← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.157

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.157 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211028.6 Arrest- Rolnummer: 157/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-02-22 Raadplegingen: 844 - laatst gezien 2026-06-19 18:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning » schendt artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning », gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent. Strafrecht - Beledigen van « de persoon » van de Koning der Belgen - Strafbaarstelling - Vrijheid van meningsuiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 06-04-1847 - 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 Tekst van de beslissing Rolnummer 7434 Arrest nr. 157/2021 van 28 oktober 2021 ARREST __________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1 van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning », gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 15 september 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 september 2020, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1 van de Wet van 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning, dat onder meer in het openbaar uitgedrukte beledigende uitlatingen, kreten of bedreigingen aan ‘ den persoon van den Koning ’ strafbaar stelt, artikel 19 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 10 EVRM ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - J. A.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Bekaert en Mr. S. Bekaert, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen, en Mr. G. Boye, advocaat te Madrid (Spanje); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 19 mei 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 2 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 2 juni 2021 de dag van de terechtzitting bepaald op 30 juni

  1. Op de openbare terechtzitting van 30 juni 2021 : - zijn verschenen : . Mr. P. Bekaert en Mr. S. Bekaert, voor J. A.B.; . Mr. T. Moonen, tevens loco Mr. A. Wirtgen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een arrest van 21 februari 2017 wordt J. A.B. door de Audiencia Nacional te Madrid veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van één jaar wegens smaad aan en ernstige beledigingen van de Spaanse Kroon. Op 25 mei 2018 en op 27 juni 2018 vaardigt de bevoegde Spaanse magistraat respectievelijk een Europees aanhoudingsbevel en een aanvullend Europees aanhoudingsbevel uit met het oog op de aanhouding en de overlevering van J. A.B., die zich op het Belgisch grondgebied bevindt, aan de Spaanse justitie. Bij beslissing van 17 september 2018 van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent, wordt de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel van 27 juni 2018 afgewezen. Tegen die beslissing stelt het openbaar ministerie hoger beroep in bij de kamer van inbeschuldigingstelling, die bij een tussenarrest van 6 november 2018 twee prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop dat Hof antwoordt bij een arrest van 3 maart
  2. In het kader van artikel 5, § 1, van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel » (hierna : de wet van 19 december 2003), volgens hetwelk de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd wanneer het feit waarop het betrekking heeft, krachtens het Belgische recht niet strafbaar is, stelt de kamer van inbeschuldigingstelling vervolgens vast dat smaad aan en ernstige beledigingen van de Koning ook in België strafbaar zijn, en dit op grond van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning » (hierna : de wet van 6 april 1847). J. A.B. voert evenwel aan dat die wet niet bestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet en bij artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en verzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling die wet buiten toepassing te laten in het kader van de beoordeling van de vereiste van de dubbele strafbaarstelling. In ondergeschikte orde, vraagt J. A.B. de kamer van inbeschuldigingstelling een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt dat zij, alvorens ten gronde uitspraak te doen, ertoe gehouden is de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
  3. De Ministerraad is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat een antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Hij zet uiteen dat zelfs wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig is, de uitingen van J. A.B. in België hoe dan ook strafbaar zijn, en dit op grond van de artikelen 443 en 448 van het Strafwetboek, die laster, eerroof en belediging strafbaar stellen. Hij meent dat de wet van 19 december 2003, wat de dubbele strafbaarstelling betreft, niet vereist dat de kwalificatie van de feiten en de strafmaat dezelfde zijn in de Staat die het Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt en in de Staat die wordt gevraagd dat bevel ten uitvoer te leggen, en dat het volstaat dat de feiten in beide Staten strafbaar zijn. Hij leidt daaruit af dat aan het Europees aanhoudingsbevel dat het voorwerp uitmaakt van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege uitvoering kan worden gegeven, zonder dat het nodig is de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen. A.1.
  4. J. A.B. antwoordt dat hij door het Spaanse gerecht niet werd veroordeeld op grond van de gemeenrechtelijke strafbepalingen inzake smaad, maar wel op grond van een specifieke wetsbepaling inzake majesteitsschennis. Hij wijst bovendien erop dat het Europees aanhoudingsbevel steunt op de specifieke bepaling inzake majesteitsschennis, en dat het openbaar ministerie voor het verwijzende rechtscollege, in het kader van dubbele strafbaarstelling, toepassing maakt van de wet van 6 april 1847 en niet van de Belgische gemeenrechtelijke strafbepalingen inzake laster, eerroof en beledigingen. Hij meent dat het noch toekomt aan de Ministerraad, noch aan het Hof om de feiten die het voorwerp uitmaken van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, te kwalificeren. Hij wijst bovendien erop dat het verwijzende rechtscollege niet enkel dient te oordelen over de vraag of voldaan is aan de vereiste van de dubbele strafbaarstelling, maar ook over de vraag of een overlevering op grond van majesteitsschennis al dan niet in strijd is met de grondrechten (artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003). 4 A.2.
  5. In ondergeschikte orde en in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het antwoord op de prejudiciële vraag wel degelijk nuttig is voor de oplossing van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, meent de Ministerraad dat het Hof uitsluitend wordt gevraagd of de strafbaarstelling van belediging van de Koning in de vorm van bedreigingen bestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting. Gelet op de specificiteit van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege, staat het volgens hem niet aan het Hof de grondwettigheid van de straf waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, te beoordelen, omdat het in het licht van de procedureregels betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel volstaat te weten of het beledigen van de Koning in België al dan niet een misdrijf vormt. De aan dat misdrijf gekoppelde straf is volgens hem niet relevant voor de beslechting van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. A.2.
  6. J. A.B. antwoordt dat het in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege niet gaat over het bedreigen van de Koning, noch over het aanzetten tot geweld, maar uitsluitend over het beledigen van de Kroon. Hij wijst erop dat, hoewel hij door het Spaanse gerecht eveneens werd veroordeeld voor onvoorwaardelijke mondelinge bedreigingen, verheerlijking van terrorisme en vernedering van slachtoffers van terrorisme, de raadkamer te Gent heeft geoordeeld dat, wat die veroordelingen betreft, niet is voldaan aan de vereiste van de dubbele strafbaarstelling, zodat het Europees aanhoudingsbevel niet op basis van die veroordelingen ten uitvoer kan worden gelegd. Hij meent dan ook dat de prejudiciële vraag, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, niet kan worden beperkt tot het beledigen van de Koning in de vorm van bedreigingen. J. A.B. antwoordt eveneens dat het Hof wel degelijk wordt gevraagd te oordelen over de straffen die zijn bepaald in de wet van 6 april 1847 en dit in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 19 van de Grondwet. Hij wijst erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens precies heeft geoordeeld dat het voorzien in hogere straffen voor het beledigen van een staatshoofd dan die welke gelden voor het beledigen van andere personen, strijdig is met de vrijheid van meningsuiting. Hij wijst eveneens erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij de beoordeling van een aangevoerde schending van de vrijheid van meningsuiting rekening houdt met de straffen die verbonden zijn aan misdrijven, omdat die straffen van dien aard kunnen zijn dat zij een « chilling effect » hebben op die vrijheid. A.3.
  7. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de strafbaarstelling van het beledigen van de Koning niet in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. Hij wijst erop dat de beperking van die vrijheid te dezen bij wet is bepaald en dat die beperking een wettig doel nastreeft, meer bepaald het beschermen van de goede naam en het recht op persoonlijke waardigheid van de Koning en het beschermen van de openbare orde en het belang van de Staat. De beperking is volgens hem bovendien noodzakelijk in een democratische samenleving. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt hij af dat een Staat het noodzakelijk kan achten om uitingen die haat en intolerantie aanmoedigen strafrechtelijk te bestraffen en dat strafsancties, indien zij met de nodige terughoudendheid worden toegepast, ook tot doel kunnen hebben de instellingen van de Staat zelf te beschermen. Uit die rechtspraak leidt hij eveneens af dat een bijzondere bescherming van het staatshoofd niet verenigbaar is met de vrijheid van meningsuiting wanneer de desbetreffende meningsuitingen betrekking hebben op de institutionele rol van het staatshoofd. Meningsuitingen die betrekking hebben op het privéleven of de individuele waardigheid van het staatshoofd, worden volgens de Ministerraad echter niet op dezelfde wijze beschermd als meningsuitingen die betrekking hebben op de institutionele rol van het staatshoofd. Het opleggen van een gevangenisstraf is volgens hem niet noodzakelijk onevenredig wanneer de uitingen neerkomen op haatspraak of wanneer ze aanzetten tot geweld. Hij is van oordeel dat beledigende taal ook in de context van een muzikale uiting buiten de bescherming van de vrijheid van meningsuiting kan vallen, als de uiting buitensporig belasterend is voor individuele personen of ambtsdragers. De Ministerraad besluit dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat een bijzondere strafbaarstelling voor het beledigen van het staatshoofd onder geen enkele omstandigheid verenigbaar is met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Een dergelijke interpretatie zou volgens hem al te zeer de legitieme doelstelling van de bescherming van de belangen van de Staat uit het oog verliezen. A.3.
  8. De Ministerraad beklemtoont dat de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag niet los kan worden gezien van de gegevens van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Hij is van oordeel dat de uitingen van J. A.B., zelfs binnen een muzikaal-artistieke context, een vulgair en gratuit karakter hebben, speculatief zijn over het privéleven van de Spaanse Koning en een dreigende en gewelddadige boodschap uitsturen. Volgens hem moet daarbij zwaar worden getild aan de uitdrukkelijke verwijzing naar het ombrengen van het staatshoofd en dit gelinkt aan moordaanslagen op politici die in het verleden hebben plaatsgevonden. Hij acht het 5 weinig geloofwaardig om die uitingen te interpreteren als een legitieme kritiek op de monarchie en op de wijze waarop de Koning Zijn functie uitoefent en meent dat de mogelijke maatschappijkritische of artistieke intenties van J. A.B. niet kunnen volstaan om de gewelddadige kracht van de gebruikte bewoordingen te relativeren. A.3.
  9. De Ministerraad wijst erop dat het beledigen van de Koning niet alleen in Spanje en België, maar ook in Nederland, Zweden en Denemarken een misdrijf vormt. Hij verwijst naar uitspraken van Nederlandse strafrechters, waarbij werd geoordeeld dat uitingen die enkel bestaan in beledigingen of grove bewoordingen die gericht zijn tegen de persoon van de Koning niet kunnen worden begrepen als een bijdrage aan het publieke debat en aldus niet worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Ter ondersteuning van zijn argumentatie, verwijst de Ministerraad eveneens naar een advies van de afdeling Advisering van de Nederlandse Raad van State. A.
  10. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 april 1847 leidt J. A.B. af dat de wetgever een misdrijf heeft willen invoeren dat zich onderscheidt van de gemeenrechtelijke misdrijven van laster, eerroof, belediging, lasterlijke aangifte en kwaadwillige ruchtbaarmaking, zoals thans geregeld in de artikelen 443 tot 452 van het Strafwetboek, en zich eveneens onderscheidt van de misdrijven van smaad aan en geweld tegen ministers, leden van de wetgevende kamers en dragers van het openbaar gezag of van de openbare macht, zoals thans geregeld in de artikelen 275 tot 278 van het Strafwetboek. Uit die voorbereiding leidt hij eveneens af dat het bij de wet van 6 april 1847 ingevoerde misdrijf verantwoord werd geacht op grond van de bijzondere positie van de persoon ten aanzien van wie de beledigingen zijn gericht. Hij wijst erop dat die wet niet alleen geldboetes en gevangenisstraffen, maar ook het verlies van politieke rechten verbindt aan het misdrijf van majesteitsschennis, dat die straffen zwaarder zijn dan die welke gelden voor de gemeenrechtelijke misdrijven van smaad en belediging, dat het misdrijf van majesteitsschennis geen klachtmisdrijf is, waardoor het openbaar ministerie de personen die zich schuldig maken aan dat misdrijf ambtshalve kan vervolgen, en dat voor het misdrijf geen bijzonder opzet is vereist. Hij meent dat de wet van 6 april 1847 een verouderde visie op de samenleving uitstraalt, die niet verenigbaar is met de grondrechten. In dit kader wijst hij erop dat een wet van 20 december 1852, waarmee het beledigen van buitenlandse staatshoofden strafbaar werd gesteld, in 2005 werd opgeheven. A.5.
  11. J. A.B. meent dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het verlenen aan een staatshoofd van een bescherming, wat smaad en beledigingen betreft, die verder gaat dan de aan elke burger verleende bescherming, strijdig is met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij is van oordeel dat uit die rechtspraak blijkt dat een dergelijke bijzondere bescherming de vrijheid van meningsuiting schendt, ongeacht of die bescherming betrekking heeft op beledigingen van het eigen staatshoofd, dan wel van een buitenlands staatshoofd, en ongeacht of die bescherming betrekking heeft op beledigingen van een president of van een koning. Uit die rechtspraak leidt hij eveneens af dat het op een kwetsende, provocerende en overdrijvende manier beledigen van gezagsdragers wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Het kan volgens hem aldus niet worden verantwoord dat beledigingen van de Koning en van de leden van de koninklijke familie zwaarder worden bestraft dan beledigingen van gelijk welke burger of van enige andere gezagsdrager. J. A.B. verwijst in het bijzonder naar het arrest Otegi Mondragon t. Spanje van 15 maart 2011, waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens hem heeft geoordeeld dat artikel 490, § 3, van het Spaanse Strafwetboek in strijd is met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij wijst erop dat het openbaar ministerie in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege het standpunt heeft ingenomen dat artikel 490, § 3, van het Spaanse Strafwetboek in België zijn equivalent vindt in de wet van 6 april
  12. A.5.
  13. J. A.B. betwist de stelling van de Ministerraad dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak een onderscheid maakt tussen, enerzijds, beledigingen van het staatshoofd die betrekking hebben op strikt persoonlijke aspecten van zijn privéleven en, anderzijds, beledigingen die betrekking hebben op de uitoefening van zijn functie. Hij wijst erop dat het Europees aanhoudingsbevel dat het voorwerp uitmaakt van de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak wel degelijk betrekking heeft op beledigingen van de Spaanse Koning die betrekking hebben op de uitoefening van Zijn functie. Hij merkt op dat de wet van 6 april 1847 geen onderscheid maakt naargelang de belediging betrekking heeft op persoonlijke aspecten dan wel op de uitoefening van de functie. A.6.
  14. J. A.B. meent dat de Ministerraad ten onrechte verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij dat Hof toepassing heeft gemaakt van artikel 17 van het Europees Verdrag voor 6 de rechten van de mens, dat voorziet in een verbod van misbruik van de bepalingen van het Verdrag met het oog op het tenietdoen van de erin gewaarborgde rechten en vrijheden. Hij meent dat dit artikel 17 te dezen niet relevant is. A.6.
  15. De omstandigheid dat de persoon van de Koning, volgens artikel 88 van de Grondwet, onschendbaar is, kan het bijzonder misdrijf van smaad aan en belediging van de Koning volgens J. A.B. niet verantwoorden. Hij doet gelden dat de Ministerraad niet aantoont dat het de Koning of andere leden van de koninklijke familie verboden zou zijn een klacht in te dienen wegens smaad. Het advies van de Nederlandse Raad van State waar de Ministerraad naar verwijst is volgens hem te dezen niet relevant, niet alleen omdat die instantie geen rechtsmacht heeft op het Belgische grondgebied, maar ook omdat die instantie zich in dat advies niet heeft verzet tegen een opheffing van de bijzondere strafwet betreffende de majesteitsschennis. Het bezwaar dat de Nederlandse Raad van State heeft gemaakt, betreft volgens hem uitsluitend het feit dat een opheffing van die bijzondere strafwet ertoe zou leiden dat het misdrijf van smaad aan en belediging van de Koning een klachtmisdrijf zou worden. Hij meent echter dat de argumentatie van de Raad archaïsch is en ingaat tegen de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij merkt in dit kader op dat het misdrijf van het beledigen van buitenlandse staatshoofden zowel in België als in Nederland werd opgeheven, zonder dat daarbij in een afwijking van de klachtvereiste werd voorzien. Hij wijst er eveneens op dat het wetsvoorstel waarover de Nederlandse Raad van State heeft geadviseerd, uiteindelijk heeft geleid tot een wet waarbij de strafbepaling betreffende de majesteitsschennis en de klachtvereiste voor de Koning werden opgeheven en waarbij werd voorzien in een strafverzwarende omstandigheid wanneer het gaat om het beledigen van het Koninklijk Huis, van ambtenaren in de uitoefening van de bediening en van openbare lichamen of instellingen. J. A.B. meent bovendien dat de Ministerraad zichzelf tegenspreekt door enerzijds te stellen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat personen die de Koning beledigen ook op grond van de gemeenrechtelijke strafbepalingen kunnen worden veroordeeld en anderzijds door te beweren dat de bijzondere strafbepaling betreffende de majesteitsschennis noodzakelijk is vanwege de onschendbaarheid van de Koning. Hij wijst er ten slotte op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de grondwettelijke onverantwoordelijkheid van de Koning geen geldige reden is om in een lex specialis te voorzien. A.7.
  16. J. A.B. is van oordeel dat de wet van 6 april 1847 ook het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schendt. Hij zet uiteen dat dat beginsel tot doel heeft de rechtszekerheid van de verdachte te beschermen, meer bepaald door de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten wanneer het misdrijf niet voorzienbaar is. Hij doet onder meer gelden dat het niet duidelijk is of de wet van 6 april 1847 enkel toepasselijk is op Belgen, dan wel ook op niet-Belgen, en dat de begrippen « Koning » en « koninklijke familie » niet worden gedefinieerd in de wet van 6 april
  17. A.7.
  18. Volgens J. A.B. is de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, van de wet van 19 december 2003, ook strijdig met het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd bij artikel 10 van de Grondwet. Hij doet daarbij gelden dat de vrijheid van meningsuiting op grond van het gelijksbeginsel voor alle Belgen geldt. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, van de wet van 19 december 2003, op het vlak van de overlevering van personen aan andere Staten een niet verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, Belgen met een enkele nationaliteit en, anderzijds, Belgen met een dubbele nationaliteit en niet-Belgen. Hij wijst erop dat de wet van 19 december 2003 volgens het openbaar ministerie in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege zo dient te worden geïnterpreteerd dat die wet de overlevering van een persoon op grond van artikel 5, § 1, van de wet van 19 december 2003 toelaat, wanneer de overlevering wordt gevraagd van een persoon die de nationaliteit bezit van de Staat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd en die de Koning van diezelfde Staat heeft beledigd. Dit brengt volgens hem met zich mee dat een persoon niet kan worden overgeleverd aan een andere Staat wanneer die persoon niet dezelfde nationaliteit heeft als het staatshoofd dat hij heeft beledigd, daar het beledigen van buitenlandse staatshoofden in België geen bijzondere bescherming verkrijgt. Personen met een dubbele nationaliteit en niet- Belgen die een buitenlands staatshoofd beledigen dat dezelfde nationaliteit heeft als zij, zouden daarentegen wel kunnen worden overgeleverd. A.7.
  19. De Ministerraad antwoordt dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag noch betrekking heeft op het wettigheidsbeginsel in strafzaken, noch op het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij voert aan dat het niet staat aan de partijen in het bodemgeschil om aan de gestelde prejudiciële vraag een andere draagwijdte te geven. 7 Wat het wettigheidsbeginsel betreft, merkt de Ministerraad op dat de vraag of niet-Belgen die de Koning der Belgen beledigen al dan niet onder het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling vallen, helemaal niet aan bod is gekomen in het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege, zodat dat rechtscollege dat probleem helemaal niet heeft betrokken in zijn prejudiciële vraag, noch in de motivering van de verwijzingsbeslissing. Met betrekking tot de beweerde onduidelijkheid van het begrip « koninklijke familie » wijst hij erop dat dit begrip niet voorkomt in de in het geding zijnde bepaling, maar in artikel 2 van de wet van 6 april 1847, dat niet het voorwerp uitmaakt van de aan het Hof gestelde vraag. Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, voert de Ministerraad aan dat artikel 10 van de Grondwet niet wordt vermeld in de prejudiciële vraag en in de verwijzingsbeslissing. Uit die beslissing blijkt volgens hem integendeel dat het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat het niet pertinent was het Hof te ondervragen over een eventuele schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. -B- B.
  20. Artikel 1 van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning » (hierna : de wet van 6 april 1847) bepaalt : « Al wie, hetzij in openbare plaatsen of bijeenkomsten, door uitlatingen, kreten of bedreigingen, hetzij door welke geschriften, drukwerken, prenten of zinnebeelden ook, die aangeslagen, rondgedeeld of verkocht, te koop of voor de oogen van het publiek ten toon gesteld worden, zich schuldig maakt aan beleediging van den persoon van den Koning, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 300 tot 3.000 frank ». B.
  21. Het Hof wordt gevraagd te onderzoeken of die bepaling bestaanbaar is met artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  22. De zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van een door de magistraat-voorzitter van de strafkamer, tweede sectie, van het Nationaal Hof (Audiencia Nacional) te Madrid uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van een persoon van Spaanse nationaliteit die in België verblijft en die in Spanje werd veroordeeld wegens smaad aan en ernstige beledigingen van de Spaanse Kroon. De gestelde prejudiciële vraag past in het kader van het onderzoek van het verwijzende rechtscollege naar het al dan niet voldaan zijn aan de aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel verbonden voorwaarde betreffende de dubbele strafbaarstelling, vervat in artikel 5, § 1, van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel ». Volgens die bepaling wordt de tenuitvoerlegging van een Europees 8 aanhoudingsbevel geweigerd « ingeval het feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, krachtens het Belgische recht niet strafbaar is ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  23. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat een antwoord op die vraag volgens hem klaarblijkelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. Hij meent dat, zelfs wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig is, in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege voldaan is aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarstelling, gelet op het feit dat de artikelen 443 en 448 van het Strafwetboek laster, eerroof en beledigingen strafbaar stellen. B.5.
  24. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.5.
  25. Het is voldoende, zoals te dezen het geval is, dat een rechtscollege twijfels heeft over de grondwettigheid van de strafbepalingen die het meent te moeten toepassen, opdat een prejudiciële vraag die ertoe strekt die twijfels weg te nemen niet als klaarblijkelijk irrelevant voor de oplossing van het geschil kan worden beschouwd. Het staat bovendien aan het verwijzende rechtscollege, en niet aan het Hof, om in het kader van het onderzoek naar het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarde betreffende de dubbele strafbaarstelling, te beoordelen of de feiten waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, al dan niet krachtens het Belgische recht strafbaar zijn. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel is « dat het in zijn oordeel omtrent het bestaan van een dubbele strafbaarheid voor het feit van smaad en ernstige beledigingen aan de (Spaanse) Kroon gebruik zal moeten maken van de Belgische Wet van 6 april 1847 tot bestraffing van beleedigingen aan den Koning ». Het antwoord op de prejudiciële vraag is aldus niet klaarblijkelijk onnuttig voor het oplossen van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege. 9 B.6.
  26. De Ministerraad voert eveneens aan dat, rekening houdend met het voorwerp van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, het Hof uitsluitend wordt gevraagd of de strafbaarstelling van belediging van de Koning in de vorm van bedreigingen bestaanbaar is met de in die vraag vermelde referentienormen, en bijgevolg niet of de straffen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, grondwettig zijn. B.6.
  27. Het staat niet aan de partijen voor het Hof de draagwijdte van een prejudiciële vraag te wijzigen. De prejudiciële vraag en de motivering van de verwijzingsbeslissing bevatten geen elementen waaruit blijkt dat het Hof uitsluitend zou worden gevraagd de in de in het geding zijnde bepaling vervatte strafbaarstelling, losgekoppeld van de in die bepaling voorgeschreven straffen, te toetsen aan de in die vraag vermelde referentienormen. Een beoordeling van de in een strafbepaling opgenomen straffen maakt overigens een essentieel onderdeel uit van de toetsing van zulk een bepaling aan de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen bij artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  28. De excepties worden verworpen. B.
  29. In zoverre J. A.B. aanvoert dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken en met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie, zoals onder meer gewaarborgd bij de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, zijn die grieven, zoals de Ministerraad aanvoert, niet ontvankelijk. Het staat immers niet aan de partijen om de draagwijdte van een aan het Hof gestelde prejudiciële vraag uit te breiden. Ten gronde B.9.
  30. Volgens de in het geding zijnde bepaling is het beledigen van de persoon van de Koning een misdrijf, wanneer de belediging gebeurt hetzij in openbare plaatsen of bijeenkomsten, door middel van uitlatingen, kreten of bedreigingen, hetzij door geschriften, 10 drukwerken, prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop of voor de ogen van het publiek tentoon worden gesteld. Het misdrijf heeft uitsluitend betrekking op het beledigen van « de persoon » van de Koning der Belgen, en aldus niet op het bekritiseren van de monarchie als instituut of van handelingen die de Koning onder de verantwoordelijkheid van de ministers stelt. B.9.
  31. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met het gebruik van het woord « belediging » een ruime invulling heeft willen geven aan het misdrijf. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « In artikel 1 heeft men het woord ‘ belediging ’ gebruikt ter vervanging van de uitdrukkingen ‘ laster ’ en ‘ smaad ’, die in het persdecreet staan; het woord ‘ belediging ’ [….] heeft tegenover de andere termen het voordeel dat het door de algemeenheid ervan kan worden toegepast op elk misdrijf van eerroof, smaad of grove belediging dat in het openbaar tegen de Kroon wordt gepleegd. Maar teneinde elke willekeurige interpretatie af te wenden, diende men de betekenis vast te leggen waarin het moest worden begrepen en het te karakteriseren in alle graden van toepassing ervan. Aldus is gesteld dat van belediging sprake zou zijn zowel bij dreigende gebaren als bij alle woorden of alle uitlatingen die worden uitgesproken in openbare plaatsen of bijeenkomsten, bij welke geschriften, drukwerken, prenten of zinnebeelden ook, die aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop of voor de ogen van het publiek tentoongesteld worden. Met die zo duidelijke, zo nauwkeurige definitie heeft het woord ‘ belediging ’, dat alle mogelijke toepassingen biedt, de voorkeur verkregen boven elke andere uitdrukking dan ook » (Parl. St., Senaat, zitting van 30 maart 1847, nr. 197, p. 3; eigen vertaling). De minister van Justitie verklaarde in de Kamer van volksvertegenwoordigers « dat om het even welke oneerbiedigheid moet worden bestraft, en dat het ruimste woord dat men kan gebruiken, noodzakelijkerwijs dat is dat dient te worden gekozen » (Hand., Kamer, zitting van 22 maart 1847, p. 1257; eigen vertaling). Onder het begrip « belediging » vallen aldus alle uitingen die de eer of de goede naam van de Koning aantasten of die een oneerbiedigheid ten aanzien van Hem tot uitdrukking brengen, waaraan openbaarheid is verleend op de wijze omschreven in de in het geding zijnde bepaling. B.9.
  32. De parlementaire voorbereiding doet eveneens ervan blijken dat het misdrijf geen kwaadwillig opzet vereist, zodat een algemeen opzet volstaat : 11 « Men kan zich moeilijk een belediging indenken waarin niet een zekere mate van boosaardigheid zit; maar wat ook de beweegreden van de belediging is, diegene die zich haar ten aanzien van de Koning veroorlooft, mag niet aan straf ontsnappen. Voor gewone misdrijven zal men misschien een tegengestelde stelling verdedigen, maar wanneer het gaat om uitzonderlijke misdrijven die het gevolg zijn van de uitzonderlijke positie van de persoon tegen wie de belediging is gericht, zal men wellicht erkennen dat speciale regels dienen te worden ingevoerd. De persoon van de Koning is onschendbaar; hoe aanvaarden dat men straffeloos afbreuk kan doen aan die onschendbaarheid door aan te voeren dat er geen kwade bedoeling was ? Is het, om dat zo belangrijke grondwettelijke beginsel van de koninklijke onschendbaarheid ongeschonden te handhaven, niet noodzakelijk de persoon van de Koning te behoeden voor elke belediging, zonder het karakter van de bedoeling te moeten zoeken, behalve om de hoogte van de straf te bepalen ? » (Parl. St., Kamer, zitting van 18 februari 1847, nr. 163, p. 1; eigen vertaling). B.9.
  33. Het misdrijf is een politiek misdrijf en, in voorkomend geval een drukpersmisdrijf, zodat de beoordeling ervan in beginsel behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen (artikel 150 van de Grondwet). Volgens artikel 8 van de wet van 6 april 1847 worden de « vervolgingen wegens de door deze wet voorziene wanbedrijven […] ambtshalve ingesteld ». De vervolgingen zijn aldus niet afhankelijk van het indienen van een klacht. B.9.
  34. Personen die zich schuldig maken aan het misdrijf van het beledigen van de persoon van de Koning kunnen, krachtens de in het geding zijnde bepaling, worden gestraft met « gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 300 tot 3.000 frank » en kunnen, krachtens artikel 3 van de wet van 6 april 1847, bovendien van de uitoefening van bepaalde rechten worden ontzet gedurende een tijdsverloop van twee tot vijf jaar. Wat de in de in het geding zijnde bepaling opgenomen geldboete betreft, dient rekening te worden gehouden met artikel 2 van de wet van 26 juni 2000 « betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », volgens hetwelk « de bedragen van de geldsommen waarop de opdeciemen bedoeld in de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten worden toegepast, worden geacht rechtstreeks te zijn uitgedrukt in euro, zonder omrekening ». De in het geding zijnde bepaling voorziet aldus in een geldboete van 300 tot 3 000 euro, vóór de toepassing van de opdeciemen. 12 B.10.
  35. Uit de in B.9.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling mede is ingegeven door het grondwettelijk statuut van de Koning, zoals thans geregeld in de artikelen 88 en 106 van de Grondwet, die bepalen : « Art.
  36. De persoon des Konings is onschendbaar; zijn ministers zijn verantwoordelijk ». « Art.
  37. Geen akte van de Koning kan gevolg hebben, wanneer zij niet medeondertekend is door een minister, die daardoor alleen reeds, ervoor verantwoordelijk wordt ». De door die grondwetsbepalingen gewaarborgde onschendbaarheid en onverantwoordelijkheid van de Koning brengen met zich mee dat het niet mogelijk is tegen de persoon van de Koning een rechtsgeding te voeren, dat de Koning niet politiek ter verantwoording kan worden geroepen, dat de ministers verantwoordelijk zijn voor de handelingen van de Koning die rechtstreeks of onrechtstreeks een politieke weerslag hebben en dat de akten van de Koning die een dergelijke weerslag hebben, medeondertekend moeten worden door een minister. Handelingen die de Koning als privaat persoon stelt en die geen politieke weerslag hebben, vallen evenwel niet onder de regel van de medeondertekening door een minister, noch onder de ministeriële verantwoordelijkheid. B.10.
  38. Uit de omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling mede is ingegeven door het grondwettelijk statuut van de Koning, kan niet worden afgeleid dat die bepaling voortvloeit uit een keuze van de Grondwetgever zelf. De grondwettelijke beginselen van de onschendbaarheid en onverantwoordelijkheid van de Koning vereisen immers op zich niet dat het beledigen van de persoon van de Koning strafbaar wordt gesteld onder de in de in het geding zijnde bepaling vervatte modaliteiten betreffende de draagwijdte van het misdrijf, het vereiste opzet en de strafmaat. B.10.
  39. Het Hof is bijgevolg bevoegd te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11.
  40. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : 13 « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
  41. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
  42. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen ». B.11.
  43. In zoverre artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op vrije meningsuiting erkent, heeft het een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet, dat de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, erkent. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen derhalve, in die mate, een onlosmakelijk geheel. B.12.
  44. De in die artikelen gewaarborgde vrijheid van meningsuiting is één van de pijlers van een democratische samenleving. Zij geldt niet alleen voor de « informatie » of de « ideeën » die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke de Staat of een of andere groep van de bevolking « schokken, verontrusten of kwetsen ». Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan (EHRM, 7 december 1976, Handyside t. Verenigd Koninkrijk, § 49; 23 september 1998, Lehideux en Isorni t. Frankrijk, § 55; 28 september 1999, Öztürk t. Turkije, § 64; grote kamer, 13 juli 2012, Mouvement raëlien suisse t. Zwitserland, § 48). 14 B.12.
  45. Niettemin brengt de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bepaalde plichten en verantwoordelijkheden met zich mee (EHRM, 4 december 2003, Gündüz t. Turkije, § 37), onder meer de principiële plicht bepaalde grenzen « die meer bepaald de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen nastreven » niet te overschrijden (EHRM, 24 februari 1997, De Haes en Gijsels t. België, § 37; 21 januari 1999, Fressoz en Roire t. Frankrijk, § 45; 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België, § 92). De vrijheid van meningsuiting kan, krachtens artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, onder bepaalde voorwaarden worden onderworpen aan formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, met het oog op, onder meer, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. De uitzonderingen waarmee zij gepaard gaat, dienen echter « eng te worden geïnterpreteerd, en de noodzaak om haar te beperken moet op overtuigende wijze worden aangetoond » (EHRM, grote kamer, 20 oktober 2015, Pentikäinen t. Finland, § 87). Artikel 19 van de Grondwet verbiedt dat de vrijheid van meningsuiting aan preventieve beperkingen wordt onderworpen, maar niet dat misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheid worden gepleegd, worden bestraft. B.13.
  46. Door in het openbaar geuite beledigingen van de persoon van de Koning strafbaar te stellen, vormt artikel 1 van de wet van 6 april 1847 een inmenging in het recht op vrije meningsuiting. B.13.
  47. Om in overeenstemming te zijn met de vrijheid van meningsuiting moet een dergelijke inmenging voldoen aan de bij artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalde voorwaarden, volgens welke de inmenging dient te zijn bepaald bij wet, zij een of meerdere van de in dat artikel vermelde doelstellingen dient na te streven en zij noodzakelijk dient te zijn in een democratische samenleving, wat veronderstelt dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde doelstellingen. B.
  48. Uit wat is vermeld in B.9.1 tot B.9.5, blijkt dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting is bepaald bij een voldoende toegankelijke en nauwkeurige wet : het misdrijf betreft het beledigen van de persoon van de Koning der Belgen in de in het geding zijnde bepaling omschreven omstandigheden, waarbij het begrip « belediging » slaat op alle uitingen 15 die de eer of de goede naam van de Koning aantasten of die een oneerbiedigheid ten aanzien van Hem tot uitdrukking brengen, en waarbij geen kwaadwillig opzet vanwege de dader is vereist. De omstandigheid dat de wetgever aan het misdrijf een zeer ruime draagwijdte heeft willen verlenen, doet op zich geen afbreuk aan de vaststelling dat de inmenging in de vrijheid van meningsuiting is bepaald bij wet. B.15.
  49. Er kan worden aangenomen dat de door de in het geding zijnde bepaling veroorzaakte inmenging in de vrijheid van meningsuiting de in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vermelde doelstelling betreffende de « bescherming van de goede naam of de rechten van anderen », te dezen van de Koning, nastreeft. Die doelstelling is wettig. B.15.
  50. Uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de wetgever nog andere doelstellingen heeft nagestreefd. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De noodzaak om het staatshoofd te behoeden voor kwaadwillige aanvallen is door alle volkeren erkend, en de daartoe genomen maatregelen, verre van te zijn ingegeven door ophemelarij, zijn absoluut geboden door de maatschappelijke belangen. Overal waar het Koningschap straffeloos zwaar is beledigd, heeft het misprijzen zich uiteindelijk tegen de andere instellingen gericht waarvan het de aanvulling en de bescherming is; overal waar de orde is hersteld na hevige politieke schokken, is het startpunt de waarborg van de koninklijke onschendbaarheid geweest en men kan over het algemeen de grondwettelijke stabiliteit van een natie afmeten aan het respect dat de macht die de leiding heeft over de uitvoering van de wetten, inboezemt » (Parl. St., Senaat, zitting van 30 maart 1847, nr. 197, p. 1; eigen vertaling). Daaruit blijkt dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling eveneens de onschendbaarheid van de Koning en de stabiliteit van het grondwettelijk bestel heeft willen waarborgen. Rekening houdend met de historische context waarin de in het geding zijnde bepaling werd aangenomen, zou kunnen worden aanvaard dat de aldus nagestreefde doelstellingen passen in het kader van de in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vermelde doelstellingen betreffende « ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde » en betreffende het « voorkomen van strafbare feiten ». Hoewel met een inmenging in de vrijheid van meningsuiting die is ingegeven door redenen van ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde of het voorkomen van strafbare feiten, in beginsel een wettig doel wordt nagestreefd, dient te dezen rekening te worden gehouden met, enerzijds, het feit dat de in het geding zijnde bepaling werd aangenomen in een 16 historische context die fundamenteel verschilt van de huidige context en met, anderzijds, de evolutie van de opvattingen over wat noodzakelijk kan worden geacht in een democratische samenleving. Het onderzoek van het wettig karakter van de voormelde nagestreefde doelstellingen valt om die reden samen met het onderzoek naar de noodzakelijkheid van de inmenging in een democratische samenleving. B.16.
  51. Bij de beoordeling van de vraag of een inmenging in de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is en beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte, beschikken de Staten volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in beginsel over een bepaalde appreciatiemarge, zij het dat die marge beperkt is wanneer het gaat om meningen die worden geuit in het kader van een politiek debat of in het kader van een debat over aangelegenheden van algemeen belang (EHRM, 15 maart 2011, Otegi Mondragon t. Spanje, §§ 49-50; 13 maart 2018, Stern Taulats en Roura Capellera t. Spanje, §§ 31-32). B.16.
  52. Kritische meningsuitingen over openbare instellingen of persoonlijkheden, waaronder de Koning, of over het grondwettelijk bestel van een Staat, vallen, ook wanneer zij schokkend, verontrustend of kwetsend zijn, als deel uitmakend van een politiek debat of van een debat over aangelegenheden van algemeen belang in beginsel onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, behoudens wanneer het gaat om uitingen die aanzetten tot geweld of die een haatdiscours vormen, waarbij die laatste term « in die zin moet worden begrepen dat hij alle uitdrukkingsvormen dekt die rassenhaat, xenofobie, antisemitisme of andere op onverdraagzaamheid gestoelde vormen van haat propageren, ertoe aanzetten, bevorderen of verantwoorden » (EHRM, 13 maart 2018, Stern Taulats en Roura Capellera t. Spanje, § 41). In dit kader heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eveneens geoordeeld dat « een gevangenisstraf die wordt opgelegd voor een misdrijf dat is gepleegd op het gebied van het politieke discours, slechts in uitzonderlijke omstandigheden verenigbaar is met de bij artikel 10 van het Verdrag gewaarborgde vrijheid van meningsuiting, met name wanneer andere grondrechten ernstig zijn geschonden, zoals in het geval van, bijvoorbeeld, het verspreiden van een haatdiscours of van het aanzetten tot geweld » (EHRM, 22 juni 2010, Bingöl t. Turkije, § 41; 15 maart 2011, Otegi Mondragon t. Spanje, § 59). 17 B.
  53. De uitoefening van de vrijheid van meningsuiting brengt niettemin, ook in het kader van een politiek debat of van een debat over aangelegenheden van algemeen belang, bepaalde plichten en verantwoordelijkheden met zich mee, onder meer de principiële plicht bepaalde grenzen die de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen nastreven, niet te overschrijden. B.18.
  54. Met betrekking tot strafbepalingen die voorzien in een specifieke regeling voor het beledigen van een staatshoofd, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « Inzake belediging van een staatshoofd heeft het Hof reeds verklaard dat een uitgebreidere bescherming door een bijzondere wet inzake belediging in principe niet conform is met de geest van het Verdrag (Colombani e.a. t. Frankrijk, nr. 51279/99, §§ 66-69, EHRM 2002-V, Pakdemirli t. Turkije, nr. 35839/97, §§ 51-52, 22 februari 2005, Artun en Güvener t. Turkije, nr. 75510/01, § 31, 26 juni 2007, en Otegi Mondragon t. Spanje, nr. 2034/07, §§ 55-56, EHRM 2011). Inderdaad, het belang van een Staat om de reputatie van zijn eigen staatshoofd te beschermen, kan het feit om aan die laatste een voorrecht of een bijzondere bescherming toe te kennen tegenover het recht op het verspreiden van informatie en op vrije meningsuiting over het staatshoofd niet verantwoorden (Otegi Mondragon, voormeld, § 55) » (EHRM, 13 maart 2018, Stern Taulats en Roura Capellera t. Spanje, § 35). Hoewel een staatshoofd als persoon, net als andere personen, recht heeft op bescherming van zijn reputatie, is het aldus in beginsel niet verantwoord om voor dat staatshoofd te voorzien in een bescherming die verder gaat dan die waarin is voorzien voor andere personen, en dit ongeacht of het gaat om een staatshoofd van een republiek (EHRM, 22 februari 2005, Pakdemirli t. Turkije, § 52; 26 juni 2007, Artun en Güvener t. Turkije, § 31), dan wel om een staatshoofd van een monarchie (EHRM, 15 maart 2011, Otegi Mondragon t. Spanje, §§ 55-56; 13 maart 2018, Stern Taulats en Roura Capellera t. Spanje, § 35). B.18.
  55. Daar het belang dat een Staat erbij zou kunnen hebben om de reputatie van het staatshoofd te beschermen, volgens de voormelde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, geen verantwoording kan vormen voor het verlenen aan het staatshoofd van een voorrecht of van een bijzondere bescherming tegen de hem betreffende meningsuitingen, zouden de in B.15.2 vermelde doelstellingen betreffende het waarborgen van de onschendbaarheid van de Koning en van de stabiliteit van het grondwettelijk bestel, de door de in het geding zijnde bepaling veroorzaakte inmenging in de vrijheid van meningsuiting niet 18 kunnen verantwoorden, in zoverre die bepaling aan de Koning een ruimere bescherming zou bieden dan die welke aan andere personen wordt geboden. B.18.
  56. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bovendien geoordeeld : « Het Hof is van mening dat het feit dat de Koning in het politieke debat een neutrale positie inneemt, een positie als scheidsrechter en symbool van de eenheid van de Staat, hem niet kan behoeden voor elke kritiek bij de uitoefening van zijn officiële functies of – zoals te dezen – als vertegenwoordiger van de Staat, waarvan hij het symbool is, met name vanwege diegenen die de grondwettelijke structuren van die Staat wettig betwisten, inclusief het monarchale stelsel ervan. […] Bovendien is het Hof van mening dat het feit dat de Koning krachtens de Spaanse Grondwet ‘ onverantwoordelijk ’ is, met name op strafrechtelijk gebied, op zich niet in de weg kan staan aan het vrije debat over zijn eventuele institutionele, en zelfs symbolische, verantwoordelijkheid aan het hoofd van de Staat, binnen de grenzen van de eerbiediging van zijn reputatie als persoon » (EHRM, 15 maart 2011, Otegi Mondragon t. Spanje, § 56). Noch de onverantwoordelijkheid van de Koning, noch de symbolische positie die Hij inneemt in de Staat, kunnen een verantwoording vormen voor het installeren van een bescherming van de reputatie van de Koning die verder gaat dan de bescherming van de reputatie van andere personen. De omstandigheid dat de Koning niet in de mogelijkheid is om zonder akkoord van een minister een klacht in te dienen wanneer die klacht rechtstreeks of onrechtstreeks een politieke weerslag kan hebben, zou in voorkomend geval een verantwoording kunnen vormen voor het aannemen van bijzondere procedureregels, maar zou de door de in het geding zijnde bepaling veroorzaakte inmenging in de vrijheid van meningsuiting niet kunnen verantwoorden, in zoverre die bepaling aan de Koning een ruimere bescherming zou bieden dan de bescherming die aan andere personen wordt geboden. B.
  57. Doordat de in het geding zijnde bepaling erin voorziet dat personen die zich schuldig maken aan het erin omschreven misdrijf, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar, bevat die bepaling een bijzonder zware straf die, rekening houdend met wat is vermeld in B.16.2, op zich in beginsel onbestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting wanneer ze wordt opgelegd naar aanleiding van een in het kader van een politiek debat of van een debat over aangelegenheden van algemeen belang geuite meningen. Door te voorzien in een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar biedt de in geding zijnde bepaling bovendien een bescherming aan de Koning die verder gaat dan de bescherming die door de artikelen 275, 276, 277, 444, 445, 448 en 449 van het Strafwetboek, die voorzien in merkelijk 19 minder zware gevangenisstraffen, wordt geboden aan andere personen op het vlak van de aanranding van hun eer of goede naam. Ook wat de strafrechtelijke geldboete betreft, bevat de in het geding zijnde bepaling straffen die zwaarder zijn dan die welke zijn bepaald in de voormelde artikelen van het Strafwetboek. De bescherming van het staatshoofd gaat bovendien verder dan de bescherming geboden aan andere personen, doordat het misdrijf van het beledigen van de persoon van de Koning een ruimere draagwijdte heeft dan de in de voormelde artikelen van het Strafwetboek omschreven misdrijven en geen kwaadwillig opzet vereist. B.
  58. Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling, zowel op het vlak van de draagwijdte van het misdrijf als op het vlak van de strafmaat, voorziet in een bescherming van de reputatie van de persoon van de Koning die verder gaat dan de bescherming van de reputatie van anderen. Die bepaling beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte en is onevenredig ten aanzien van de doelstelling de reputatie van de persoon van de Koning te beschermen. B.
  59. De in het geding zijnde bepaling is niet bestaanbaar met artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 6 april 1847 « tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning » schendt artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 oktober
  60. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.157 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.