← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.150

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.150 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211021.6 Arrest- Rolnummer: 150/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-11-10 Raadplegingen: 411 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde », in zoverre zij een terugwerkende kracht toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » tot na het academiejaar 2019-

  1. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde », ingesteld door Emily Brugger. Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Studies diergeneeskunde - Voorwaarden inzake de toegang tot blok 2 van het programma van de eerste cyclus - Wijziging van de toegangsvoorwaarden - Terugwerkende kracht. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 22-10-2020 - 1 - 02 ELI link Pub nr 2020015876 Decreet Franse Gemeenschap - 22-10-2020 - 2 - 02 ELI link Pub nr 2020015876 Tekst van de beslissing Rolnummer 7598 Arrest nr. 150/2021 van 21 oktober 2021 ARREST __________ In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde », ingesteld door Emily Brugger. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 juni 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 juni 2021, heeft Emily Brugger, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2020). Op 23 juni 2021 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  2. Emily Brugger herinnert aan de feiten en aan de rechtspleging die aan de oorsprong liggen van het arrest nr. 82/2021 van 3 juni 2021, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 22 oktober 2020) de artikelen 10, 11 en 24, § 3, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, schenden, in zoverre zij een terugwerkende kracht toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 13 juli 2016) tot na het academiejaar 2019-
  3. Emily Brugger meent te doen blijken van het belang dat is vereist bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof om de vernietiging van die decretale bepalingen te vorderen. In dat verband voert zij aan dat zij niet voldoet aan de voorwaarden vastgesteld bij het decreet van 22 oktober 2020 om, gedurende het academiejaar 2020-2021, het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde voort te zetten. A.
  4. Het enige middel van Emily Brugger is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 3, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten. Zij voert aan dat de terugwerkende kracht die de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 niet onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Zij verwijst in dat verband naar de overwegingen B.10 en B.11 van het arrest nr. 82/
  5. -B- B.
  6. Het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde, waarvoor het slagen wordt bekrachtigd door het verkrijgen van de graad van bachelor, is onderverdeeld in drie « studiejaren van 60 studiepunten » (artikel 15, § 1, 10°, 26°, 41° en 58°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 « tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies », artikel 83, § 1, 12°, en artikel 124, derde lid, van hetzelfde decreet). Artikel 100, § 2, van het decreet van 7 november 2013, zoals vervangen bij artikel 16 van het decreet van 3 mei 2019 « houdende diverse maatregelen betreffende het Hoger Onderwijs en het Onderzoek », bepaalt : « Naast de eerste 60 studiepunten van de bacheloropleiding, omvat het jaarprogramma van een student van de eerste cyclus : 1° de onderwijseenheden van de opleiding waarvoor hij reeds ingeschreven was en waarvoor hij de overeenkomstige studiepunten nog niet verdiend had, met uitzondering van de optie-eenheden in de opleiding die door de student die hij heeft gekozen niet meer te volgen; 2° de onderwijseenheden van de rest van het cyclusprogramma, waarvoor hij aan de vooraf gevergde voorwaarden voldoet ». B.2.
  7. Artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 13 juli 2016) bepaalt : « Voor de toepassing van artikel 100, § 2 van het decreet van 7 november 2013, buiten de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus, kunnen alleen de studenten die houder zijn van een attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus in hun studieprogramma de onderwijseenheden van de eerste cyclus in de diergeneeskunde opnemen ». Het totale aantal « attesten van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » die elk jaar in de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, is beperkt. De Franse Gemeenschapsregering stelt jaarlijks het aantal attesten vast dat elke universiteit die studies diergeneeskunde organiseert, zal mogen uitreiken (artikel 5 van het decreet van 13 juli 2016). Om een van de attesten te kunnen verkrijgen die beschikbaar zijn in de universiteit waar de student zijn studies heeft gevolgd, moet die laatste « minstens 45 van de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus » hebben behaald en batig gerangschikt zijn na een vergelijkend examen dat zijn universiteit organiseert op het einde van het tweede quadrimester van het academiejaar (artikel 6 van het decreet van 13 juli 2016). Een student kan slechts eenmaal opnieuw deelnemen aan dat vergelijkend examen, in de regel in het volgende academiejaar (artikel 8 van hetzelfde decreet). De attesten worden door elke universiteit uiterlijk op 13 september uitgereikt (artikel 6, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet). B.2.
  8. Aanvankelijk bepaalde artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 : « Dit decreet treedt in werking voor het academiejaar 2016-2017, met uitzondering van de artikelen 2 en 4, die in werking treden voor het academiejaar 2017-
  9. Dit decreet heeft uitwerking tot en met het academiejaar 2019-
  10. Het wordt door de Regering uiterlijk gedurende het academiejaar 2019-2020 geëvalueerd ». Uit die tekst vloeit voort dat artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016, aangehaald in B.2.1, geen uitwerking heeft voor het academiejaar 2020-
  11. Daar een academiejaar « op 14 september begint » (artikel 15, § 1, 6°, van het decreet van 7 november 2013), kon een student zich dus, op 14 september 2020 en de daaropvolgende weken, inschrijven voor het tweede « studiejaar van 60 studiepunten » van het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde, zelfs wanneer hij geen houder was van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli
  12. B.3.
  13. Artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde » (hierna : het decreet van 22 oktober 2020) wijzigt artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016, aangehaald in B. 2.2, waarbij in de tweede zin de jaren « 2019-2020 » worden vervangen door de jaren « 2020-2021 ». Artikel 2 van het decreet van 22 oktober 2020 bepaalt : « Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2020 ». B.3.
  14. Het decreet van 22 oktober 2020 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober
  15. Krachtens artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is dat decreet dus in werking getreden op de tiende dag na die bekendmaking, namelijk op 8 november
  16. B.4.
  17. Zoals eraan wordt herinnerd in B.2.2, begint een academiejaar « op 14 september ». Het academiejaar 2020-2021 is dus begonnen op 14 september
  18. Vóór de wijziging ervan bij artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 maakte artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 de toepassing van artikel 4 van hetzelfde decreet, weergegeven in B.2.1, niet mogelijk gedurende het academiejaar 2020-
  19. Een van de gevolgen van de wijziging van artikel 12 van het decreet van 13 juli 2016 bij het decreet van 22 oktober 2020 bestaat erin de toepassing van dat artikel 4 mogelijk te maken gedurende dat academiejaar. Aangezien, zoals is vermeld in punt 3.2, artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 pas op 8 november 2020 in werking is getreden, met andere woorden wanneer het academiejaar 2020-2021 reeds was aangevat, heeft het een terugwerkende kracht in zoverre het de toepassing van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 mogelijk maakt gedurende het deel van dat academiejaar vóór de inwerkingtreding van het decreet van 22 oktober
  20. B.4.
  21. Door te bepalen dat artikel 1 van het decreet van 22 oktober 2020 uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2020, wordt in artikel 2 van dat decreet aangegeven dat ervan dient te worden uitgegaan dat het vanaf die dag niet mogelijk was een student in te schrijven die niet in het bezit was van het « attest van toelating tot het vervolg van het programma van de cyclus » bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 voor het tweede « studiejaar van 60 studiepunten » van het programma van de eerste cyclus van de universitaire studies diergeneeskunde. B.
  22. Bij het arrest nr. 82/2021 van 3 juni 2021 heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad van State, voor recht gezegd dat de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 de artikelen 10, 11 en 24, § 3, eerste zin, van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten, schenden in zoverre zij een terugwerkende kracht toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-
  23. B.
  24. Uit de uiteenzettingen van het verzoekschrift blijkt dat het beroep tot vernietiging ingesteld met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, strekt tot de vernietiging van de artikelen 1 en 2 van het decreet van 22 oktober 2020 in zoverre zij een terugwerkende kracht toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-
  25. B.
  26. Het arrest nr. 82/2021 motiveert de vaststelling van schending van de Grondwet door de volgende overwegingen : « B.
  27. De niet-retroactiviteit van de wetten is een waarborg die tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. De terugwerkende kracht is enkel verantwoord indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. [...] B.
  28. Een regel moet als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op feiten, handelingen en toestanden die definitief waren voltrokken op het ogenblik dat hij in werking is getreden [...] B.
  29. De afdeling wetgeving van de Raad van State, waaraan op 22 juli 2020 een verzoek om advies over een voorontwerp van decreet met dezelfde bepalingen als die twee artikelen van het decreet van 22 oktober 2020 is gericht, herinnert in het advies 67.831/2 van 21 september 2020 eraan dat de niet-retroactiviteit van de wetten tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen en dat de retroactiviteit van een wetsbepaling alleen te verantwoorden is wanneer die absoluut noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang. In dat advies verzoekt de afdeling wetgeving van de Raad van State de auteur van de beoogde bepalingen om de verantwoording voor de retroactieve werking van de overwogen maatregelen uiteen te zetten (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 127/1, pp. 34-35, 38 en 47). B.
  30. De auteurs van het decreet van 22 oktober 2020 verantwoorden de retroactiviteit die is verbonden aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van 13 juli 2016 tot na het academiejaar 2019-2020 door ‘ de noodzaak om een wettelijke grondslag te bieden ', door de ‘ zorg om rechtszekerheid ' en door de noodzaak om te kunnen beschikken over de evaluatie waarin artikel 12 van hetzelfde decreet voorziet (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2020-2021, nr. 129/1, pp. 3-4; CRI, Parlement van de Franse Gemeenschap, nr. 5, 21 oktober 2020, pp. 30-31). B.
  31. Een dergelijke verantwoording volstaat niet om vast te stellen dat de terugwerkende kracht die voortvloeit uit de twee in het geding zijnde bepalingen noodzakelijk is voor het bereiken van een doel van algemeen belang ». B.
  32. Om dezelfde redenen is het beroep tot vernietiging gegrond. Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2020 « houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2016 betreffende de studie diergeneeskunde », in zoverre zij een terugwerkende kracht toekennen aan de verlenging van de gevolgen van artikel 4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 2016 « betreffende de studie diergeneeskunde » tot na het academiejaar 2019-
  33. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 oktober
  34. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.150 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.