← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.158

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.158 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211118.2 Arrest- Rolnummer: 158/2011 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 1519 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 2 van de wet van 1 september 2016 « tot wijziging van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst », zij het slechts in zoverre het niet bepaalt welke identificatiegegevens worden verzameld en verwerkt en welke identificatiedocumenten in aanmerking komen; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een wetskrachtige norm waarin die identificatiegegevens en identificatiedocumenten worden opgesomd en uiterlijk tot en met 31 december 2022; - verwerpt het beroep voor het overige, onder voorbehoud van de in B.8.7.3, B.16.6, B.16.8.5, B.16.8.7, B.26.2, B.26.6 en B.30.4 vermelde interpretaties. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 1 september 2016 « tot wijziging van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst », ingesteld door Patrick Van Assche en anderen. Telecommunicatie - Elektronische communicatie - Vooraf betaalde belkaart - Identificatie van de eindgebruiker - Identificatieplicht -

  1. Machtiging aan de Koning -
  2. Recht op eerbiediging van het privéleven / Vrijheid van vestiging en vrij verrichten van diensten / Vrijheid van meningsuiting -
  3. Vermoeden van toerekenbaarheid aan de als gebruiker geïdentificeerde persoon -
  4. Toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de identificatiegegevens. Wettelijke bepalingen: Wet - 01-09-2016 - 2 - 19 ELI link Pub nr 2016011377 Tekst van de beslissing Rolnummer 6672 Arrest nr. 158/2021 van 18 november 2021 ARREST __________ In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 1 september 2016 « tot wijziging van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst », ingesteld door Patrick Van Assche en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 juni 2017 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 juni 2017, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 1 september 2016 « tot wijziging van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 december 2016), door Patrick Van Assche, Christel Van Akeleyen en Karina De Hoog, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. T. Wouters, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 7 februari 2018 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 28 februari 2018 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 1 maart 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 maart
  5. Bij beschikking van 28 maart 2018 heeft het Hof de zaak verdaagd naar de terechtzitting van 25 april
  6. Op de openbare terechtzitting van 25 april 2018 : - zijn verschenen : . Mr. D. Pattyn, voor de verzoekende partijen, en Patrick Van Assche, in eigen persoon; . Mr. E. de Lophem, Mr. T. Wouters en Mr. G. Ryelandt, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben voorzitter A. Alen en rechter J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 19 juli 2018 heeft het Hof de behandeling van de zaak sine die geschorst. Bij beschikking van 21 april 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters, ter vervanging van emeritus voorzitter A. Alen, en T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist : - de debatten te heropenen, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 31 mei 2021 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt te laten kennen over de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2020 in de zaken nrs. C-511/18, C-512/18 en C-520/18 en van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 57/2021 van 22 april 2021 op het onderhavige beroep tot vernietiging, - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, - dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 16 juni 2021, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 16 juni 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. G. Ryelandt. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft de voorzitter bij beschikking van 5 mei 2021 het tijdstip van de terechtzitting van 16 juni 2021 bepaald op 14.00 uur. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2021 : - zijn verschenen : . Mr. D. Pattyn, voor de verzoekende partijen, en Patrick Van Assche, in eigen persoon; . Mr. E. de Lophem en Mr. G. Ryelandt, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers D. Pieters en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.
  7. De verzoekende partijen zetten uiteen dat zij als eindgebruikers van telefoniediensten aan de hand van vooraf betaalde kaarten worden geconfronteerd met een identificatieplicht. Het verwerken, bewaren en meedelen van de in de bestreden wet vermelde persoonsgegevens impliceert volgens hen een verregaande inmenging in hun persoonlijke levenssfeer, aangezien de verplichte identificatie van eindgebruikers van telefoniediensten het mogelijk maakt een verband te leggen tussen de verzoekende partijen en hun verkeers- en lokalisatiegegevens. Bovendien voeren zij aan dat zij als gemeenteraadsleden in de gemeente Brecht een versterkt recht op vrije meningsuiting genieten, dat het recht op het verkrijgen en verspreiden van informatie omvat, onder meer aan de hand van anonieme telecommunicatie. A.2.
  8. De Ministerraad merkt op dat verscheidene kritieken die de verzoekende partijen in het kader van het onderhavige beroep tot vernietiging formuleren, in werkelijkheid betrekking hebben op de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie ». Tegen die wet hebben dezelfde verzoekende partijen een beroep tot vernietiging ingediend, dat bij het Hof is ingeschreven onder het rolnummer
  9. In zoverre de kritieken van de verzoekende partijen in werkelijkheid betrekking hebben op die wet en niet op de bestreden wet, is het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk ratione temporis. A.2.
  10. De verzoekende partijen beklemtonen dat zij de ongrondwettigheid van de bestreden wet deels afleiden uit de gevolgen die zij heeft indien zij in samenhang wordt gelezen met de wet van 29 mei
  11. Bij de beoordeling van de grondwettigheid van de bestreden wet dient het Hof bijgevolg rekening te houden met de wet van 29 mei 2016, zelfs in zoverre het beroep tot vernietiging is gericht tegen de bestreden wet, in samenhang gelezen met de wet van 29 mei
  12. Ten aanzien van het eerste middel A.3.
  13. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van de bestreden wet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 2, a), en 6 van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens ». In hun verzoekschrift voeren zij aan dat de machtiging aan de Koning om de technische en administratieve maatregelen te bepalen die worden opgelegd aan de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten en aan de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken, niet voldoende nauwkeurig is omschreven, niet is beperkt tot de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld en niet waarborgt dat de verzamelde identificatiegegevens en identificatiedocumenten pertinent en evenredig zijn in het licht van de doelstellingen waarvoor zij worden verwerkt. A.3.
  14. De verzoekende partijen zetten uiteen dat het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » de Koning machtigt om de technische en administratieve maatregelen te bepalen die aan de aanbieders aan het publiek van telecommunicatiediensten worden opgelegd om de eindgebruiker te identificeren. Die bepaling viseert zowel de eigen winkels van de operatoren als alle andere verkoopkanalen, zoals supermarkten of nachtwinkels, al bewaren die laatste verkoopkanalen zelf geen identificatiegegevens of -documenten. De bestreden bepaling is eveneens van toepassing op de vooraf betaalde kaarten van buitenlandse operatoren die in België worden verkocht. Vanaf de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit mogen nieuwe vooraf betaalde kaarten niet meer worden geactiveerd zonder identificatie van de eindgebruiker. De oude vooraf betaalde kaarten moeten binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit worden geïdentificeerd, op straffe van het afsluiten van de communicatie door de operator. A.3.
  15. De verzoekende partijen wijzen in hun verzoekschrift op de samenhang tussen de bestreden bepaling en de wet van 29 mei 2016 « betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie ». Die wet legt een verplichting tot algemene en ongedifferentieerde bewaring op aan de aanbieders van telecommunicatiediensten. Zij dienen de identificatiegegevens, de verbindings- en lokalisatiegegevens en de communicatiegegevens van hun klanten te bewaren. Die gegevens omvatten niet de inhoud, maar wel de herkomst en de bestemming van de communicatie. De wet van 29 mei 2016 regelt de toegang tot de bewaarde gegevens en richt ook een gemeenschappelijke coördinatiecel van de aanbieders en operatoren op, die belast is met het verlenen van die toegang. De informatie die door de aanbieders van telecommunicatiediensten wordt verzameld op grond van de bestreden bepaling, dient ook te worden bewaard in het kader van de wet van 29 mei
  16. A.3.
  17. De verwerking van persoonsgegevens die bestaat in het verzamelen van de identificatiegegevens bedoeld in de bestreden bepaling, beperkt volgens de verzoekende partijen het recht op eerbiediging van het privéleven. Hetzelfde geldt voor de bewaring van die gegevens en voor de toegang ertoe krachtens de wet van 29 mei
  18. Volgens de verzoekende partijen vereist artikel 22, eerste lid, van de Grondwet dat een dergelijke beperking haar grondslag vindt in een formele wet. Een delegatie aan de Koning zou slechts mogelijk zijn voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. Ook het Hof van Justitie oordeelt in zijn arrest van 8 april 2014 (C-293/12 en C-594/12) dat het recht op eerbied voor het privéleven slechts bij formele wet kan worden beperkt. A.3.5.
  19. De bestreden bepaling bevat volgens de verzoekende partijen een te verregaande delegatie aan de Koning, doordat zij Hem machtigt om de technische en administratieve maatregelen te bepalen die aan de aanbieders en operatoren, de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten en de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken, worden opgelegd, onder andere om de eindgebruiker te identificeren. Daarbij voert de bestreden bepaling een vermoeden in krachtens hetwelk de geïdentificeerde persoon, behoudens tegenbewijs, wordt geacht zelf de elektronische-communicatiedienst te gebruiken. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna : CBPL) uitte kritiek op het ontwerp dat tot de bestreden wet heeft geleid, aangezien de wetgever zou hebben nagelaten om enkele essentiële elementen van de bestreden regeling bij wet te regelen, namelijk de verantwoordelijke voor de verwerking, de bepaling wie toegang heeft tot de gegevens en het vaststellen van de bewaartermijn (advies nr. 54/2015 van 16 december 2015). Die kritiek werd vervolgens herhaald door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij de bestreden wet. Volgens de verzoekende partijen is de wetgever onvoldoende tegemoetgekomen aan die kritieken, doordat hij niet heeft bepaald welke identificatiegegevens dienen te worden verzameld, doordat hij niet heeft gepreciseerd welke identificatiedocumenten als bewijskrachtig kunnen worden aanvaard, en doordat hij geen criteria heeft bepaald om de delegatie aan de Koning te omkaderen met betrekking tot de differentiatie tussen de oude en de nieuwe vooraf betaalde kaarten. A.3.5.
  20. Het soort informatie dat kan worden bewaard, is volgens de verzoekende partijen een essentieel element dat door de wetgever moet worden geregeld en dat niet aan de Koning kan worden gedelegeerd. De Koning beschikt op grond van de bestreden bepaling over een te grote discretionaire vrijheid inzake het regelen van het soort informatie dat wordt verzameld en bewaard, aangezien de bestreden bepaling niet verduidelijkt wat onder « identificatiegegevens en -documenten » dient te worden verstaan. Zo is niet duidelijk of het kan gaan om gegevens die betrekking hebben op de fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van de eindgebruiker. Het gebrek aan afbakening laat de Koning toe om elk persoonsgegeven in aanmerking te nemen in het kader van de bestreden bepaling. A.3.5.
  21. Ook de categorieën van personen over wie informatie kan worden ingewonnen, vormen een essentieel element dat niet aan de Koning kan worden gedelegeerd. De bestreden bepaling maakt slechts gewag van de « eindgebruiker ». Artikel 2, 13°, van de wet van 13 juni 2005 definieert een eindgebruiker als een gebruiker die geen openbaar elektronische-communicatienetwerk of openbare elektronische-communicatiediensten aanbiedt. Artikel 2, 12°, van dezelfde wet definieert een gebruiker als een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een openbare elektronische-communicatiedienst. Aldus wordt aan de Koning een discretionaire vrijheid gegeven die Hem toelaat om aan alle natuurlijke personen of rechtspersonen die gebruik maken van een elektronische-communicatienetwerk zonder er zelf een aan te bieden, een identificatieplicht op te leggen. A.3.5.
  22. Ook de omstandigheden waaronder de gegevensverwerkingen kunnen gebeuren, de personen die het recht hebben om de opgeslagen informatie te raadplegen en de uiterste bewaartermijn van de gegevens zijn volgens de verzoekende partijen essentiële elementen. De bestreden bepaling beperkt zich in dat opzicht tot de vermelding dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de medewerking kunnen vorderen van een bank of een financiële instelling om over te gaan tot het identificeren van de eindgebruiker, alsook tot de vaststelling dat de bewaring van de verzamelde gegevens geschiedt krachtens artikel 126, § 3, eerste lid, van de wet van 1 september
  23. In feite staat de bestreden bepaling de Koning toe om het toepassingsgebied en de inhoud van de wet van 29 mei 2016 aanzienlijk uit te breiden. A.3.5.
  24. Tot slot maken ook de sancties bij niet-naleving van de identificatieplicht een essentieel element uit. Nochtans verbiedt de bestreden bepaling de aanbieders om nog elektronische-communicatiediensten aan te bieden indien zij niet voldoen aan de technische en administratieve maatregelen die de Koning bepaalt. Zij dienen bovendien de elektronische-communicatiedienst af te sluiten van eindgebruikers die niet aan de door de Koning bepaalde verplichtingen voldoen. Die sancties maken een ernstige aantasting van het recht op vrije meningsuiting van de eindgebruikers uit, zodat de inhoud van de gesanctioneerde verplichtingen niet aan de Koning mag worden overgelaten. A.3.
  25. Meer algemeen waarborgt de bestreden bepaling volgens de verzoekende partijen niet dat de door de Koning uitgewerkte regeling ter zake dienend en niet overmatig is, in het licht van de doeleinden waarvoor de door de Koning opgelijste persoonsgegevens worden verwerkt. A.4.
  26. De Ministerraad beklemtoont dat grondwetsbepalingen die een bevoegdheid voorbehouden aan de wetgever, geen absoluut delegatieverbod instellen. Het is de wetgever toegelaten een nauwkeurig afgelijnde bevoegdheid aan de Koning te delegeren voor zover hij de essentiële elementen van die materie zelf regelt. In dat opzicht wijst de Ministerraad erop dat de bestreden bepaling amper delegaties aan de Koning bevat. Alleen artikel 127, § 3, tweede lid, van de wet van 1 september 2016 draagt aan de Koning de bevoegdheid op om het begrip « niet-geïdentificeerde eindgebruiker » te bepalen. Die delegatie werd door de verzoekende partijen niet bekritiseerd. De overige door de verzoekende partijen bestreden delegaties waren reeds in de wet van 13 juni 2005 vervat vooraleer zij werd gewijzigd bij de wet van 1 september
  27. In die mate is het eerste middel bijgevolg niet ontvankelijk. De door de verzoekende partijen vermelde adviezen van de CBPL en van de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn overigens niet relevant, aangezien de wetgever die adviezen heeft geïmplementeerd door in de bestreden bepaling de vereiste essentiële elementen op te nemen. Daarnaast merkt de Ministerraad op dat het niet de wet van 1 september 2016 is die de identificatie van gebruikers van vooraf betaalde kaarten mogelijk maakt. Dat principe was reeds ingeschreven in artikel 127, § 3, eerste lid, van de wet van 13 juni 2005 en werd door de bestreden bepaling niet gewijzigd. A.4.
  28. Met betrekking tot het soort informatie dat kan worden bewaard, argumenteert de Ministerraad dat de wetgever geen delegatie aan de Koning geeft om te bepalen wat wordt bedoeld met « identificatiegegevens of -documenten ». Die begrippen werden ingevoegd in artikel 127, § 1, achtste lid, van de wet van 13 juni 2005 zonder dat de Koning wordt gemachtigd om die begrippen nader te definiëren. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft hieromtrent overigens geen opmerkingen geformuleerd. Het enige essentiële element dat bij wet diende te worden geregeld, is het principe van de identificatie zelf. De methode, de gegevens en de documenten die daarbij betrokken zijn, vormen geen essentiële elementen van de bestreden beperking van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, maar zijn slechts modaliteiten ervan. Indien zou blijken dat de Koning toch identificatiegegevens en -documenten opneemt die niet verenigbaar zijn met de vereisten van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, kan het betrokken koninklijk besluit worden bestreden bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. A.4.
  29. Ook met betrekking tot de categorieën van personen over wie informatie kan worden ingewonnen, argumenteert de Ministerraad dat zij niet het voorwerp uitmaken van de bestreden bepaling, maar reeds in artikel 127, § 1, 2°, van de wet van 13 juni 2005 werden geregeld vóór de wijziging ervan bij de bestreden wet. Daarnaast is het uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever om een identificatieverplichting op te leggen aan alle eindgebruikers in de zin van artikel 2, 13°, van de wet van 13 juni 2005, zodat het niet nodig is om hieromtrent een delegatie aan de Koning te geven. A.4.
  30. Ook de omstandigheden waaronder de gegevensverwerkingen kunnen gebeuren, de personen die het recht hebben om de opgeslagen informatie te raadplegen en de uiterste bewaartermijn van de gegevens, werden reeds in artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 geregeld vooraleer die bepaling werd gewijzigd bij de bestreden bepaling. Die bepaling verwijst overigens naar artikel 126 van dezelfde wet, dat nauwkeurig regelt welke autoriteiten toegang hebben tot de bewaarde gegevens en binnen welke termijn dat dient te gebeuren. A.4.
  31. Ook de sancties bij niet-naleving van de identificatieplicht worden volledig bepaald in artikel 127, §§ 4 en 5, van de wet van 13 juni 2005, zodat er geen ruimte bestaat voor een delegatie aan de Koning. A.5.
  32. De verzoekende partijen wijzen erop dat, wanneer de wetgever opnieuw normerend optreedt in een bepaalde materie, en daarbij een bestaande machtiging aan de Koning uitbreidt, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen die uitbreiding. De bestreden bepaling houdt een aanzienlijke verstrenging in van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005, aangezien zij de facultatieve identificatie van de eindgebruiker heeft veranderd in een verplichte identificatie. Zij doet dit aan de hand van verscheidene delegaties aan de Koning. Bovendien voert de bestreden bepaling een verbod op de verkoop van nieuwe vooraf betaalde kaarten in en verplicht zij tot de buitenwerkingstelling van oude vooraf betaalde kaarten waarvan de eigenaar zich niet binnen de door de Koning bepaalde termijn identificeert. Overigens heeft de Koning krachtens de artikelen 37 en 108 van de Grondwet geen uitdrukkelijke machtiging nodig om de verordeningen te maken en de besluiten te nemen die nodig zijn voor de uitvoering van de wetten. De bestreden bepaling verleent bijgevolg een impliciete machtiging aan de Koning om regelgevend op te treden in een materie die door artikel 22, eerste lid, van de Grondwet aan de wetgever wordt voorbehouden. Niets verhindert dat de bestreden bepaling de Koning uitdrukkelijk machtigt om de technische en administratieve maatregelen te bepalen die aan de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten en aan de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken, worden opgelegd, onder andere wat de identificatie van de eindgebruiker betreft. Evenmin neemt het voorgaande weg dat de verzamelde identificatiegegevens en -documenten worden bewaard overeenkomstig artikel 126, § 3, eerste lid, van de wet van 13 juni 2005, noch dat artikel 127, §§ 4 en 5, van dezelfde wet de sancties bepalen die worden opgelegd aan operatoren en aanbieders van elektronische-communicatiediensten die niet aan de door de Koning opgelegde technische en administratieve maatregelen voldoen. Tot slot wijzen de verzoekende partijen erop dat de aanhef van het koninklijk besluit van 27 november 2016 « betreffende de identificatie van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart », preciseert dat dit koninklijk besluit zijn grondslag vindt in artikel 127, § 1, van de wet van 13 juni 2005, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 1 september
  33. A.5.2.
  34. Met betrekking tot het soort informatie dat kan worden bewaard, blijkt dat de bestreden bepaling essentiële begrippen zoals de « identificatiegegevens of -documenten » niet omschrijft, terwijl zowel de CBPL als de afdeling wetgeving van de Raad van State daarop hadden aangedrongen. Voor het overige blijkt uit het arrest Rotaru t. Roemenië van 4 mei 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het soort informatie dat wordt verzameld, wel degelijk een essentieel element is dat door de wetgever dient te worden geregeld. A.5.2.
  35. Met betrekking tot de categorieën van personen over wie informatie kan worden ingewonnen, herhalen de verzoekende partijen dat de identificatie van eindgebruikers van vooraf betaalde kaarten vroeger facultatief was en dat de bestreden bepaling die identificatie verplicht heeft gesteld. Zij breidt daarnaast de machtiging aan de Koning om de technische en administratieve maatregelen te bepalen om de eindgebruiker te identificeren, uit tot de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten en de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken. A.5.2.
  36. Met betrekking tot de omstandigheden waaronder de gegevensverwerking kan plaatsvinden, de personen die het recht hebben de opgeslagen informatie te raadplegen en de uiterste bewaartermijn van de gegevens, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de argumentatie van de Ministerraad naast de kwestie is. De Koning beschikt over een te ruime appreciatiebevoegdheid om te bepalen welke identificatiegegevens of -documenten moeten worden verzameld en welke categorieën van eindgebruikers aan de identificatieplicht worden onderworpen. A.5.2.
  37. Met betrekking tot de gevolgen van de niet-naleving van de identificatieplicht wijzen de verzoekende partijen erop dat de Koning kan bepalen dat zelfs de meest geringe inbreuk aanleiding geeft tot het niet-aanbieden of het afsluiten van elektronische-communicatiediensten. Een dergelijk stelsel van sanctionering is onevenredig met de nagestreefde doelstelling. A.
  38. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekende partijen niet uit de bestreden bepaling, maar uit het door de bestreden bepaling niet gewijzigde artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 en uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 27 november 2016 afleiden dat de wetgever een delegatie aan de Koning heeft gegeven. Dergelijke gegevens kunnen evenwel niet in aanmerking worden genomen om de grondwettigheid van de bestreden bepaling te beoordelen. A.
  39. In hun aanvullende memorie voeren de verzoekende partijen aan dat de vernietiging van artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 bij het arrest van het Hof nr. 57/2021 van 22 april 2021 de wettelijke grondslag van de bestreden privacybeperking nog onduidelijker maakt. De bestreden bepaling machtigt de Koning immers om de bestreden gegevensverwerking te regelen met het oog op een bewaarplicht die door het Hof is vernietigd. Als gevolg van die vernietiging is bewaring van de persoonsgegevens bedoeld in de bestreden bepaling aan geen enkele voorwaarde meer onderworpen. Geen enkele wetsbepaling regelt thans op welke gegevens de bewaring slaat, wie de bij de gegevensverwerking betrokken personen zijn en welke de voorwaarden en doeleinden van de verwerking zijn. Bijgevolg is ook de wettelijke grondslag van de initiële gegevensverwerking bedoeld in de bestreden bepaling aangetast. A.
  40. De Ministerraad merkt in zijn aanvullende memorie op dat een nieuwe dataretentieregeling die voldoet aan de in het arrest van het Hof nr. 57/2021 vermelde vereisten thans in voorbereiding is. De wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking zal dus spoedig worden hersteld. Ten aanzien van het tweede middel A.
  41. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11, 19, 22 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met de artikelen 2, a), en 6 van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens », en met de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 9 en 15 van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) ». Het middel valt uiteen in drie onderdelen. Het eerste onderdeel van het tweede middel A.
  42. In het eerste onderdeel van het tweede middel klagen de verzoekende partijen aan dat de door de bestreden wet ingevoerde algemene en ongedifferentieerde identificatieplicht voor alle eindgebruikers van alle elektronische-communicatiediensten een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer vormt. A.11.
  43. De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 127 van de wet van 13 juni 2005, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de bestreden wet, ertoe strekt de anonimiteit van de vooraf betaalde kaart van de mobiele operatoren af te schaffen. De verkoop van nieuwe anonieme vooraf betaalde kaarten wordt verboden, terwijl de eindgebruikers van oude vooraf betaalde kaarten verplicht worden geïdentificeerd. Die verplichting moet in samenhang worden gelezen met de wet van 29 mei 2016, die een plicht tot algemene en ongedifferentieerde bewaring oplegt aan de aanbieders aan het publiek van internet- en telefoniediensten om de eindgebruiker of de abonnee te identificeren en te lokaliseren. De gegevens die worden verzameld krachtens de bestreden bepalingen, moeten immers worden bewaard en meegedeeld volgens de procedures vastgelegd in de wet van 29 mei
  44. A.11.2.
  45. Volgens de verzoekende partijen is de richtlijn 2002/58/EG van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Europese Unie. De identificatiegegevens die krachtens de bestreden wet worden verzameld, vormen persoonsgegevens in de zin van die richtlijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat zulks ook geldt voor de verwerking en bewaring van communicatiegegevens met het oog op de nationale veiligheid, de landsverdediging en het voorkomen en vervolgen van strafbare feiten. Bijgevolg valt de bestreden wet binnen de werkingssfeer van het Europees Unierecht. A.11.2.
  46. De bestreden bepalingen, alsook de bewaring van de verzamelde identificatiegegevens krachtens de wet van 29 mei 2016, maken bovendien een beperking uit van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, zoals overigens blijkt uit het arrest van het Hof nr. 108/2016 van 14 juli
  47. A.11.2.
  48. Een dergelijke beperking kan blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie slechts worden gerechtvaardigd in zoverre er een strikt rechterlijk toezicht bestaat op de naleving van het evenredigheidsbeginsel. Die evenredigheidstoets vereist dat wordt nagegaan of het nagestreefde doel kan worden verwezenlijkt door de bewaring van de gegevens, dat de uitzonderingen op de bescherming van de persoonsgegevens binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven en dat de verzameling van persoonsgegevens geschiedt in het kader van duidelijke en precieze regels betreffende de draagwijdte en de toepassing van de betrokken maatregel. Die regels moeten objectieve criteria bevatten die de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de persoonsgegevens begrenzen. Ook moet de toepassing ervan onderworpen zijn aan een voorafgaande rechterlijke controle of een voorafgaande controle door een onafhankelijke administratieve instantie. Bovendien moet de termijn gedurende welke de gegevens worden bewaard, aangepast zijn aan het doel waarvoor de gegevens worden bewaard. Tot slot moeten de verzamelde gegevens worden beveiligd tegen onrechtmatige toegang. A.11.3.
  49. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen wordt gepreciseerd dat de afschaffing van de anonimiteit van de vooraf betaalde kaarten tegemoetkomt aan een vraag van de gerechtelijke overheden, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de nooddiensten. Aangezien de vooraf betaalde kaarten wijd verspreid zijn in criminele kringen, is de identificatie van de eindgebruiker cruciaal in de strijd tegen het terrorisme en in het opsporen en vervolgen van zware criminele feiten. Elke andere techniek om de eindgebruiker te identificeren, zou overigens een grotere inmenging in het privé- en gezinsleven inhouden dan de loutere toegang tot vooraf verzamelde gegevens en documenten. Overigens zijn houders van een telefonieabonnement niet anoniem, en zijn het alleen de houders van vooraf betaalde telefoonkaarten die tot op heden niet kunnen worden geïdentificeerd. De anonimiteit van de vooraf betaalde kaarten was trouwens steeds opgevat als een tijdelijke maatregel om de intrede van de gsm op de Belgische markt te ondersteunen. A.11.3.
  50. De verzoekende partijen zijn van mening dat enkel de strijd tegen de zware misdaad en tegen het terrorisme de bestreden identificatieplicht kan rechtvaardigen. De overige in de parlementaire voorbereiding vermelde doelstellingen mogen daarentegen niet in aanmerking worden genomen in het kader van de beperking van een fundamenteel recht als de eerbied voor het privé- en gezinsleven. Ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG blijkt volgens de verzoekende partijen dat de mogelijkheid die deze bepaling biedt om persoonsgegevens te verwerken met het oog op de nationale veiligheid, enkel mag worden aangewend voor de doelstellingen die limitatief in die bepaling worden opgesomd. Uit die rechtspraak zou ook blijken dat die doelstelling niet mag worden aangewend om van de opslag van persoonsgegevens de regel te maken. Hoewel de strijd tegen de zware misdaad en het terrorisme in grote mate afhangt van het gebruik van moderne technologieën, mag een dergelijke doelstelling immers niet leiden tot een nationale regeling die voorziet in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en alle lokalisatiegegevens. A.11.4.
  51. De bestreden identificatieplicht is niet evenredig met de doelstelling om de zware misdaad en het terrorisme te verwezenlijken. Ten eerste is zij niet geschikt om die doelstelling te bereiken, aangezien zij niet verbiedt om een vooraf betaalde kaart aan een derde over te dragen. Overigens kan een gsm-toestel dat gebruik maakt van een vooraf betaalde kaart, ook worden gestolen. In dergelijke gevallen leiden de bestreden bepalingen veelal tot de identificatie van een persoon die niets met het onderzochte misdrijf te maken heeft, terwijl de dader niet wordt geïdentificeerd. Ten tweede verbieden de bestreden bepalingen niet dat in het buitenland aangekochte anonieme vooraf betaalde kaarten op grond van internationale roaming in België worden gebruikt. Ten derde bestaan er verschillende vormen van elektronische communicatie die niet door de bestreden bepalingen worden geviseerd en die eveneens kunnen worden gebruikt in het kader van criminele en terroristische activiteiten. A.11.4.
  52. Daarnaast ontbreken volgens de verzoekende partijen duidelijke en precieze regels betreffende de draagwijdte en de toepassing van de bestreden wet. Zij bepaalt immers niet welke persoonsgegevens mogen worden ingezameld, welke categorieën van personen moeten worden geïdentificeerd, hoe en hoe lang de gegevens worden bewaard en wie er toegang toe heeft. Bijgevolg valt ook onmogelijk vast te stellen of de verzamelde gegevens strikt noodzakelijk zijn op grond van de doelstelling van een efficiënte bestrijding van het terrorisme en de zware misdaad. A.11.4.
  53. Ook de toegang tot de verzamelde gegevens en de bescherming en de beveiliging van die gegevens worden onvoldoende geregeld. Duidelijk is enkel dat die gegevens worden bewaard krachtens artikel 126 van de wet van 13 juni 2005, zoals laatst gewijzigd bij de wet van 29 mei
  54. Uit het beroep tot vernietiging dat de verzoekende partijen hebben ingesteld tegen die wet en dat bij het Hof is ingeschreven onder het rolnummer 6601, blijkt dat die bepaling geenszins volstaat, aangezien zij de vertrouwelijkheid van de gegevens niet regelt. A.12.
  55. De Ministerraad is van oordeel dat de verwijzing naar de richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG gebaseerd is op een onjuiste analyse van de draagwijdte van de bestreden wet. Die wet heeft immers geen betrekking op de communicatie-, lokalisatie- of verkeersgegevens in de zin van die richtlijnen, maar enkel op de identificatie van de houder van een vooraf betaalde kaart op het ogenblik waarop hij die kaart koopt. Er wordt geen enkel ander persoonsgegeven verwerkt dan de identiteit van de koper. A.12.
  56. De verzoekende partijen tonen nergens aan dat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer ook een recht op anonimiteit zou inhouden. In die zin moet een onderscheid worden gemaakt tussen de inhoud van de bestreden wet en de inhoud van de wet van 29 mei 2016, die wel een verwerking van persoonsgegevens regelt. De bestreden bepalingen regelen niet hoe een vooraf betaalde kaart al dan niet mag worden gebruikt, maar regelen enkel de identificatie van de eindgebruiker. A.12.
  57. Die identificatie is noodzakelijk in het kader van een efficiënte strijd tegen de zware misdaad en het terrorisme. Alsmaar meer Europese landen voeren een soortgelijke regeling in. Indien zou blijken dat die maatregel niet perfect is en door handige criminelen kan worden omzeild, moet die maatregel worden verstrengd; hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de bestreden bepalingen in hun huidige vorm niet noodzakelijk zouden zijn. Veel van de lacunes die de verzoekende partijen opmerken, worden overigens uitdrukkelijk geregeld in andere wettelijke en reglementaire bepalingen. Zo regelt het koninklijk besluit van 27 november 2016 de situatie van de verkoop of de diefstal van vooraf betaalde kaarten. Het gevaar van internationale roaming wordt op zijn beurt opgevangen door artikel 6ter van de verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 « tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EC inzake de universele dienst en gebruiksrechten met betrekking tot elektronische- communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie ». De verzoekende partijen zetten overigens niet uiteen waarom ter zake een verschil in behandeling tussen vooraf betaalde kaarten en abonnementen zou moeten worden gehandhaafd. A.13.
  58. De verzoekende partijen antwoorden dat krachtens artikel 2, a), van de richtlijn 95/46/EG iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon een persoonsgegeven is. De gegevens die krachtens de bestreden bepalingen vereist zijn om de eindgebruiker te identificeren, maken dus persoonsgegevens uit. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt overigens dat de activiteiten van aanbieders van elektronische-communicatiediensten binnen de werkingssfeer van de richtlijn 2002/58/EG vallen. De omstandigheid dat de bestreden wet alleen betrekking heeft op identificatiegegevens, neemt niet weg dat die gegevens dienen te worden verwerkt op grond van de wet van 29 mei
  59. De bestreden wet heeft als gevolg dat ook de loutere identificatiegegevens moeten worden bewaard door de aanbieders en de operatoren en dat zij worden verwerkt op een manier die overheden toelaat om hen te gebruiken. A.13.
  60. Volgens de verzoekende partijen blijkt uit wetenschappelijk onderzoek en uit persartikels dat de identificatieplicht niet noodzakelijk en niet doeltreffend is in de strijd tegen de zware misdaad en tegen het terrorisme. Een maatregel die niet doeltreffend kan zijn, is per definitie evenmin evenredig met de nagestreefde doelstelling. De wil om het beweerde verschil in behandeling tussen eindgebruikers van vooraf betaalde kaarten en houders van een telefonieabonnement af te schaffen, kan de bestreden maatregel niet verantwoorden, aangezien dit geen verband houdt met de nationale veiligheid, het economisch welzijn van het land, de strijd tegen de zware misdaad of de volksgezondheid. A.13.
  61. Het door de Ministerraad vermelde koninklijk besluit van 27 november 2016 neemt niet weg dat de daadwerkelijke gebruiker van een vooraf betaalde kaart niet kan worden geïdentificeerd aan de hand van de identificatiegegevens van de koper. Hieraan voegen de verzoekende partijen toe dat rechtspersonen eenvoudig de identificatieplicht kunnen omzeilen. Ook de door de Ministerraad vermelde verordening (EU) 2015/2120 verhindert niet dat met internationale roaming een in het buitenland aangekochte vooraf betaalde kaart de bestreden bepalingen kan omzeilen. Een misbruik van internationale roaming wordt op grond van die verordening overigens niet gesanctioneerd met het blokkeren van die kaart, maar slechts met het betalen van een toeslag. De georganiseerde misdaad of terroristische groeperingen zullen zich niet door een dergelijke toeslag laten afschrikken. A.13.
  62. De bestreden bepalingen hebben bijgevolg vooral nadelige gevolgen voor particulieren, terwijl rechtspersonen, criminele organisaties en terroristische organisaties de werking ervan vlot kunnen omzeilen. Aldus dreigen de bestreden bepalingen met name kwetsbare personen te raken, die zich niet eenvoudig kunnen identificeren, zoals vreemdelingen. A.
  63. De Ministerraad beklemtoont dat personen die moeilijkheden ondervinden om zich te identificeren, niet onmiddellijk zullen worden afgesloten. Eerst zal opnieuw worden geprobeerd om hen te identificeren. De documenten waarover geregistreerde vreemdelingen beschikken, voldoen overigens aan de identificatiestandaarden. A.
  64. De verzoekende partijen wijzen er in hun aanvullende memorie op dat het Hof van Justitie bij zijn arrest van 6 oktober 2020 in zake La Quadrature du Net e.a. (C-511/18), heeft geoordeeld dat er slechts mag worden voorzien in de algemene en ongedifferentieerde bewaring van identificatiegegevens als dat gebeurt op grond van « duidelijke en nauwkeurige regels [die] verzekeren dat de betrokken gegevens slechts worden bewaard indien aan de daarvoor geldende materiële en procedurele voorwaarden wordt voldaan, en dat de betrokken personen beschikken over effectieve waarborgen tegen het risico van misbruik ». Dat duidelijke en nauwkeurige rechtskader is na de vernietiging van de dataretentieregeling bij het arrest nr. 57/2021 niet meer voorhanden. Aangezien ook de bepalingen over de Coördinatiecel zijn vernietigd, is de vertrouwelijkheid van de bewaarde identiteitsgegevens niet gewaarborgd. A.16.
  65. De Ministerraad wijst in zijn aanvullende memorie op het onderscheid tussen de vernietigde dataretentieregeling en de thans bestreden bepaling. De bestreden bepaling heeft geen betrekking op verkeers- en lokalisatiegegevens. De identificatiegegevens van de houder van een vooraf betaalde kaart worden niet verwerkt als « verkeersgegevens » in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 13 juni 2005, aangezien hij geen factuur ontvangt. Van de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart worden dus slechts identificatiegegevens verwerkt. In geen geval worden zijn gegevens verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronische- communicatienetwerk. De bestreden wet heeft geen betrekking op de toegang tot de opgeslagen gegevens : die toegang wordt geregeld in de organieke wetgeving van de organen die toegang tot die gegevens mogen hebben. Die wetgeving wordt thans niet bestreden. A.16.
  66. De Ministerraad wijst in zijn aanvullende memorie tevens erop dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 6 oktober 2020 in zake La Quadrature du Net e.a. (C-511/18), heeft geoordeeld dat artikel 15, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG zich niet verzet tegen een algemene en ongedifferentieerde bewaring van loutere identificatiegegevens. Aan de hand van de burgerlijke identiteit kunnen immers noch de datum, het tijdstip, de duur en de ontvangers van de communicatie worden achterhaald, noch de plaats waar die communicatie heeft plaatsgevonden of het aantal malen dat in een specifieke periode met bepaalde personen is gecommuniceerd. Een dergelijke inmenging in het privéleven werd door het Hof van Justitie niet als ernstig beschouwd. Het tweede onderdeel van het tweede middel A.
  67. In het tweede onderdeel van het tweede middel klagen de verzoekende partijen aan dat de door de bestreden bepalingen ingevoerde identificatieplicht de uitoefening van het vrij verkeer van diensten belemmert, terwijl die beperking niet geschikt is in het kader van de bestrijding van de zware misdaad en het terrorisme en verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. A.18.1.
  68. Volgens de verzoekende partijen verbieden de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie elke nationale maatregel die wordt opgelegd aan een dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig diensten verricht, en die hem beperkt in het aanbieden van soortgelijke diensten op het nationale grondgebied. Dergelijke beperkingen zijn slechts toelaatbaar indien zij een doel van algemeen belang nastreven, geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken en niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Een nationale wettelijke regeling die de vrijheid van dienstverrichting beperkt om dwingende redenen van algemeen belang, is overigens slechts geschikt om de gestelde doelstelling te verwezenlijken wanneer die verwezenlijking op samenhangende en stelselmatige wijze wordt nagestreefd. A.18.1.
  69. De verzoekende partijen wijzen erop dat de wet van 13 juni 2005 van toepassing is op eenieder die gewoonlijk tegen vergoeding een dienst aanbiedt die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken. Dergelijke diensten vallen onder het toepassingsgebied van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bestreden bepalingen zijn overigens zonder onderscheid van toepassing op zowel de binnenlandse als de buitenlandse operatoren die in België vooraf betaalde kaarten aanbieden. Het volstaat dat die kaart is verbonden aan een Belgisch telefoonnummer of een Belgische IMSI (International Mobile Subscriber Identity), of dat de vooraf betaalde kaart wordt verkocht in België. A.18.
  70. De identificatieplicht houdt in dat alle dienstverrichters die onder het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen vallen, moeten overgaan tot de identificatie van de eindgebruikers en dat zij de technische en administratieve maatregelen die door de Koning worden bepaald, moeten naleven. Het is hun verboden elektronische-communicatiediensten aan te bieden die niet aan die voorwaarden voldoen. Zij moeten bovendien de oude vooraf betaalde kaarten van de eindgebruikers die weigeren zich te identificeren, afsluiten, en zij moeten weigeren om nieuwe vooraf betaalde kaarten te activeren indien de koper weigert zich te identificeren. Die maatregelen belemmeren het vrij verkeer van diensten of maken het minstens minder beschikbaar. A.18.
  71. Uit de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het tweede middel leiden de verzoekende partijen af dat de bestreden bepalingen niet geschikt zijn in het licht van de strijd tegen de zware misdaad en het terrorisme. Dit is des te meer het geval nu de bestreden identificatieplicht niet het voorwerp uitmaakt van geharmoniseerde wetgeving op het niveau van de Europese Unie. Belgische gebruikers kunnen bijgevolg op basis van internationale roaming een vooraf betaalde kaart aankopen in het buitenland en zo anoniem blijven, maar niettemin wordt het buitenlandse operatoren moeilijker gemaakt om hun diensten in België aan te bieden. A.19.
  72. Volgens de Ministerraad beperken de bestreden bepalingen geenszins het vrij verkeer van diensten. Niet elke wetskrachtige norm die een verplichting oplegt aan ondernemingen, heeft een restrictief effect op het vrij verkeer van diensten. De bestreden bepalingen leggen louter administratieve verplichtingen op aan de dienstverleners van elektronische-communicatiediensten. Die verplichtingen bedreigen op geen enkele manier de activiteiten van de buitenlandse operatoren op Belgisch grondgebied. A.19.
  73. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de bestreden beperking van het vrij verkeer van diensten geschikt is in het licht van de bestrijding van de zware misdaad en het terrorisme en in een redelijke verhouding van evenredigheid tot die doelstelling staat. Een dergelijke doelstelling vormt een dwingende reden van algemeen belang die een beperking van het vrij verkeer van diensten toelaat. De identificatie van misdadigers en terroristen aan de hand van hun dataverkeer is noodzakelijk en adequaat in het licht van een efficiënte bestrijding van die fenomenen. De loutere omstandigheid dat hieromtrent geen geharmoniseerde wetgeving op Europees niveau bestaat, volstaat niet om de pertinentie van de bestreden maatregelen in het licht van de nagestreefde doelstelling in twijfel te trekken. De Ministerraad beklemtoont dat het Hof van Justitie over het algemeen de beperkingen op het vrij verkeer van diensten die bestaan in administratieve maatregelen, aanvaardt. Zo aanvaardde het reeds dat ondernemingen die uitzendings- en digitale televisiesignalen commercialiseren, zich moeten inschrijven in een nationaal register. Ook aanvaardde het dat bouwondernemingen sociale en arbeidsdocumenten moeten bijhouden in de lidstaat van ontvangst. A.20.
  74. De verzoekende partijen zijn van mening dat, gelet op de algemene formulering van artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, ook louter administratieve verplichtingen een belemmering van het vrij verkeer van diensten vormen. De opgelegde verplichting houdt immers bijkomende administratieve en financiële lasten in die de dienstverrichters kunnen afschrikken om in België elektronische-communicatiediensten aan te bieden. Die administratieve last wordt overigens erkend in de parlementaire voorbereiding. A.20.
  75. De minister van Justitie heeft in de plenaire vergadering van 18 juni 2015 trouwens aangegeven dat hij een studie heeft besteld over de afschaffing van anonieme vooraf betaalde kaarten, omdat de operatoren vreesden dat die maatregel de administratieve rompslomp zou verhogen. Die studie, die door de Ministerraad niet wordt overgezonden, lijkt relevant in het licht van de beoordeling van de belemmering van het vrij verkeer van diensten, omdat hieruit de nodige gegevens kunnen blijken met betrekking tot de geschiktheid en de evenredigheid van de bestreden bepalingen. Daarom vragen de verzoekende partijen dat het Hof overeenkomstig artikel 91, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zou beslissen dat de Ministerraad die studie ter beschikking moet stellen. A.
  76. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekende partijen geen enkel element aanhalen waaruit blijkt dat de bestreden bepalingen een dergelijk zware administratieve last opleggen dat zij buitenlandse operatoren zouden afschrikken om in België een elektronische-communicatiedienst aan te bieden. Overigens blijkt uit artikel 130 van de wet van 13 juni 2005 dat een beperkte anonimiteit mogelijk blijft. Krachtens die bepaling moeten de operatoren het immers gratis mogelijk maken dat het oproepnummer van de eindgebruiker anoniem blijft bij de ontvanger van de communicatie. A.
  77. In hun aanvullende memorie voeren de verzoekende partijen aan dat het arrest van het Hof nr. 57/2021 van 22 april 2021 niet relevant is voor de beoordeling van het tweede onderdeel van het tweede middel. Het derde onderdeel van het tweede middel A.
  78. In het derde onderdeel van het tweede middel klagen de verzoekende partijen aan dat de door de bestreden bepalingen ingevoerde identificatieplicht een ongerechtvaardigde beperking vormt van de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken en van het journalistieke bronnengeheim. A.
  79. De vrijheid van meningsuiting omvat de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar keuze. Aangezien de bestreden bepalingen een algemene en ongedifferentieerde identificatieplicht instellen voor alle eindgebruikers van elektronische-communicatiediensten, beperkt zij de vrijheid van meningsuiting. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt immers dat de bewaarplicht van communicatiegegevens van dien aard is dat de wijze waarop de gebruikers van elektronische-communicatiediensten hun vrijheid van meningsuiting gebruiken, wordt beïnvloed. De verwerking, krachtens de wet van 29 mei 2016, van de identificatiegegevens bedoeld in de bestreden bepalingen, maakt het mogelijk om van elke burger een persoonlijkheidsprofiel op te stellen en zijn bewegingen te volgen. Klokkenluiders zullen aldus worden geremd in hun contacten met politici en met journalisten om informatie die verband houdt met een ernstige wanpraktijk, publiek te maken. De registratie van dergelijke personen als eindgebruiker van elektronische-communicatiediensten heeft bijgevolg een rechtstreekse impact op de informatiestroom in de richting van de pers en in de richting van politici. Bovendien gaat de onmogelijkheid voor journalisten en politici om op anonieme wijze kennis te nemen van maatschappelijk belangrijke informatie, verder dan strikt noodzakelijk is in het licht van die doelstellingen. Die onmogelijkheid zet immers essentiële democratische controlemechanismen op de helling. A.25.
  80. Volgens de Ministerraad hebben de verzoekende partijen geen belang bij dat onderdeel, aangezien zij geen journalisten zijn. Overigens viseert dat onderdeel niet zozeer de bestreden bepalingen, maar veeleer de wet van 29 mei
  81. A.25.
  82. Ten gronde is het niet de bedoeling van de bestreden bepalingen om de persvrijheid aan banden te leggen, des te meer daar het bronnengeheim van de journalist slechts zal worden opgeheven om een dreigende inbreuk op de fysieke integriteit van personen tegen te gaan. Indien de fysieke integriteit van personen reeds is aangetast, kan het bronnengeheim niet worden opgeheven. Aangezien de bestreden bepalingen passen in het kader van de opsporing en vervolging van zware misdaden, zullen zij bijgevolg niet worden toegepast om het bronnengeheim te omzeilen. In zoverre zich toch een situatie zou voordoen waarin het bronnengeheim van een journalist moet worden opgeheven vanwege de bescherming van de fysieke integriteit van derden, wordt dit blijkens de rechtspraak van het Hof verantwoord wegens de ernst en het vaak onherstelbare karakter van de misdrijven die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit. A.26.
  83. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij wel belang hebben bij het derde onderdeel van het tweede middel, aangezien de vrijheid van meningsuiting het recht van eenieder om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, waarborgt. Bovendien zijn de verzoekende partijen allen gemeenteraadsleden in de gemeente Brecht, die in het kader van hun politieke activiteiten anoniem willen kunnen bellen. Bovendien is het onjuist te beweren dat het middelonderdeel betrekking heeft op de wet van 29 mei
  84. Het is de bestreden wet die de anonimiteit van de vooraf betaalde kaart afschaft en het voor de verzoekende partijen onmogelijk maakt om nog anoniem elektronische-communicatiediensten te gebruiken. A.26.
  85. Ten gronde beklemtonen de verzoekende partijen dat de bestreden wet de anonimiteit van de vooraf betaalde kaart afschaft ten aanzien van alle eindgebruikers, zonder in een uitzondering te voorzien voor journalisten. Aldus wordt het journalistieke bronnengeheim in alle gevallen beperkt. A.
  86. In hun aanvullende memorie wijzen de verzoekende partijen erop dat het Hof van Justitie bij zijn arrest van 6 oktober 2020 in zake La Quadrature du Net e.a. (C-511/18), de doorzending van verkeers- en lokalisatiegegevens als een beperking van de vrijheid van meningsuiting en van communicatie heeft gekwalificeerd, en daaraan heeft toegevoegd dat die vaststelling met name geldt voor de personen wier communicatie onder het beroepsgeheim valt en voor journalisten en klokkenluiders. De veelheid aan bewaarde gegevens kan immers een ontmoedigend effect hebben op de activiteiten van die personen. Diezelfde redenering geldt volgens de verzoekende partijen voor loutere identificatiegegevens. Ten aanzien van het derde middel A.
  87. In hun derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van de bestreden wet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 48, 49 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging, waaronder het vermoeden van onschuld, en met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Het bij de bestreden bepaling ingevoerde vermoeden van toerekenbaarheid, krachtens hetwelk de geïdentificeerde natuurlijke persoon of rechtspersoon behoudens tegenbewijs verantwoordelijk is voor het gebruik van de elektronische-communicatiedienst die aan hem wordt verstrekt, niet evenredig is met de doelstelling om het doorgeven van vooraf betaalde kaarten aan derden te voorkomen. A.29.
  88. Het vermoeden van toerekenbaarheid schendt het wettigheidsbeginsel in strafzaken, aangezien de draagwijdte ervan onduidelijk is. Er kan niet worden uitgemaakt of het gaat om een contractuele aansprakelijkheid ten aanzien van de operator, om een aquiliaanse aansprakelijkheid ten aanzien van derden, of om een strafrechtelijke verantwoordelijkheid. In de memorie van toelichting werd daarop slechts geantwoord dat het vermoeden van toerekenbaarheid het onmogelijk moet maken dat een persoon zich identificeert in plaats van een derde die de elektronische-communicatiedienst daadwerkelijk gebruikt, om op die manier de identiteit van die derde te verbergen. Door haar vage formulering verheldert de bestreden bepaling niet, maar sluit zij evenmin uit dat het vermoeden van toerekenbaarheid de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de geïdentificeerde eindgebruiker kan bepalen. A.29.
  89. Een dergelijk vermoeden van toerekenbaarheid staat niet in een redelijk verband van evenredigheid met de nagestreefde doelstelling. De bestreden bepaling verbiedt niet om een vooraf betaalde kaart aan te kopen in opdracht van een derde of om die kaart later aan een derde door te verkopen. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 2016 voorziet in de mogelijkheid om een vooraf betaalde kaart over te dragen aan bepaalde derden. Maar daarnaast kan een telefoontoestel ook worden gestolen, of kunnen derden onder valse voorwendselen eindgebruikers te goeder trouw ertoe aanzetten om hun telefoontoestel aan hen ter beschikking te stellen. Het toepassingsgebied van het vermoeden van toerekenbaarheid wordt overigens niet beperkt tot terroristische misdrijven of tot zware misdaden. Het vermoeden blijkt van toepassing te zijn op alle misdrijven. Daardoor is het voor de eindgebruikers onmogelijk te weten welke daden of nalatigheden hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het geding brengen. Nochtans kan een eindgebruiker die te goeder trouw zijn vooraf betaalde kaart ter beschikking stelt van een derde, onmogelijk weten welke feiten die derde van plan is te plegen. Hij mag het gebruik door die derde ook niet controleren, aangezien dat strafbaar is krachtens artikel 124 van de wet van 13 juni 2005 en artikel 314bis van het Strafwetboek. A.29.
  90. Het vermoeden van toerekenbaarheid impliceert ook dat de eindgebruiker die zijn vooraf betaalde kaart laat gebruiken door de dader van een terroristisch misdrijf, zelf kan worden vervolgd op basis van de artikelen 140 en 141 van het Strafwetboek. Hij zal immers, indien hij er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren, strafrechtelijk worden veroordeeld wegens het ter beschikking stellen van communicatiemiddelen voor het plegen van terroristische misdrijven. A.29.
  91. Het tegenbewijs waarin de bestreden wet voorziet, valt redelijkerwijs niet te leveren, aangezien de geïdentificeerde eindgebruiker onmogelijk op de hoogte kan zijn van het gebruik dat de derde maakt van de elektronische-communicatiedienst. A.30.
  92. Volgens de Ministerraad kan een weerlegbaar vermoeden onmogelijk het vermoeden van onschuld schenden. De bestreden bepaling voegt overigens weinig toe aan het uitgangspunt dat in elk gerechtelijk onderzoek geldt, namelijk dat de gebruiker van een telefoonlijn aan de basis van de communicatie ligt. Dit is evenzeer het geval bij het gebruik van vaste lijnen of bij het gebruik van abonnementen. De bestreden bepaling doet evenmin afbreuk aan het vermoeden van onschuld, aangezien zij niet wegneemt dat de betrokkene wordt vermoed onschuldig te zijn tot bewijs van het tegendeel. Indien de gebruiker aannemelijk kan maken dat hij zijn communicatiemiddel niet heeft gebruikt op het ogenblik van de feiten, kan hij niet worden veroordeeld. Het is vaste cassatierechtspraak dat de verdachte vrijuit moet gaan indien zijn uitleg materieel mogelijk is en niet wordt tegengesproken door de stukken van het dossier. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat wettelijke vermoedens in beginsel niet strijdig zijn met het vermoeden van onschuld, voor zover zij in een redelijk verband van evenredigheid staan met een legitieme doelstelling, waarbij rekening dient te worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij de rechten van verdediging moeten worden gevrijwaard. A.30.
  93. Volgens de Ministerraad legt de bestreden bepaling zelf geen strafsanctie op. Het doorgeven van een vooraf betaalde kaart aan derden wordt dus niet strafrechtelijk gesanctioneerd. Bijgevolg is de verwijzing van de verzoekende partijen naar het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel en naar het beginsel van de evenredigheid van de straf naast de kwestie. A.
  94. De verzoekende partijen zijn van mening dat het aan het Hof staat te beoordelen hoe de bestreden bepaling dient te worden geïnterpreteerd, en niet aan de Ministerraad. In elk geval blijkt dat de draagwijdte van de bestreden bepaling onduidelijk is en dus op gespannen voet staat met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Het lijkt erop dat de bestreden bepaling niet alleen een vermoeden van gebruik, maar een vermoeden van schuld, en dus een omkering van bewijslast invoert. Dat vermoeden wijkt af van het beginsel dat de bewijslast in strafzaken op de vervolgende partij rust. A.
  95. Volgens de verzoekende partijen verandert het arrest van het Hof nr. 57/2021 van 22 april 2021 niets aan de bevoegdheid van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter om de abonnee of gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst te identificeren. Het bestreden vermoeden van toerekenbaarheid blijft bijgevolg relevant. Ten aanzien van het vierde middel A.
  96. In hun vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3 van de bestreden wet niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 2, a), 6, 13 en 22 van de richtlijn 95/46/EG en met de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 9 en 15 van de richtlijn 2002/58/EG. Het middel valt uiteen in vijf onderdelen. A.34.
  97. In het eerste onderdeel van het vierde middel klagen de verzoekende partijen aan dat de toegang tot de op grond van de bestreden wet verzamelde en bewaarde identificatiegegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, een ongerechtvaardigde beperking van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vormt. A.34.
  98. De bestreden bepaling laat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toe de medewerking van een bank of financiële instelling te vorderen om over te gaan tot het identificeren van de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart. Het betreft dus een toegang tot persoonsgegevens die zijn verwerkt op grond van de wet van 29 mei
  99. Een dergelijke procedure vormt een inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat een dergelijke beperking moet berusten op één van de doelstellingen die limitatief zijn vermeld in artikel 15, lid 1, eerste zin, van de richtlijn 2002/58/EG. Doelstellingen die te maken hebben met de bestrijding van misdrijven, mogen, gelet op de aard van de in het geding zijnde beginselen, slechts betrekking hebben op zware misdaden. Bovendien mag de toegang tot de verwerkte persoonsgegevens niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. Tot slot moet het wetgevend kader de materiële en procedurele voorwaarden van de toegang bepalen, alsook adequate waarborgen bevatten om misbruik van die gegevens tegen te gaan. De naleving van die voorwaarden moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit. A.34.
  100. Het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 16/2, §§ 2 tot 4, van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » biedt volgens de verzoekende partijen onvoldoende waarborgen. Het onderwerpt de identificatie van de eindgebruiker van vooraf betaalde kaarten aan de gewone methode voor het verzamelen van gegevens. Dit impliceert dat die gegevens mogen worden gebruikt door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten telkens wanneer dat in het belang van de uitoefening van hun opdrachten is. Aldus kunnen zij toegang tot de verzamelde gegevens vragen, en daarvoor desnoods de medewerking van een bank of een financiële instelling vorderen, los van een potentiële terroristische dreiging en los van de bestrijding van de zware misdaad. Daarnaast beperkt de bestreden bepaling de toegang tot de identificatiegegevens van de eindgebruiker niet tot verdachten van zware misdaden of van terroristische activiteiten. Evenmin somt zij de objectieve elementen op die een toegang tot die gegevens kunnen verantwoorden. Aldus gaat zij verder dan strikt noodzakelijk is in het licht van de nationale veiligheid, de staatsveiligheid, de openbare veiligheid en de bestrijding van zware misdaden. A.35.
  101. In het tweede onderdeel van het vierde middel klagen de verzoekende partijen aan dat de toegang tot de op grond van de bestreden wet verzamelde en bewaarde identificatiegegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bestaanbaar is met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doordat de toegang tot de bewaarde gegevens niet afhankelijk wordt gemaakt van een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit. A.35.
  102. Het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 16/2, § 2, van de wet van 30 november 1998 onderwerpt de vordering door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de medewerking van een bank of een financiële instelling om de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart te identificeren, niet aan een rechterlijke controle. De vordering geschiedt immers door het diensthoofd of zijn afgevaardigde. In beginsel gaat het om de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. De vordering is niet onderworpen aan een voorafgaand eensluidend advies van de bestuurlijke commissie belast met het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bedoeld in artikel 43/1 van de wet van 30 november
  103. Evenmin wordt voorzien in enige voorafgaande rechterlijke controle. A.36.
  104. In het derde onderdeel van het vierde middel klagen de verzoekende partijen aan dat de toegang tot de op grond van de bestreden wet verzamelde en bewaarde identificatiegegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bestaanbaar is met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doordat de bestreden bepaling geen materiële en procedurele voorwaarden voor de toegang tot de bewaarde gegevens bevat. A.36.
  105. De bestreden bepaling vermeldt alleen dat de toegang tot de bewaarde identificatiegegevens geschiedt « op vordering », en dat die vordering schriftelijk dient te worden ingediend, behoudens hoogdringendheid. De vordering moet niet met redenen zijn omkleed. Ook de aard van de opgevraagde gegevens wordt niet nader toegelicht. Evenmin worden de materiële en de procedurele voorwaarden waaraan de vordering dient te voldoen, nader gepreciseerd. Nochtans worden de banken en de financiële instellingen onder druk gezet om op die vordering in te gaan, aangezien zij anders krachtens artikel 16/2, § 3, van de wet van 30 november 1998 een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro, vermeerderd met opdeciemen, riskeren. A.
  106. In het vierde onderdeel van het vierde middel klagen de verzoekende partijen aan dat de toegang tot de op grond van de bestreden wet verzamelde en bewaarde identificatiegegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bestaanbaar is met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doordat de bestreden bepaling niet regelt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die toegang hebben gehad tot de verwerkte persoonsgegevens, de betrokken eindgebruiker daarvan op de hoogte moeten brengen, en doordat zij niet voorziet in een daadwerkelijke rechterlijke controle, zowel in feite als in rechte, op de rechtmatigheid van die toegang. A.
  107. In het vijfde onderdeel van het vierde middel klagen de verzoekende partijen aan dat de toegang tot de op grond van de bestreden wet verzamelde en bewaarde identificatiegegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bestaanbaar is met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doordat de bestreden bepaling niet uitsluit dat buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten toegang krijgen tot de bewaarde identificatiegegevens. Artikel 20 van de wet van 30 november 1998 maakt een dergelijke uitwisseling van persoonsgegevens zelfs uitdrukkelijk mogelijk. Die bepaling maakt geen enkel onderscheid naar gelang van de aard van de meegedeelde gegevens of het nut ervan voor lopende onderzoeken. A.39.
  108. De Ministerraad is van mening dat de vijf onderdelen van het vierde middel in wezen tot één rechtsvraag terug te brengen zijn. Dat middel is overigens niet ontvankelijk in zoverre het Hof wordt verzocht om de bestreden bepaling te toetsen aan de richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG. In elk geval blijkt dat de toegang van de veiligheids- en inlichtingendiensten tot bepaalde bankgegevens, met name de gegevens die de identificatie van de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart mogelijk maken, geen betrekking hebben op persoonsgegevens, zodat de richtlijn 2002/58/EG niet van toepassing is. Artikel 1, lid 1, van de richtlijn 2002/58/EG en artikel 3, lid 1, van de richtlijn 95/46/EG bepalen immers dat die richtlijnen niet van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens die voortkomen uit activiteiten van de veiligheid van de Staat, de landsverdediging, de openbare veiligheid, en het voorkomen, het onderzoeken, het opsporen en vervolgen van strafbare feiten of schendingen van de beroepscode voor gereglementeerde beroepen. De bestreden bepaling maakt deel uit van het straf- en strafprocesrecht, de openbare veiligheid en de bescherming en de veiligheid van de Staat. Die materies vallen niet onder het toepassingsgebied van het Europees Unierecht. A.39.
  109. De verwijzing van de verzoekende partijen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie is volgens de Ministerraad naast de kwestie. Het arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016 in zake Tele2 Sverige (C-203/15 en C-698/15) handelde immers over verkeers- en lokalisatiegegevens, terwijl artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 slechts betrekking heeft op identificatiegegevens. Zelfs indien de lering uit dat arrest zou moeten worden doorgetrokken, dient te worden vastgesteld dat de mogelijke inmenging in het privé- en gezinsleven veel beperkter is wanneer loutere identificatiegegevens in het geding zijn. Die gegevens laten op zich immers niet toe de bron, de bestemmeling, de datum, het tijdstip, de duur en de aard van een communicatie te bepalen. Ook de frequentie van de communicaties tussen twee personen kan niet op basis van die gegevens worden vastgesteld. De loutere identificatiegegevens laten bijgevolg niet toe precieze conclusies te trekken over het privéleven van personen van wie die gegevens worden bewaard, zoals hun dagelijkse gewoonten, hun permanente of tijdelijke verblijfplaats, hun dagelijkse of andere verplaatsingen, de activiteiten die zij uitoefenen, hun sociale relaties of de kringen waarin zij verkeren. De vraag rijst dus of er wel sprake is van een inmenging in het privé- en gezinsleven indien enkel de medewerking van een bank of een financiële instelling wordt gevorderd om over te gaan tot het identificeren van de eindgebruiker van een vooraf betaalde kaart. A.39.
  110. Tot slot bevat de wet van 30 november 1998 voldoende waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarom dient de vordering te worden ondertekend door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. Bovendien moet de dienst voor de Veiligheid van de Staat een lijst bijhouden van alle gevorderde identificaties en moet hij iedere maand een lijst van de gevorderde gegevens doorsturen aan het Comité I. Die waarborgen volstaan in het licht van de zeer beperkte inmenging in het privé- en gezinsleven die uit de bestreden bepaling kan voortvloeien. A.40.
  111. Volgens de verzoekende partijen is de richtlijn 2002/58/EG van toepassing, aangezien deze betrekking heeft op alle verwerkingen van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken, alsook op elke persoon die hierdoor indirect of direct kan worden geïdentificeerd. Die richtlijn maakt geen enkel onderscheid naar gelang van de materie. Aangezien de operatoren worden verplicht om de referentie van de banktransacties waarmee de vooraf betaalde kaart wordt aangekocht, op te slaan, en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zich toegang kunnen verschaffen tot die gegevens, gaat het om een verwerking van persoonsgegevens in het kader van elektronische- communicatiediensten, zodat de richtlijn 2002/58/EG van toepassing is. A.40.
  112. Het door de Ministerraad gemaakte onderscheid tussen verkeers- en lokalisatiegegevens, enerzijds, en loutere identificatiegegevens, anderzijds, doet volgens de verzoekende partijen niet ter zake. Van belang is enkel dat persoonsgegevens worden verwerkt met het oog op de staatsveiligheid, en dat de nationale autoriteiten daar toegang toe hebben. In die zin is de verwijzing naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016 wel degelijk relevant. Bovendien kunnen de bewaarde identificatiegegevens niet worden losgekoppeld van de bewaarde lokalisatie- en communicatiegegevens. Zodra een overheid krachtens de bestreden wet een eindgebruiker van een elektronische-communicatiedienst heeft geïdentificeerd, kan zij die gegevens immers zelf verbinden met de andere persoonsgegevens die over de betrokkene werden verwerkt, waaronder zijn lokalisatie- en communicatiegegevens. Aldus is een identificatie van de eindgebruiker een eerste stap in de verregaande inmenging in het privé- en gezinsleven zoals die door de Ministerraad werd beschreven. A.40.
  113. De drie door de Ministerraad opgesomde waarborgen volstaan geenszins in het licht van een dergelijke beperking van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, zoals ook blijkt uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om in overeenstemming te zijn met die rechtspraak, had de bestreden wet moeten bepalen dat de toegang tot de bewaarde gegevens slechts kan worden verleend in het kader van de bestrijding van zware misdaden, had zij die toegang aan het voorafgaande oordeel van een rechterlijke instantie of van een onafhankelijke bestuurlijke commissie moeten onderwerpen, had zij de materiële en procedurele voorwaarden van die toegang moeten regelen, had zij moeten bepalen dat de geïdentificeerde eindgebruikers op de hoogte moeten worden gebracht van elke toegang tot hun identificatiegegevens en hun in dat kader een daadwerkelijke toegang tot de rechter moeten toekennen, en had zij moeten bepalen dat de identificatiegegevens niet mogen worden uitgewisseld met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. A.
  114. De Ministerraad benadrukt dat de bestreden bepaling geen betrekking heeft op identificatiegegevens, maar op de toegang tot bankgegevens. Hierop zijn de in het middel vermelde toetsingsnormen, en minstens de in het middel vermelde richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, niet van toepassing. Het feit dat de eindgebruiker niet in kennis wordt gesteld van de verwerking van en toegang tot zijn persoonsgegevens, wordt verklaard door de eigenheid van het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dat erin bestaat de veiligheid van de Staat te waarborgen, onder meer tegen terroristische aanslagen. Die diensten hebben geen gerechtelijke finaliteit en de verwerkte persoonsgegevens worden niet gebruikt in strafzaken. A.
  115. In hun aanvullende memorie wijzen de verzoekende partijen erop dat het arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 de regels inzake de toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de bewaarde identificatiegegevens niet heeft gewijzigd. Ook het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 in zake La Quadrature du Net e.a. (C-511/18) heeft geen invloed op het vierde middel. Wel dient volgens hen te worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 in zake Prokuratuur (C-746/18), waarin het Hof van Justitie heeft gedefinieerd wat dient te worden verstaan onder de « onafhankelijke bestuurlijke autoriteit » die moet instaan voor het voorafgaande toezicht op de toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de verwerkte persoonsgegevens. Die instantie moet bevoegd zijn om alle betrokken belangen en rechten met elkaar in overeenstemming te brengen en zij moet haar taken objectief en onpartijdig kunnen uitoefenen zonder enige invloed van buitenaf. Aangezien artikel 16/2, § 2, van de wet van 30 november 1998 slechts een toelating van het diensthoofd of zijn afgevaardigde vereist, zonder voorafgaande machtiging van de BIM-commissie, is in casu geen sprake van een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit. Bovendien waarborgt de bestreden bepaling niet dat de toegang van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot de verwerkte persoonsgegevens beperkt blijft tot gevallen waarin vitale belangen van nationale veiligheid, landsverdediging of openbare veiligheid op het spel staan. Zij waarborgt evenmin dat de betrokkene kennis krijgt van die toegang opdat hij zijn recht op jurisdictionele controle zou kunnen uitoefenen. Nochtans heeft het Hof bij zijn arrest nr. 41/2019 van 14 maart 2019 de wetgever verplicht om te voorzien in een mechanisme van actieve kennisgeving waarmee de betrokkene ervan in kennis wordt gesteld dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een maatregel van geheim toezicht door de veiligheids- en inlichtingendiensten. Tot slot wijzen de verzoekende partijen erop dat bij wet van 30 maart 2017 de maandelijkse toezending aan het Comité I van de lijst van gevorderde gegevens is afgeschaft. Die waarborg waarnaar de Ministerraad verwijst, is bijgevolg weggevallen. Ten aanzien van de handhaving A.
  116. In hun aanvullende memorie wijzen de verzoekende partijen tot slot erop dat het Hof van Justitie bij zijn arrest van 6 oktober 2020 in zake La Quadrature du Net e.a. (C-511/18) heeft geoordeeld dat het Grondwettelijk Hof de wetsbepalingen die in strijd met dat arrest waren, diende te vernietigen, zonder de gevolgen ervan te mogen handhaven. Bijgevolg kunnen ook de gevolgen van de bestreden wet niet worden gehandhaafd. -B- B.1.
  117. De wet van 1 september 2016 « tot wijziging van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst » (hierna : de bestreden wet) bepaalt : « HOOFDSTUK
  118. - Voorwerp Artikel
  119. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK
  120. - Wijzigingen van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie Art.
  121. In artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010, 10 juli 2012, 27 maart 2014 en 29 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de Franse tekst, in het eerste lid worden de woorden ‘ aux canaux de vente de services de communications électroniques, aux entreprises fournissant un service d'identification ' ingevoegd tussen de woorden ‘ visés à l'article 126, § 1er, alinéa 1er, ' en de woorden ‘ ou aux utilisateurs finals '; b) in het eerste lid worden de woorden ‘ de verkoopkanalen van elektronische- communicatiediensten, de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken ' ingevoegd tussen de woorden ‘ bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid,' en de woorden ‘ of aan de eindgebruikers '; c) tussen het eerste en het tweede lid worden zeven leden ingevoegd, luidende : ‘ Wat de identificatie van de eindgebruiker betreft, is de operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, verantwoordelijk voor de verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Behoudens tegenbewijs wordt de geïdentificeerde persoon geacht zelf de elektronische- communicatiedienst te gebruiken. Wanneer de eindgebruiker een identificatiedocument voorlegt waarop het rijksregisternummer staat, verzamelt de operator, de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten of de onderneming die een identificatiedienst verstrekt, dat nummer. Het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten bewaart geen identificatiegegevens of -documenten, die worden overgezonden naar de operator, naar de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, of naar de onderneming die een identificatiedienst verstrekt. Indien een rechtstreekse invoer in de computersystemen van de operator, van de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, of van de onderneming die een identificatiedienst verstrekt, niet mogelijk is, mag het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten een kopie maken van het identificatiedocument, waaronder van de Belgische elektronische identiteitskaart, maar deze kopie wordt uiterlijk na de activering van de elektronische- communicatiedienst vernietigd. De operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, bewaart een kopie van de andere identificatiedocumenten dan de Belgische elektronische identiteitskaart. De verzamelde identificatiegegevens en -documenten worden bewaard overeenkomstig artikel 126, § 3, eerste lid. ' 2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende : ‘ De in dit koninklijk besluit gedefinieerde, niet-geïdentificeerde eindgebruikers van voorafbetaalde kaarten die zijn gekocht voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 1, identificeren zich binnen de termijn die wordt vastgesteld door de operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, waarbij deze termijn niet langer mag zijn dan zes maanden na de bekendmaking van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf
  122. Het in paragraaf 2 bedoelde verbod geldt pas na het einde van de termijn die aan de eindgebruiker wordt toegestaan om zich te identificeren. ' 3° in paragraaf 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de Franse tekst, worden de woorden ‘ ou un fournisseur visé à l'article 126, § 1er, alinéa 1er, ' ingevoegd tussen de woorden ‘ un opérateur ' en de woorden ‘ ne respecte pas les mesures techniques et administratives qui lui sont imposées '; b) de woorden ‘ binnen de door de Koning vastgestelde termijn ' worden opgeheven; c) de woorden ‘ of een aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, ' worden ingevoegd tussen de woorden ‘ een operator ' en de woorden ‘ niet voldoet aan de hem opgelegde technische en administratieve maatregelen '; d) in de Franse tekst worden de woorden ‘ dans le délai fixé ' vervangen door de woorden ‘ par le présent article ou '; e) tussen de woorden ‘ niet voldoen aan de hen ' en de woorden ‘ opgelegde technische en administratieve maatregelen ' worden de woorden ‘ door dit artikel of door de Koning ' ingevoegd; 4° in paragraaf 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de Franse tekst, in het eerste lid, worden de woorden ‘ et les fournisseurs visés à l'article 126, § 1er, alinéa 1er, ' ingevoegd tussen de woorden ‘ Les opérateurs ' en de woorden ‘ déconnectent les utilisateurs finals '; b) in het eerste lid worden de woorden ‘ en de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, ' ingevoegd tussen de woorden ‘ De operatoren ' en de woorden ‘ sluiten de eindgebruikers '; c) in de Franse tekst, in het eerste lid, worden de woorden ‘ dans le délai fixé ' vervangen door de woorden ‘ par le présent article ou '; d) in het eerste lid worden de woorden ‘ binnen de door de Koning vastgestelde termijn ' opgeheven; e) in het eerste lid worden de woorden ‘ door dit artikel of door de Koning ' ingevoegd tussen de woorden ‘ niet voldoen aan de hen ' en de woorden ‘ opgelegde technische en administratieve maatregelen '; f) het tweede lid wordt opgeheven. HOOFDSTUK
  123. - Wijzigingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst Art.
  124. In artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het huidige eerste tot vierde lid zullen de paragraaf 1 vormen en in de Franse tekst wordt het woord ‘ chef ' telkens vervangen door het woord ‘ dirigeant '; 2° er wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende : ‘ §
  125. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een bank of financiële instelling om over te gaan tot het identificeren van de eindegebruiker van de in artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bedoelde voorafbetaalde kaart, op basis van de referentie van een elektronische banktransactie die verband houdt met de voorafbetaalde kaart en die voorafgaand meegedeeld is door een operator of verstrekker in toepassing van paragraaf
  126. De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn afgevaardigde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen de vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering. Iedere bank en iedere financiële instelling die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn afgevaardigde onverwijld de gegevens waar om werd verzocht. De identificatiegegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen het uitoefenen van de in deze paragraaf bedoelde methode ontvangen, zijn beperkt tot de identificatiegegevens bedoeld in paragraaf
  127. '; 3° het huidige vijfde lid zal de paragraaf 3 vormen; 4° in het huidige zesde lid, waarvan de tekst paragraaf 4 zal vormen, worden de woorden ‘ de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdiensten ' vervangen door de woorden ‘ de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst ' en in de Franse tekst worden de woorden ‘ et de sécurité ' ingevoegd tussen de woorden ‘ service de renseignement ' en het woord ‘ concerné ' ». B.1.
  128. De bestreden wet maakt deel uit van de antiterreurmaatregelen die zijn genomen in de nasleep van de terroristische aanslagen te Parijs op 13 november 2015 en te Brussel op 22 maart 2016 (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1964/001, p. 2). Artikel 2 van de bestreden wet wijzigt artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 « betreffende de elektronische communicatie » (hierna : de wet van 13 juni 2005) met het oog op de afschaffing van de anonimiteit van vooraf betaalde belkaarten. Artikel 3 van de bestreden wet wijzigt artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 « houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » (hierna : de wet van 30 november 1998) om de identificatie van de eindgebruiker van een vooraf betaalde belkaart mogelijk te maken op basis van de onlinebanktransactie waarmee zij is aangekocht. B.2.
  129. Het bij artikel 2 van de bestreden wet gewijzigde artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 bepaalt : « §
  130. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Instituut, de technische en administratieve maatregelen die aan de operatoren, aan de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten, de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken of aan de eindgebruikers worden opgelegd om : 1° in het kader van een noodoproep de oproeplijn te kunnen identificeren; 2° de eindgebruiker te kunnen identificeren en het opsporen, lokaliseren, afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie mogelijk te maken onder de voorwaarden bepaald door de artikelen 46bis, 88bis en 90ter tot 90decies van het Wetboek van strafvordering en door de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Wat de identificatie van de eindgebruiker betreft, is de operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, verantwoordelijk voor de verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Behoudens tegenbewijs wordt de geïdentificeerde persoon geacht zelf de elektronische- communicatiedienst te gebruiken. Wanneer de eindgebruiker een identificatiedocument voorlegt waarop het rijksregisternummer staat, verzamelt de operator, de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten of de onderneming die een identificatiedienst verstrekt, dat nummer. Het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten bewaart geen identificatiegegevens of -documenten, die worden overgezonden naar de operator, naar de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, of naar de onderneming die een identificatiedienst verstrekt. Indien een rechtstreekse invoer in de computersystemen van de operator, van de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, of van de onderneming die een identificatiedienst verstrekt, niet mogelijk is, mag het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten een kopie maken van het identificatiedocument, waaronder van de Belgische elektronische identiteitskaart, maar deze kopie wordt uiterlijk na de activering van de elektronische- communicatiedienst vernietigd. De operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, bewaart een kopie van de andere identificatiedocumenten dan de Belgische elektronische identiteitskaart. De verzamelde identificatiegegevens en -documenten worden bewaard overeenkomstig artikel 126, § 3, eerste lid. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de tarieven voor de vergoeding van de medewerking van de operatoren en de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, aan de in het eerste lid, 2°, bedoelde verrichtingen alsook de termijn waarbinnen de operatoren of de abonnees moeten voldoen aan de opgelegde maatregelen. §
  131. De levering of het gebruik van een dienst of van apparatuur die de uitvoering bemoeilijkt of verhindert van de in § 1 bedoelde verrichtingen, zijn verboden, met uitzondering van encryptiesystemen die kunnen worden gebruikt om de vertrouwelijkheid van de communicatie en de veiligheid van betalingen te garanderen. §
  132. Totdat de maatregelen, bedoeld in § 1, in werking treden, is het verbod bedoeld in § 2 niet van toepassing op de mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart. De in dit koninklijk besluit gedefinieerde, niet-geïdentificeerde eindgebruikers van voorafbetaalde kaarten die zijn gekocht voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf 1, identificeren zich binnen de termijn die wordt vastgesteld door de operator of de aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, waarbij deze termijn niet langer mag zijn dan zes maanden na de bekendmaking van het koninklijk besluit bedoeld in paragraaf
  133. Het in paragraaf 2 bedoelde verbod geldt pas na het einde van de termijn die aan de eindgebruiker wordt toegestaan om zich te identificeren. §
  134. Indien een operator of een aanbieder bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, niet voldoet aan de hem door dit artikel of door de Koning opgelegde technische en administratieve maatregelen, is het hem verboden de dienst, waarvoor de betrokken maatregelen niet genomen zijn, aan te bieden. §
  135. De operatoren en de aanbieders bedoeld in artikel 126, § 1, eerste lid, sluiten de eindgebruikers die niet voldoen aan de hen door dit artikel of door de Koning opgelegde technische en administratieve maatregelen af van de netwerken en diensten waarop de opgelegde maatregelen van toepassing zijn. Die eindgebruikers worden op geen enkele wijze vergoed voor de afsluiting ». B.2.
  136. Artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 heeft steeds als uitgangspunt gehad dat alle eindgebruikers van elektronische-communicatienetwerken identificeerbaar moeten zijn. Initieel legde die bepaling slechts verplichtingen op aan de operatoren, de aanbieders en de eindgebruikers van die diensten. Artikel 127, § 1, eerste lid, bevat een algemene machtiging aan de Koning om de technische en administratieve maatregelen te bepalen om die identificeerbaarheid mogelijk te maken. Die identificeerbaarheid dient een tweevoudig doel. Ten eerste beoogt zij de goede werking van de spoeddiensten te ondersteunen door toe te laten dat de oproeplijn van een noodoproep wordt geïdentificeerd (artikel 127, § 1, eerste lid, 1°). Ten tweede draagt zij bij aan het opsporen, lokaliseren, afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie onder de voorwaarden bepaald door de artikelen 46bis, 88bis en 90ter tot 90decies van het Wetboek van strafvordering en door de wet van 30 november 1998 (artikel 127, § 1, eerste lid, 2°). Artikel 127, § 2, van de wet van 13 juni 2005 verbiedt de levering of het gebruik van diensten of apparatuur die de identificeerbaarheid bemoeilijken, met uitzondering van encryptiesystemen die kunnen worden gebruikt om de vertrouwelijkheid van de communicatie en de veiligheid van betalingen te waarborgen. Artikel 127, § 3, van dezelfde wet voorzag initieel in een tijdelijke uitzondering op dat verbod voor de eindgebruikers van vooraf betaalde belkaarten. Die eindgebruikers waren vrijgesteld van de vereiste om identificeerbaar te zijn zolang de Koning de in artikel 127, § 1, bedoelde technische en administratieve maatregelen nog niet had genomen. B.2.
  137. Artikel 2 van de bestreden wet heeft artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 op verschillende punten gewijzigd. Ten eerste heeft het het toepassingsgebied ervan uitgebreid door sommige van de erin vervatte verplichtingen ook op te leggen aan de verkoopkanalen van elektronische-communicatiediensten en aan de ondernemingen die een identificatiedienst verstrekken. Ten tweede heeft die bepaling een aantal aspecten van de identificatie van de eindgebruiker wettelijk verankerd. Zo worden de operator en de aanbieder aangeduid als de verwerkers van persoonsgegevens (artikel 127, § 1, tweede lid). Tevens wordt bepaald dat, behoudens tegenbewijs, de geïdentificeerde persoon wordt geacht zelf de elektronische- communicatiedienst te gebruiken (artikel 127, § 1, derde lid), dat de identificatie dient te gebeuren op grond van een identificatiedocument waarop het rijksregisternummer staat (artikel 127, § 1, vierde lid), en dat het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten geen kopieën van de identificatiegegevens of -documenten die het naar de operator doorstuurt, mag bewaren (artikel 127, § 1, vijfde tot zevende lid). Ten derde bevat die bepaling enkele specifieke machtigingen aan de Koning, zoals de machtiging verleend aan de Koning in het nieuwe artikel 127, § 1, achtste lid, van de wet van 13 juni 2005 om de vergoeding van de operatoren en aanbieders te bepalen voor de gevallen waarin zij dienen mee te werken aan de identificatie van de eindgebruikers van hun diensten, alsook om de termijn te bepalen waarbinnen de operatoren en de abonnees dienen te voldoen aan de opgelegde maatregelen. Het nieuwe tweede lid van artikel 127, § 3, van de wet van 13 juni 2005 machtigt de Koning om de termijn te bepalen waarbinnen de eindgebruiker van een vooraf betaalde belkaart die is aangekocht vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, zich dient te identificeren. Die termijn mag niet langer zijn dan zes maanden na de bekendmaking van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 127, § 1, van dezelfde wet. Krachtens het nieuwe artikel 127, § 3, tweede lid, van de wet van 13 juni 2005 is de anonimiteit van de vooraf betaalde belkaarten pas opgeheven na afloop van die termijn. B.2.
  138. De Koning heeft artikel 127 van de wet van 13 juni 2005, althans voor wat betreft de elektronische-communicatiediensten die worden aangeboden op grond van een vooraf betaalde belkaart, ten uitvoer gelegd bij het koninklijk besluit van 27 november 2016 « betreffende de identificatie van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische- communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart » (hierna : het koninklijk besluit van 27 november 2016). Artikel 2, 4°, van dat koninklijk besluit definieert het geldige identificatiedocument als « de Belgische identiteitskaart of een identiteitskaart van een lidstaat van de Europese Unie, een Belgische elektronische kaart voor buitenlanders, het document dat het nummer vermeldt dat bedoeld is in art. 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of in art. 2, tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of een internationaal paspoort of een officieel document dat, tijdelijk, één van de voormelde documenten vervangt dat werd kwijt geraakt of gestolen, op voorwaarde dat het identificatiedocument origineel, leesbaar en geldig is ». De artikelen 3 tot 6 van het koninklijk besluit van 27 november 2016 leggen verplichtingen op aan de eindgebruikers van vooraf betaalde belkaarten. Zij moeten zichzelf bij de operator identificeren telkens wanneer die dat vraagt. Wanneer zij een nieuwe vooraf betaalde belkaart kopen, delen zij uiterlijk bij de activering ervan hun identiteit mee aan de operator volgens één van de geldige identificatiemethodes. Het is hun in beginsel verboden hun vooraf betaalde kaart aan derden over te dragen, tenzij in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 5 van het koninklijk besluit. Wanneer zij hun vooraf betaalde kaart verliezen of wanneer deze wordt gestolen, dienen zij de operator daar binnen de 24 uur van op de hoogte te brengen. De artikelen 7 tot 9 van hetzelfde koninklijk besluit leggen verplichtingen op aan de operatoren. Zij moesten alle eindgebruikers van vooraf betaalde kaarten die waren verkocht vóór de inwerkingtreding, op 17 december 2016, van dat koninklijk besluit identificeren vóór 7 juni
  139. Sinds de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit mogen zij geen nieuwe vooraf betaalde kaarten activeren indien de eindgebruiker nog niet is geïdentificeerd. Indien zij door de eindgebruiker worden verwittigd van het verlies of de diefstal van de vooraf betaalde belkaart, dienen zij die onmiddellijk onbruikbaar te maken. B.2.
  140. De artikelen 9 tot 12 van hetzelfde koninklijk besluit bepalen hoe de eindgebruiker van een vooraf betaalde belkaart dient te worden geïdentificeerd en hoe zijn identificatiegegevens worden verwerkt. De operator, de leverancier van een identificatiedienst of het verkoopkanaal van elektronische-communicatiediensten verzamelen die gegevens door de Belgische elektronische identiteitskaart via elektronische weg te lezen, die in te scannen of er een kopie of foto van te maken, met inbegrip van de foto op die kaart en het nummer van die kaart. De operator dient vóór de activering van de vooraf betaalde belkaart te controleren of de voorgelegde identiteitskaart is gestolen of het voorwerp uitmaakt van fraude. De operator bewaart de identificatiemethode die gebruikt is om de eindgebruiker te identificeren zolang diens identificatiegegevens mogen worden bewaard krachtens artikel 126 van de wet van 13 juni
  141. De door de operator te bewaren gegevens worden vastgelegd afhankelijk van de gekozen identificatiemethode, maar omvatten maximaal de naam en voornaam, het geslacht, de nationaliteit, de geboorteplaats en -datum, het adres van de woonplaats, het e-mailadres en het telefoonnummer, het rijksregisternummer, het nummer van het identiteitsstuk, het land van uitgifte van het document wanneer het een buitenlands document betreft en de geldigheidsdatum van het document, de referenties van de betalingstransactie, het verband van de vooraf betaalde kaart met het product waarvoor de eindgebruiker reeds geïdentificeerd is, en de foto van de eindgebruiker, maar die laatste enkel voor andere documenten dan de Belgische elektronische identiteitskaart. Wanneer de foto op de Belgische elektronische identiteitskaart werd verstrekt aan de operator of de leverancier van een identificatiedienst, vernietigen zij die foto uiterlijk vóór de activering van de vooraf betaalde kaart. Het koninklijk besluit van 27 november 2016 bepaalt tevens de geldige identificatiemethodes, zijnde de identificatie op basis van de identificatiedocumenten in aanwezigheid van de eindgebruiker (artikel 14), de online-identificatie en elektronische ondertekening via de elektronische identiteitskaart bij de betrokken onderneming (artikel 15), de identificatie via de leverancier van een identificatiedienst (artikel 16), de identificatie op grond van de onlinebetalingstransactie (artikel 17), de productuitbreiding of -migratie (artikel 18) en de verificatie via elektronisch communicatiemiddel (artikel 19). B.2.
  142. In de parlementaire voorbereiding werd de afschaffing van de anonimiteit voor de vooraf betaalde belkaarten als volgt verantwoord : « 1) In 2005 heeft de wetgever in artikel 127, § 3, een afwijking opgenomen voor de voorafbetaalde kaarten ten opzichte van het verbod voor een operator om diensten aan te bieden die het moeilijk of onmogelijk maken om de beller te identificeren. Hij heeft in artikel 127, § 1, eveneens bepaald dat een delegatie kan worden gegeven aan de Koning opdat deze laatste de nadere bepalingen voor de identificatie van de gebruikers van voorafbetaalde kaarten zou vastleggen. De bedoeling van de wetgever bestond erin om een einde te maken aan de anonimiteit voor de voorafbetaalde kaarten. 2) De wetgever, die niet rechtstreeks een einde maakte aan de anonimiteit voor de voorafbetaalde kaarten, had tot doel de penetratie van de mobiele telefonie te bevorderen. Dat doel is helemaal verwezenlijkt vandaag. 3) Het schrappen van de anonimiteit voor de voorafbetaalde kaarten is iets wat de gerechtelijke overheden

(1999), de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de nooddiensten die ter plaatse hulp bieden reeds lang vragen. Deze laatsten hebben, bij een noodoproep, het recht om automatisch en systematisch de identiteitsgegevens met betrekking tot de persoon die belt te krijgen, zoals die gedefinieerd zijn in artikel 2, 57°, van de WEC, in het belang van de veiligheid van de burger (zie artikel 107 van de WEC). 4) De voorafbetaalde kaarten zijn wijd verspreid in criminele kringen. 5) De identificatie van de gebruiker van een elektronische-communicatiedienst is het eerste obstakel dat Justitie of de inlichtingen- of veiligheidsdiensten moeten overwinnen alvorens, desgevallend, andere maatregelen te treffen. Zonder identificatie verliezen deze andere maatregelen een groot deel van hun nut. 6) Wanneer Justitie of de inlichtingen- of veiligheidsdiensten vandaag niet in staat zijn om de identificatie van de eindgebruiker te krijgen omdat deze gebruiker op anonieme wijze een voorafbetaalde kaart heeft gekocht, worden ze genoopt om een beroep te doen op andere technieken om toch de gezochte persoon te identificeren. Die indirecte andere technieken houden grotere kosten in en zijn indringender voor de persoonlijke levenssfeer dan een eenvoudige identificatie bij de aankoop van een voorafbetaalde kaart. De identificatie van een persoon die heeft ingetekend op een dienst efficiënter maken door de anonimiteit voor de voorafbetaalde kaarten weg te nemen heeft dus tot gevolg dat de kosten voor Justitie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (alsook het aantal verzoeken gericht aan de operatoren) dalen en dat een onnodige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon en de personen die een band hebben met deze laatste, wordt vermeden. 7) Zoals de Raad van State stelt in zijn advies nr. 58.750/4 van 18 januari 2016 moet enerzijds worden opgemerkt dat alleen de kopers van voorafbetaalde kaarten tot op heden anoniem konden blijven, in tegenstelling tot abonnementhouders, en anderzijds dat vanaf de aanneming van de WEC dit stelsel van anonimiteit is opgevat als zijnde bestemd om een tijdelijk karakter te krijgen. In die context heeft de onderzochte bepaling dus tot gevolg, in rechte en in feite, dat er een ongedifferentieerde behandeling wordt hersteld tussen de gebruikers van de betreffende elektronische-communicatiediensten, en aldus een einde wordt gemaakt aan een tijdelijke, gedifferentieerde behandeling, die gunstiger was voor de gebruikers van voorafbetaalde kaarten. De nieuwe leden 2 tot 8 van artikel 127, § 1, zijn van toepassing op alle elektronische- communicatiediensten. Het nieuwe tweede lid ingevoerd in paragraaf 3 van artikel 127 is echter specifiek voor de mobiele diensten die worden verstrekt op basis van een voorafbetaalde kaart » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1964/001, pp. 4-6). B.2.
  1. Uit het voorgaande volgt dat de identificeerbaarheid van alle eindgebruikers van elektronische-communicatienetwerken reeds bij aanvang het uitgangspunt van artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 was en dat de anonimiteit van de eindgebruikers van vooraf betaalde belkaarten steeds als een tijdelijke uitzondering is opgevat. Bovendien was het niet zozeer de wetgever, maar de Koning die de anonimiteit heeft afgeschaft door het koninklijk besluit van 27 november 2016 te nemen. B.3.
  2. Het bij artikel 3 van de bestreden wet gewijzigde artikel 16/2 van de wet van 30 november 1998 bepaalt : « §
  3. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot : 1° het identificeren van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel; 2° het identificeren van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt. De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de gegevens waar om werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie. Het diensthoofd of zijn gedelegeerde kan, mits naleving van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit en mits de registratie van de raadpleging, de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de klantenbestanden van de operator of van de dienstenverstrekker. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de technische voorwaarden waaronder deze toegang mogelijk is. §
  4. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een bank of financiële instelling om over te gaan tot het identificeren van de eindegebruiker van de in artikel 127 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bedoelde voorafbetaalde kaart, op basis van de referentie van een elektronische banktransactie die verband houdt met de voorafbetaalde kaart en die voorafgaand meegedeeld is door een operator of verstrekker in toepassing van paragraaf
  5. De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn afgevaardigde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen de vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering. Iedere bank en iedere financiële instelling die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn afgevaardigde onverwijld de gegevens waar om werd verzocht. De identificatiegegevens die de inlichtingen- en veiligheidsdiensten binnen het uitoefenen van de in deze paragraaf bedoelde methode ontvangen, zijn beperkt tot de identificatiegegevens bedoeld in paragraaf
  6. §
  7. Eenieder die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen of de vereiste toegang te verschaffen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro. §
  8. Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties en van alle via rechtstreekse toegang verkregen identificaties. Het Vast Comité I ontvangt van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties en van elke toegang ». B.3.
  9. De identificatie op grond van de onlinebanktransactie is één van de geldige identificatiemethoden bedoeld in het koninklijk besluit van 27 november
  10. Artikel 17 van dat koninklijk besluit bepaalt : « §
  11. De betrokken onderneming kan de eindgebruiker identificeren op basis van een elektronische betalingstransactie online specifiek om een voorafbetaalde kaart aan te kopen of te herladen. Deze methode is onderworpen aan de volgende voorwaarden : 1° de betalingstransactie moet worden afgehandeld via een betalingsdienstaanbieder zoals bedoeld in art. I.
  12. 2°, a), b), c), en d) van het Wetboek van Economisch Recht; 2° de betalingsdienstaanbieder is onderworpen aan de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; 3° er moet een nieuwe identificatie worden uitgevoerd binnen de 18 maanden die volgen op de betalingstransactie die is gelinkt aan de voorafbetaalde kaart; 4° op een online formulier van de betrokken onderneming vult de eindgebruiker op zijn minst zijn naam, zijn voornaam en geboortedatum en -plaats in. §
  13. De betrokken onderneming slaat de referentie van de betalingstransactie en de gegevens van het online formulier op ». B.3.
  14. In de parlementaire voorbereiding werd die verplichte medewerking van banken of financiële instellingen als volgt verantwoord : « Het koninklijk besluit betreffende de identificatie van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart, zal de manieren bepalen waarop een operator zijn eindgebruikers kan identificeren. Dit kan o.a. gebeuren door verificatie op basis van een online banktransactie. Laatstgenoemde identificatiemethode vormt de grondslag van voorliggend voorstel. De identificatie via banktransactie houdt in dat de eindgebruiker van een voorafbetaalde kaart (prepaid) zichzelf kan identificeren op basis van een elektronische banktransactie die verband houdt met de voorafbetaalde kaart. Deze methode is onderworpen aan meerdere voorwaarden :
(1)de transactie is verbonden aan een bankrekening waarvan de identiteit van de houder vooraf is geverifieerd. Deze methode mag niet worden toegepast in geval van een niet traceerbare bankkaart,
(2)de bank is in België gevestigd. De betrokken operator slaat de referentie van de banktransactie op. Het identificeren van de eindgebruiker van een voorafbetaalde kaart geschiedt via de uitoefening van twee vorderingen : 1° een vordering van een operator van een elektronisch communicatienetwerk, voor het bekomen van een identificatiegegeven (in toepassing van het huidige artikel 16/2) waarop de operator als antwoord de referentie van een banktransactie geeft, en 2° een vordering van een bank of financiële instelling voor het bekomen van de identiteit van de persoon die schuilgaat achter deze banktransactie (in toepassing van de nieuwe § 2 van artikel 16/2). Op grond van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid bij de Krijgsmacht de bevoegdheid om een operator van een elektronisch communicatienetwerk of een verstrekker van een elektronische communicatiedienst te vorderen om de abonnee of gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of -middel te identificeren. Deze bevoegdheid - die oorspronkelijk ondergebracht werd in de categorie van ‘ specifieke methoden ' - werd bij wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (de zogenaamde Potpourriwet 2), geherkwalificeerd als een gewone inlichtingenmethode. In tegenstelling tot de andere gewone methoden werden wel een aantal bijkomende materiële en formele voorwaarden gesteld (bevoegdheid enkel in hoofde van het diensthoofd of zijn gedelegeerde, en niet in hoofde van eender welke inlichtingenagent, verplichte registratie) alsook een bijkomend extern toezichtmechanisme (verplichte maandelijkse notificatie aan het Vast Comité I die op zijn beurt hierover rapporteert aan het Parlement en de bevoegde ministers). Het opvragen bij een bank of financiële instelling van informatie over banktransacties door een inlichtingen en veiligheidsdienst (artikel 18/15 wet van 30 november 1998) kan daarentegen enkel via de in de wet van 30 november 1998 vastgelegde procedure van toepassing bij de categorie van ‘ uitzonderlijke methoden '. Deze procedure vereist een voorafgaand eensluidend advies van de BIM-Commissie (de commissie belast met het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten) en de machtiging van het diensthoofd. Uitzonderlijke methoden zijn eveneens onderhevig aan strenge toepassingsvoorwaarden. De verschillende procedures waar beide vorderingen aan onderhevig zijn zorgt ervoor dat de identificatiemethode via banktransactie - in wezen een identificatie van de gebruiker van een elektronische communicatiedienst - in de feiten een uitzonderlijke methode verwordt. Dit is in strijd met de doelstelling nagestreefd in de Potpourriwet 2. Daarenboven dient indachtig gehouden te worden dat bij identificeren van de eindgebruiker van een voorafbetaalde kaart de informatie die aan de bank gevraagd wordt enkel dient om de identiteit te achterhalen van degene die een banktransactie verricht heeft, en er bijgevolg niet op gericht is een zicht te krijgen op de financiële situatie van deze persoon. Om informatie omtrent bankrekeningen te verkrijgen blijft de huidige regeling (uitzonderlijke methode) dus van toepassing. Via de gewone methode kan men met andere woorden enkel naam, voornaam, geslacht,

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.