id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.153 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211028.1 Arrest- Rolnummer: 153/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-02-22 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 89 en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Artikel 94, 10°, van dezelfde wet schendt artikel 170, § 1, van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 89, 94, 10°, en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », gesteld door het Hof van Cassatie. Sociale zekerheid - Sociaal statuut der zelfstandigen - Financiering - Jaarlijkse bijdrage ten laste van vennootschappen -
- Invordering door de sociale verzekeringskassen -
- Toepassing van de verhogingen wegens vertraging in de betaling - Machtiging aan de Koning. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1992 - 89 - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Wet - 30-12-1992 - 94,10° - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Wet - 30-12-1992 - 95,§1 - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Wet - 30-12-1992 - 95,§1bis - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Tekst van de beslissing Rolnummer 7363 Arrest nr. 153/2021 van 28 oktober 2021 ARREST __________ In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 89, 94, 10°, en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 3 februari 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 februari 2020, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schenden de artikelen 89 en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling teweegbrengen tussen de personen die de bijdrage verschuldigd zijn en de personen die de belastingen verschuldigd zijn die krachtens artikel 59 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, door de rekenplichtigen van de Schatkist worden geïnd, door de invordering van de jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen toe te vertrouwen aan de sociale verzekeringskassen in plaats van aan die rekenplichtigen, terwijl de kassen niet zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake eed en borgstelling die bij artikel 61 van de gecoördineerde wetten aan de rekenplichtigen zijn opgelegd, terwijl de Schatkist niet beschikt over het voorrecht op hun goederen waarin artikel 64 van dezelfde wetten voorziet en terwijl de kassen niet zijn onderworpen aan de in artikel 180 van de Grondwet bepaalde controle van het Rekenhof ? - Schendt artikel 94, 10°, van de wet van 30 december 1992 artikel 170 van de Grondwet, in zoverre het de Koning ermee belast de gevallen te bepalen waarin kan worden verzaakt aan de toepassing van de verhogingen wegens vertraging in de betaling van de bijdragen, zonder de nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria te bevatten aan de hand waarvan kan worden bepaald welke bijdrageplichtige de verzaking kan genieten ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Optimo », de nv « Europroperties », de bvba « La Quiétude » en Marc Uyttersprot, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie; - het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens. Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 30 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 30 juni 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil heeft betrekking op de invordering, door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna : het RSVZ), van achterstallige jaarlijkse bijdragen ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen, die verschuldigd zijn met toepassing van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » voor de jaren 2003 tot
- De zaak is eerst aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, die in die context een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof heeft daarop geantwoord bij het arrest nr. 103/2011 van 16 juni
- Naar aanleiding van de bevestiging, door het Hof van Beroep te Brussel, van de dwangbevelen uitgevaardigd door het RSVZ hebben de partijen cassatieberoep ingesteld. Op hun verzoek stelt het Hof van Cassatie de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
- De eisende partijen in cassatie voeren aan dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij aan de sociale verzekeringskassen de invordering toevertrouwt van de bijdrage bedoeld in hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 30 december 1992), de personen welke die bijdrage verschuldigd zijn, discrimineert en op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van die laatstgenoemden, ten opzichte van de personen die andere belastingen verschuldigd zijn waarvan de invordering wordt verzekerd door de rekenplichtigen van de Schatkist bedoeld in artikel 59 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit). A.1.
- De eisende partijen in cassatie voeren allereerst aan dat het optreden van de sociale verzekeringskassen de last van de bijdrage verzwaart voor de bijdrageplichtige vennootschappen, terwijl zulks niet het geval zou zijn indien de invordering zou gebeuren door de belastingadministratie. Vervolgens voeren zijn aan dat, in geval van nalatigheid vanwege de sociale verzekeringskassen, de sancties te hunnen laste worden gelegd, door een heffing op de opbrengst van de door de aangeslotenen betaalde bijdragen die bestemd is om de beheerskosten van de betrokken kas te dekken, krachtens artikel 60 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 « houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ». Een en ander komt uiteindelijk erop neer het nadeel dat voortvloeit uit die fouten te laten dragen door de personen die de bijdragen verschuldigd zijn, terwijl de rekenplichtige van de Schatkist persoonlijk aansprakelijk is voor de invordering van de belasting (artikel 66, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit), verplichting die met name wordt versterkt door de verplichtingen inzake eed en borgstelling en door het voorrecht dat de Schatkist geniet op de goederen van de ontvangers (artikel 61 en 64 van dezelfde wetten). Vervolgens onderstrepen zij dat de controle van de sociale verzekeringskassen gebrekkig is door de afwezigheid van een onafhankelijke controle-instantie. De sociale verzekeringskassen, met inbegrip van het RSVZ, zijn immers onderworpen aan een controle uitgevoerd door de dienst externe audit en door het toezichtscomité, die twee organen zijn binnen het RSVZ (zie artikel 21, §§ 9 en 10, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967). A.1.
- Ter ondersteuning van hun argumentatie verwijzen de eisende partijen in cassatie naar een verslag waarin het Rekenhof wijst op belangrijke gebreken in de controle van de sociale verzekeringskassen (zie het verslag van 30 april 2008 getiteld « Private socialeverzekeringsfondsen voor zelfstandigen »). In een ander verslag betreurt het Rekenhof de zwaarte van de administratieve taken en de omvang van de werkingskosten verbonden aan de invordering van de bijdragen door die kassen (zie het verslag van 9 april 2014 getiteld « Vennootschapsbijdrage - Jaarlijkse bijdrage voor vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners »). Daarin verklaart het dat een fiscalisatie van de bijdrage en van de inningswijze ervan kostenbesparend en doeltreffender zou zijn, met een vermindering van de administratieve last voor de vennootschappen. A.1.
- De eisende partijen in cassatie onderstrepen dat de strikte verplichtingen die wegen op de rekenplichtigen van de Schatkist, die als enigen ertoe gemachtigd zijn de belasting te innen, noodzakelijk zijn om de rechten van de Schatkist te waarborgen, maar ook om het vereiste tegengewicht te vormen voor de aanzienlijke bevoegdheden die aan die rekenplichtigen zijn verleend op het vlak van de invordering. De sociale verzekeringskassen beschikken over uitgebreide prerogatieven die vergelijkbaar zijn, maar die niet gepaard gaan met een strikte regeling inzake controle en verantwoordelijkheid die analoog is aan die welke geldt voor de rekenplichtigen van de Schatkist inzake de invordering van de belasting. A.1.
- Volgens de eisende partijen in cassatie kan alleen een dwingende reden verantwoorden dat een beroep wordt gedaan op de sociale verzekeringskassen in plaats van op de belastingadministratie voor de invordering van een belasting, quod non. Bovendien moet de Belgische Staat sinds talrijke jaren bijdragen tot het evenwicht van de sociale zekerheid van de zelfstandigen door een zogeheten « alternatieve » financiering, daar de bijdragen ontoereikend zijn. Die alternatieve financiering en de aanvullende financiering ten laste van de vennootschappen die de bijdrage verschuldigd zijn, streven hetzelfde doel na. A.1.
- Volgens de eisende partijen in cassatie betreft het niet, zoals in het arrest van het Hof nr. 10/2017 van 25 januari 2017, de toepassing van andere procedurele regels dan die welke zijn vastgesteld voor de invordering van de belasting, daar geen enkele andere omstandigheid te dezen vereist of verantwoordt dat de invordering van de bijdrage wordt toevertrouwd aan de sociale verzekeringskassen in plaats van aan de rekenplichtigen van de Schatkist. A.2.
- De Ministerraad en het RSVZ voeren aan dat het Hof bij zijn arresten nrs. 103/2011 van 16 juni 2011 en 10/2017 van 25 januari 2017 heeft besloten tot de ontstentenis van discriminatie. Bij het eerste van die arresten heeft het Hof, op een vraag over de grondwettigheid van het volledige hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992, gesteld dat het slechts sommige bepalingen van dat hoofdstuk moest onderzoeken, waardoor het impliciet maar zeker de andere bepalingen, waaronder de in het geding zijnde bepalingen, geldig heeft verklaard. De Ministerraad en het RSVZ preciseren eveneens dat de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op de situatie vóór 1 januari 2011, daar vanaf die datum de borgstelling, het voorrecht van de Schatkist en de eed, die het beheer door de rekenplichtige van de Schatkist waarborgden, zijn opgeheven. Die drie criteria van vergelijking die in de prejudiciële vraag zijn opgenomen, zijn dus niet meer werkzaam. A.2.
- De Ministerraad en het RSVZ zijn van mening dat het verschil in behandeling onbestaande is. Allereerst impliceert de opname in het systeem van het sociaal statuut van de zelfstandigen dat de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage wordt uitgevoerd door de sociale verzekeringskassen en niet door de belastingadministratie. Vervolgens heeft het Hof aanvaard dat de private personen, die per hypothese niet zijn onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de rekenplichtigen van de Schatkist, de invordering van belastingen kunnen verzekeren. Die invordering gaat gepaard met meerdere waarborgen, die weliswaar niet identiek zijn aan die welke gelden voor de rekenplichtigen van de Schatkist, maar die daaraan gelijkwaardig zijn en die toelaten de invordering van de bijdrage adequaat te regelen. In de eerste plaats moeten de vrije kassen worden erkend en zijn zij onderworpen aan een ministeriële controle. De Nationale Hulpkas is onderworpen aan die ministeriële controle, alsook aan de controle die van toepassing is op het RSVZ (zie artikel 20 van het koninklijk besluit van nr. 38 van 27 juli 1967). In geval van betwisting staat een beroep open bij de arbeidsrechtbank (artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek). In geval van vertraging bij de overdracht van de verschuldigde bedragen aan het RSVZ, is de sociale verzekeringskas een verwijlinterest verschuldigd die wordt geheven op de bedragen die bestemd zijn om de beheers- en werkingskosten te dekken, overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 genomen ter uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december
- Ten slotte, in geval van nalatigheid, kan de bevoegde minister de kas aansprakelijk stellen en de bedragen in kwestie ten laste leggen van de opbrengst van de bijdragen die bestemd zijn om de werkingskosten van de kas te dekken (artikel 95, § 4, van de wet van 30 december 1992). A.2.
- Volgens de Ministerraad en het RSVZ zijn de borgstelling, het voorrecht van de Schatkist en de eed financiële en morele waarborgen ten gunste van de Staat. Zij hebben geen enkele invloed op de relatie tussen de personen die een belasting verschuldigd zijn en de rekenplichtigen van de Schatkist. Hetzelfde geldt voor de controle die door het Rekenhof wordt uitgevoerd op de openbare rekenplichtigen, die uitsluitend ten goede komt aan de gemeenschap. De ambtenaren van de Nationale Hulpkas moeten overigens, net als alle ambtenaren, de eed afleggen zoals bepaald bij het decreet van 20 juli
- De Ministerraad en het RSVZ verwijzen in dat verband naar een arrest van het Hof van Cassatie op grond waarvan het mogelijk zou zijn ervan uit te gaan dat de ambtenaren van die Kas die verantwoordelijk zijn voor de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage, zijn onderworpen aan het Rekenhof, krachtens artikel 180 van de Grondwet (Cass., 16 oktober 1975, Arr. Cass., 1975, p. 215). A.3.
- De eisende partijen in cassatie repliceren dat de arresten van het Hof nrs. 103/2011 en 10/2017 niet de draagwijdte hebben die de Ministerraad en het RSVZ daaraan geven. Inzonderheid kan het arrest nr. 103/2011 niet zo worden begrepen dat het de in het geding zijnde bepalingen geldig verklaart, daar het Hof, in dat arrest, zijn onderzoek uitdrukkelijk heeft beperkt tot drie bepalingen van de wet van 30 december 1992 die verschillen van de in het geding zijnde bepalingen. De opmerking van de Ministerraad en van het RSVZ over de in de tijd beperkte draagwijdte van de prejudiciële vraag is overigens niet relevant, aangezien de in het geding zijnde bijdragen betrekking hebben op de jaren 2003 tot
- A.3.
- Vervolgens voeren zij aan dat de regeling inzake de invordering van de bijdragen aan de personen die deze verschuldigd zijn, geen even grote waarborg biedt als de regeling inzake de invordering van de belasting door de rekenplichtigen van de Schatkist. De hiervoor vermelde waarborgen die gelden inzake belastingen, beschermen niet alleen de belangen van de Staat, maar ook het subjectieve recht van de burgers op een gelijkmatige verdeling en inning van de belasting. De eed opgelegd bij het decreet van 20 juli 1831 beoogt overigens wellicht niet de contractuele ambtenaren van de Nationale Hulpkas. Ten slotte lijkt de invoering van een mechanisme van specifieke controle bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 uit te sluiten dat de ambtenaren van de sociale verzekeringskassen en van de Nationale Hulpkas zijn onderworpen aan het Rekenhof met toepassing van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 16 oktober
- A.3.
- De eisende partijen voegen eraan toe dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij een overdreven administratieve en financiële last met zich meebrengt voor de personen die de bijdrage verschuldigd zijn, ingaat tegen het doel van administratieve vereenvoudiging dat de wetgever nastreeft. Volgens die partijen is het feit dat de jaarlijkse forfaitaire bijdrage verwant blijft aan een sociale bijdrage omdat zij de herfinanciering van de sociale zekerheid van de zelfstandigen beoogt, geen toereikende objectieve reden om aan de sociale verzekeringskassen de invordering van die bijdrage toe te vertrouwen. Het feit dat een beroep wordt gedaan op die kassen is niet evenredig met het nagestreefde doel, dat erin bestaat het tekort van de sociale zekerheid van de zelfstandigen aan te vullen, gelet overigens op de alternatieve financiering waarin de Staat moet voorzien opdat dat stelsel in evenwicht zou zijn. A.4.
- De Ministerraad en het RSVZ repliceren dat het niet aan de eisende partijen in cassatie staat de draagwijdte van de prejudiciële vraag te wijzigen door nieuwe vergelijkingspunten toe te voegen aan die welke daarin zijn vermeld. Zij voegen eraan toe dat de kritiek van het Rekenhof opportuniteitskritiek is in verband met het mechanisme, in zijn geheel genomen, van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage en van de invordering ervan door de sociale verzekeringskassen, en geen grondwettigheidskritiek is. Die kritiek is dus niet relevant, temeer daar de uittreksels uit de aangehaalde verslagen geen betrekking hebben op de vier vergelijkingspunten die in de prejudiciële vraag zijn vermeld. Voor het overige erkent het Rekenhof dat de inning van de bijdrage door de belastingadministratie de invorderingskosten zou verhogen. Volgens dat Hof zou alleen een verregaandere analyse toelaten de voor- en nadelen van een dergelijke hervorming te bepalen. A.4.
- De Ministerraad en het RSVZ preciseren dat de waarborgen die gelden voor de rekenplichtigen van de Schatkist niet het tegengewicht vormen voor de middelen die hun worden geboden inzake de invordering. Integendeel, zij streven hetzelfde doel na als die middelen, namelijk ervoor zorgen dat de Staat de belastingen int die aan de Staat verschuldigd zijn. De personen die de bijdrage verschuldigd zijn, worden dus niet gediscrimineerd ten opzichte van de personen die andere belastingen verschuldigd zijn. De eisende partijen in cassatie tonen overigens niet aan dat de niet-toepassing van die waarborgen op de sociale verzekeringskassen zou leiden tot een onevenredige beperking van hun rechten. Allereerst is de bewering, die overigens niet is aangetoond, dat de invordering door de sociale verzekeringskassen zou leiden tot extra kosten en dus tot hogere bijdragen voor de bijdrageplichtigen, niet relevant voor het onderzoek van de prejudiciële vraag. Vervolgens wordt de sanctie die van toepassing is in geval van nalatigheid vanwege de sociale verzekeringskas niet doorgerekend aan de personen die de bijdragen verschuldigd zijn, daar zij wordt verrekend op hetgeen de kas in kwestie ontvangt in ruil voor de innings- en invorderingsopdracht die zij uitvoert. De Ministerraad en het RSVZ voegen eraan toe dat de personen die zijn belast met de invordering van de bijdrage binnen de Nationale Hulpkas, of zelfs de vrije kassen, terdege kunnen worden beschouwd als openbare rekenplichtigen, die in die zin zijn onderworpen aan het Rekenhof. Het enige in aanmerking te nemen criterium, is dat van het beheer van overheidsgelden, los van de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke aard van de met de invordering belaste instelling. Ten slotte zijn de sociale verzekeringskassen daadwerkelijk onderworpen aan controle. De Nationale Hulpkas is onderworpen aan de administratieve controle van het Rekenhof (artikel 17 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 « houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels »). A.4.
- Ten slotte, in tegenstelling tot wat de eisende partijen in cassatie beweren, is het geenszins vereist dat een dwingende reden de invordering van een belasting door een andere persoon dan een rekenplichtige van de Schatkist verantwoordt. De bewering dat de sociale zekerheid van de zelfstandigen deels wordt gefinancierd door andere belastingen, is niet relevant. A.4.
- In ondergeschikte orde verzoeken de Ministerraad en het RSVZ het Hof de gevolgen van de bepalingen die het in voorkomend geval ongrondwettig zou bevinden, definitief te handhaven voor het verleden, gelet op de aanzienlijke budgettaire en contentieuze gevolgen die een vaststelling van ongrondwettigheid zou veroorzaken zonder handhaving van de gevolgen. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
- De eisende partijen in cassatie voeren aan dat de verhoging bedoeld in artikel 93 van de wet van 30 december 1992, die verschuldigd is in geval van een vertraging in de betaling van de bijdragen, per definitie dezelfde aard heeft als de bijdrage die daarmee wordt verhoogd. Daar de bijdrage een belasting is, kan de wetgever de Koning niet ertoe machtigen de gevallen en voorwaarden te bepalen waarin een deel (de verhogingen) van die bijdragen worden vrijgesteld, zonder de nauwkeurige, eenduidige en duidelijke criteria vast te stellen die toelaten te bepalen welke belastingplichtige de vrijstelling van de verhogingen al dan niet kan genieten, zonder de artikelen 170 en 172, tweede lid, van de Grondwet te schenden. A.
- De Ministerraad voert aan dat het Hof reeds impliciet maar zeker heeft besloten tot de ontstentenis van ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling, bij zijn voormelde arrest nr. 103/
- In elk geval is de verhoging in geval van vertraging bedoeld in artikel 93 van de wet van 30 december 1992 een verwijlinterest, die verschuldigd is wegens de niet-tijdige betaling van een belastingschuld. Het betreft geen belasting, noch een wezenlijk bestanddeel van de belasting. Artikel 170 van de Grondwet is dus niet van toepassing op die verhoging in geval van vertraging, noch op een eventuele verzaking eraan. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, gelet op de parlementaire voorbereiding, de aan de Koning verleende machtiging voldoende omlijnd is door de wetgever om tegemoet te komen aan het wettigheidsbeginsel. A.
- De eisende partijen in cassatie herhalen dat het arrest nr. 103/2011 niet de draagwijdte heeft die de Ministerraad en het RSVZ daaraan geven. Het feit dat de in het geding zijnde verhoging ertoe strekt het nadeel te compenseren dat voortvloeit uit de vertraging bij de betaling van de bijdrage, ontneemt daaraan niet het karakter van een belasting. Net als de bijdrage blijft de verhoging een gezagshalve opgelegde heffing, zonder tegenprestatie voor de belastingplichtige. De verhoging heeft overigens ook tot doel de muntontwaarding te compenseren. Zij laat de niet tijdig betaalde schuldeiser immers toe een bedrag te ontvangen dat gelijkwaardig is aan hetwelk hij zou hebben ontvangen indien hij binnen de vervaltermijn zou zijn betaald. De verhoging blijft dus een belasting. Ten slotte belast de in het geding zijnde bepaling de Koning niet met de uitvoering van de maatregel, maar wel met de definitie zelf van de gevallen van vrijstelling. A.8.
- De Ministerraad stelt zich allereerst vragen bij het belang dat de eisende partijen in cassatie hebben bij de tweede prejudiciële vraag. Zelfs in de veronderstelling dat het Hof de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig acht, zouden de eisende partijen in cassatie de jaarlijkse forfaitaire bijdrage en de verhogingen in geval van vertraging verschuldigd blijven, die hun grondslag vinden in andere bepalingen dan de in het geding zijnde bepaling. A.8.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat, volgens het Hof, de verhogingen en de interesten aanvullende bestanddelen van de belasting vormen, waarvoor een aan de Koning verleende machtiging dus aanvaardbaar is. Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 verleent aan de Koning voorts geen discretionaire bevoegdheid inzake het verzaken aan de verhoging in geval van vertraging. De Koning blijft met name gebonden door de beginselen van behoorlijk bestuur. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
- De in het geding zijnde artikelen 89, 94, 10°, en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 30 december 1992) luiden : « Art.
- §
- De vennootschappen zijn ertoe gehouden binnen drie maanden na hun oprichting, of binnen drie maanden na het feit dat hen onderwerpt aan de belasting der niet- inwoners, aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas. §
- De vennootschap die nalaat zich bij een sociale verzekeringskas aan te sluiten binnen de in § 1 bedoelde termijn, wordt door het Rijksinstituut in gebreke gesteld bij een ter post aangetekende brief. Indien zij binnen dertig dagen na de datum van de verzending over de post van de ingebrekestelling niet vrijwillig aansluit bij een sociale verzekeringskas, wordt zij ambtshalve aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. §
- De Administratie der directe belastingen is ertoe gehouden, zonder aanrekening van kosten, iedere belanghebbende de nodige inlichtingen en attesten te verstrekken voor de toepassing van dit hoofdstuk ». « Art.
- De Koning bepaalt : [...] 10° de gevallen waarin de toepassing van de verhogingen bedoeld in artikel 93 kan worden verzaakt ». « Art.
- §
- De sociale verzekeringskassen zijn belast met de invordering van de bijdrage, zo nodig langs gerechtelijke weg. § 1bis. Onverminderd hun recht om voor de rechter te dagvaarden, kunnen de sociale verzekeringsfondsen als inninginstellingen van de bijdragen de bedragen die hen verschuldigd zijn eveneens bij wijze van dwangbevel invorderen. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van vervolging door middel van dwangbevel evenals de kosten die eruit voortvloeien en hun tenlastelegging ». Die bepalingen moeten worden gelezen in samenhang met de artikelen 91 en 93 van dezelfde wet, die bepalen : « Art.
- De vennootschappen zijn een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd. De Koning stelt, opdat het van toepassing zal zijn vanaf 2004, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de door vennootschappen verschuldigde bijdragen vast, maar zonder dat deze de 868 EUR kunnen overschrijden. Hierbij kan Hij een onderscheid maken op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap ». « Art.
- Op het gedeelte van de bijdragen dat niet tijdig betaald werd, wordt een verhoging van 1 pct. per kalendermaand vertraging in de betaling toegepast. Deze verhoging wordt toegepast tot en met de maand waarin de vennootschap de verschuldigde bijdrage betaald heeft, of waarin een gerechtelijke procedure werd ingeleid, of waarin het fonds waarbij de vennootschap aangesloten is, hem het dwangbevel met bevel tot betaling van de verschuldigde bijdragen heeft laten betekenen ». B.
- Artikel 91 van de wet van 30 december 1992 legt de vennootschappen een jaarlijkse forfaitaire bijdrage ten laste. Die bijdrage, die aanvankelijk was ingevoerd als een eenmalige forfaitaire bijdrage bij artikel 78 van de wet van 26 juni 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » is bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 526-1, p. 27; Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/018, p. 11). De sociale verzekeringskassen, waarbij de vennootschappen zich moeten aansluiten, zijn belast met de inning en de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage. Die kassen zijn de vrije sociale verzekeringskassen en de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, opgericht binnen het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (hierna : het RSVZ), waarbij de vennootschappen die zich niet vrijwillig aansluiten bij een sociale verzekeringskas, automatisch worden aangesloten. B.
- De in het geding zijnde bijdrage is geen socialezekerheidsbijdrage, maar een belasting in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. B.
- Bij zijn arrest nr. 10/2017 van 25 januari 2017 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 170, § 1, van de Grondwet, dat aan de democratisch verkozen beraadslagende vergaderingen de beslissing voorbehoudt om een belasting te vestigen, alsook de vaststelling van de wezenlijke bestanddelen ervan, de wetgever niet verbiedt de sociale verzekeringskassen ertoe te machtigen de in het geding zijnde bijdrage in te vorderen, zelfs indien die bijdrage als een belasting wordt gekwalificeerd : « B.
- Met het eerste onderdeel stelt de verwijzende rechter aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 95 van de wet van 30 december 1992 met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, in voorkomend geval, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre het de invordering van de bijzondere bijdrage toevertrouwt aan de socialeverzekeringskassen, onder het toezicht van de Minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft, kassen die noch onder de activiteit, noch onder de bijzondere openbare opdrachten van de fiscale administraties vallen. [...] B.
- Bij artikel 170, § 1, van de Grondwet wordt de beslissing tot invoering van een belasting en de vaststelling van de essentiële elementen ervan voorbehouden aan de democratisch verkozen beraadslagende vergaderingen. Dat artikel verbiedt de wetgever niet de socialeverzekeringskassen die door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 ‘ houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ' belast zijn met opdrachten van openbare dienst, te machtigen om de in het geding zijnde bijdrage in te vorderen, zelfs indien die bijdrage als belasting is gekwalificeerd. Hoewel zij van fiscale aard is, in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, blijft de in het geding zijnde bijdrage, door de bestaansreden ervan, verwant aan een sociale bijdrage met als gevolg dat zij is opgenomen in het systeem van het sociaal statuut der zelfstandigen. In hun hoedanigheid van schuldeisers van bijdragen die zijn bedoeld voor de financiering van een socialezekerheidsregeling die overigens door de overheid wordt gefinancierd, moeten de socialeverzekeringskassen daartoe door haar worden erkend (artikel 20, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38) en oefenen zij in die zin een opdracht van openbare dienst uit. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, waarvan artikel 63 paragraaf 1bis in de in het geding zijnde bepaling heeft ingevoegd, blijkt trouwens dat de mogelijkheid om de bijdragen bij wijze van dwangbevel in te vorderen in het verlengde ligt van de programmawet van 20 juli 2005, die het voor de inningsinstellingen van sociale bijdragen voor zelfstandigen mogelijk heeft gemaakt een betere invordering te verzekeren van de sociale bijdragen die hen verschuldigd zijn (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2098/001, p. 53). B.
- Het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord ». Bij hetzelfde arrest heeft het Hof eveneens geoordeeld : « B.
- Met het tweede onderdeel stelt de verwijzende rechter aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 95 van de wet van 30 december 1992 met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, in voorkomend geval, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alsook met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre de regels met betrekking tot de invordering van de bijzondere bijdrage (de verjaring, het dwangbevel als buitengerechtelijke uitvoerbare titel en de zekerheden) zijn opgesteld naar het model van die welke van toepassing zijn op de sociale bijdragen voor zelfstandigen. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
- Noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, noch uit de voor het Hof uitgewisselde argumenten blijkt dat de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de rechten van de betrokken personen. B.
- Het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord ». B.
- Bij zijn arrest nr. 11/2017 van 25 januari 2017 heeft het Hof geoordeeld dat de toekenning, aan de arbeidsrechtbank, bij artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, van de bevoegdheid om kennis te nemen van de betwistingen betreffende de verplichting voor de vennootschappen om een bijdrage te betalen die bestemd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen, in plaats van aan de rechtbank van eerste aanleg, die kennisneemt van de betwistingen betreffende de toepassing van een belastingwet, redelijk verantwoord is in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en van het recht op toegang tot de rechter : « B.5.
- Om de prejudiciële vragen te beantwoorden dient het Hof na te gaan of artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid toewijst om kennis te nemen van de in die bepaling beoogde geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, terwijl het Hof die bijdrage als belasting heeft gekwalificeerd en artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid toewijst om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. [...] B.8.
- In zoverre zij aan de arbeidsrechtbank de geschillen toevertrouwt inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, behandelt de in het geding zijnde bepaling de vennootschappen die die bijdrage, die het Hof als belasting heeft gekwalificeerd, verschuldigd zijn, en de andere belastingplichtigen op een verschillende manier vermits artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid toevertrouwt om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. De situatie van die vennootschappen en die van de andere belastingplichtigen zijn vergelijkbaar. B.8.
- Het Hof moet bijgevolg nagaan of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.8.
- Rekening houdend met het verband tussen de in het geding zijnde bijdrage en het sociaal statuut der zelfstandigen, is het pertinent dat, ondanks de kwalificatie van de in het geding zijnde bijdrage als belasting, het contentieux met betrekking tot die bijdrage aan de arbeidsrechtbank is toevertrouwd. Hoewel zij van fiscale aard is, in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, blijft de in het geding zijnde bijdrage verwant aan een sociale bijdrage door de bestaansreden ervan, met als gevolg dat zij is opgenomen in het systeem van het sociaal statuut der zelfstandigen. B.
- Het Hof dient nog na te gaan of artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter. De in het geding zijnde bepaling verzekert rechtzoekenden dat hun zaak wordt behandeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die volle rechtsmacht heeft om hun grieven te onderzoeken en die meer bepaald moet nagaan of de wet correct is toegepast. Het feit dat de arbeidsgerechten niet gespecialiseerd zijn in fiscale zaken brengt geen onverantwoord verschil mee tussen diegenen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn en diegenen die een andere belasting verschuldigd zijn. Uit de artikelen 170 en 172 van de Grondwet volgt trouwens niet dat alle geschillen betreffende belastingen aan eenzelfde rechterlijke instantie moeten worden voorgelegd. Verder wijst niets erop dat rechtzoekenden niet over dezelfde verweermiddelen beschikken naargelang hun geschil voor de arbeidsrechtbank of voor de rechtbank van eerste aanleg wordt gebracht. Het recht op toegang tot een rechter omvat niet het recht op een rechter naar zijn keuze. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te beslissen welke rechter het meest geschikt is om een bepaalde soort van geschillen te beslechten. B.
- De toewijzing, aan de arbeidsrechtbank, van de geschillen betreffende de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen is bijgevolg redelijk verantwoord. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Met de eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 89 en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling teweegbrengen tussen de personen die de jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd zijn en de personen die de door de rekenplichtigen van de Schatkist geïnde belastingen verschuldigd zijn krachtens artikel 59 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, door de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage ten laste van de vennootschappen toe te vertrouwen aan de sociale verzekeringskassen in plaats van aan de rekenplichtigen van de Schatkist, terwijl die kassen niet zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake eed en borgstelling die bij artikel 61 van de gecoördineerde wetten aan de rekenplichtigen zijn opgelegd, terwijl de Schatkist niet beschikt over het voorrecht op hun goederen waarin artikel 64 van dezelfde wetten voorziet en terwijl de kassen niet zijn onderworpen aan de in artikel 180 van de Grondwet bepaalde controle van het Rekenhof. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 10/2017 verbiedt artikel 170, § 1, van de Grondwet de wetgever niet de ter uitvoering van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen » opgerichte sociale verzekeringskassen ertoe te machtigen de jaarlijkse forfaitaire bijdrage in te vorderen die bestemd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen. Hoewel de in het geding zijnde bijdrage van fiscale aard is in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet blijft zij immers door de bestaansreden ervan verwant aan een sociale bijdrage, met als gevolg dat zij is opgenomen in het systeem van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Het feit dat het socialezekerheidsstelsel van die zelfstandigen overigens ook wordt gefinancierd door de overheid, in voorkomend geval met de opbrengst van de belastingen, verandert niets aan die vaststelling. De keuze van de wetgever om de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage toe te vertrouwen aan de sociale verzekeringskassen impliceert de toepassing van een ander stelsel dan hetwelk van toepassing is op de invordering van de andere belastingen door de rekenplichtigen van de Schatkist. Het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit tussen de personen die de in het geding zijnde bijdrage verschuldigd zijn en de personen die de belastingen verschuldigd zijn die worden geïnd door de rekenplichtigen van de Schatkist, is alleen discriminerend indien de toepassing van de regels en waarborgen die gelden bij de invordering van de in het geding zijnde bijdrage leidt tot een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen. B.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad en het RSVZ aanvoeren, heeft het Hof, in zijn arresten nrs. 103/2011 en 10/2017, niet de grondwettigheid onderzocht van de in het geding zijnde bepalingen ten aanzien van het verschil in behandeling dat in de prejudiciële vraag wordt beoogd, inzonderheid in het licht van de waarborgen die gelden bij de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage door de sociale verzekeringskassen. Het staat dus aan het Hof na te gaan of de invordering van de in het geding zijnde bijdrage door de sociale verzekeringskassen gepaard gaat met toereikende waarborgen, waarbij wordt verzekerd dat de kassen de opdrachten die de wetgever hun heeft toevertrouwd correct uitvoeren en dat de rechten van de personen welke die bijdrage verschuldigd zijn niet op onevenredige wijze worden beperkt. B.
- De invordering van de in het geding zijnde bijdrage gaat gepaard met verschillende waarborgen, die weliswaar niet identiek zijn aan die welke gelden voor de rekenplichtigen van de Schatkist, maar die toelaten een adequaat kader te scheppen voor de invordering van de jaarlijkse forfaitaire bijdrage. Allereerst dienen de vrije sociale verzekeringskassen voor zelfstandigen te worden erkend (artikel 20, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 « houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen »). De Nationale Hulpkas en de vrije sociale verzekeringskassen zijn onderworpen aan een ministeriële controle (artikel 20, § 1, eerste en tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38; artikel 94, 7°, van de wet van 30 december 1992). Bovendien, in geval van vertraging bij de overdracht van de verschuldigde bedragen aan het RSVZ is een verhoging met 0,045 % per dag vertraging verschuldigd door de sociale verzekeringskas (artikel 12 van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 « tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen »). In geval van nalatigheid die de invordering van de bijdrage heeft verhinderd, kan de sociale verzekeringskas aansprakelijk worden gesteld bij beslissing van de minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen (artikel 95, § 4, van de wet van 30 december 1992). In beide gevallen worden de als sanctie verschuldigde sommen geheven op de bedragen die bestemd zijn om de beheers- en werkingskosten of administratiekosten van de in gebreke gebleven kas te dekken. In tegenstelling tot wat de eisende partijen in cassatie beweren, worden die sommen niet doorgerekend aan de personen die de bijdrage verschuldigd zijn. Het beheer van de Nationale Hulpkas is onderworpen aan dezelfde controle als het algemeen beheer van het RSVZ (artikel 20, § 3, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38). Die controle, waaraan het Rekenhof deelneemt, is geregeld bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 « houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ». Ten slotte, in geval van betwisting, kunnen de personen die de bijdrage verschuldigd zijn, een beroep instellen voor de arbeidsrechtbank (artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek). Zoals in B.5 is vermeld, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 11/2017, geoordeeld dat de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank om kennis te nemen van een dergelijk beroep, verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het recht op toegang tot de rechter. B.
- Zonder dat dient te worden nagegaan of de ambtenaren van de sociale verzekeringskassen zijn onderworpen aan het Rekenhof, op grond van artikel 180 van de Grondwet, dient ervan te worden uitgegaan dat de waarborgen die zijn verbonden aan de invordering van de bijdrage aan de personen welke die bijdrage verschuldigd zijn een toereikend beschermingsniveau bieden. B.
- Het Hof is niet bevoegd om te controleren op welke manier de bevoegde overheden de in B.10 vermelde mechanismen uitvoeren. Het staat overigens aan die overheden om, in voorkomend geval, rekening te houden met de aanbevelingen die het Rekenhof heeft geformuleerd in de verslagen die de eisende partijen in cassatie aanhalen, teneinde de controle van de sociale verzekeringskassen te verbeteren. In elk geval blijkt uit die verslagen van het Rekenhof niet dat de invordering van de in het geding zijnde bijdrage zou moeten worden toevertrouwd aan de belastingadministratie, noch dat de waarborgen die van toepassing zijn op de rekenplichtigen van de Schatkist en die in de prejudiciële vraag worden vermeld, noodzakelijkerwijs van toepassing zouden moeten zijn op de invordering van de bijdrage teneinde de grondwettigheid ervan te garanderen. B.
- De in het geding zijnde bepalingen leiden niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen. De eerste prejudiciële vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Met de tweede prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof zich uit te spreken over de verenigbaarheid van artikel 94, 10°, van de wet van 30 december 1992 met artikel 170 van de Grondwet, in zoverre het de Koning ermee belast de gevallen te bepalen waarin kan worden verzaakt aan de toepassing van de verhogingen wegens vertraging in de betaling van de bijdragen, bedoeld in artikel 93 van dezelfde wet, zonder dat is voorzien in nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald welke bijdrageplichtige de verzaking kan genieten. B.
- Artikel 170, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet ». Die bepaling drukt het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken uit, dat vereist dat de wezenlijke bestanddelen van de belasting in beginsel bij de wet worden bepaald, opdat geen enkele belasting kan worden geheven zonder de instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Tot de wezenlijke bestanddelen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen. B.
- Zonder dat dient te worden nagegaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil, dient te worden vastgesteld dat de in artikel 93 van de wet van 30 december 1992 beoogde verhoging een verwijlinterest is, die verschuldigd is wegens de niet-tijdige betaling van een belastingschuld. Die verhoging is geen belasting. Artikel 170, § 1, van de Grondwet verhindert bijgevolg niet dat de wetgever de Koning ertoe machtigt de gevallen te bepalen waarin kan worden verzaakt aan de toepassing van die verhoging. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De artikelen 89 en 95, §§ 1 en 1bis, van de wet van 30 december 1992 « houdende sociale en diverse bepalingen » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Artikel 94, 10°, van dezelfde wet schendt artikel 170, § 1, van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div