id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.145 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211014.9 Arrest- Rolnummer: 145/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-10-27 Raadplegingen: 380 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE in voorbereiding Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1675/13, § 3, en 1675/13bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Gerechtelijk recht - Collectieve schuldenregeling - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling - Kwijtschelding van schulden. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 1675/13,§3 - 05 Link Justel databank 19671009-05 Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 1675/13bis,§2 - 05 Link Justel databank 19671009-05 Tekst van de beslissing Rolnummer 7608 Arrest nr. 145/2021 van 14 oktober 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1675/13, § 3, en 1675/13bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit emeritus voorzitter F. Daoût, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 11 juni 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 juni 2021, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1675/13, § 3, en 1675/13bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, die de status van onreduceerbare schuld niet toekennen aan de schuld van onverschuldigde bedragen inzake sociale zekerheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een verschil in behandeling tussen : - de schuldeiser wiens aangifte van schuldvordering betrekking heeft op een onderhoudsschuld; - de schuldeiser wiens aangifte van schuldvordering betrekking heeft op een schuld van onverschuldigde bedragen die voortvloeit uit sociale fraude ? En zijn, inzonderheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden in zoverre de mogelijkheid voor de invordering van de door de DAVO uitgevoerde voorschotten op onderhoudsgeld, door de FOD Financiën, enerzijds, en van de schuldvorderingen die voortvloeien uit sociale fraude, door de socialezekerheidsinstellingen, anderzijds, verschillend wordt behandeld, terwijl, in beide gevallen, de wetgever zijn wil uit om een daadwerkelijke invordering in te voeren om budgettaire redenen en wetgevend optreedt door middel van wetten van openbare orde ? ». Op 14 juli 2021 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij de prejudiciële vraag onontvankelijk wordt verklaard. Mr. C. Legein, schuldbemiddelaar, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij beschikking van 3 december 2019 verklaart de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel dat de vordering tot collectieve schuldenregeling die aan haar is gericht met toepassing van artikel 1675/4, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek toelaatbaar is en benoemt zij Catherine Legein als schuldbemiddelaar. Op 22 december 2020 legt die schuldbemiddelaar, met toepassing van artikel 1675/11, § 1, van hetzelfde Wetboek, een proces-verbaal neer waarin zij vaststelt dat in dat dossier geen overeenkomst over een minnelijke collectieve schuldenregeling kan worden bereikt. Dat proces-verbaal bevat ook een verzoek tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid van 3 december 2019, verzoek dat de schuldbemiddelaar motiveert door het gegeven dat de schuldenaar die om de collectieve schuldenregeling heeft verzocht, zijn onvermogen heeft georganiseerd in de zin van artikel 1675/15, § 1, van hetzelfde Wetboek. 3 Op 31 maart 2021 hoort de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de schuldbemiddelaar en de schuldenaar en stelt zij vast dat de opgeroepen schuldeisers niet verschijnen. De Rechtbank merkt op dat de schuldbemiddelaar, in het op 22 december 2020 neergelegde proces-verbaal, uiteenzet dat het arrest van het Hof nr. 151/2018 van 8 november 2018 niet volledig overeenstemt met de prejudiciële vraag die aan het Hof werd gesteld bij een arrest van het Arbeidshof te Bergen van 3 oktober 2017 in verband met de grondwettigheid van de artikelen 1675/13, § 3, en 1675/13bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, wetsbepalingen die de kwijtschelding van schulden regelen. De Rechtbank merkt ook op dat de schuldbemiddelaar dus van mening is dat een nieuwe prejudiciële vraag over die bepalingen zou kunnen worden gesteld aan het Hof. De Rechtbank stelt eveneens vast dat de schuldenaar hierover geen enkele opmerking formuleert. Bij vonnis van 11 juni 2021 merkt de Rechtbank op dat het arrest nr. 151/2018 niet heeft geantwoord op een deel van de prejudiciële vraag die aan het Hof was gesteld over een regel die de kwijtschelding van bepaalde schulden verbiedt in het kader van een gerechtelijke collectieve schuldenregeling. Zij beslist derhalve aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Catherine Legein is van mening dat, in tegenstelling tot wat de verslaggevers in hun conclusies schrijven, de prejudiciële vraag niet voorbarig is. -B- B.1.
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.