← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.142

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.142 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211014.6 Arrest- Rolnummer: 142/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 1036 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de beroepen tot vernietiging. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2020 « tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines », ingesteld door Staf Smits en anderen, door de nv « Kijkuit » en anderen, door de nv « Robberechts », door Philip Roodhooft en anderen, door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », door Pierre-Ivan Van Noten en Toon Franckaert, door Inge Mestdagh en anderen, door Georges Claeys en Johan Anckaert, door Inge Mestdagh en anderen en door de gemeente Aalter. Leefmilieu - Vlaams Gewest - Sectorale normen voor de installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie - Milieueffectrapportage - Wetgevende validatie van uitvoerende normen die door het Hof van Justitie strijdig werden bevonden met het Unierecht Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2020 - 03 ELI link Pub nr 2020042401 Tekst van de beslissing Rolnummers 7440, 7441, 7442, 7445, 7446, 7448, 7449, 7454, 7455 en 7456 Arrest nr. 142/2021 van 14 oktober 2021 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2020 « tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines », ingesteld door Staf Smits en anderen, door de nv « Kijkuit » en anderen, door de nv « Robberechts », door Philip Roodhooft en anderen, door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », door Pierre-Ivan Van Noten en Toon Franckaert, door Inge Mestdagh en anderen, door Georges Claeys en Johan Anckaert, door Inge Mestdagh en anderen en door de gemeente Aalter. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 30 september 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie zijn ingekomen op 1 oktober 2020, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2020 « tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 juli 2020) respectievelijk door Staf Smits, Didier De Baere, Pascale Van Den Eynde, Rik Vermeiren, Elisabeth Huntington, Anne-Marie Van Royen, Bert Niclaes, Katleen Rousseau, Walter Gelens, Koen Van De Wouwer en Wendy Geudens, door de nv « Kijkuit », Leo De Haas, Amaury De Gruben, Rita Van Havre, de nv « Mussenhof », Edward Verbeelen, Ling Wu en Serge Van Havre en door de nv « Robberechts », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Flamey, advocaat bij de balie van Antwerpen. b. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 5 oktober 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie zijn ingekomen op 6 oktober 2020, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet respectievelijk door Philip Roodhooft, Nathalie Van Sande, Jan en Jeanne Van Dingenen, Jef Verstappen, Lies Gios, Frans en Maria Verstappen, Niels Breugelmans, Anja Van Den Eynde, Charlotte Gerits, Jan-Frederik Hendrickx, Marc Van Daele, Guido Bellens, Nick Verheyen, Man Are-Ching, Frans Dams, Agnes Michiels, Simon en Eef Janssens, Tijl Willekens, Johan Dillen, Nick Vandijck, Silke De Roover, Angelo Wauters, Dorien Nys, Mia Michielsen, Pascal Druyts, Griet Helsen, Eric Janssens, Bert Linten, Ine Havermans, Guy Verstraeten, Hans Truyts, Leen Proost, Jef De Schutter, Renee Cambre, Peter Spiessens, Maya Lenchant, Geert Van Der Linden, Ludo Bakelants, Mia Pauwels, Jasper Briers, Kris Van Den Eynde, Maarten Vercammen, Wim Boeckmans, Sara de Wever, Andre Truyts, Liesbeth Van Orshaegen, Daniella Geukens, Peter Hendrickx, Dirk Van Peer, Ann Geudens, Bob Debecker, A. Maes-Wijns, Jeroen Leirs, Jan Geens, An Roeymans, R. De Cnodder-Ooms, Nick Mariën, Roger Verbeeck, Smeyers-Meylemans, Roeland Van Dijck, Leo Trimpeniers, Suzanne Peeters, Ruts-Peeters, Jeroen Peeters, Verstrepen-Bellens, Danny Schepens, Karina Serneels, Alfons Verwimp, Wim Janssens, Daan Six, Lennart Sanders, Copmans Wijns, Raf Peeters, Petra Van Den Berghe, Bart Meganck, Barbara Heylen, Jonathan Van Thielen, Luc Van Thielen, Vervoort-Heylen, Gustaaf Bertels, Mariette Bastiaens, Bert Bertels, Albert De Bruyckere, Van Reusel-Van Eynde en Tony Van Orshaegen, door de vzw « Aktiekomitee Red de Voorkempen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen, en door Pierre-Ivan Van Noten en Toon Franckaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Flamey. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 oktober 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 oktober 2020, is beroep tot vernietiging van artikel 3 van hetzelfde decreet ingesteld door Inge Mestdagh, Mariette Heyerick, Bert Tack, Marc Tuytschaever en Thomas Hanses, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Swerts, advocaat bij de balie van Limburg. d. Bij drie verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 22 oktober 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie zijn ingekomen op 23 en 26 oktober 2020, zijn beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van hetzelfde decreet ingesteld respectievelijk door Georges Claeys en Johan Anckaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, door Inge Mestdagh, Mariette Heyerick, Bert Tack, Marc Tuytschaever 3 en Thomas Hanses en door de gemeente Aalter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Swerts. Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de gehele of gedeeltelijke schorsing van hetzelfde decreet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7440, 7441, 7442, 7445, 7446, 7448, 7449, 7454, 7455 en 7456 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij het arrest nr. 30/2021 van 25 februari 2021, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2021, heeft het Hof de vorderingen tot schorsing verworpen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie – Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Malfait en Mr. V. McClelland, advocaten bij de balie te Gent (tussenkomende partij in alle zaken); - Georges Claeys en Johan Anckaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele (tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442, 7445, 7446, 7448, 7449, 7455 en 7456); - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bouckaert, Mr. G. Schaiko, Mr. A. Apers, Mr. M. Christiaens en Mr. H. Dusauchoit, advocaten bij de balie te Brussel. Alle verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 19 mei 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 2 juni 2021 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge de verzoeken van meerdere verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 2 juni 2021 de dag van de terechtzitting bepaald op 30 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 30 juni 2021 : - zijn verschenen : . Mr. G. Declercq, advocaat bij de balie van Antwerpen, loco Mr. P. Flamey, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448; . Mr. P. Vande Casteele, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 (ook tussenkomende partijen in de andere zaken); 4 . Mr. T. Swerts en Mr. L. Nijs, advocaat bij de balie van Limburg, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456; . Mr. T. Malfait en Mr. V. McClelland, voor de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie – Vlaanderen » (tussenkomende partij in alle zaken); . Mr. G. Schaiko en Mr. M. Christiaens, tevens loco Mr. J. Bouckaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Detienne verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 A.1.
  2. In het eerste middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 3, lid 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : het Verdrag van Aarhus), met het beginsel van niet-retroactiviteit, met het verbod van inmenging door de wetgever in de uitoefening van de rechterlijke functie en met het rechtszekerheidsbeginsel. Het decreet schendt die normen doordat het met terugwerkende kracht de onwettige toepassing van de Vlaamse sectorale normen voor windturbines remedieert, hoewel die blijkens het arrest van de grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juni 2020 (hierna : het arrest van 25 juni 2020) in strijd met het Europees Unierecht zijn. A.1.
  3. Volgens de verzoekende partijen moet een retroactief ingrijpen in hangende rechtsgedingen streng worden beoordeeld wanneer het als doel heeft procedures ingesteld tegen de overheid te dwarsbomen. In een dergelijk geval kan een wetgevende validatie slechts worden verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. Het aanwenden van de techniek van wetgevende validatie moet noodzakelijk zijn om die doelstelling van algemeen belang te realiseren. Bovendien moeten de gevolgen van de validatie voor de particulieren die erdoor worden getroffen, evenredig zijn met het nagestreefde algemeen belang. A.1.
  4. De verzoekende partijen stellen dat in casu geen gekwalificeerde inbreuk op het algemeen belang bestaat die het noodzakelijk maakt de Vlaamse sectorale normen voor windturbines retroactief geldig te verklaren. Bovendien gaat de bestreden decretale validatie in tegen het ruim opgevatte recht op toegang tot de rechter dat voortvloeit uit artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus doordat zij hangende en toekomstige rechtsgedingen onttrekt aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen en aan de hoven en rechtbanken. Die rechtscolleges kunnen zich niet langer op grond van een exceptie van onwettigheid uitspreken over de geldigheid van de sectorale normen voor windturbines, terwijl zij zonder het bestreden decreet tot de ongeldigheid ervan zouden besluiten. Het 5 Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om dezelfde volwaardige toetsing van de gevalideerde sectorale normen aan hogere normen uit te voeren. De verzoekende partijen stellen vast dat de parlementaire voorbereiding als dwingend motief van algemeen belang verwijst naar mogelijke tekorten inzake elektriciteitsbevoorrading en naar de nationale doelstellingen inzake hernieuwbare energie. Die motieven volstaan volgens hen niet, aangezien zij geen rechtsonzekere toestand uitmaken, maar vooral beogen enkele elektriciteitsproducenten en lokale besturen te verlossen van « vervelende » rechtsgedingen ingesteld door « lastige » omwonenden. Bovendien wordt de bewering dat het arrest van 25 juni 2020 zal leiden tot energietekorten, nergens gestaafd. De parlementaire voorbereiding verwijst ter zake niet naar objectieve wetenschappelijke studies. Anders dan de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij vzw « Organisatie voor Duurzame Energie – Vlaanderen » (hierna : de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen) stellen, is het geenszins een vaststaand gegeven dat het eventueel onwettig verklaren van vergunningen voor bestaande windturbineprojecten een grote impact zou hebben op die doelstellingen. Nog minder is het zeker dat ook nieuwe omgevingsvergunningen zullen worden aangevochten. De sectorale voorwaarden van Vlarem II en de omzendbrief van 2006 kunnen immers enkel met toepassing van de onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. A.1.
  5. De verzoekende partijen wijzen er tot slot op dat een milieueffectrapportage op vergunningsniveau de afwezigheid van een milieueffectrapportage op regelgevend niveau niet compenseert. De rapportage op vergunningsniveau zal immers geschieden op grond van de gevalideerde sectorale normen, waarvan de milieu- impact onzeker is omdat zij nooit aan een milieueffectrapportage onderworpen zijn. A.2.
  6. In het tweede middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. Die bepaling waarborgt een standstill-verplichting inzake het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, die inhoudt dat het door het bestaande milieubeleid bereikte beschermingsniveau niet meer kan worden afgebouwd. A.2.
  7. Volgens de verzoekende partijen doet het bestreden decreet afbreuk aan die standstill-verplichting, aangezien de validatie van de sectorale normen voor windturbines het niveau van rechtsbescherming dat wordt geboden door het arrest van 25 juni 2020 aanzienlijk vermindert. Het bestreden decreet impliceert immers dat omwonenden van windturbineprojecten zich niet meer kunnen beroepen op de ongeldigheid van normen inzake slagschaduw, geluidshinder, visuele hinder en veiligheid die hun onvoldoende bescherming bieden omdat zij nooit het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieueffectrapportage. Anders dan de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen betogen, mag bij de beoordeling van het bestaande beschermingsniveau geen rekening worden gehouden met de bestaande - vergunde - windturbines, aangezien die bestaande windturbines steunen op onwettige, want met het Unierecht strijdige Vlarem II-normen inzake onder andere geluid, veiligheid en slagschaduw, zodat zij voor onbestaande moeten worden gehouden. De conclusie is dan ook dat er vóór het validatiedecreet een hoger beschermingsniveau voor de rechtsonderhorigen was, aangezien er geen wettig rechtskader was voor omgevingsvergunningen of de mogelijkheid er was om met toepassing van artikel 159 van de Grondwet bestaande omgevingsvergunningen buiten toepassing te laten. Die aanzienlijke achteruitgang wordt niet verantwoord door redenen van algemeen belang, aangezien er na het arrest van 25 juni 2020 geen situatie van rechtsonzekerheid ontstaan is. De rechtsonzekerheid en de negatieve impact waarvan de Vlaamse Regering gewag maakt, worden enkel bekeken vanuit het oogpunt van de regelgever die zijn Europese energiedoelstelling moet halen alsook vanuit de onzekerheid voor de energieleverancier of – producent die er zeker van wil zijn dat bestaande en nieuwe windturbineprojecten niet dreigen teloor te gaan. Zij vormen dan ook een drogreden om te ontsnappen aan de loyale uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020, waaraan ook de decreetgever gebonden is. Integendeel, zowel de bestuurlijke overheden als de rechtscolleges waren er na dat arrest toe gehouden de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines buiten toepassing te laten. Op de stelling van de Vlaamse Regering dat artikel 159 van de Grondwet zich niet opdringt aan het bestuur, repliceren de verzoekende partijen dat ingevolge de Fratelli Costanzo-rechtspraak, elke overheidsinstantie een met een richtlijn strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing moet laten. A.3.
  8. In het derde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 6 Het beginsel van de loyale samenwerking met de Europese Unie impliceert een plicht tot loyale uitvoering van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat op prejudiciële vraag is gewezen. De vrees voor binnenlandse moeilijkheden mag geen rechtvaardiging zijn om een dergelijk arrest naast zich neer te leggen. A.3.
  9. Volgens de verzoekende partijen blijkt duidelijk uit het arrest van 25 juni 2020 dat, ofschoon de hernieuwbare energie een kerndoelstelling van de Unie vormt, niet zomaar elk juridisch obstakel waarmee een lidstaat wordt geconfronteerd, de uitvoering van die doelstelling op het nationale grondgebied in gevaar mag brengen. Voor het overige is de vrees voor tekorten in de elektriciteitsbevoorrading ongegrond. De elektriciteitsbevoorrading komt niet in het gedrang door het loutere feit dat de doelstellingen inzake hernieuwbare energie niet worden gehaald. België is er overigens niet in geslaagd die doelstellingen te halen, en de oorzaken daarvan hebben niets met het arrest van 25 juni 2020 te maken. Die doelstellingen moeten dus niet post factum worden aangevoerd om een andere verplichting van Europees Unierecht te schenden. De hernieuwbare energie omvat overigens ook waterkracht, zon, biomassa en biogas. Aangezien Vlaanderen de doelstellingen inzake hernieuwbare energie voor 2020 pas zal halen in 2025, kan niet worden beweerd dat de buitentoepassingverklaring van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines gedurende een periode van drie jaar een aanzienlijke impact zou hebben op de Belgische doelstellingen inzake hernieuwbare energie. Het verband tussen de ongeldigheid van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines en de elektriciteitsbevoorrading wordt overigens niet gestaafd aan de hand van wetenschappelijke studies. Nochtans blijkt uit het arrest van 25 juni 2020 dat alleen het reële en ernstige risico dat de elektriciteitsproductie in het gedrang komt, dat niet kan worden afgewend door andere middelen en alternatieven in het kader van de interne markt, een handhaving van die sectorale normen kan rechtvaardigen. De situatie inzake windenergie valt in dat opzicht geenszins te vergelijken met de situatie inzake kernenergie. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 34/2020 van 5 maart 2020 de wet inzake de verlenging van de kernuitstap met tien jaar vernietigd, maar de gevolgen ervan gehandhaafd tot 31 december
  10. De kernenergie staat echter in voor een derde van de Belgische elektriciteitsproductie. Het wegvallen van die energiebron zou de energiebevoorrading in het gedrang kunnen brengen, maar hetzelfde kan niet worden gezegd over het niet-realiseren van enkele geplande windturbines. Er is dan ook niet aangetoond dat er voldaan is aan de voorwaarden inzake tijdelijke handhaving, zoals die volgen uit het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni
  11. A.3.
  12. In ondergeschikte orde beklemtonen de verzoekende partijen dat, zelfs indien de tijdelijke handhaving van normen waarvan de ongeldigheid de energiebevoorrading in het gedrang brengt, zou moeten worden overwogen, die handhaving moet worden beoordeeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, en dus niet door de decreetgever. Een dergelijke handhaving is overigens niet mogelijk. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan enkel de rechtsgevolgen van individuele overheidsbeslissingen handhaven, maar niet de rechtsgevolgen van reglementaire normen. Geen enkele rechter is, in een zaak waarin een besluit met individuele draagwijdte wordt bestreden, bevoegd om een reglementaire bepaling te handhaven in het kader van een exceptie van onwettigheid op grond van artikel 159 van de Grondwet. Uit het arrest van 25 juni 2020 blijkt overigens dat een handhaving niet kan worden aanvaard indien de bouw van de windturbine nog niet is aangevat. A.3.
  13. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarden waaronder een nationale rechter een met het Unierecht strijdige rechtshandeling tijdelijk kan handhaven en die zijn ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie. Ten eerste is het bestreden decreet geen maatregel waarmee naar behoren uitvoering wordt gegeven aan het Unierecht inzake milieubescherming. Het decreet valideert integendeel normen die op hun beurt in strijd met het Unierecht zijn. Ten tweede is het bestreden decreet niet noodzakelijk om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen die uit de nietigverklaring van een met het Unierecht strijdige nationale rechtshandeling voortvloeien. De decreetgever had immers ook een tijdelijk moratorium op windturbines kunnen instellen tot wanneer de milieueffectenbeoordeling van de bestaande sectorale normen had plaatsgevonden. 7 Ten derde leidt het tijdelijk buiten toepassing laten van de bestaande Vlaamse sectorale normen inzake windturbines niet tot een rechtsvacuüm dat nadeliger is voor het milieu. Er konden, integendeel, net meer windturbines worden gebouwd, aangezien dergelijke projecten tijdelijk aan veel minder voorwaarden zouden zijn onderworpen. Ten vierde is een handhavingsperiode van drie jaar overdreven lang om de nodige maatregelen te nemen om de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen. A.3.
  14. De verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt, gaat volgens de verzoekende partijen niet op. Dat arrest stond de tijdelijke validatie van handelingen van de uitvoerende macht die niet het voorwerp hadden uitgemaakt van een milieueffectrapportage toe omdat die validatie zelf gepaard ging met een milieueffectbeoordeling. Het bestreden decreet is daarentegen niet aan een milieueffectbeoordeling onderworpen. Het feit dat de toekomstige sectorale normen inzake windturbines wel het voorwerp van een milieueffectbeoordeling zullen uitmaken, zet dat probleem niet recht, aangezien de in tussentijd vergunde windturbineprojecten mogelijk in strijd zijn met dat kader. A.3.
  15. Tot slot is het volgens de verzoekende partijen niet correct dat als gevolg van het arrest van 25 juni 2020 alle in het verleden vergunde en thans te vergunnen windturbineprojecten moeten worden stilgelegd en dat er dus een totaal verlies aan windenergiecapaciteit kan optreden. Dat arrest is immers maar gewezen in de specifieke casus van één gepland windturbineproject. A.4.
  16. In het vierde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3, leden 9, en 9, leden 2 tot 4, van het Verdrag van Aarhus. A.4.
  17. Het bestreden decreet maakt het voor omwonenden onmogelijk nog op nuttige wijze te procederen tegen de onwettige sectorale normen inzake windturbines. Ook een vordering tot schorsing bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen is geen nuttig rechtsmiddel, aangezien dat rechtscollege geen prejudiciële vragen over de geldigheid van wetskrachtige normen stelt in het kader van een schorsingsprocedure. Bijgevolg kunnen de omwonenden de bouw van onterecht vergunde windturbines niet verhinderen. Het verschil in behandeling dat het bestreden decreet instelt tussen de verzoekende partijen, aan wie de mogelijkheid wordt ontnomen om zich op nuttige wijze, nadat de beroepsprocedure bij de bestuurlijke overheden werd doorlopen, tot de rechter te wenden tegen onwettige vergunningverlening, en de rechtsonderhorigen die wel over die waarborg beschikken, is noch objectief noch redelijk verantwoord. A.5.
  18. In het vijfde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel, met het redelijkheidsbeginsel en met het motiveringsbeginsel. A.5.
  19. Volgens de verzoekende partijen moet de regelgever zijn regelgeving zorgvuldig voorbereiden en de mogelijke gevolgen ervan evalueren. Hij moet ook nagaan of zijn maatregel door redelijke argumenten wordt onderbouwd, liefst aan de hand van officiële rapporten. Elke inbreuk op rechten van particulieren en elk verschil in behandeling moet afdoende worden gemotiveerd. De voorbereiding van het bestreden decreet heeft niet plaatsgevonden in overeenstemming met die beginselen, aangezien de decreetgever louter verwijst naar doelstellingen inzake hernieuwbare energie en naar de impact van het arrest van 25 juni 2020 op de bevoorradingszekerheid, zonder die argumenten te staven aan de hand van wetenschappelijke studies. De veronderstellingen waarvan de decreetgever uitgaat, zijn niet onderzocht. De ongeldigheid van de sectorale normen brengt nochtans de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en de bevoorradingszekerheid niet in het gedrang. Ook de verwijzing in de parlementaire voorbereiding naar de nakende kernuitstap is naast de kwestie. Zelfs indien daardoor een productiecapaciteit van 5 600 MW wegvalt, volgt uit de gelijktijdige ongeldigverklaring van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines niet ipso facto dat de Belgische elektriciteitsbevoorrading in het gedrang komt. Meer algemeen laat de decreetgever na in de parlementaire voorbereiding te verwijzen naar recente studies over de bevoorradingszekerheid van België. Die afwezigheid van relevante informatie is tekenend voor de 8 ongekende haast waarmee het bestreden decreet tot stand is gekomen. Het bestreden decreet schendt de grondrechten van de omwonenden van gerealiseerde en geplande windturbineprojecten, maar die schending staat in schril contrast met de motivering die eraan ten grondslag ligt, en die vooral bestaat in vermoedens en hypotheses. Ingrijpende regelgeving moet grondig worden voorbereid, zeker wanneer de wetenschappelijke gegevens voorhanden zijn, het regelgevend optreden Europeesrechtelijke verplichtingen ten uitvoer beoogt te leggen en de regeling van technische aard is. Standpunt van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 A.
  20. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7554 voeren één middel aan, waarin zij stellen dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 21, 37 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 3, 6, 7, 8 en 9 van het Verdrag van Aarhus, met de artikelen 2 en 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met de artikelen 2 tot 9 en 13 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 « betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s », met de artikelen 2 tot 7 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten », met de artikelen 6 en 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit van 5 juni 1992, met de artikelen 7bis en 159 van de Grondwet, met het beginsel van de rechtsstaat, met het beginsel van de scheiding der machten, met het beginsel van niet- retroactiviteit, met de beginselen van voorzorg en zorgvuldigheid, met het beginsel van een hoog beschermingsniveau in milieuzaken, met het beginsel van behoud en bescherming, met het beginsel van de verbetering van de kwaliteit van het milieu, met het beginsel van de bescherming van de gezondheid van de mens, met de beginselen van transparantie en openbaarmaking, en met het gezag van gewijsde van het arrest van 25 juni
  21. Het middel bevat zes onderdelen. Voor elk van die onderdelen wijzen de verzoekende partijen erop dat het bestreden decreet zelf als een plan of programma in de zin van de richtlijn 2001/42/EG moet worden beschouwd. Anders dan de Vlaamse Regering betoogt, volgt volgens de verzoekende partijen onder meer uit het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 dat de omzendbrief van 12 mei 2006 en afdeling 5.20.6 van Vlarem II een concrete leefmilieu-technische reglementering zijn, zodat het bestreden decreet, dat die normen valideert, dat ook is. De verzoekende partijen weerleggen in dat verband de stelling van de Vlaamse Regering dat krachtens artikel 2, punt 2, van het Verdrag van Aarhus het begrip « overheidsinstantie » zo moet worden uitgelegd dat wetgevende vergaderingen en rechtscolleges er niet onder vallen. Volgens de verzoekende partijen slaat het begrip « overheidsinstantie » enkel op het aanwijzen van het publiek waaraan inspraak wordt gegeven, maar betekent het niet dat het optreden van de decreetgever, wanneer hij een plan of programma opstelt, niet aan de voorschriften van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus moet worden getoetst. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie over het toepassingsgebied van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. A.7.
  22. In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de decreetgever die een besluit valideert dat ongeldig is omdat het niet onderworpen is geweest aan een milieueffectrapportage, zelf de richtlijn 2001/42/EG en artikel 7 van het Verdrag van Aarhus moet eerbiedigen. Hij had het bestreden decreet dus moeten onderwerpen aan een milieueffectrapportage en aan de voorafgaande inspraak van het publiek. Ook had hij zijn beslissing moeten baseren op actuele wetenschappelijke gegevens. Door dit alles na te laten, heeft de decreetgever het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Het feit dat, zoals de Vlaamse Regering betoogt, de nieuwe Vlaamse sectorale normen inzake windenergie wel het voorwerp van een MER en van een inspraakprocedure zullen uitmaken, is volgens de verzoekende partijen niet relevant, aangezien zij hun grieven richten tegen de sectorale voorwaarden die door het bestreden decreet worden gevalideerd. Evenmin verhindert het feit dat, zoals de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen betoogt, de validatie enkel tot gevolg heeft dat er geen grief meer kan worden gehaald uit de onwettigheid van afdeling 5.20.6 van Vlarem II 9 en de omzendbrief van 2006, de kwalificatie als « plan » of « programma » in de zin van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 2001/42/EG. A.7.
  23. In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet het gezag van gewijsde van het arrest van 25 juni 2020 schendt. Uit dat arrest blijkt dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines in strijd zijn met regels van Europees Unierecht omdat zij niet werden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, alsook dat de rechtsgevolgen van die normen niet mogen worden gehandhaafd ten aanzien van nog niet gebouwde windturbines. Het bestreden decreet schendt het gezag van gewijsde van dat arrest door de rechtsgevolgen van die normen te handhaven ten aanzien van alle gebouwde en nog te bouwen windturbines, zonder zelf het voorwerp uit te maken van een milieueffectbeoordeling of een voorafgaande inspraak van het publiek. Anders dan de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen betogen, betreft het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 niet enkel het project dat voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen hangende was en waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld, maar betreft dit alle projecten die nog niet zijn aangevat. A.7.
  24. In het derde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet artikel 7 van het Verdrag van Aarhus schendt omdat het niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een milieueffectbeoordeling of een inspraakprocedure. Een dergelijke inspraakprocedure is overigens een waarborg voor het in artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet bedoelde recht op bescherming van het leefmilieu. De afwezigheid van inspraakprocedure schendt ook artikel 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, dat een effectrapportage en beperking van de nadelige gevolgen waaraan het publiek kan deelnemen vereist. Zelfs indien de door de decreetgever gehanteerde validatietechniek geldig zou zijn, moest het bestreden decreet zelf aan een milieueffectrapportage worden onderworpen. Elk ander wetgevend initiatief dat als plan of programma moet worden beschouwd, wordt overigens aan een milieueffectrapportage onderworpen krachtens artikel 4.2.11 van het decreet van 5 april 1995 « houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ». Dat artikel 7 van het Verdrag van Aarhus en artikel 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit van toepassing zijn op het bestreden decreet, volgt volgens de verzoekende partijen uit het feit dat de door dat decreet gevalideerde normen onder het toepassingsgebied van die toetsingsnormen ressorteren. Specifiek met betrekking tot de toepassing van artikel 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, merken de verzoekende partijen op dat de vereiste milieueffectrapportage een luik « biodiversiteit » bevat, waarop het voormelde Verdrag, dat overigens expliciet vermeld wordt in de aanhef van de richtlijn 2001/42/EG, van toepassing is. In dezelfde zin vermeldt hoofdstuk II van het decreet van 5 april 1995 « houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid » voor de inhoudsafbakening van het plan-MER de « biodiversiteit » als aandachtspunt. A.7.
  25. In het vierde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet ten onrechte de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines handhaaft. Door het bestreden decreet niet aan een milieueffectbeoordeling of een inspraakprocedure te onderwerpen, schendt het validatiedecreet dezelfde Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke normen als de gevalideerde normen. De parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet gaat overigens niet in op de bestaanbaarheid ervan met het Verdrag van Aarhus. Dat decreet geeft dan ook geen correcte uitvoering aan het Unierecht op het gebied van de bescherming van het milieu. Bovendien kan niet worden aangetoond dat het bestreden decreet een voor het milieu nadeliger rechtsvacuüm vermijdt, aangezien er geen methodologie bestaat om het nadeel dat voortvloeit uit sectorale normen inzake windturbines die niet aan een milieueffectrapportage zijn onderworpen, te vergelijken met het nadeel dat voortvloeit uit het niet halen van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie. Het bestreden decreet doet overigens op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de omwonenden, aangezien het niet noodzakelijk was de gevolgen van afgegeven windturbinevergunningen te handhaven wanneer met de bouw van de vergunde windturbines nog geen aanvang is genomen. De decreetgever kan bij dit alles niet staande houden dat het arrest van 25 juni 2020 als een verrassing komt. Dat arrest ligt immers in de lijn van het eerdere arrest d’Oultremont van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober
  26. A.7.
  27. In het vijfde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet op gespannen voet staat met de wezenskenmerken van een rechtsstaat. Het schendt immers het gezag van gewijsde van het arrest van 25 juni
  28. Het bestreden decreet bevat in dat opzicht ook een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen de plannen en programma’s die zijn aangenomen zonder inspraak en zonder milieueffectbeoordeling en die werden gevalideerd door het bestreden decreet, en de plannen en programma’s die eveneens zijn aangenomen zonder inspraak en zonder milieueffectbeoordeling, maar die niet werden gevalideerd 10 door het bestreden decreet. Tegen die laatste categorie van plannen en programma’s kunnen de rechtzoekenden wel nog steeds op nuttige wijze het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2001/42/EG aanvoeren. In antwoord op de stelling van de Vlaamse Regering dat het bestreden decreet enkel belet dat er nog een grief kan worden geput uit de onwettigheid van de sectorale voorwaarden wegens het ontbreken van de milieueffectrapportage, merken de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord op dat die onwettigheid cruciaal is, omdat zij voortvloeit uit het wederrechtelijk ontbreken van een voorafgaande milieueffectrapportage. A.7.
  29. In het zesde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet het retroactiviteitsverbod en het beginsel van de scheiding der machten schendt. Het bestreden decreet is immers niet alleen van toepassing op dossiers waarin de uitvoering van het windturbineproject nog niet is afgerond, maar ook op dossiers die reeds lang zijn afgerond en die zijn voorgelegd aan een rechtscollege, met inbegrip van de dossiers waarin het rechtscollege reeds een beslissing heeft genomen. De decreetgever heeft zich als doel gesteld die geschillen te dwarsbomen. Er zijn evenwel geen uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang voorhanden die een dergelijke inmenging in hangende of beslechte rechtsgedingen verantwoorden. In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat er des te minder uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang voorhanden zijn, nu noch artikel 23 van de Grondwet noch de leefmilieuwetgeving de windturbine-aanvrager een recht op het inplanten van een windturbine toekennen. Verder benadrukken de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord nogmaals dat het hier om een cruciale onwettigheid gaat en dat dit net de reden is waarom het optreden van de decreetgever in de hangende rechterlijke gedingen ongeoorloofd is. A.7.
  30. Ten slotte menen de verzoekende partijen dat het door de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen geformuleerde verzoek tot handhaving van de gevolgen niet kan worden ingewilligd, omdat er geen sprake is van gemotiveerde concrete uitzonderlijke omstandigheden die een aantasting van het legaliteitsbeginsel verantwoorden. Standpunt van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 A.8.
  31. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het rechtszekerheidsbeginsel, met de scheiding der machten, met de rechten van verdediging, met de wapengelijkheid, met het recht op een onpartijdige rechter, met het beginsel van niet-retroactiviteit en met het verbod op machtsoverschrijding en machtsafwending. Zij voeren aan dat het bestreden decreet de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines naar het niveau van een wetskrachtige norm tilt om een norm van de uitvoerende macht die door een rechtscollege onwettig werd bevonden, zijn uitwerking te doen behouden. A.8.
  32. Volgens de verzoekende partijen is het bestreden decreet vergelijkbaar met het zogenaamde Waalse « DAR-decreet ». In het kader van dat decreet heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een wetskrachtige norm slechts van het toepassingsgebied van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 2001/42/EG kan worden uitgesloten indien een project in detail wordt aangenomen door een « specifieke wet » en voor zover de doelstellingen van de richtlijn, waaronder de verstrekking van gegevens, via de wetgevingsprocedure worden bereikt. De wetgever mag zich er volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie niet toe beperken een reeds bestaande bestuurshandeling eenvoudigweg te ratificeren. Het bestreden decreet doet dat wel en valt dus onder het toepassingsgebied van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 2001/42/EG. A.8.
  33. Het bestreden decreet ontneemt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de mogelijkheid om uitspraak te doen in hangende rechtsgedingen. Dat gegeven noopt tot een rigoureuzere toets aan de toepassingsvoorwaarden voor een wetgevende validatie, waarbij ook het retroactief ingrijpen zelf als zodanig verantwoord moet zijn. Tevens roept het een verschil in behandeling in het leven tussen rechtzoekenden die het gebrek aan milieueffectbeoordeling van de sectorale normen inzake windturbines aanvechten en rechtzoekenden die het gebrek aan milieueffectbeoordeling van de sectorale normen inzake petroleumraffinaderijen, vliegvelden en waterkrachtcentrales aanvechten. Die laatste sectorale Vlarem-normen worden door het bestreden decreet niet 11 gevalideerd, zodat hiervoor de afwezigheid van een milieueffectrapportage wel nog op nuttige wijze aan de bevoegde rechter kan worden voorgelegd. Het argument van de Vlaamse Regering dat de betrokken vergunningen voor windturbines nog steeds kunnen worden aangevochten bij de bevoegde rechter op grond van elk ander argument dan het ontbreken van een voorafgaande MER voor de sectorale normen, leidt niet tot een andere conclusie. A.8.
  34. Volgens de verzoekende partijen wordt de terugwerkende kracht van het bestreden decreet niet verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende redenen van algemeen belang. Het buiten toepassing verklaren van de lakse sectorale geluidsnormen inzake windturbines leidt immers niet tot een rechtsvacuüm, omdat dit wordt opgevangen door de toepassing van de strengere algemene geluidsnormen uit het besluit Vlarem II die gelden voor alle inrichtingen waarvoor geen sectorale normen werden vastgelegd. Bovendien wist de Vlaamse overheid sinds het arrest d’Oultremont van het Hof van Justitie van 27 oktober 2016 dat het zeer aannemelijk was dat ook de Vlarem II-normen inzake windturbines onder het toepassingsgebied van de plan-MER-plicht ressorteren, te meer daar, zo verduidelijken de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord, de Vlaamse normering inzake windturbines sterke gelijkenissen vertoont met de Waalse normen en de Vlaamse Regering erop werd gewezen dat de plan-MER-plicht van toepassing is op de Vlaamse normering inzake windturbines. Het gegeven dat de decreetgever en de Vlaamse Regering er klaarblijkelijk voor geopteerd hebben om stil te zitten en pas wetgevend op te treden nadat het Hof van Justitie afdeling 5.20.6 van Vlarem II onwettig bevond, kan hen dan ook geen grondslag geven om zich op uitzonderlijke omstandigheden te beroepen. Aan deze conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het door de Vlaamse Regering aangehaalde arrest van de Nederlandse Raad van State, nu dit arrest dateert van na de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie over afdeling 5.20.6 van Vlarem II en de omzendbrief van
  35. De drie motieven die in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet als uitzonderlijke omstandigheid worden aangeduid, overtuigen niet. Het motief van rechtsonzekerheid geldt noch voor reeds gebouwde windturbines, noch voor de nog te bouwen windturbines. Er valt niet in te zien waarom de reeds gebouwde windturbines als gevolg van het arrest van 25 juni 2020 zouden moeten worden stilgelegd. Uit een vaste rechtspraak van de Raad van State blijkt overigens dat een exceptie van onwettigheid niet meer kan worden aangevoerd ten aanzien van definitief verkregen vergunningen. Wat de nog te bouwen windturbines betreft, kan de vergunningverlenende overheid toepassing maken van de algemene Vlarem-normen inzake geluidshinder, veiligheidsnormen en andere hinderaspecten. Volgens de verzoekende partijen voert de Vlaamse Regering in dat verband trouwens verkeerdelijk aan dat artikel 159 van de Grondwet de administratieve overheden belet om afdeling 5.20.6 van Vlarem II en de omzendbrief van 2006 buiten toepassing te laten. Het Unierecht bevat immers een autonome grondslag, ook voor administratieve overheden, om nationale wetgeving die strijdig werd bevonden met het Unierecht buiten toepassing te laten. Het motief van de nationale doelstellingen inzake hernieuwbare energie gaat evenmin op, omdat de doelstellingen inzake hernieuwbare energie die zijn neergelegd in de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) » gelden voor de gehele Europese Unie, zonder dat er doelstellingen per land zijn opgelegd. De doelstellingen die nog voortvloeien uit de richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG » werden door België niet gehaald. In de Belgische energie- en klimaatplannen voor de periode 2021-2030 is voorzien in een stijging van de hernieuwbare energieproductie, maar in die doelstelling vertegenwoordigt windenergie op het land slechts 39,08 pct. Een windturbinestop voor een periode van drie jaar heeft aldus een verwaarloosbare impact op de Vlaamse doelstellingen inzake hernieuwbare energie. Bovendien hoeft er geen sprake te zijn van een windturbinestop : zoals hoger reeds vermeld, kunnen reeds in exploitatie zijnde windturbineprojecten worden voortgezet en wat toekomstige windturbineprojecten betreft, moeten de vergunningverlenende overheden tijdelijk niet de ongeldige sectorale normen, maar de algemene Vlarem-normen toepassen. Ook met toepassing van die normen kunnen windturbineprojecten worden vergund. Bovendien is windenergie niet de enige hernieuwbare energiebron. Een eventueel verlies aan windenergie kan worden gecompenseerd door de inspanningen inzake andere hernieuwbare energiebronnen op te voeren. Ook het motief van de bevoorradingszekerheid van elektriciteit op het Belgische grondgebied overtuigt niet. Uit het meest recente jaarverslag van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas blijkt dat de windturbines op het land slechts 1,5 pct. van het totale geïnstalleerde energieproductievermogen vertegenwoordigen. Een tijdelijke vertraging in het bouwen van nieuwe windturbines kan in die context onmogelijk de bevoorradingszekerheid in het gedrang brengen. Bovendien overschrijdt de Vlaamse decreetgever 12 de aan hem toegekende bevoegdheden door het bestreden decreet te doen steunen op het motief van de bevoorradingszekerheid, aangezien het garanderen van de energiebevoorrading een exclusieve federale bevoegdheid is. A.8.
  36. De verzoekende partijen benadrukken daarnaast dat het bestreden decreet niet voldoet aan de voormelde DAR-criteria. Het Vlaams Parlement heeft immers op geen enkel moment informatie gekregen of behandeld omtrent de milieueffecten van de gevalideerde sectorale normen. De parlementsleden zijn evenmin in de gelegenheid gesteld om een onderzoek te voeren naar de milieueffecten van het validatiedecreet. A.8.
  37. De verzoekende partijen wijzen bovendien erop dat de gevolgen van het bestreden decreet voor de erdoor getroffen rechtzoekenden niet in een redelijke verhouding staan tot de nagestreefde doelstelling. Het feit dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines niet aan een voorafgaande milieueffectrapportage zijn onderworpen, heeft verstrekkende gevolgen voor de omwonenden. Die soepele normen, onder meer op het vlak van geluidshinder, hebben mogelijk een aanzienlijke gezondheidsimpact. Dankzij het arrest van 25 juni 2020 genoten de omwonenden de waarborg dat de vergunningen voor windturbines aan de strengere algemene Vlarem- normen zouden worden getoetst. De bestreden validatie maakt die waarborg ongedaan en bestendigt de gezondheidsrisico’s die de omwonenden lopen, zonder dat zij nog over rechtsmiddelen daartegen beschikken. Die manier van werken schendt het voorzorgbeginsel inzake leefmilieu, dat is neergelegd in artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Anders dan de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen beweert, leidt de omstandigheid dat de effecten van windturbineprojecten op hun omgeving geval per geval worden beoordeeld in het kader van de individuele project-MER, niet tot een andere conclusie. Alle toetsingen die gebeuren in het kader van een concrete vergunningsprocedure worden immers uitgevoerd rekening houdend met de sectorale geluidsnormen van afdeling 5.20.6 van Vlarem II, waarbij de effectiviteit van die sectorale normen niet wordt beoordeeld. Er wordt enkel nagegaan of het voorwerp van de aanvraag aan de sectorale normen kan voldoen. De verzoekende partijen verwijzen in dat verband naar wetenschappelijke studies uit 2011 en naar een studie van de Wereldgezondheidsorganisatie uit
  38. Met name uit die laatste studie blijkt dat een constante blootstelling aan het geluid van windturbines kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. De validatie van de ongeldige sectorale normen inzake windturbines negeert die wetenschappelijke gegevens en impliceert ook dat vergunningen die in het verleden op de gevalideerde sectorale normen zijn gebaseerd, zonder tijdslimiet in de rechtsorde aanwezig zullen blijven, zodat die windturbines hun nadelige gezondheidseffecten kunnen blijven sorteren. De aanzienlijke gezondheidsrisico’s die uit de vermelde studies blijken, staan niet in een redelijke verhouding tot de zeer geringe bijdrage van windturbines op het land tot de Belgische energiemix. A.8.
  39. De verzoekende partijen benadrukken daarnaast dat het bestreden decreet niet louter een vormfout rechtzet. De Vlaamse sectorale normen inzake windturbines bevatten immers inhoudelijke milieunormen waaraan de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw en de uitbating van windturbines moet worden getoetst. De decretale validatie van dergelijke normen heeft een aanzienlijke impact op het niveau van rechtsbescherming, aangezien het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om een exhaustieve materiële toetsing van de betrokken normen door te voeren. Bijgevolg worden de burgers aan wie de gevalideerde sectorale normen nadeel berokkenen, benadeeld ten aanzien van de burgers aan wie andere milieunormen nadeel berokkenen, aangezien enkel de eerste categorie van burgers geen nuttig gebruik meer kan maken van de rechtsmiddelen die de wet haar toekent. Bovendien leidt de decretale validatie van dergelijke normen, nadat een rechter - in casu het Hof van Justitie - de ongeldigheid ervan heeft vastgesteld, tot rechtsonzekerheid. De rechtzoekende mocht er na het arrest van 25 juni 2020 immers rechtmatig op vertrouwen dat die sectorale normen buiten toepassing zouden worden gelaten door de Raad van Vergunningsbetwistingen alsook dat, zo nodig, nieuwe normen zouden worden aangenomen waarvan op basis van wetenschappelijke gegevens aangetoond kon worden dat zij de hinder afkomstig van windturbines tot een aanvaardbaar niveau zouden beperken. Het feit dat, zoals de Vlaamse Regering stelt, het validatiedecreet de opmaak van een milieueffectrapportage in het vooruitzicht stelt, leidt volgens de verzoekende partijen niet tot een andere conclusie. De Vlaamse Regering houdt daarbij immers geen rekening met het feit dat gedurende een periode van maximaal drie jaar nog steeds vergunningen kunnen worden verleend conform het gevalideerde kader, waarbij geen enkele zekerheid omtrent de milieueffecten hiervan kan worden geboden. 13 A.8.
  40. Volgens de verzoekende partijen doet het bestreden decreet overigens ook afbreuk aan het gezag van gewijsde van het arrest van 25 juni
  41. Het is nochtans vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de wetgever, zelfs wanneer hij optreedt met terugwerkende kracht, geen afbreuk mag doen aan een definitieve rechterlijke beslissing. De stelling van de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen dat het gezag van gewijsde niet wordt geschonden omdat artikel 4 van het bestreden decreet de verplichting oplegt om de sectorale milieunormen voor windturbines te onderwerpen aan een plan-MER, wordt door de verzoekende partijen niet gevolgd. Zij wijzen erop dat de legislatieve validatie geen afbreuk mag doen aan het gezag van gewijsde van definitief gewezen rechterlijke uitspraken alsook op het feit dat de decreetgever zich geen rekenschap heeft gegeven van de handhavingsvoorwaarden zoals opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni
  42. A.8.
  43. Tot slot merken de verzoekende partijen op dat de techniek van wetgevende validatie slechts kan worden aangewend als ultiem rechtsmiddel. Aangezien de aangevoerde motieven van algemeen belang niet opgaan, kan de techniek van wetgevende validatie niet worden aanvaard. En zelfs indien die motieven wel zouden kloppen, had de decreetgever moeten nagaan of er alternatieve scenario’s denkbaar zijn. A.9.
  44. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 7bis en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2, leden 6 en 7, van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus en met de artikelen 3, 4 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG. A.9.
  45. Volgens de verzoekende partijen dienen zowel de gevalideerde sectorale normen als het bestreden decreet te worden beschouwd als plannen of programma’s waarvoor een voorafgaande milieueffectbeoordeling moest worden opgemaakt. Aangezien ook het bestreden decreet op zijn beurt niet aan een voorafgaande milieueffectbeoordeling is onderworpen, is het ongeldig om dezelfde reden als de gevalideerde sectorale normen. De door de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie leidt volgens de verzoekende partijen niet tot de tegenovergestelde conclusie. Hoewel dat Hof inderdaad ondubbelzinnig stelde dat niet elke wetgevende handeling een plan of programma in de zin van de richtlijn 2001/42/EG uitmaakt, oordeelde het ook dat de loutere omstandigheid dat een dergelijke maatregel door de wetgever wordt aangenomen deze niet buiten de werkingssfeer van de richtlijn doet vallen. Indien, zoals in casu, aan de toepassingsvoorwaarden van de voormelde richtlijn wordt voldaan, dan moet bijgevolg ook een wetgevende handeling, zoals het bestreden decreet, aan een voorafgaande milieueffectbeoordeling worden onderworpen. A.9.
  46. De sectorale normen voor windturbines zijn er gekomen om vergunningen te kunnen verlenen voor de bouw en de uitbating van windturbines die onder de algemene geluidsnormen onvergunbaar zouden zijn. Maar het gebrek aan milieueffectbeoordeling van die sectorale normen heeft als gevolg dat de gezondheidsimpact van die versoepelde geluidsnormen nooit is onderzocht. Ook werd het economische voordeel dat voor enkele energieproducenten voortvloeit uit het kunnen bouwen van bijkomende windturbines nooit afgewogen tegenover de rechten en de belangen van degenen die erdoor konden worden gehinderd. Zowel bij het opstellen van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines als bij het voorbereiden van het bestreden decreet werd volgens de verzoekende partijen enkel rekening gehouden met de belangen van de windenergiesector. A.9.
  47. Het arrest van 25 juni 2020 waarborgde de omwonenden van geplande windturbineprojecten dat hun vergunningsaanvraag zou worden getoetst aan de strengere algemene geluidsnormen. Het bestreden decreet heeft hun die waarborg ontnomen door de soepelere sectorale geluidsnormen inzake windturbines te valideren. Daardoor heeft de decreetgever het bestaande beschermingsniveau inzake milieubescherming aanzienlijk verlaagd, zonder dat daarvoor redenen van algemeen belang voorhanden zijn. Anders dan de Vlaamse Regering beweert, kan uit het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 4 december 2018 niet worden afgeleid dat het buiten toepassing verklaren van de sectorale normen inzake windturbines niet tot de toepassing van andere normen leidt en dat er in dat geval veeleer sprake is van een verlaging van het bestaande niveau van bescherming van het leefmilieu. Volgens de verzoekende partijen heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich in het voormelde arrest niet op definitieve wijze uitgesproken over die kwestie, en bovendien is dat oordeel in strijd met de rechtspraak van de Raad van State ter zake. Zij blijven dan ook bij de conclusie dat de algemene geluidsnormen wel degelijk opnieuw van toepassing zouden zijn. 14 A.10.
  48. In hun derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2, leden 6 en 7, van het Verdrag van Espoo, met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus en met de artikelen 3, 4 en 6 van de richtlijn 2001/42/EG. Volgens hen is niet voldaan aan de zogenaamde « DAR-voorwaarden » krachtens welke een wetgevend optreden dat een bestuurshandeling die aan milieueffectrapportage moest worden onderworpen, valideert, mag worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 2001/42/EG. Evenmin is volgens hen voldaan aan de voorwaarden die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt om de gevolgen van nationale normen die in strijd zijn met regels van Europees Unierecht te handhaven. A.10.
  49. De verzoekende partijen beklemtonen dat uit het arrest van 25 juni 2020 zelf blijkt dat de afdeling 5.20.6 van het besluit Vlarem II ten onrechte niet aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen. In hetzelfde arrest heeft het Hof van Justitie ook geoordeeld dat, onder voorbehoud van de nodige verificaties door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de omzendbrief EME/2006/01-RO/2006-02 ten onrechte niet aan een milieueffectbeoordeling is onderworpen. Bijgevolg zijn die normen niet verenigbaar met het recht van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft voorts verduidelijkt dat de gevolgen van die handelingen slechts mogen worden gehandhaafd in zoverre het interne recht dit toestaat in het kader van een bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen aanhangig geding en in zoverre de nietigverklaring van de vergunning aanzienlijke gevolgen zou kunnen hebben voor de elektriciteitsvoorziening in de hele lidstaat. De bevoorradingszekerheid kan volgens hen de handhaving van de rechtsgevolgen van de ongeldige sectorale normen inzake windturbines die bij het bestreden decreet wordt opgelegd, niet rechtvaardigen. Zij halen daartoe vijf argumenten aan. A.10.
  50. Ten eerste is de bevoorradingszekerheid krachtens artikel 6, § 1, VII, tweede lid, a) en c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een federale bevoegdheid. De Vlaamse decreetgever vermag geen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie naast zich neer te leggen met als motief de uitoefening van een bevoegdheid die hem niet toekomt. De verzoekende partijen volgen de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen niet in hun argument dat de bevoegdheid inzake bevoorradingszekerheid zodanig geconstrueerd is dat de deelstaten zich hiermee op een dermate verreikende wijze mogen inlaten. In zoverre het bestreden decreet zijn grondslag vindt in het verzekeren van de bevoorradingszekerheid, schendt het dan ook de bevoegdheidverdelende regels. A.10.
  51. Ten tweede bevatten de aan het Vlaams Parlement voorgelegde gegevens met betrekking tot het aandeel van windenergie op het land misleidende informatie. Zo geeft het meest recente jaarverslag van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas aan dat windturbines op het land slechts instaan voor 1,5 pct. van het totale geïnstalleerde energieproductievermogen in België. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden decreet niet is aangenomen na onderzoek van actuele wetenschappelijke gegevens. Zonder dergelijke gegevens kan de impact van het arrest van 25 juni 2020 op de bevoorradingszekerheid nochtans niet ernstig worden onderzocht en is er bijgevolg geen noodzaak om de sectorale normen inzake windturbines te handhaven. Daarnaast blijkt uit de voormelde gegevens dat de zeer beperkte toename van het aantal windturbines die in het vooruitzicht wordt gesteld voor de komende jaren, onmogelijk kan volstaan om de bevoorradingszekerheid te garanderen. Het is volgens de verzoekende partijen overigens onjuist te beweren dat alle reeds gebouwde windturbines na het arrest van 25 juni 2020 kunnen worden stilgelegd op grond van milieustakingsvorderingen. In elk van die procedures moet de verzoekende partij immers een belang aantonen. In die procedures kan geen exceptie van onwettigheid meer worden aangevoerd ten aanzien van definitief verkregen vergunningen. De parlementaire voorbereiding bevat geen prognose van het aantal windturbines dat op grond van een milieustakingsvordering kan worden stilgelegd. A.10.
  52. Ten derde bedroeg in 2019 de totale netto-elektriciteitsproductie 89,9 TWh, terwijl de elektriciteitsconsumptie dat jaar slechts 83,7 TWh bedroeg. België was in 2019 dus een netto-exporteur van elektriciteit. Een eventueel toekomstig tekort op die balans kan worden opgevangen via de bestaande interne marktmechanismen. Een daling of vertraging in de productie van windenergie op het grondgebied van het Vlaamse Gewest kan bijgevolg niet de Belgische energiebevoorrading in het gedrang brengen. A.10.
  53. Ten vierde kan de voorgenomen kernuitstap niet dienstig worden aangewend om de impact van het eventuele wegvallen van de windenergie op de bevoorradingszekerheid te ondersteunen. De kerncentrales staan in 15 voor 37,9 pct. van de Belgische netto-elektriciteitsproductie. Indien die productievorm wegvalt, komt de energiebevoorrading hoe dan ook in het gedrang, met of zonder het cumulatieve effect van het verlies van de 1,5 pct. van de netto-elektriciteitsproductie die de windenergie op het land vertegenwoordigt. Het is bovendien twijfelachtig dat de voorgenomen kernuitstap in 2025 inderdaad zal plaatsvinden. A.10.
  54. Ten vijfde heeft het Vlaams Parlement geen alternatieve mogelijkheden onderzocht om de bevoorradingszekerheid te garanderen. Nochtans beklemtoont het arrest van 25 juni 2020 dat het reële en ernstige risico dat de elektriciteitsbevoorrading in het gedrang komt, slechts de handhaving van de sectorale normen inzake windturbines rechtvaardigt indien dat risico niet kan worden voorkomen met andere middelen en alternatieven. A.10.
  55. In ondergeschikte orde suggereren de verzoekende partijen dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin wordt gevraagd of het bestreden decreet, dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines voor een periode van drie jaar handhaaft, zonder dat die handhaving wordt gerechtvaardigd door een reëel en ernstig risico voor de elektriciteitsbevoorrading, bestaanbaar is met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met de artikelen 1, 5, 6 en 8 van de richtlijn 2001/42/EG. Anders dan de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen stellen, zien de verzoekende partijen niet in waarom het Hof van Justitie niet bevoegd zou zijn om van die prejudiciële vraag kennis te nemen. A.
  56. In hun vierde middel voeren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 aan dat het bestreden decreet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, doordat de decretale validatie blijvende effecten zal hebben na afloop van de handhavingstermijn van drie jaar. De uitbating van de windturbines die in de loop van de volgende drie jaar zullen worden vergund en van de reeds op grond van de sectorale normen vergunde windturbines zal immers mogelijk blijven op grond van sectorale normen die nooit aan een milieueffectrapportage zijn onderworpen. Nochtans heeft het Hof van Justitie meermaals geoordeeld dat de handhaving van de rechtsgevolgen van akten die werden opgesteld in strijd met de regelgeving inzake milieueffectbeoordeling, beperkt moet zijn in de tijd en niet langer mag duren dan de periode die absoluut noodzakelijk is om die onwettigheid te remediëren. Indien de milieueffectrapportage van de in het vooruitzicht gestelde toekomstige sectorale normen zou aantonen dat de thans gevalideerde sectorale normen te laks zijn, ontstaat een verschil in behandeling tussen de omwonenden van windturbines die vergund zijn op grond van die normen en de omwonenden van windturbines die zullen worden vergund op grond van de toekomstige sectorale normen. Het gegeven dat de Vlaamse Regering later nog zou kunnen beslissen om de toepassing van de huidige sectorale voorwaarden te beperken en alle windturbines aan de nieuwe sectorale voorwaarden te onderwerpen, doet hieraan geen afbreuk. Indien de milieueffectbeoordeling van de nieuwe sectorale normen voor windturbines zou uitwijzen dat de huidige normen niet streng genoeg zijn, blijven de reeds op basis van de oude normen vergunde windturbines namelijk op rechtsgeldige wijze bestaan, gelet op de validatie die onbeperkt in de tijd geldt. Volgens de verzoekende partijen was er beter een regeling genomen waarbij wordt bepaald dat de validatie voor een termijn van drie jaar geldt, en waarbij achteraf voor elke bestaande of vergunde windturbine een nieuwe toetsing aan de nieuwe sectorale normen zou moeten worden doorgevoerd. A.
  57. De verzoekende partijen menen dat het door de tussenkomende partij ODE-Vlaanderen in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek tot handhaving van de gevolgen van het bestreden decreet niet kan worden ingewilligd. Zoals reeds is vermeld, zijn de gevolgen voor de rechtszekerheid, de bevoorradingszekerheid en de doelstellingen inzake hernieuwbare energie niet voldoende aangetoond om over te gaan tot een retroactieve wetgevende validatie, zodat er a fortiori geen voldoende redenen voorhanden zijn om over te gaan tot een handhaving van de gevolgen van het bestreden decreet. Standpunt van de Vlaamse Regering Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de verzoekende partijen Claeys en Anckaert A.
  58. Volgens de Vlaamse Regering is de tussenkomst van de verzoekende partijen Claeys en Anckaert onontvankelijk, aangezien zij de grieven die zij in hun verzoekschrift tot vernietiging hebben ontwikkeld niet impliciet, door middel van hun tussenkomst, mogen uitbreiden. 16 Ten aanzien van de middelen A.14.1.
  59. In antwoord op het eerste middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 merkt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partijen de gevolgen van de bestreden validatie verkeerd voorstellen. Het bestreden decreet immuniseert geen vergunningsbeslissingen tegen elke rechterlijke toetsing. Het valideert slechts twee normen met algemene draagwijdte, en die validatie is bovendien beperkt tot de schending van de verplichting om een voorafgaande plan-MER uit te voeren. Het verhindert niet dat de bevoegde rechter de afwezigheid van een voorafgaande project-MER van een bestreden vergunningsbeslissing afkeurt, noch dat andere wettigheidskritieken worden aangevoerd ten aanzien van die algemene normen of de vergunningen die er hun grondslag in vinden. A.14.1.
  60. Het is juist dat een decretale validatie terugwerkende kracht heeft. In casu heeft die terugwerkende kracht als doelstelling de rechtsonzekerheid waartoe het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 aanleiding heeft gegeven, weg te werken. Die doelstelling is legitiem. A.14.1.
  61. Bovendien wordt de bestreden decretale validatie gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang. Het arrest van 25 juni 2020 heeft duidelijk gemaakt dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines in strijd waren met het Europees Unierecht in zoverre zij tot stand zijn gekomen met schending van een substantiële vormvereiste, namelijk het uitvoeren van een voorafgaande MER. Krachtens het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginsel van de loyale samenwerking moet het nationale recht zo spoedig mogelijk in overeenstemming met het Unierecht worden gebracht. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat handelingen die naar Europees Unierecht onregelmatig zijn, volgens de toepasselijke nationale regels kunnen worden geregulariseerd. Dat is precies wat het bestreden validatiedecreet doet. Een eerste uitzonderlijke omstandigheid bestaat erin dat geen enkele rechter zich bevoegd kan verklaren om bij wijze van algemene beschikking de gevolgen van de ongeldige sectorale normen inzake windturbines te handhaven. De termijn om de nietigverklaring ervan te vorderen bij de Raad van State is immers verstreken. De Raad voor Vergunningsbetwistingen is daarentegen slechts bevoegd om de gevolgen van individuele vergunningsbeslissingen te handhaven, maar hij kan de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines slechts toetsen in een exceptie van onwettigheid, zonder de gevolgen ervan te kunnen handhaven. Een tweede uitzonderlijke omstandigheid is dat de gecreëerde rechtsonzekerheid het gevolg is van een evolutie in de rechtspraak van het Hof van Justitie die de Vlaamse Regering niet kon voorzien toen de sectorale normen inzake windturbines werden aangenomen. Een derde uitzonderlijke omstandigheid is de grote rechtsonzekerheid waartoe de ongeldigheid van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines aanleiding geeft. Zowel de situatie van de bestaande windturbineparken als die van toekomstige windturbineparken is erg precair geworden. In haar memorie van wederantwoord verwijst de Vlaamse Regering naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 van 25 februari 2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof dat motief zou hebben aanvaard. Indien rechtscolleges de ongeldige sectorale normen systematisch buiten toepassing laten, ontstaat een rechtsvacuüm dat nadeliger is voor het leefmilieu, aangezien de algemene sectorale normen die in dat geval zouden moeten worden toegepast, geen normen over geluid en slagschaduw bevatten. De toepassing van die normen in plaats van de Vlaamse sectorale normen inzake windenergie zou aldus een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van het leefmilieu met zich meebrengen. In dit opzicht mag niet uit het oog worden verloren dat de gevalideerde sectorale normen uitvoering geven aan verplichtingen van Europees Unierecht op het vlak van de bescherming van het leefmilieu, meer bepaald de doelstellingen die aan de lidstaten zijn opgelegd bij de richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG ». Indien als gevolg van het arrest van 25 juni 2020 bestaande windturbineparken zouden worden stilgelegd en de bouw van nieuwe windturbineparken zou worden vertraagd, zouden de Belgische doelstellingen op het vlak van hernieuwbare energie onhaalbaar worden. Tot slot zou de uitvoering van het arrest van 25 juni 2020 de elektriciteitsbevoorrading in het gedrang brengen. Dat is des te meer het geval door het dreigende cumulatieve effect van de tussen 2022 en 2025 geplande kernuitstap en het wegvallen van de productiecapaciteit van de windenergie op het land. 17 In haar memorie van wederantwoord verwijst de Vlaamse Regering naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof zich bij de stelling van de Vlaamse Regering zou hebben aangesloten dat het bestreden decreet wordt verantwoord door de rechtszekerheid, de bevoorradingszekerheid en de verwezenlijking van de bindende doelstellingen inzake hernieuwbare energieproductie. A.14.1.
  62. De bestreden decretale validatie is volgens de Vlaamse Regering het uiterste redmiddel om die dreigingen af te wenden. De bestreden maatregel bestaat er immers in dat de ongeldige sectorale normen voor een periode van maximum drie jaar geldig worden verklaard, in zoverre zij in strijd zijn met de internationale, Europese en nationale normen inzake MER. Binnen die termijn kan de Vlaamse Regering dan nieuwe sectorale normen inzake windturbines voorbereiden die wel voorafgaandelijk aan een MER worden onderworpen. Aldus wordt het voorwerp van de betwisting tijdelijk bevroren om de Vlaamse Regering toe te laten in een sereen klimaat de schending van het Europees Unierecht recht te zetten. De duur van de geldigverklaring kan volgens de Vlaamse Regering niet minder dan drie jaar bedragen, zoals blijkt uit het voorbeeld van de Waalse sectorale normen inzake windturbines. Die Waalse normen werden door de Raad van State vernietigd bij zijn arrest van 17 november 2017 en werden door de Raad van State eveneens voor een periode van drie jaar gehandhaafd, hetgeen de Waalse Regering toeliet nieuwe sectorale normen inzake windturbines voor te bereiden die wel voorafgaandelijk aan een MER werden onderworpen. Die termijn van drie jaar is in de praktijk maar net voldoende gebleken. A.14.1.
  63. De bestreden validatie leidt volgens de Vlaamse Regering niet tot onevenredige gevolgen voor de omwonenden van windturbineparken die de vergunning voor die parken bestrijden bij de bevoegde rechter. Naast de beperking in de tijd en de beperking van het voorwerp van de validatie moet immers worden vastgesteld dat het bestreden decreet geen invloed heeft op de mogelijkheid van schadelijders om een schadevergoeding te vorderen voor de schade die voor hen voortvloeit uit de gevalideerde schending van de richtlijn 2001/42/EG. A.14.1.
  64. De Vlaamse Regering wijst daarnaast erop dat de verzoekende partijen uit het arrest van 25 juni 2020 geen subjectief recht putten op de vernietiging van de door hen bestreden vergunningen voor de bouw en de uitbating van windturbines. De bestreden validatie heeft overigens een algemene draagwijdte en geldt ten aanzien van elke rechtsonderhorige. Zij tast het recht op toegang tot de rechter van de verzoekende partijen niet meer of niet minder aan dan het recht op toegang tot de rechter van elke andere burger ten aanzien van de problematiek van de ontbrekende MER. Het recht op toegang tot de rechter is overigens niet absoluut en kan worden beperkt op grond van een doelstelling van algemeen belang. In dat verband wijst de Vlaamse Regering erop dat alle andere wettigheidskritieken dan degene die betrekking heeft op de ontbrekende MER, onverkort kunnen worden aangevoerd tegen elke vergunning voor de bouw of uitbating van een windturbine. In haar memorie van wederantwoord verwijst de Vlaamse Regering naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof een identieke overweging heeft gemaakt. A.14.1.
  65. Ook uit de richtlijn 2001/42/EG of uit artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus vloeit geen absoluut recht voort om de interne en externe onwettigheid van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines aan de rechter voor te leggen. Het recht op toegang tot de rechter dat wordt gewaarborgd in artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus geldt uitsluitend voor projecten bedoeld in artikel 6 van dat Verdrag, maar niet voor de plannen en programma’s bedoeld in artikel 7 ervan of voor de regelingen en normatieve instrumenten bedoeld in artikel 8 ervan. A.14.1.
  66. Tot slot verwijst de Vlaamse Regering naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof opgemerkt heeft dat de ingestelde procedures tegen het validatiedecreet bewijzen dat de verzoekende partijen niet het recht werd ontzegd om hun grieven voor te leggen aan een rechter. Dat er verschillen zijn in rechtsbescherming tegen een wetgevende akte en tegen een administratieve akte, doet volgens de Vlaamse Regering niet ter zake, nu het Hof reeds geoordeeld heeft dat die verschillen uit een keuze van de Grondwetgever voortvloeien. A.14.2.
  67. In antwoord op het tweede middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 betoogt de Vlaamse Regering in hoofdorde dat er geen sprake is van een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van het leefmilieu. Uit het arrest van 25 juni 2020 blijkt geenszins dat het Hof van Justitie een vergunningsstop inzake 18 windturbines oplegt. Volgens de Vlaamse Regering hebben de verzoekende partijen het verkeerd voor waar zij stellen dat met de bestaande - vergunde - windturbines geen rekening mag worden gehouden, omdat zij steunen op met het Unierecht strijdige Vlarem II-normen. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld heeft opgemerkt, genoten de omwonenden van windturbineprojecten immers de waarborg dat de milieueffecten van windturbines voorafgaandelijk, namelijk in het kader van elk concreet project, werden onderzocht. De vergunningverlenende overheid mag de internrechtelijke hiërarchie der rechtsnormen overigens niet naast zich neerleggen en een vergunning weigeren omdat hogere internrechtelijke rechtsregels in strijd zijn met het Europees Unierecht. De incidentele wettigheidstoetsing is immers voorbehouden aan de rechter. De rechter bij wie de vergunning wordt aangevochten, moet vervolgens wel voorrang geven aan het Europees Unierecht. Nadat hij heeft geoordeeld dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines buiten toepassing moeten worden gelaten, kan de rechter geen specifieke milieunormen meer toepassen op het vlak van geluid, slagschaduw en veiligheidsrisico’s. Aldus ontstaat een rechtsvacuüm dat nadeliger is voor het leefmilieu dan de situatie waarin de rechter wel toepassing zou kunnen maken van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines. Het bestreden decreet vult dat rechtsvacuüm op en neemt de rechtsonzekerheid weg door normen te bekrachtigen die wel strenge eisen opleggen inzake geluidsnormen, slagschaduw en veiligheid. Aldus verhoogt het bestreden decreet het beschermingsniveau inzake leefmilieu veeleer dan het te verlagen. Die conclusie dringt zich des te meer op nu de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines de productie van hernieuwbare energie beogen te bevorderen. De tijdelijke validatie van die normen tracht te vermijden dat de windenergiesector als gevolg van het arrest van 25 juni 2020 zou verdwijnen en dat daardoor de doelstellingen inzake hernieuwbare energie in het gedrang zouden komen. Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren dat de afwezigheid van een MER op het niveau van de plannen en programma’s niet wegneemt dat elk concreet windturbineproject het voorwerp van een voorafgaande project-MER moet uitmaken. De verzoekende partijen vergissen zich dus wanneer zij stellen dat het bestreden validatiedecreet een vrije baan zou geven aan windturbineprojecten zonder voorafgaande MER. Meer algemeen ziet de Vlaamse Regering niet in hoe er sprake kan zijn van een achteruitgang in de bescherming van het leefmilieu wanneer een besluit decretaal wordt gevalideerd. Inhoudelijk blijven dezelfde normen immers van toepassing, zodat aan de feitelijke bescherming van het leefmilieu niets verandert. A.14.2.
  68. Voor zover het Hof toch een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau inzake leefmilieu zou vaststellen, betoogt de Vlaamse Regering in ondergeschikte orde dat die achteruitgang wordt verantwoord door redenen van algemeen belang. Zij verwijst daarvoor naar de in A.14.1.1 tot A.14.1.7 uiteengezette redenen, die het Hof in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, zou hebben aanvaard. Dat arrest toont volgens de Vlaamse Regering meteen ook aan dat de stelling van de verzoekende partijen dat het bestreden decreet geen loyale uitvoering vormt van het voormelde arrest van het Hof van Justitie, elke juridische grondslag mist. A.14.3.
  69. Wat het derde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 betreft, verwijst de Vlaamse Regering allereerst naar de dwingende eisen van algemeen belang die zijn uiteengezet in A.14.1.1 tot A.14.1.
  70. A.14.3.
  71. Hoewel het juist is dat de bevoorradingszekerheid een federale bevoegdheid is, moeten de gewesten daar evenzeer een rol in spelen, aangezien zij als enige de hernieuwbare energie kunnen inzetten om die doelstelling te bereiken. Die hernieuwbare energie zal een alsmaar belangrijker component van de bevoorradingszekerheid worden doordat de federale overheid heeft beslist om tussen 2022 en 2025 de kerncentrales te sluiten en zo een productiecapaciteit van 6 000 MW uit de Belgische elektriciteitsmarkt te halen. De Vlaamse Regering verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 34/2020 van 5 maart 2020, waarin het Hof eveneens oordeelde dat de elektriciteitsbevoorradingszekerheid een constante bekommernis uitmaakt en dat niet kan worden betwist dat het risico dat de elektriciteitsbevoorrading van het land wordt onderbroken, ernstig is. Het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 dreigde een zeer negatieve impact op de elektriciteitsbevoorrading met zich mee te brengen en het bestreden decreet tracht die dreiging weg te werken. 19 A.14.3.
  72. De Vlaamse Regering wijst voor het overige op de verplichting in de richtlijn 2009/28/EG dat België in 2020 minstens 13 pct. van zijn elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen moet halen. Op grond van artikel 32, vierde lid, van de verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 » is die doelstelling overigens permanent geworden, in de zin dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik niet lager dan dat referentieaandeel meer mag zakken. Indien een lidstaat dat referentieaandeel in een bepaald jaar niet haalt, moet hij onverwijld maatregelen nemen om dat tekort binnen het jaar te verhelpen. Aangezien blijkt dat België er niet in is geslaagd zijn referentieaandeel van 13 pct. in 2020 te halen, is het van cruciaal belang dat het volledige potentieel dat Vlaanderen inzake hernieuwbare energie heeft, voortaan volledig wordt benut en dat daarbij alle beschikbare technologieën maximaal worden ingezet. A.14.3.
  73. Volgens de Vlaamse Regering betogen de verzoekende partijen ten onrechte dat de decreetgever niet heeft onderzocht of er andere opties zijn om de bevoorradingszekerheid te garanderen. De toelichting bij het voorstel dat tot het bestreden decreet heeft geleid, verduidelijkt immers dat het risico voor de bevoorradingszekerheid binnen het gegeven tijdsbestek niet kan worden voorkomen met andere middelen of alternatieven, bijvoorbeeld in het kader van de interne markt, omdat de interne markt niet tot de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest behoort. De Vlaamse Regering wijst in dit verband overigens op het arrest van het Hof nr. 34/2020 van 5 maart 2020, waarin werd geoordeeld dat de invoermogelijkheden van elektriciteit beperkt zijn als gevolg van de bestaande interconnecties met de buurlanden en van de elektriciteitsproductie in die lidstaten en hun respectieve keuzes inzake energiebeleid. A.14.3.
  74. Volgens de Vlaamse Regering is overigens wel degelijk voldaan aan de door het Hof van Justitie gestelde voorwaarden voor het handhaven van de gevolgen van een met het Unierecht strijdige regeling. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 25 juni 2020 enkel uitspraak gedaan over de handhavingsbevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar niet over de handhavingsbevoegdheid van de decreetgever. De Vlaamse Regering verwijst ter zake naar de overwegingen van het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof de voorgaande argumenten zou hebben aanvaard. Bovendien vloeit uit dat arrest geen recht voor de verzoekende partijen voort om de handhaving van de gevolgen te laten beoordelen door een rechtscollege. Het bestreden decreet beperkt zich overigens niet tot de feiten die ten grondslag lagen aan dat arrest van het Hof van Justitie, maar biedt een structurele oplossing die verder gaat dan een specifiek windturbineproject. De opmerkingen van het Hof van Justitie inzake de handhaving van de gevolgen zijn bijgevolg niet helemaal toepasbaar op het bestreden decreet. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 25 juni 2020 overigens wel erkend dat de productie van hernieuwbare energie een kerndoelstelling van de Europese Unie op energiegebied betreft en dat ook de bevoorradingszekerheid als voldoende dwingende reden mag worden aangemerkt. Met het Hof van Justitie kan worden aangenomen dat de instandhouding van de stedenbouwkundige vergunning van enkele windturbines onvoldoende dwingend is in het licht van de doelstellingen inzake bevoorradingszekerheid en hernieuwbare energie. Maar de stopzetting van alle sinds 2006 gebouwde windturbines en het tegenhouden van de bouw van nieuwe windturbines op het ganse Vlaamse grondgebied is dat wel. A.14.3.
  75. Wat ten eerste de voorwaarde betreft dat met het bestreden decreet uitvoering wordt gegeven aan het Unierecht inzake milieubescherming, verwijst de Vlaamse Regering naar artikel 4 van het bestreden decreet, dat de Vlaamse Regering oplegt om binnen een termijn van maximum drie jaar nieuwe sectorale normen inzake windturbines aan te nemen, die wel voorafgaandelijk aan een MER worden onderworpen. Wat ten tweede de voorwaarde betreft dat met de vaststelling en de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling die slechts werkt voor de toekomst, de negatieve gevolgen inzake leefmilieu niet hadden kunnen worden voorkomen, wijst de Vlaamse Regering erop dat zonder de terugwerkende kracht van het bestreden decreet geen enkele wettige vergunning voor de bouw of de uitbating van een windturbine meer zou kunnen worden afgegeven. Wat ten derde de voorwaarde betreft dat zonder het bestreden decreet een rechtsvacuüm zou ontstaan dat nadeliger is voor het leefmilieu, verwijst de Vlaamse Regering naar haar weerlegging van het tweede middel. 20 Wat ten vierde de voorwaarde betreft dat de validatie niet langer mag duren dan absoluut noodzakelijk om de maatregelen vast te stellen waarmee de schending van het Europees Unierecht kan worden verholpen, verwijst de Vlaamse Regering naar het Waalse voorbeeld vermeld in A.14.1.
  76. A.14.3.
  77. De voorrang van het Europees Unierecht neemt overigens niet weg dat het arrest van 25 juni 2020 aanleiding heeft gegeven tot aanzienlijke rechtsonzekerheid en dat dit arrest zelf verwijst naar de vaste rechtspraak waarin de voorwaarden worden geformuleerd waaronder de interne rechter handelingen die met het Europees Unierecht in strijd zijn, mag handhaven. A.14.3.
  78. Volgens de Vlaamse Regering is ook voldaan aan de bijkomende voorwaarde die het Hof van Justitie ten aanzien van de niet-naleving van de MER-plicht heeft gesteld bij zijn arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt. De bestreden validatie wordt in casu immers gekoppeld aan een post factum MER van de gevalideerde sectorale normen inzake windturbines. Indien binnen de voorgeschreven termijn van maximum drie jaar geen nieuwe sectorale normen in werking zijn getreden, houdt de bestreden validatie op te bestaan en kunnen tijdelijk geen wettige vergunningen voor de bouw of de uitbating van windturbines worden afgegeven. A.14.3.
  79. Tot slot wijst de Vlaamse Regering erop dat artikel 23 van de Grondwet de decreetgever niet de bevoegdheid ontzegt om te beoordelen hoe het leefmilieu het best wordt beschermd. Die bepaling kan niet zo worden begrepen dat zij de decreetgever verbiedt bepaalde uitvoerende normen tijdelijk te valideren met het oog op een effectieve rechtsbescherming, het vermijden van rechtsonzekerheid en het handhaven van het bestaande beschermingsniveau inzake leefmilieu. Een decretale validatie neemt bestaande regels over en kan bijgevolg geen afbreuk doen aan de gewettigde verwachtingen van rechtzoekenden. A.14.4.
  80. In antwoord op het vierde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 merkt de Vlaamse Regering op dat dit middel grotendeels samenvalt met het eerste middel in die zaken. Zij verwijst daarom in hoofdorde naar haar weerlegging van dat middel. A.14.4.
  81. De Vlaamse Regering geeft toe dat het bestreden decreet de toegang tot de rechter beïnvloedt, aangezien het de rechtsonderhorigen de mogelijkheid ontneemt om op nuttige wijze een welbepaalde grief te ontwikkelen. De doelstelling van een decretale validatie bestaat er precies in de rechtsonzekerheid te vermijden die met het ongeldig verklaren van een uitvoerende norm gepaard gaat. De bestreden bepaling heeft evenwel een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen die gevolgen voor de verzoekende partijen en het algemeen belang dat ermee wordt gediend. Ten eerste is het onjuist te beweren dat het bestreden decreet de effectieve toegang tot de rechter volledig uitholt. Alle belanghebbenden beschikken nog steeds over de mogelijkheid om zich tot de administratieve of de burgerlijke rechter te wenden om de onwettigheid van een omgevingsvergunning te laten vaststellen. Zij kunnen daarbij onverkort alle grieven aanvoeren die geen betrekking hebben op het ontbreken van een voorafgaande MER voor de sectorale normen inzake windturbines. Met een verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, meent de Vlaamse Regering dan ook dat het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling verantwoord is. Ten tweede is de bestreden validatie beperkt in de tijd en moet binnen die termijn een nieuw, ditmaal geldig normenkader tot stand worden gebracht. A.14.5.
  82. In antwoord op het vijfde middel in de zaken nrs. 7440, 7441, 7442 en 7448 merkt de Vlaamse Regering op dat dit middel grotendeels samenvalt met het derde middel in die zaken. Zij verwijst daarom in hoofdorde naar haar weerlegging van dat middel. A.14.5.
  83. Volgens de Vlaamse Regering schendt het bestreden decreet de beginselen van behoorlijke wetgeving niet. De spoed waarmee dat decreet is aangenomen, is geen teken van onzorgvuldigheid, maar heeft alles te maken met de urgentie die werd gecreëerd door het arrest van 25 juni 2020, hetgeen het Hof overigens in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, heeft aanvaard. Die urgentie werd overigens afdoende gemotiveerd in de parlementaire voorbereiding. Bovendien hypothekeert de snelheid waarmee het bestreden decreet tot stand is gekomen geenszins de deugdelijkheid en de actualiteit van de MER die moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding van de nieuwe sectorale normen inzake windturbines. A.15.1.
  84. Alvorens in te gaan op de zes onderdelen van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7554, maakt de Vlaamse Regering twee opmerkingen. 21 Ten eerste meent zij dat het middel onontvankelijk is, omdat het betoog van de verzoekende partijen niet uitblinkt in duidelijkheid en het de Vlaamse Regering dwingt om het middel te interpreteren om het daarna te kunnen weerleggen. Zij verwijst naar hetgeen het Hof in dat verband in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, heeft geoordeeld. Ten tweede betoogt de Vlaamse Regering dat het bestreden decreet geen plan of programma is dat onder het toepassingsgebied van de richtlijn 2001/42/EG valt. Het gaat immers om een norm waarmee een schending van het Europees Unierecht wordt rechtgezet. Het loutere feit dat die norm een wetgevende handeling is die een plan of programma van de uitvoerende macht valideert, impliceert niet dat zij zelf een plan of programma is. De handhaving van de gevolgen van een met het Europees Unierecht strijdige handeling is een door het Hof van Justitie toegestane uitzondering op de volle werking van het Europees Unierecht. Het zou absurd zijn om op die handhaving de voorwaarden inzake volle werking toe te passen die voor de algemene regel gelden. De Vlaamse Regering verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2012 in zake Inter-Environnement Wallonie ASBL en Terre wallonne ASBL (C-41/11). In dat arrest oordeelde het Hof van Justitie dat de interne rechter die vaststelt dat het buiten toepassing verklaren van een met het Europees Unierecht strijdige maatregel, aanleiding geeft tot een regeling die nadeliger is voor het milieu dan de bestreden maatregel, die bestreden maatregel tijdelijk kan handhaven totdat een vervangende maatregel is vastgesteld op basis van een milieubeoordeling. Het gegeven dat het thans de decreetgever is die tot handhaving overgaat, doet aan het voorgaande geen afbreuk. De Vlaamse Regering wijst er voor het overige op dat het Grondwettelijk Hof bij zijn arrest nr. 33/2019 van 28 februari 2019 heeft geoordeeld dat noch regelgeving als zodanig, noch wetgeving als zodanig onder de werkingssfeer van de richtlijn 2001/42/EG vallen. Ook het Hof van Justitie gaat niet zo ver om te oordelen dat regelgeving en wetgeving steeds onder het toepassingsgebied van die richtlijn vallen; het heeft slechts gepreciseerd dat zij niet a priori van de werkingssfeer ervan zijn uitgesloten. A.15.1.
  85. Volgens de Vlaamse Regering stellen de verzoekende partijen ten onrechte dat artikel 6 van het Verdrag van Aarhus van toepassing is op het bestreden decreet. Dat decreet valideert immers niet de concrete projecten voor de bouw van windturbines uit het verleden. Daarnaast blijkt uit het arrest van het Hof nr. 145/2019 van 17 oktober 2019 dat ook de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus in casu geen rol spelen. Aangezien het bestreden decreet zelf geen plan of programma is, is artikel 7 ervan niet erop van toepassing. En aangezien het een wetskrachtige bepaling is, valt het evenmin onder het toepassingsgebied van artikel 8 ervan. Krachtens artikel 2, punt 2, van dat Verdrag moet het begrip « overheidsinstantie » immers zo worden uitgelegd dat wetgevende vergaderingen en rechtscolleges er niet onder vallen. De Vlaamse Regering verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof geoordeeld zou hebben dat noch artikel 6 noch de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van toepassing zijn op het bestreden decreet. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord vragen dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie over het toepassingsgebied van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus, merkt de Vlaamse Regering op dat die prejudiciële vraag niet tot de bevoegdheid van het Hof van Justitie behoort, omdat zij erop neerkomt dat het Hof van Justitie zich zou moeten uitspreken over de interpretatie van bepalingen van nationaal recht. Bovendien is de door de verzoekende partijen gesuggereerde vraag niet prejudicieel, omdat het aan het Grondwettelijk Hof toekomt zich uit te spreken over de verhouding tussen nationaal recht en het Verdrag van Aarhus, hetgeen overigens is gebeurd met het arrest nr. 30/
  86. Voor zover het Hof toch van oordeel zou zijn dat de artikelen 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus van toepassing zijn op het bestreden decreet, wijst de Vlaamse Regering erop dat die bepalingen slechts een inspanningsverbintenis inhouden voor de verdragsluitende partijen. Een schorsing of een vernietiging van het bestreden decreet zou de inspraakmogelijkheden van het publiek net ondergraven, aangezien het bestreden decreet precies het aannemen van nieuwe sectorale normen inzake windturbines vooropstelt en daarbij vereist dat die normen voorafgaandelijk aan een MER met inspraak van het publiek moeten worden voorgelegd. A.15.
  87. In antwoord op het eerste onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat dit onderdeel steunt op een verkeerd begrip van het bestreden decreet. Aangezien dat decreet zelf geen plan of programma is, moest het niet aan een MER en aan een inspraakprocedure worden voorgelegd. De nieuwe Vlaamse sectorale normen inzake windenergie zullen overigens wel het voorwerp van een 22 MER en van een inspraakprocedure uitmaken. Het bestreden decreet organiseert geen vrijwillige intrekking en overname van die sectorale normen, aangezien de inhoud van de nieuwe sectorale normen inzake windturbines nog niet bekend is. Hun inhoud zou aanzienlijk van die van de gevalideerde normen kunnen verschillen. Volgens de Vlaamse Regering gaan de verzoekende partijen er verder ten onrechte van uit dat het feit dat de nieuwe Vlaamse sectorale normen inzake windenergie wel het voorwerp van een MER en van een inspraakprocedure zullen uitmaken, niet relevant is, aangezien zij hun grieven richten tegen de sectorale voorwaarden die door het bestreden decreet worden gevalideerd. Zij gaan er immers aan voorbij dat de validatie die in artikel 3 van het bestreden decreet is opgenomen onlosmakelijk verbonden is met de remediëring waarin artikel 4 van het bestreden decreet voorziet, hetgeen het Hof in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, overigens eveneens heeft opgemerkt. A.15.
  88. In antwoord op het tweede onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat het arrest van 25 juni 2020 zich enkel uitspreekt over de eventuele handhaving van een concreet windturbineproject in Aalter en Nevele, maar niet over de eventuele handhaving van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines. Terwijl het Hof van Justitie oordeelde dat die paar windturbines niet doorslaggevend kunnen zijn voor de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en voor de elektriciteitsbevoorrading, beoogt het bestreden decreet een structurele oplossing te bieden voor het bereiken van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en voor dreigende problemen met de elektriciteitsbevoorrading, die het gevolg zijn van de impact van dat arrest op alle sinds 2006 gebouwde of geplande windturbines. Zij verwijst ter zake naar de overwegingen van het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld. A.15.
  89. In antwoord op het derde onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat dit onderdeel gebaseerd is op de verkeerde premisse dat het bestreden decreet de artikelen 6, 7 en 8 van het Verdrag van Aarhus schendt. Bijgevolg kan dit decreet evenmin artikel 3, lid 1, van hetzelfde Verdrag schenden, aangezien die bepaling de verdragsluitende partijen enkel vraagt te waken over de verenigbaarheid van het nationale recht met dat Verdrag. Het Verdrag van Aarhus verzet zich overigens niet tegen de tijdelijke geldigverklaring van de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines in afwachting van de aanname van sectorale normen die wel het voorwerp van een MER en van inspraak van het publiek zullen uitmaken. De Vlaamse Regering verwijst naar het arrest van het Hof nr. 131/2010 van 18 november 2010, waarin het Hof oordeelde dat een loutere overname van bestaande regels geen afbreuk kan doen aan gewettigde verwachtingen of aan de standstill-verplichting. Het bestreden decreet schendt evenmin artikel 13, lid 1, van de richtlijn 2001/42/EG, dat de lidstaten verplicht om de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te laten treden om aan die richtlijn te voldoen. Het bestreden decreet is precies een wettelijke bepaling die beoogt aan de verplichtingen van die richtlijn te voldoen. Het verzekert immers dat nieuwe sectorale normen inzake windturbines worden voorbereid die wel voorafgaandelijk aan een MER en aan een inspraakprocedure worden onderworpen. Het bestreden decreet schendt evenmin artikel 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit, aangezien de verzoekende partijen op geen enkele manier aantonen hoe windturbines een invloed op de biologische diversiteit kunnen hebben. Bovendien heeft het Hof in het arrest nr. 30/2021 geoordeeld dat het onderdeel, in zoverre het de schending van artikel 14 van het Verdrag inzake biologische diversiteit aanvoert, onontvankelijk is. A.15.5.
  90. In antwoord op het vierde onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat dit onderdeel in aanzienlijke mate samenvalt met eerdere grieven van de verzoekende partijen. De Vlaamse Regering verwijst naar haar weerlegging van die grieven in eerdere middelen. Voor het overige merkt de Vlaamse Regering op dat de verzoekende partijen bij herhaling stellen dat de motieven die in de parlementaire voorbereiding worden uiteengezet, ongegrond zijn, maar zelf geen inhoudelijke argumenten tegen die motieven ontwikkelen. A.15.5.
  91. In zoverre de verzoekende partijen menen dat het bestreden decreet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten die derden ontlenen aan internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen inzake milieueffectrapportage, herhaalt de Vlaamse Regering dat het arrest van 25 juni 2020 werd gewezen in het kader 23 van een individueel windturbineproject. De vaststelling van het Hof van Justitie dat een vertraagde ingebruikname van die windturbines de elektriciteitsbevoorrading of de doelstellingen inzake hernieuwbare energie amper beïnvloedt, neemt niet weg dat dat arrest een impact heeft op de ganse windturbinesector en dat het bestreden decreet die impact beoogt te temperen. Het bestreden decreet kan evenmin de artikelen 2 en 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie schenden. Het Hof van Justitie staat nationale rechterlijke instanties toe om, geval per geval, bepaalde gevolgen van een bepaling van nationaal recht die in strijd met de verplichtingen van de richtlijn 2001/42/EG is aangenomen, te handhaven indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De Raad van State heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt toen hij bij zijn arrest van 16 november 2017 in de zaak d’Oultremont de Waalse sectorale normen voor de bouw en de uitbating van windturbines handhaafde voor een periode van maximum drie jaar. De overwegingen van de Raad van State in die zaak zijn van overeenkomstige toepassing op het bestreden decreet, met dien verstande dat de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines niet meer kunnen worden beoordeeld en gehandhaafd door de Raad van State, hetgeen het Hof in zijn arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, trouwens erkend heeft. De arresten van het Hof van Justitie verwijzen inderdaad steeds naar een handhaving door een rechter, maar dat is een gevolg van het feit dat die arresten zijn gewezen op prejudiciële vraag van nationale rechters die willen vernemen of zij in casu de gevolgen van de ongeldige bepalingen mogen handhaven. A.15.5.
  92. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het arrest van 25 juni 2020 voorspelbaar was, omdat het Hof van Justitie reeds bij zijn arrest van 27 oktober 2016 in de zaak d’Oultremont had geoordeeld dat sectorale normen inzake windturbines MER-plichtig zijn, wijst de Vlaamse Regering op belangrijke verschillen tussen de Waalse normen die in die zaak in het geding waren en de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines. De Waalse sectorale normen maakten oorspronkelijk deel uit van een ruimer referentiekader, waaraan ook een referentiekaart met aanduiding van potentiële inplantingslocaties voor windturbines was gekoppeld. Die referentiekaart was wel aan een MER onderworpen, maar werd uiteindelijk niet aangenomen. De uiteindelijke Waalse normen werden in een ander instrument aangenomen dat niet het voorwerp van een voorafgaande MER had uitgemaakt. Zowel de advocaat-generaal als het Hof van Justitie hebben in die zaak geoordeeld dat er sprake was van een ontwijkingsstrategie. Die vaststelling kan niet zomaar worden getransponeerd naar de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines, die niet zijn gefragmenteerd om de MER-plicht te ontwijken. Op 3 april 2019 oordeelde de Nederlandse Raad van State nog dat een algemene regeling die een volledig normenkader voor de bouw en uitbating van windturbines bevatte, niet MER-plichtig was. In die context kon de Vlaamse Regering bijgevolg niet vooruitlopen op het arrest van 25 juni
  93. A.15.
  94. In antwoord op het vijfde onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat ook dat onderdeel veel herhaling bevat van de voorgaande onderdelen van het middel en dat de verzoekende partijen geen inhoudelijke kritiek formuleren op de motieven die zijn uitgedrukt in de parlementaire voorbereiding. Voor het overige brengt de Vlaamse Regering in herinnering dat de betrokken vergunningen nog steeds kunnen worden aangevochten bij de bevoegde rechter en dat daarbij elk ander argument dan het ontbreken van een voorafgaande MER voor de sectorale normen kan worden aangevoerd. Wat het argument betreft dat een verschil in behandeling ontstaat tussen de gevalideerde sectorale normen en alle andere plannen en programma’s, waartegen de afwezigheid van een voorafgaande MER nog steeds kan worden aangevoerd, wijst de Vlaamse Regering erop dat ten aanzien van die andere plannen en programma’s niet dezelfde rechtsonzekerheid is ontstaan ten gevolge van een arrest van het Hof van Justitie en dat niet blijkt dat de hypothetische ongeldigheid van die plannen en programma’s de doelstellingen inzake hernieuwbare energie of de bevoorradingszekerheid in het gedrang zou brengen. A.15.
  95. In antwoord op het zesde onderdeel van het middel in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 merkt de Vlaamse Regering op dat de uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang wel degelijk worden uiteengezet in de memorie van toelichting en dat de verzoekende partijen daar geen inhoudelijke kritiek op formuleren. Het bestreden decreet kan niet als doelstelling hebben om alle vergunningsaanvragen voor 24 windturbines te laten inwilligen, omdat het op geen enkele manier de beoordelingsvrijheid van het vergunningverlenend bestuur beperkt. Voor het overige verwijst de Vlaamse Regering naar de argumenten uiteengezet in A.14.1.1 tot A.14.1.
  96. A.16.1.
  97. In antwoord op het eerste middel in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 voert de Vlaamse Regering aan dat het bestreden decreet wel degelijk wordt verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden en dwingende motieven van algemeen belang. Zij verwijst daarvoor naar de argumenten weergegeven in A.14.1.1 tot A.14.1.
  98. Wat het motief van de bevoorradingszekerheid betreft, weerlegt de Vlaamse Regering het argument van de verzoekende partijen dat met dat motief geen rekening mag worden gehouden omdat het garanderen van de energiebevoorrading een exclusieve federale bevoegdheid is. Zij verwijst ter zake naar het arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof dat argument impliciet heeft afgewezen. Volgens de Vlaamse Regering kunnen besturen niet zomaar de algemene milieunormen toepassen, aangezien zij niet over de bevoegdheid beschikken om op eigen houtje de Vlaamse sectorale normen inzake windturbines buiten toepassing te laten. Die bevoegdheid komt alleen aan rechtscolleges toe. Zij kunnen bijgevolg niet eigenhandig beslissen om de algemene milieunormen toe te passen in plaats van de sectorale normen. De toelichting bij het bestreden decreet bevat overigens wel concrete cijfers over het aantal windturbines dat als gevolg van het arrest van 25 juni 2020 zou moeten worden stilgelegd. De 424 windturbines waarvan de vergunning is gebaseerd op de gevalideerde sectorale normen, staan in voor een totaal geproduceerd vermogen van 1 117 MW, terwijl Vlaanderen momenteel 558 windturbines telt, goed voor een totaal geproduceerd vermogen van 1 300 MW. Het arrest van 25 juni 2020 raakt dus 76 pct. van de windturbines op Vlaams grondgebied, die instaan voor 86 pct. van de windenergieproductie. Op dat percentage van de huidige productiecapaciteit heeft de ontstane rechtsonzekerheid betrekking. Daarnaast gaan de verzoekende partijen er volgens de Vlaamse Regering aan voorbij dat de doelstellingen inzake hernieuwbare energie voor 2020 niet eenmalig waren, maar dat het Belgische referentieaandeel hernieuwbare energie nooit meer beneden de 13 pct. mag dalen. De verzoekende partijen vergissen zich overigens wanneer zij stellen dat de onshore windturbines slechts 1,5 pct. van het totaal geïnstalleerde vermogen zouden uitmaken. De cijfers die zij vermelden, hebben louter betrekking op het Elia-net. De meeste windturbines zijn evenwel aangesloten op de Fluvius-netten. Het operationele vermogen aan onshore windenergie bedraagt dus geen 231 MW, zoals de verzoekende partijen verkeerdelijk voorstellen, maar 1 300 MW. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het cumulatieve effect van dat dreigende verlies aan productiecapaciteit met de geplande kernuitstap, die nog eens 6 000 MW aan productiecapaciteit uit de Belgische elektriciteitsmarkt zal wegnemen. A.16.1.
  99. Volgens de Vlaamse Regering is de door de verzoekende partijen aangehaalde studie van de Wereldgezondheidsorganisatie niet dienend. Die studie besluit zelf dat uit de beschikbare wetenschappelijke gegevens te weinig conclusies kunnen worden getrokken over de negatieve gezondheidsimpact van windturbines, en dat hoe dan ook die impact moet worden afgewogen tegen de gunstige gezondheidseffecten verbonden aan de shift naar hernieuwbare energie. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan hoe die studies verband houden met het bestreden decreet. A.16.1.
  100. Volgens de Vlaamse Regering kunnen de verzoekende partijen niet nuttig verwijzen naar de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van het zogenaamde DAR-decreet bij zijn arrest nr. 144/2012 van 22 november
  101. Dat decreet had ten eerste betrekking op projecten die bij een specifieke wetgevingshandeling werden aangenomen, en het voorzag ten tweede niet in de remediëring waarin het bestreden decreet wel voorziet, namelijk het opstellen van nieuwe sectorale normen die wel voorafgaandelijk het voorwerp uitmaken van een MER en een inspraakprocedure. A.16.1.
  102. Op het argument dat de Vlaamse overheid sinds het arrest d’Oultremont van het Hof van Justitie van 27 oktober 2016 wist dat het arrest van 25 juni 2020 imminent was, antwoordt de Vlaamse Regering met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet in A.15.5.3 alsook naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof geoordeeld zou hebben dat het arrest van het Hof van Justitie van 25 juni 2020 voor de decreetgever en de Vlaamse Regering niet te voorzien was. 25 A.16.1.
  103. Op het argument dat de personen die worden geraakt door andere plannen en programma’s, hun volledige toegang tot de rechter behouden, terwijl alleen personen die worden geraakt door de gevalideerde sectorale normen hun toegang tot de rechter beperkt zien, antwoordt de Vlaamse Regering met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet in A.15.
  104. A.16.2.
  105. In antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 beklemtoont de Vlaamse Regering dat blijkens het arrest van het Hof nr. 33/2019 van 28 februari 2019 noch regelgeving als zodanig, noch wetgeving als zodanig onder de werkingssfeer van de richtlijn 2001/42/EG is gebracht. Aangezien het bestreden decreet niet als een plan of programma kan worden beschouwd, was het niet MER-plichtig. A.16.2.
  106. In antwoord op het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs.7449, 7455 en 7456 verwijst de Vlaamse Regering in hoofdorde naar hetgeen is vermeld in A.14.2.1 en A.14.2.
  107. Zij voegt daaraan toe dat de loutere omstandigheid dat de algemene geluidsnormen strenger zijn dan de gevalideerde sectorale geluidsnormen voor windturbines niet impliceert dat het bestreden decreet afbreuk doet aan de geldende milieubescherming. De gevalideerde normen maakten ook vóór hun validatie immers deel uit van de rechtsorde, zodat er geen sprake kan zijn van enige achteruitgang. Hoe dan ook leidt het buiten toepassing verklaren van de sectorale normen inzake windturbines niet tot de toepassing van andere normen, aangezien de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij zijn arrest van 4 december 2018 heeft geoordeeld dat de niet-toepassing van de sectorale normen impliceert dat er geen specifieke milieunormen meer kunnen worden toegepast. De Raad besloot dat er in dat geval veeleer sprake is van een verlaging van het bestaande niveau van bescherming van het leefmilieu. A.16.3.
  108. In antwoord op het derde middel in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 zet de Vlaamse Regering uiteen dat in een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt de overheid een belangrijke sturende rol moet spelen om de bevoorradingszekerheid op lange termijn te vrijwaren. Die bevoegdheid is in België verdeeld over de federale overheid en de gewesten. Alleen de gewesten zijn immers bevoegd om de hernieuwbare energievormen in te zetten als onderdeel van de mix aan energievormen die samen de bevoorradingszekerheid moeten waarborgen. Onshore en offshore windturbines vertegenwoordigen samen 15,7 pct. van de Belgische productiecapaciteit van elektriciteit en spelen bijgevolg een cruciale rol in de bevoorradingszekerheid. Tegen 2030 moet de Vlaamse productiecapaciteit van windturbines overigens stijgen van 1 242 MW tot 3 826 MW. Die forse toename zou onhaalbaar worden zonder het bestreden validatiedecreet, aangezien de groei van het windturbinepark dan met drie jaar zou worden vertraagd. Het feit dat België in 2019 voor het eerst in zijn geschiedenis een netto-uitvoerder van elektriciteit is geworden, is irrelevant, gelet op de nakende kernuitstap. Het feit dat de elektriciteit in de praktijk nog nooit werd onderbroken, doet overigens geen afbreuk aan de reële dreiging dat dit in de nabije toekomst wel zal gebeuren indien zowel de kernenergie als de windenergie wegvallen. A.16.3.
  109. De Vlaamse Regering voert voorts aan dat het Hof de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Hof van Justitie kan voorleggen, aangezien het Hof van Justitie niet bevoegd is om die vraag te beantwoorden. Enkel het Grondwettelijk Hof mag beoordelen of in casu aan de voorwaarden van het arrest van 25 juni 2020 is voldaan. Een en ander blijkt overigens uit het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, waarin het Hof om die reden geweigerd heeft de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. A.16.
  110. In antwoord op het vierde middel in de zaken nrs. 7449, 7455 en 7456 zet de Vlaamse Regering uiteen dat de validatie die met het bestreden decreet wordt doorgevoerd, tegelijkertijd tijdelijk en definitief is. Zij is tijdelijk omdat de geldigverklaring in elk geval ophoudt te bestaan drie jaar na de inwerkingtreding van het bestreden decreet. Maar zij is definitief in zoverre de vergunningen die met toepassing van de omzendbrief van 12 mei 2006 en van afdeling 5.20.6 van Vlarem II werden afgegeven, niet meer onwettig kunnen worden verklaard wegens de loutere reden dat die sectorale normen niet voorafgaand aan hun aanneming het voorwerp van een MER hebben uitgemaakt. De decreetgever heeft aan de bestreden validatie dus dezelfde gevolgen willen verbinden als de Raad van State aan zijn arrest d’Oultremont van 16 november
  111. Voor het overige komt het, met toepassing van artikel 5.4.7 van het decreet van 5 april 1995 « houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid », aan de Vlaamse Regering toe het temporele toepassingsgebied van de nieuwe sectorale normen inzake windturbines te bepalen. 26 In antwoord op de stelling van de verzoekende partijen dat, indien de milieueffectbeoordeling van de nieuwe sectorale normen voor windturbines zou uitwijzen dat de huidige normen niet streng genoeg zijn, de reeds op basis van de oude normen vergunde windturbines op rechtsgeldige wijze blijven bestaan, antwoordt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen vooruitlopen op het besluitvormingsproces over de nieuwe normen. Met een verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld, betoogt de Vlaamse Regering dat dat besluitvormingsproces niets uit te staan heeft met de grondwettigheid van het bestreden decreet. Standpunt van de tussenkomende partijen Claeys en Anckaert A.17.
  112. De tussenkomende partijen sluiten zich aan bij de verzoekschriften tot vernietiging die tegen het bestreden decreet werden ingediend. A.17.2.
  113. In hun memorie van wederantwoord repliceren de tussenkomende partijen op de overwegingen van het Hof in het arrest nr. 30/2021 inzake de vorderingen tot schorsing die tegen het bestreden decreet werden ingesteld. A.17.2.
  114. Zij werpen allereerst op dat het Hof ten onrechte een aantal van de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 aangevoerde middelonderdelen onontvankelijk heeft verklaard. Zij lichten toe dat die verzoekende partijen in hun verzoekschrift wel degelijk op duidelijke wijze de schending, door het bestreden decreet, van, onder meer, de artikelen 7bis, 13 en 159 van de Grondwet en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie hebben uiteengezet. Bovendien hebben die verzoekende partijen de schendingen van elk van die referentienormen gekoppeld aan een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die een algemene draagwijdte hebben. A.17.2.
  115. Vervolgens menen de tussenkomende partijen dat, in weerwil van wat het Hof in het voormelde arrest beslist heeft, het bestreden decreet wel degelijk neerkomt op een tijdelijke handhaving en niet op een loutere validatie, zoals de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7445, 7446 en 7454 beargumenteren. Tot die tijdelijke handhaving werd beslist zonder dat voldaan is aan de voorwaarden die het Hof van Justitie aan een dergelijke handhaving heeft gekoppeld. A.17.2.
  116. Voorts bekritiseren de tussenkomende partijen de overweging uit het voormelde arrest volgens welke de bestreden bepaling geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de omwonenden van windturbines om voor de rechter schadevergoeding te vorderen voor de schade die zij zouden lijden als gevolg van het ontbreken van een voorafgaande MER voor afdeling 5.20.6 van Vlarem II. Volgens hen lenen de door de bestreden bepaling bedreigde grondrechten - het recht op bescherming van een gezond leefmilieu - zich niet tot een geldelijke schadevergoeding, maar vere

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.