← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.136 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211007.11 Arrest- Rolnummer: 136/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-21 Raadplegingen: 330 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De « prejudiciële vordering bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering » is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: « Prejudiciële vordering bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering », ingesteld door C.M. Voorafgaande rechtspleging - Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid - Prejudiciële vordering. Wettelijke bepalingen: Wet - 05-05-2014 - 7 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Rolnummer 7584 Arrest nr. 136/2021 van 7 oktober 2021 In zake : de « prejudiciële vordering bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering », ingesteld door C.M. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit emeritus voorzitter F. Daoût, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune, ter vervanging van emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 mei 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 mei 2021, is een « prejudiciële vordering bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering » ingesteld door C.M. Op 2 juni 2021 hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de « prejudiciële vordering » klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. C.M. heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. In zijn vordering formuleert C.M. drie middelen waaruit blijkt dat hij artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) in die zin bekritiseert dat de persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen, niet moet worden bijgestaan door een advocaat, hetgeen de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 « betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming » (hierna : de richtlijn 2013/48/EU) zou schenden (eerste middel); de betrokkene bekritiseert ook het feit dat hem niet werd toegestaan te worden bijgestaan door een advocaat of door een arts van zijn keuze tijdens het politieverhoor of tijdens de verhoren inzake forensische gerechtelijke procedure, en is van mening dat zijn woorden onduidelijk werden overgeschreven, zodat het wettigheidsbeginsel in strafzaken en zijn rechten van de verdediging en van de tegenspraak zouden zijn geschonden (tweede middel); ten slotte verzoekt hij om een hervorming van de tekst van artikel 7 van de wet van 5 mei 2014, opdat die nationale bepaling wordt toegepast overeenkomstig de « communautaire procedurele orde », hetzij opdat audiovisueel materiaal wordt geïnstalleerd tijdens de forensische verhoren, op verzoek van de raadsman of van de betrokkene, vóór enige beslissing van een psychiater (derde middel). De betrokkene vermeldt ook een « verzoekschrift tot spoedprocedure wegens niet-nakoming en tot vernietiging bij het HvJ », dat op 6 mei 2021 is ingediend. A.
  2. In zijn memorie met verantwoording zet C.M. uiteen dat het Hof in zijn arresten regelmatig aanwijzingen geeft die de wetgever ertoe moeten aansporen een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid, en preciseert met name dat een lacune enkel door de wetgever kan worden weggewerkt. C.M. is van mening dat, in zoverre het slechts voorziet in de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een arts of een advocaat, artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 de Europese richtlijn 2013/48/EU op onvolkomen wijze omzet, richtlijn die de inachtneming van het beginsel van tegenspraak en de aanwezigheid van een advocaat oplegt, aangezien het forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek een « tot onderzoek strekkende handeling » is die wordt verricht tijdens de strafprocedure. Hij verwijst ook naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Cottin t. België van 2 juni
  3. 3 Hij onderstreept dat de aan het Hof gerichte vordering een inventaris van de stukken van het strafdossier en van de memorie bevat, en dat die stukken aantonen dat het contradictoire karakter niet in acht is genomen. Te dezen werd geen prejudiciële vraag voorgelegd, noch door de advocaten, noch door de bevoegde overheden. C.M. verzoekt het Hof dan ook te oordelen dat al die gegevens een ernstig beletsel vormen voor de inachtneming van de wettigheid, waarop geen enkele afwijking kan worden toegestaan, ook niet in oorlogstijd. -B- B.
  4. Bij het Hof is een « prejudiciële vordering » aanhangig gemaakt « bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering ». De « vordering » strekt tot « de opheffing en de wijziging » van artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) en de verzoeker vraagt een « ongrondwettigheidsverklaring » wegens schending van de verdragsrechtelijke verplichtingen die van toepassing zijn in strafzaken. B.
  5. Zoals gewijzigd bij artikel 148 van de wet van 4 mei 2016 « houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie », bepaalt artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 : « De persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen kan zich, op elk moment, laten bijstaan door een arts naar keuze en een advocaat. Hij kan ook aan de gerechtelijke deskundigen schriftelijk alle voor het deskundigenonderzoek dienstige inlichtingen van de zorgverlener van zijn keuze overzenden. Deze arts of psycholoog wordt op de hoogte gebracht van de doelstellingen van het psychiatrisch deskundigenonderzoek. De gerechtelijke deskundigen spreken zich over deze inlichtingen uit alvorens hun conclusies te formuleren en voegen deze inlichtingen toe aan hun verslag ». B.
  6. In zijn verzoekschrift zet de eiser drie middelen uiteen, waaruit blijkt dat hij artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 in die zin bekritiseert dat de persoon die aan een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt onderworpen, niet moet worden bijgestaan door een advocaat, hetgeen de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 « betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met 4 derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming » zou schenden (eerste middel); de betrokkene bekritiseert ook het feit dat hem niet werd toegestaan te worden bijgestaan door een advocaat of door een arts van zijn keuze tijdens het politieverhoor of tijdens de verhoren in het raam van een forensische gerechtelijke procedure, en hij is van mening dat zijn woorden onduidelijk werden overgeschreven, zodat het wettigheidsbeginsel in strafzaken en zijn rechten van de verdediging en van de tegenspraak geschonden zouden zijn (tweede middel); ten slotte verzoekt hij om een hervorming van de tekst van artikel 7 van de wet van 5 mei 2014, hetzij opdat die nationale bepaling overeenkomstig de « communautaire procedurele orde » wordt toegepast, hetzij opdat audiovisueel materieel te installeren tijdens de forensische verhoren, op verzoek van de raadsman of van de betrokkene, vóór elke psychiatrische beslissing (derde middel). De betrokkene vermeldt ook een « verzoekschrift tot spoedprocedure wegens niet-nakoming en tot vernietiging bij het HvJ », dat op 6 mei 2021 is ingediend. B.
  7. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en de artikelen 1 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet het Hof uitspraak op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, en op de door rechtscolleges gestelde prejudiciële vragen die erop betrekking hebben. Bij die bepalingen worden de twee wijzen van aanhangigmaking bij het Hof vastgesteld wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.
  8. De voorliggende « prejudiciële vordering » zou, voor zover ze moet worden beschouwd als een prejudiciële vraag, zou die vordering niet ontvankelijk zijn. Krachtens artikel 142, derde lid, van de Grondwet kunnen immers enkel de rechtscolleges prejudiciële vragen aanhangig maken bij het Hof. Het Hof is niet bevoegd om uitspraak te doen op een « prejudiciële vordering » die is ingesteld door een privépersoon. 5 B.
  9. De voorliggende « prejudiciële vordering », voor zover ze moet worden beschouwd als een beroep tot vernietiging, zou ook niet ontvankelijk zijn. Luidens artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zijn de beroepen strekkende tot vernietiging van een wetsbepaling immers slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden bepaling in het Belgisch Staatsblad. Te dezen werd de wet van 5 mei 2014 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juli 2014 en werd de voormelde wet van 4 mei 2016, die artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 heeft gewijzigd, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei
  10. Bijgevolg was de termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen verstreken toen de voorliggende « prejudiciële vordering » werd ingesteld op 26 mei
  11. B.
  12. Voor het overige, in zoverre zij autonoom zouden zijn ten opzichte van de « prejudiciële vordering », behoren de andere geformuleerde vorderingen met het oog hetzij op de toetsing van de concrete toepassing van artikel 7 van de wet van 5 mei 2014 op de situatie van de verzoeker, hetzij op de opheffing en de vervanging van de tekst van de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof, in de zin van artikel 142 van de Grondwet en van de voormelde bijzondere wet van 6 januari
  13. B.
  14. De voorliggende « prejudiciële vordering » is bijgevolg klaarblijkelijk niet ontvankelijk. 6 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De « prejudiciële vordering bij het Grondwettelijk Hof van België wegens niet-nakoming en tot vernietiging in het kader van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering » is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 oktober
  15. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.