id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.144 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211014.8 Arrest- Rolnummer: 144/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE in voorbereiding Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, in die zin geïnterpreteerd dat de verjaringstermijn van vijf jaar, waarmee het slachtoffer van schade die is veroorzaakt door een in die bepaling bedoelde overheid, rekening dient te houden wanneer het een schadevergoeding wenst te vorderen van die overheid, ingaat op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering tot schadevergoeding is ontstaan, zelfs wanneer het slachtoffer pas meer dan vier jaar na die dag op de hoogte wordt gebracht van de identiteit van de voor die schade aansprakelijke persoon, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde wetsbepaling, in die zin geïnterpreteerd dat die verjaringstermijn van vijf jaar pas ingaat op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het slachtoffer op de hoogte wordt gebracht van de identiteit van de voor die schade aansprakelijke persoon, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Dezelfde wetsbepaling schendt artikel 16 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, gesteld door het Hof van Cassatie Openbare financiën - Rijkscomptabiliteit - Schuldvorderingen ten laste van de federale Staat - Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Verjaringstermijn - Aanvangspunt. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1991 - 100,L1,1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de beslissing Rolnummer 7568 Arrest nr. 144/2021 van 14 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 15 april 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 april 2021, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in zoverre het het aanvangspunt van de vijfjarige verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van een buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid vaststelt op één januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan, wanneer de benadeelde kennis krijgt van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon vóór het verstrijken van de vijfjarige termijn, terwijl, volgens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon ? ». Op 26 mei 2021 hebben de rechters-verslaggevers T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, en J. Moerman, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 29 juni 1995 sterft een man bij een verkeersongeval. Bij dagvaarding van 25 april 2003 vordert zijn weduwe bij de Politierechtbank Bergen de veroordeling van het Waalse Gewest tot het haar vergoeden van de schade die zij heeft geleden ingevolge dat overlijden. Bij een vonnis van 3 maart 2016 beslist de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, dat die vordering tot schadevergoeding, die op de buitencontractuele aansprakelijkheid van het Waalse Gewest is gebaseerd, verjaard is. Bij een vonnis dat op 21 november 2018 is uitgesproken, bevestigt de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, die beslissing. Zij merkt op dat de schuldvordering van de weduwe is ontstaan op 29 juni 1995, zodat haar vordering tot schadevergoeding uiterlijk op 31 december 1999 had moeten zijn ingesteld, zijnde de laatste dag van de verjaringstermijn van vijf jaar die met toepassing van artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 (hierna : de wet van 17 juli 1991) is berekend. Dezelfde Rechtbank is van oordeel dat, gezien het arrest van het Hof nr. 90/2007 van 20 juni 2007, de toepassing van die wetsbepaling enkel kan worden geweerd indien de geleden schade en de identiteit van de aansprakelijke persoon pas na het verstrijken van die termijn van vijf jaar konden worden vastgesteld. Zij merkt op dat zulks te dezen niet het geval is, aangezien de weduwe haar schade sedert 29 juni 1995 en de identiteit van de voor die schade aansprakelijke persoon uiterlijk sedert 12 januari 1999 kent. 3 In het cassatieberoep dat zij tegen het vonnis van 21 november 2018 richt, voert de weduwe aan dat de Rechtbank artikel 100, eerste lid, 1°, van de wet van 17 juli 1991 heeft geïnterpreteerd op een wijze die niet in overeenstemming is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. Uit het arrest van het Hof nr. 140/2013 van 17 oktober 2013 leidt zij af dat artikel 100, eerste lid, 1°, van de wet van 17 juli 1991, om bestaanbaar te zijn met die bepalingen van de Grondwet, enkel in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het bepaalt dat de vijfjarige verjaringstermijn die het invoert, pas loopt vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zowel de schade als de identiteit van de voor die schade aansprakelijke persoon konden worden vastgesteld door het slachtoffer. Zij is bijgevolg van mening dat, rekening houdend met de vaststellingen van de Rechtbank, de termijn van vijf jaar te dezen pas is ingegaan vanaf 1 januari 1999, en dat hij dus pas is verstreken op 31 december 2003, zijnde na de dagvaarding van 25 april
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.