← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.159

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.159 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211118.3 Arrest- Rolnummer: 159/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-02-22 Raadplegingen: 1053 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 187, § 9, van hetzelfde Wetboek, gesteld door de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel. Strafrechtspleging - Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling - Veroordeling bij verstek - Verzet - Ongedaan verzet - Rechtsmiddelen. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,§6,1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,§9 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Rolnummer 7252 Arrest nr. 159/2021 van 18 november 2021 ARREST __________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 187, § 9, van hetzelfde Wetboek, gesteld door de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 11 september 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 september 2019, heeft de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 187, § 6, 1°, in samenhang gelezen met artikel 187, § 9, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de veroordeelde persoon, ten aanzien van wie de maatregel van invrijheidstelling bij verstek is herroepen en wiens verzet als ongedaan werd beschouwd, elke mogelijkheid verliest om zijn verweermiddelen te doen gelden ? ». Memories zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. de Beco en Mr. D. Paci, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 22 september 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 oktober 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 oktober 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 27 maart 2017 beslist de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel om een voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen aan T.L., die werd veroordeeld tot vrijheidsstraffen die hij moet uitzitten tot 16 juli

  1. Die voorwaardelijke invrijheidstelling gaat gepaard met een proeftijd van twee jaar die verstrijkt op 2 april
  2. Op 16 juli 2018, na te hebben vastgesteld dat T.L. bepaalde voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling niet had nageleefd, maakt het openbaar ministerie bij dezelfde rechtbank een vordering tot herroeping van die maatregel aanhangig. T.L. wordt dan bij gerechtsbrief uitgenodigd om op 31 juli 2018 voor die rechtbank te verschijnen. Bij vonnis van 1 augustus 2018 stelt dat rechtscollege vast dat T.L. niet is verschenen op de terechtzitting van 31 juli waarvoor hij regelmatig was opgeroepen. Na onderzoek van de vordering van het openbaar ministerie beslist het vervolgens om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen die in 2017 aan T.L. is toegekend en geeft het aan dat die laatste bijgevolg in beginsel nog 181 dagen hechtenis zal moeten uitzitten. Op 13 juni 2019 tekent T.L. verzet aan tegen het vonnis van 1 augustus
  3. Op 1 en 8 juli 2019 hoort de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel het openbaar ministerie en T.L., die aanwezig is of wordt vertegenwoordigd door een advocate. Het openbaar ministerie voert aan dat het verzet van T.L. ongedaan is met toepassing van artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering, waarin een aantal omstandigheden worden beschreven waarin een verzet ongedaan is. Bij vonnis van 10 juli 2019 beslist de Franstalige strafuitvoeringsrechtbank te Brussel dat het verzet van 13 juni 2019 ontvankelijk is, en dat er geen aanleiding bestaat om na te gaan of het ongedaan is omdat de toepassing van artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering onbestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De rechtbank, die van oordeel is dat de ontvankelijkheid van het verzet tot de nietigverklaring van het vonnis van 1 augustus 2018 leidt, merkt op dat er dus geen herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft plaatsgevonden binnen de proeftijd van twee jaar, die op 2 april 2019 is verstreken. Zij leidt daaruit af dat de door het openbaar ministerie ingestelde vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zonder voorwerp is geworden. Op 12 juli 2019 stelt de procureur des Konings van Brussel een cassatieberoep in tegen het vonnis van 10 juli
  4. Bij een arrest van 7 augustus 2019 verbreekt het Hof van Cassatie dat vonnis en verwijst het de zaak naar dezelfde, anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank. Het motiveert zijn beslissing door het feit dat de rechtbank, door de toepassing van artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering te weren, is overgegaan tot een grondwettigheidstoets van de wet die artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof haar verbiedt te verrichten. Bij gerechtsbrieven van 13 augustus 2019 worden T.L. en zijn advocate verzocht ter zitting van de strafuitvoeringsrechtbank te verschijnen met het oog op een nieuw onderzoek van het verzet dat op 13 juni 2019 is aangetekend. Op 3 september 2019 deelt de advocate van T.L. de rechtbank mee dat zij niet naar die terechtzitting zal komen omdat zij geen opdracht van haar cliënt heeft gekregen. Op de terechtzitting van 5 september 2019 stelt de rechtbank vast dat T.L. naar behoren werd opgeroepen maar dat hij noch aanwezig, noch vertegenwoordigd is. Bij vonnis van 11 september 2019 leidt de rechtbank uit de motieven van haar vonnis van 10 juli 2019 en uit het arrest van het Hof van Cassatie van 7 augustus 2019 af dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof moet worden gesteld. III. In rechte -A- A.
  5. Teneinde haar belang om een memorie aan het Hof te richten aan te tonen, brengt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » in herinnering dat zij als taak heeft de belangen van de rechtzoekende te behartigen en dat het antwoord op de prejudiciële vraag in de voorliggende zaak de situatie van de rechtzoekenden rechtstreeks kan raken. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » beweert ook dat dat antwoord haar eigen situatie en de beginselen die zij als taak heeft te verdedigen, rechtstreeks en ongunstig zou kunnen raken. A.
  6. Volgens de Ministerraad dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. Nadat hij heeft beklemtoond dat het moeilijk is om de betekenis van die vraag te vatten, leidt hij uit de motieven van de verwijzingsbeslissing af dat de vraag betrekking heeft op het verschil in behandeling dat artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering zou invoeren tussen, enerzijds, de niet-verschijnende eiser in verzet tegen een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank en, anderzijds, de niet-verschijnende eiser in verzet tegen een beslissing van de correctionele rechtbank. De Ministerraad preciseert dat de eerstgenoemde, in tegenstelling tot die laatste eiser in verzet, geen hoger beroep kan instellen tegen het bij verstek gewezen vonnis wanneer zijn verzet als ongedaan werd beschouwd. De Ministerraad zet uiteen dat zulk verschil in behandeling niet discriminerend is. Hij is van mening dat de redenen waarom de wetgevende macht heeft beslist om het niet mogelijk te maken hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank, legitiem en verantwoord zijn. Hij merkt ook op dat de in het geding zijnde wetsbepaling niet op onevenredige wijze de rechten beperkt van de veroordeelde persoon wiens verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis waarbij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, als ongedaan werd beschouwd. A.
  7. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » geeft toe dat het door de Ministerraad onderzochte verschil in behandeling op het eerste gezicht verantwoord kan lijken door het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank zich, in tegenstelling tot de correctionele rechtbank, enkel uitspreekt over de strafuitvoeringsmodaliteiten. Zij merkt echter op dat artikel 187, § 9, van het Wetboek van strafvordering een recht op hoger beroep verleent aan de eiser in verzet tegen een beslissing tot herroeping van het probatie-uitstel die door de correctionele rechtbank is genomen met toepassing van artikel 14 van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie », wanneer zijn verzet als ongedaan wordt beschouwd wegens zijn verstek. Zij is van mening dat het verschil in behandeling dat de wet doet ontstaan tussen die eiser in verzet en de begunstigde van een voorwaardelijke invrijheidstelling die geen hoger beroep kan instellen tegen een herroeping van die invrijheidstelling waartoe bij zijn afwezigheid is beslist en die vervolgens wordt betwist middels een verzet dat als ongedaan wordt beschouwd, niet redelijk verantwoord is. A.
  8. De Ministerraad antwoordt dat het verschil in behandeling dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » beoogt, evenmin discriminerend is. Hij merkt eerst op dat de eiser in verzet tegen een beslissing tot herroeping van het probatie-uitstel en de eiser in verzet tegen een beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zich in verschillende omstandigheden bevinden waarop verschillende procedureregels van toepassing zijn. Hij betwist vervolgens de gegrondheid van de argumenten die de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aanvoert om te oordelen dat het verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Hij houdt ten slotte staande dat de in het geding zijnde wetsbepaling de rechten van de veroordeelde persoon wiens verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis waarbij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, als ongedaan werd beschouwd, niet op onevenredige wijze beperkt, onder meer omdat die persoon over het recht beschikt om na zijn wederopsluiting een nieuw verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen. -B- B.
  9. De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits de voorwaarden worden nageleefd die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd (artikel 24 van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten », hierna : de wet van 17 mei 2006). B.2.
  10. Artikel 68 van de wet van 17 mei 2006, onder meer gewijzigd bij artikel 68 van de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (II) » en bij artikel 169, 1°, van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 5 februari 2016), bepaalt : « §
  11. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping [...] van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak aanhangig maken bij de [...] strafuitvoeringsrechtbank. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de [...] strafuitvoeringsrechtbank. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk vijftien dagen na de aanhangigmaking van de zaak door het openbaar ministerie bij de [...] strafuitvoeringsrechtbank. De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per ter post aangetekende brief opgeroepen. De zitting vindt plaats met gesloten deuren. §
  12. [...] §
  13. De [...] strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie. [...] §
  14. Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de [...] strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping [...]. §
  15. [...] Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling [...], bepaalt de [...] strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd. [...] §
  16. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur. [...] ». B.2.
  17. Luidens artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 kunnen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling enkel worden betwist middels een cassatieberoep. Bij zijn arrest nr. 37/2009 van 4 maart 2009 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de veroordeelde wiens voorwaardelijke invrijheidstelling werd herroepen door de strafuitvoeringsrechtbank, niet toestaat verzet aan te tekenen tegen dat vonnis wanneer hij niet is verschenen voor dat rechtscollege, dat dus uitspraak heeft gedaan bij verstek. Uit dat arrest volgt dat artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 in die zin moet worden uitgelegd dat het geen verbod inhoudt op verzet tegen een dergelijk vonnis (Cass., 23 september 2009, P.09.1359.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090923.7; Cass., 15 juni 2010, P.10.0898.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.2). Aangezien de wet van 17 mei 2006 niet de modaliteiten regelt om in verzet te komen tegen een beslissing waarbij de strafuitvoeringsrechtbank een voorwaardelijke invrijheidstelling herroept, dienen op dat beroep de modaliteiten te worden toegepast die zijn bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering (Cass., 26 januari 2011, P.11.0035.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110126.1) en, in het bijzonder, in paragraaf 6 van die bepaling (Cass., 14 december 2016, P.16.1155.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161214.9; Cass., 27 juni 2018, P.18.0607.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180627.2; Cass., 11 maart 2020, P.20.0211.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200311.2F.7). B.2.
  18. Uit artikel 68 van de wet van 17 mei 2006 blijkt dat, wanneer het openbaar ministerie de strafuitvoeringsrechtbank verzoekt om de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde te herroepen, die laatste wordt uitgenodigd om voor dat rechtscollege te verschijnen teneinde zich tegen die vordering te verdedigen. Indien de veroordeelde zich, wegens zijn afwezigheid, niet heeft verdedigd op de zitting van die rechtbank en indien dat rechtscollege de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft ingewilligd, kan hij tegen die beslissing nog verzet aantekenen overeenkomstig artikel 187 van het Wetboek van strafvordering teneinde zijn verweermiddelen voor die rechtbank uiteen te zetten. B.
  19. Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 83 van de wet van 5 februari 2016, bepaalt : « §
  20. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. [...] §
  21. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot
  22. §
  23. Het verzet wordt inzonderheid onontvankelijk verklaard : 1° behoudens overmacht, indien het niet overeenkomstig de wettelijke vormen en termijnen is betekend; [...] §
  24. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd : 1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; 2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard. [...] §
  25. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep. Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis. [...] ». B.
  26. De definitie van het begrip « ongedaan verzet » waarvan sprake is in artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering, strekt ertoe « de misbruiken van de verzetprocedure tegen te gaan » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 78). In artikel 187, § 6, van het Wetboek van strafvordering worden « cumulatieve geldigheidsvoorwaarden inzake verzet » vermeld en wordt aangegeven dat het verzet dat niet aan die voorwaarden voldoet, als « ongedaan » moet worden beschouwd (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, p. 77). Een van die geldigheidsvoorwaarden inzake verzet bestaat erin dat de eiser in verzet « persoonlijk of in de persoon van een advocaat [moet] verschijnen, in de verzetprocedure » (ibid., p. 77). De eiser in verzet moet aanwezig zijn op alle zittingen van die procedure (ibid., p. 80), met dien verstande dat hij, indien een geval van overmacht hem verhindert aanwezig te zijn op de zitting waarna de zaak in beraad wordt genomen, tot de uitspraak van de beslissing over het verzet kan verzoeken om de debatten te heropenen door de reden voor zijn afwezigheid uiteen te zetten (ibid., p. 81). B.
  27. Uit de verwijzingsbeslissing en uit het dossier van de verzetsprocedure dat aan het Hof is overgezonden, blijkt dat de in het geding zijnde eiser in verzet naar behoren werd opgeroepen voor de terechtzitting die op 5 september 2019 door de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel is gehouden, maar dat hij er noch persoonlijk, noch in de persoon van een advocaat is verschenen. Noch uit de verwijzingsbeslissing, die op 11 september 2019 is uitgesproken, noch uit de stukken van het dossier dat aan het Hof is overgezonden, blijkt dat de eiser in verzet zich vóór of na de terechtzitting van 5 september 2019, middels een verzoekschrift tot heropening van de debatten of op een andere wijze, zou hebben aangemeld bij de rechtbank om zijn afwezigheid op die terechtzitting door overmacht te verantwoorden. Het verzet dat aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing ligt, moet dus, ongeacht het antwoord dat het Hof op de prejudiciële vraag zou kunnen geven, als ongedaan worden beschouwd, met toepassing van artikel 187, § 6, 2°, van het Wetboek van strafvordering. Het antwoord op de prejudiciële vraag is bijgevolg klaarblijkelijk niet nuttig voor de oplossing van het geschil. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 november
  28. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.159 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090923.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110126.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161214.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180627.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200311.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.