zal het openbaar ministerie de fiscale fraude strafrechtelijk onderzoeken en vervolgen. Op dat moment zullen de fiscale administraties zich beperken tot het vaststellen van de fiscale schuld, zonder administratieve sancties toe te passen. Het noodzakelijke overleg kan echter niet als een element van de procedure beschouwd worden, noch de beoordelingsbevoegdheid van het openbaar ministerie beperken. Het overleg dient dus beschouwd te worden als een werkoverleg dat plaatsvindt voorafgaand aan de effectieve aanpak van de fiscale overtreding en dus niet als een akte van rechtspleging » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1973/001, p. 9). B.4.
  29. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering afbreuk doet aan de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in de interpretatie dat die bepaling zou toelaten dat een opsplitsing wordt gemaakt tussen feiten die verbonden zijn met elkaar door een eenheid van opzet, waarbij feiten met betrekking tot een bepaald jaar bestuurlijk worden vervolgd en feiten met betrekking tot een ander jaar strafrechtelijk worden vervolgd. In die lezing zou de in het geding zijnde bepaling een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, een rechtsonderhorige die in het voormelde geval zowel een administratieve sanctie als een strafrechtelijke sanctie opgelegd krijgt en, anderzijds, een rechtsonderhorige voor wie tijdens het in artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg wordt besloten 11 enkel tot strafrechtelijke vervolging over te gaan in het kader van eenheid van opzet en aan wie een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd. B.4.
  30. Dat verschil in behandeling kan niet worden toegeschreven aan de bestreden bepaling. Het kan het gevolg zijn van de feitelijke omstandigheden waarin de overtredingen hebben plaatsgevonden en van de uitoefening door de procureur des Konings van zijn grondwettelijke bevoegdheid om te beoordelen of het opportuun is de strafvervolging in te stellen. Het komt de bevoegde rechter toe te waken over de naleving van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel non bis in idem. B.4.
  31. De vijfde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de vierde, de zesde en de zevende prejudiciële vraag B.
  32. De vierde, de zesde en de zevende prejudiciële vraag hebben betrekking op artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek, dat bepaalt : « §
  33. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen 51, §§ 1, 2 en 4, 51bis, 52, 53, 53ter, 53nonies, 54, 55 en 58, of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting. […] §
  34. Wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro. Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het bedrag van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de 12 leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant. Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in § 1 als de in § 2 bepaalde geldboete oploopt, is alleen de laatste verschuldigd ». B.6.
  35. Met zijn vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het beginsel non bis in idem een andere toepassing zou vinden inzake inkomstenbelasting dan inzake btw ingevolge de verschillende respectieve rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie. B.6.
  36. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over een verschil in behandeling dat niet zijn oorsprong vindt in de in het geding zijnde bepaling, doch zou voortvloeien uit verschillen tussen de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie. B.6.
  37. De vierde prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. B.
  38. Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het voorziet in eenzelfde straf voor iemand die geen btw betaalt als voor iemand die wel de btw betaalt maar verkeerde facturen opstelt. B.8.
  39. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. 13 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
  40. De geldboeten bedoeld in artikel 70 van het BTW-Wetboek zijn door de wetgever uitdrukkelijk opgevat als administratieve geldboeten (artikel 72 van het BTW-Wetboek). Die geldboeten zijn proportioneel aan de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting (§ 1), dan wel – indien voor een handeling geen facturen of facturen met onjuiste vermeldingen werden opgesteld – aan de op de handeling verschuldigde belasting (§ 2). In beide gevallen bedraagt de geldboete in beginsel het dubbele van de betrokken belasting. Aldus behandelt het in het geding zijnde artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek diegenen die de verschuldigde belasting niet of laattijdig betalen en diegenen die geen facturen of facturen met onjuiste vermeldingen opstellen, op identieke wijze wat de berekening van het bedrag van de geldboete betreft. B.8.
  41. De in artikel 70 van het BTW–Wetboek bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. De belastingplichtige, die vooraf de sanctie kent die hij riskeert op te lopen, wordt ertoe aangezet zijn verplichtingen na te komen. B.8.
  42. De factuur neemt binnen de belasting over de toegevoegde waarde een centrale plaats in, mede doordat het recht op aftrek door de belastingplichtige afhankelijk is van het bestaan van een dergelijk document. Om die reden worden aan dat document stringente eisen gesteld. Het is redelijk verantwoord dat de niet-naleving van die verplichtingen met eenzelfde proportionele geldboete wordt bestraft als de niet-betaling van de btw. Ten aanzien van het in B.8.3 vermelde doel bevinden de voormelde categorieën zich immers niet in fundamenteel verschillende situaties, aangezien zij beiden inbreuk hebben 14 gepleegd op de verplichtingen die zijn neergelegd in het BTW-Wetboek hetgeen het ontduiken van belastingen tot gevolg heeft. De in het geding zijnde bepaling heeft bovendien geen onevenredige gevolgen, in zoverre artikel 70, § 2, tweede lid, van het BTW-Wetboek bepaalt dat de geldboete niet verschuldigd is wanneer de overtredingen met betrekking tot de factuur « als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het bedrag van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant ». Voorts voorziet artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek in de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boeten te vervangen door verminderde proportionele boeten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Die schaal werd vastgesteld bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 « tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde » en maakt het mogelijk dat de boeten waarin artikel 70, §§ 1 en 2, van het BTW-Wetboek voorziet, worden verminderd, op voorwaarde dat die overtredingen niet werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (artikel 1, eerste lid, 3°, en tweede lid, en bijgevoegde tabel C). Tot slot kan de minister van Financiën of diens gedelegeerde op verzoek van de betrokkene de geldboete volledig of gedeeltelijk kwijtschelden (artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 « van het bestuer van ’s lands middelen »). B.8.
  43. De zesde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.
  44. Met zijn zevende prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt, doordat het voorziet in een boete ten bedrage van het dubbele van de verschuldigde btw. B.10.
  45. Zoals is vermeld in B.8.3, hebben de in artikel 70 van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale geldboeten tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te 15 bestraffen. Zij hebben derhalve een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete. B.10.
  46. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan onder meer de omvang van de geldboete betreffen. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn, met name doordat zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf. B.10.
  47. Bij zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 heeft het Hof inzake het in het geding zijnde artikel 70 van het BTW-Wetboek geoordeeld dat « de tekst van [die bepaling] zich niet ertegen verzet dat de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, een bevoegdheid van volle rechtsmacht uitoefent die hem ertoe in staat stelt te controleren al wat onder de beoordeling van de administratie valt inzake fiscale boete. In die interpretatie is er geen discriminatie ». Voorts heeft het Hof bij zijn arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 inzake diezelfde bepaling geoordeeld : « B.6.
  48. Hieruit volgt dat artikel 70 van het BTW-Wetboek niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter niet toestaat met volle rechtsmacht toezicht uit te oefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete. 16 Dat toezicht moet het de rechter mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. B.6.
  49. Wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 heeft genomen, moet die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete kunnen kwijtschelden of verminderen. B.
  50. In de in B.6.2 vermelde interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
  51. Artikel 70 van het BTW-Wetboek kan evenwel anders worden geïnterpreteerd, waarbij die bepaling zich niet ertegen verzet dat de rechter, bij wie een beroep is ingesteld tegen de beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 heeft genomen, een bevoegdheid met volle rechtsmacht uitoefent die hem in staat stelt om toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt ». B.10.
  52. Te dezen dient te worden aangenomen dat de sanctie ten bedrage van het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting niet onevenredig is ten aanzien van het gepleegde misdrijf, rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die wel hun fiscale verplichtingen nakomen, met de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boete te vervangen door een verminderde proportionele boete of geheel of gedeeltelijk te laten kwijtschelden (artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek, artikel 1, eerste lid, 1°, en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 « van het bestuer van ’s lands middelen ») en met de bij de voormelde arresten vermelde bevoegdheid van de rechtbanken om met volle rechtsmacht toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt. De door die geldboeten veroorzaakte inmenging in het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is bijgevolg evenredig en redelijk verantwoord. B.10.
  53. De zevende prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De eerste, de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag zijn niet ontvankelijk. - Artikel 29, derde lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. - Artikel 70, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Artikel 70, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 oktober
  54. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.135 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.