← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.161

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.161 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211118.5 Arrest- Rolnummer: 161/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 362 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 29 tot 32 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Gemeentelijke administratieve sancties - Inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer - Administratieve geldboete - Rechtsmiddelen - Voorwaarden. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-2013 - 29 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Wet - 24-06-2013 - 30 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Wet - 24-06-2013 - 31 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Wet - 24-06-2013 - 32 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Tekst van de beslissing Rolnummer 7332 Arrest nr. 161/2021 van 18 november 2021 ARREST __________ In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 29 tot 32 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 december 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 december 2019, heeft de Politierechtbank Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 29, 30, 31 en 32 van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd : - dat uit de gecombineerde lezing ervan volgt dat wanneer de overtreder zijn verweermiddelen buiten de termijn bepaald in artikel 29, § 1, aan de sanctionerend ambtenaar heeft medegedeeld of wanneer hij geen verweermiddelen aan die sanctionerend ambtenaar heeft toegezonden, zijn hoger beroep bij de politierechtbank onontvankelijk zou zijn, hetgeen tot gevolg zou hebben dat hem de toegang tot een onpartijdige en onafhankelijke rechter wordt ontzegd ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 22 september 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 oktober 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 oktober 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 23 mei 2019 stelt, in Luik, een politieagent vast dat een meerderjarige persoon zijn auto op het grondgebied van de Stad heeft geparkeerd zonder de ter zake geldende regels in acht te nemen. Op 11 juni 2019 stelt de bevoegde sanctionerend ambtenaar de overtreedster in kennis van die vaststelling, van de begane inbreuk en van het bedrag van de administratieve geldboete, in de zin van artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013). Op 17 september 2019 stelt de sanctionerend ambtenaar vast dat die geldboete niet werd betaald binnen de termijn van 30 dagen bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, van de wet van 24 juni 2013 en dat de overtreedster hem geen verweermiddelen heeft voorgelegd binnen diezelfde termijn, en verstuurt hij haar de herinneringsbrief bedoeld in artikel 29, § 3, van dezelfde wet. Op 1 oktober 2019 stelt de overtreedster een beroep in tegen die beslissing bij de Politierechtbank Luik, afdeling Luik. Voor dat rechtscollege voert de sanctionerend ambtenaar aan dat dit beroep niet ontvankelijk is omdat de overtreedster hem geen verweermiddelen heeft voorgelegd binnen dertig dagen na ontvangst van de informatie die op 11 juni 2019 werd verstrekt met toepassing van artikel 29, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni

  1. Hij beroept zich, ter ondersteuning van die stelling, op een arrest van het Hof van Cassatie van 11 januari 2018 volgens hetwelk het beroep dat bij de politierechtbank wordt ingesteld door een overtreder die zijn verweermiddelen pas na het verstrijken van de voormelde termijn aan de sanctionerend ambtenaar heeft medegedeeld, niet ontvankelijk is. De Rechtbank betwist die interpretatie van de wet, die geen wettelijke grondslag heeft, en beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
  2. De Ministerraad zet uiteen dat het helemaal niet mogelijk is de in het geding zijnde wetsbepalingen te interpreteren in die zin dat zij een overtreder die geen verweermiddelen heeft medegedeeld aan de sanctionerend ambtenaar die hem een administratieve geldboete heeft opgelegd wegens een parkeerovertreding, verhinderen om tegen die geldboete een beroep in te stellen bij de politierechtbank. A.
  3. De Ministerraad onderstreept dat de tekst van artikel 32 van de wet van 24 juni 2013 uitdrukkelijk bevestigt dat een overtreder die geen verweermiddelen heeft medegedeeld aan die ambtenaar, een herinnering ontvangt waarna een nieuwe termijn van dertig dagen begint te lopen waarbinnen hij bij de politierechtbank een beroep kan instellen tegen de opgelegde administratieve geldboete. Hij merkt ook op dat het recht om dat beroep in te stellen in dergelijke omstandigheden duidelijk wordt bevestigd in paragraaf 41 van de « omzendbrief waarbij uitleg wordt verschaft bij de nieuwe regelgeving aangaande de gemeentelijke administratieve sancties », die op 22 juli 2014 werd ondertekend door drie leden van de federale Regering. A.
  4. De Ministerraad voert eveneens aan dat op basis van het arrest van het Hof van Cassatie van 11 januari 2018 niet kan worden geoordeeld dat een overtreder, om reden dat hij geen verweermiddelen voorlegt aan de sanctionerend ambtenaar die hem een administratieve geldboete heeft opgelegd, zijn recht verliest om tegen die geldboete een beroep in te stellen bij de politierechtbank. Hij merkt in de eerste plaats op dat het gaat om een onduidelijk en opzichzelfstaand arrest. Hij wijst ook erop dat dit arrest betrekking heeft op een overtreder die zijn verweermiddelen pas na ontvangst van de herinnering bedoeld in artikel 29, § 3, van de wet van 24 juni 2013 aan de sanctionerend ambtenaar had medegedeeld, en die pas verschillende maanden na het verstrijken van de in artikel 32 van die wet vermelde termijn een beroep had ingesteld bij de politierechtbank. A.
  5. De Ministerraad leidt bovendien af uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 juni 2013 dat de wetgevende macht op geen enkel moment de bedoeling heeft gehad om bepaalde overtreders te beletten om binnen de wettelijk bepaalde beroepstermijnen een administratieve geldboete te betwisten voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. A.
  6. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de in het geding zijnde wetsbepalingen, in de interpretatie die zich opdringt wat betreft de mogelijkheden om een administratieve geldboete te betwisten door middel van een beroep bij de politierechtbank, geen enkel verschil in behandeling doen ontstaan tussen overtreders naargelang zij al dan niet verweermiddelen hebben medegedeeld aan de sanctionerend ambtenaar binnen dertig dagen na de mededeling van de geldboete, zoals bedoeld in artikel 29, § 1, eerste lid, van de wet van 24 juni
  7. -B- B.
  8. Artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013), dat onder meer betrekking heeft op de procedure in geval van een overtreding betreffende het parkeren bedoeld in artikel 3, 3°, van dezelfde wet, bepaalt : « §
  9. De sanctionerend ambtenaar deelt binnen de vijftien dagen na ontvangst van de vaststelling van de inbreuk, bij gewone zending, aan de overtreder de gegevens mee met betrekking tot de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsmede het bedrag van de administratieve geldboete. De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek worden gehoord wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro. §
  10. Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan op een met redenen omklede wijze op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald. §
  11. Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering ». B.2.
  12. De artikelen 30 tot 32 van de wet van 24 juni 2013 regelen de beroepen die kunnen worden ingesteld tegen de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen. B.2.
  13. Artikel 30 bepaalt : « De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van één maand vanaf de dag van de kennisgeving, behoudens wanneer hoger beroep wordt aangetekend overeenkomstig artikel 31 ». B.2.
  14. Artikel 31 bepaalt : « §
  15. De gemeente of de overtreder, in geval van een administratieve geldboete, kan een beroep instellen bij geschreven verzoekschrift bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure, binnen een maand na kennisgeving van de beslissing. Wanneer de beslissing van de sanctionerend ambtenaar betrekking heeft op minderjarigen, wordt het beroep ingediend via kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. [...] De politierechtbank of de jeugdrechtbank beslissen in het kader van een tegensprekelijk en openbaar debat, over het beroep ingesteld tegen de administratieve sanctie zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1°. Zij oordelen over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete. Zij kunnen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar ofwel bevestigen ofwel herzien. [...] De beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep. [...] Onverminderd het eerste tot het zevende lid en de voormelde wet van 8 april 1965, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank. §
  16. Wanneer een beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de sanctionerend ambtenaar kan deze laatste of zijn afgevaardigde de gemeente vertegenwoordigen in het kader van de procedure voor de politierechtbank of de jeugdrechtbank ». B.2.
  17. Artikel 32 bepaalt : « In afwijking van de in de artikelen 30 en 31 bedoelde termijnen kan de beslissing van de sanctionerend ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen in geval van in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken gedwongen worden uitgevoerd, indien deze administratieve geldboete niet binnen de termijn bedoeld in artikel 29, § 3, werd betaald, tenzij de overtreder binnen deze termijn een beroep instelt ». B.
  18. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van de artikelen 29 tot 32 van de wet van 24 juni 2013, in zoverre die wetsbepalingen een overtreder die geen verweermiddelen heeft medegedeeld aan de sanctionerend ambtenaar die hem een administratieve geldboete heeft opgelegd wegens een overtreding van de parkeerregels bedoeld in artikel 3, 3°, van die wet, zouden verbieden om bij de politierechtbank een beroep in te stellen tegen de beslissing van die ambtenaar. B.4.
  19. Uit de paragrafen 1 en 3 van artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 blijkt dat, wanneer een overtreder geen verweermiddelen heeft medegedeeld aan de sanctionerend ambtenaar die hem in kennis heeft gesteld van het bedrag van de administratieve geldboete die verschuldigd is wegens een overtreding van de parkeerregels bedoeld in artikel 3, 3°, van die wet, en hij die geldboete niet heeft betaald binnen dertig dagen na die inkennisstelling, de overtreder een herinnering moet ontvangen met uitnodiging tot betaling van die boete binnen dertig dagen na de kennisgeving van die herinnering. B.4.
  20. Uit de eerste twee zinnen van artikel 31 van de wet van 24 juni 2013 blijkt dat elke meerderjarige overtreder aan wie een sanctionerend ambtenaar een administratieve geldboete oplegt met toepassing van die wet, tegen die administratieve beslissing een beroep kan instellen bij de politierechtbank. B.4.
  21. Noch artikel 31 van de wet van 24 juni 2013, noch enige andere in het geding zijnde wetsbepaling vermeldt dat dit beroep slechts ontvankelijk is op voorwaarde dat de overtreder vooraf verweermiddelen heeft medegedeeld aan de sanctionerend ambtenaar. Artikel 32 van dezelfde wet bepaalt overigens dat een overtreder die, wegens niet-betaling van de door de ambtenaar meegedeelde geldboete of omdat hij zijn verweermiddelen niet kenbaar heeft gemaakt binnen de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 29, § 1, van de wet van 24 juni 2013, de herinnering bedoeld in artikel 29, § 3, van dezelfde wet heeft ontvangen, nog steeds een beroep kan instellen bij de politierechtbank binnen dertig dagen na kennisgeving van die herinnering, zonder dat de ontvankelijkheid van dat beroep afhankelijk wordt gesteld van de mededeling van verweermiddelen binnen die laatste termijn. B.4.
  22. Uit het voorgaande blijkt dat de in B.3 vermelde interpretatie van de wetsbepalingen kennelijk onjuist is. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 november
  23. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.