← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.172

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.172 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211125.5 Arrest- Rolnummer: 172/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 1093 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering en 48 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de strafrechter verhinderen een bestuurder te veroordelen voor het besturen van een voertuig spijts verval van het recht tot sturen indien die bestuurder tijdens de buitengewone termijn op ontvankelijke wijze verzet aantekent tegen het vonnis waarbij dat verval werd uitgesproken. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 48 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gelezen in samenhang met artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Strafvordering - Verval van het recht tot sturen - Verstekvonnis - Verzet dat ontvankelijk wordt verklaard - Rechtsgevolgen van het verzet. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 187,§4 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet - 16-03-1968 - 48 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Rolnummer 7516 Arrest nr. 172/2021 van 25 november 2021 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 48 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gelezen in samenhang met artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 februari 2021, heeft de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 48 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, samen gelezen met art. 187 § 4 Wetboek van Strafvordering, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in de interpretatie dat deze bepaling, niet toelaat een bestuurder strafrechtelijk ter verantwoording te roepen voor het besturen van een voertuig spijts verval, indien tegen het vonnis - dat aan de basis van het uitgevoerd verval ligt - verzet werd aangetekend, dat ontvankelijk werd verklaard ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 6 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 oktober 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 oktober 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij verstekvonnis van de Politierechtbank te Brussel van 16 mei 2013 werd F.L. onder meer veroordeeld tot verval van het recht tot sturen. Overeenkomstig artikel 38, § 3, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » stelde de Rechtbank het herstel in het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor bepaalde examens en het ondergaan van bepaalde onderzoeken. Dat vonnis werd niet aan de persoon van de veroordeelde betekend. Aangezien hij de opgelegde examens niet aflegde en de opgelegde onderzoeken niet onderging, is hij nooit in het recht tot sturen hersteld. Op 22 november 2016 beging hij de verkeersovertreding bedoeld in artikel 11.2, 1°, a), eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 « houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg » door op een autosnelweg te rijden tegen een gecorrigeerde snelheid van 121,26 kilometer per uur. Hij werd daarvoor veroordeeld tot een geldboete van 25 euro bij een verstekvonnis van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, van 18 juni

  1. Aangezien hij dat voertuig bestuurde spijts het hem opgelegde verval van het recht tot sturen, werd hij tevens op grond van artikel 48, 2°, van de wet van 16 maart 1968 veroordeeld tot een geldboete van 500 euro. Hij tekende tijdens de buitengewone termijn verzet aan tegen dat vonnis bij exploot van 5 november
  2. De verwijzende rechter doet uitspraak op dat verzet. Gelijktijdig tekende F.L. ook binnen de buitengewone termijn verzet aan tegen het voormelde vonnis van de Politierechtbank te Brussel van 16 mei
  3. Bij vonnis van die Politierechtbank van 18 november 2020 werd dat verzet ontvankelijk verklaard en werd de strafvervolging vervallen verklaard wegens verjaring. De verwijzende rechter stelt vast dat dat vonnis van 18 november 2020 als gevolg heeft dat de bij het vonnis van 16 mei 2013 uitgesproken veroordeling tot verval van het recht tot sturen overeenkomstig artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering voor niet bestaande dient te worden gehouden. Bijgevolg kan hij F.L. niet meer veroordelen wegens rijden spijts verval van het recht tot sturen. Aangezien hij van oordeel is dat personen die bij verstek tot verval van het recht tot sturen worden veroordeeld, aldus gunstiger worden behandeld dan personen die op tegenspraak tot die straf worden veroordeeld, stelt hij de onderhavige prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  4. Volgens de Ministerraad zijn personen die op tegenspraak werden veroordeeld niet vergelijkbaar met personen die bij verstek werden veroordeeld. Wie op tegenspraak is veroordeeld, heeft zich immers kunnen verweren in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure en was op de hoogte van de straf. Wie bij verstek is veroordeeld, heeft zich daarentegen niet kunnen verweren en was oorspronkelijk niet op de hoogte van de straf. A.
  5. De Ministerraad zet uiteen dat wie bij verstek wordt veroordeeld tot het verval van het recht tot sturen, verzet tegen dat vonnis kan aantekenen binnen de buitengewone termijn, ook al kon het verstekvonnis reeds ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de gewone verzetstermijn. Indien het verzet ontvankelijk wordt verklaard, moet het verstekvonnis voor niet bestaande worden gehouden. De zaak dient dan ten gronde te worden hervat en het dossier zal voor het eerst op tegenspraak worden behandeld. Voor een persoon die op tegenspraak wordt veroordeeld, staat die verzetsmogelijkheid niet open. Hij kan wel in hoger beroep gaan binnen een termijn van dertig dagen. In dat geval wordt de uitvoering van de veroordeling krachtens artikel 203, § 3, van het Wetboek van strafvordering geschorst. De veroordeling is bijgevolg nog niet ten uitvoer gelegd wanneer uitspraak wordt gedaan in hoger beroep. Indien de veroordeelde op tegenspraak geen hoger beroep aantekent, wordt het vonnis na het verstrijken van die termijn uitvoerbaar. Dat verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium, te weten het bestaan van een veroordeling die bij verstek dan wel op tegenspraak is gewezen. A.
  6. Volgens de Ministerraad streeft de wetgever met artikel 187 van het Wetboek van strafvordering legitieme doelstellingen na. In de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt beklemtoond dat de waarheidsvinding centraal staat in het strafproces en dat de beklaagde te goeder trouw moet worden beschermd tegen een veroordeling waartegen hij zich niet heeft kunnen verdedigen. Ook volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de verdachte overigens het recht om, indien hij in zijn afwezigheid is veroordeeld, later een nieuw proces te krijgen. A.
  7. Artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering is volgens de Ministerraad pertinent om die doelstelling na te streven, aangezien het ervoor zorgt dat het verstekvonnis waartegen op ontvankelijke wijze verzet wordt gedaan, ondanks de uitvoerbaarheid ervan voor niet bestaande wordt gehouden en er voor de veroordeelde dus geen negatieve gevolgen meer uit voortvloeien. Het is zelfs noodzakelijk dat het veroordelende vonnis uit de rechtsorde wordt verwijderd opdat de feiten op nuttige wijze opnieuw zouden kunnen worden beoordeeld. A.5.
  8. De in het geding zijnde bepalingen houden volgens de Ministerraad geen onevenredig nadeel in voor wie op tegenspraak is veroordeeld. Die veroordeelde heeft immers al de kans gehad om zich te verdedigen en kan bovendien in hoger beroep gaan. Wie bij verstek is veroordeeld, was daarentegen initieel nog niet op de hoogte van de tegen hem gevoerde procedure en van het tegen hem uitgesproken vonnis. Hij was evenmin reeds op de hoogte van de hem opgelegde straf, ook al was die uitvoerbaar sinds het verstrijken van de gewone verzetstermijn. Aangezien personen die bij verstek werden veroordeeld tot verval van het recht tot sturen geen kennis hadden van de context en de modaliteiten van de opgelegde straf en zich niet hebben kunnen verdedigen om die straf te voorkomen, konden zij haar niet uitvoeren. De op tegenspraak veroordeelde persoon was daarentegen wel op de hoogte van de tegen hem gevoerde procedure en heeft de mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de inhoud van het vonnis. Hij kon het verval van het recht tot sturen bijgevolg wel correct uitvoeren, en als hij dat naliet, kon hij daarvoor ter verantwoording worden geroepen. A.5.
  9. De Ministerraad wijst voorts erop dat de in het geding zijnde bepalingen geen afbreuk doen aan het strafbaar karakter van het rijden spijts verval van het recht tot sturen. Zowel de bij verstek veroordeelde persoon als de op tegenspraak veroordeelde persoon riskeren een verval van het recht tot sturen, en indien zij dat verval negeren, riskeren zij allebei een veroordeling op grond van artikel 48 van de wet van 16 maart
  10. Wel is het verantwoord dat degene die bij verstek werd veroordeeld en bijgevolg geen kennis had van het tegen hem uitgesproken verval, die sanctie pas riskeert nadat hij zich heeft kunnen verdedigen. A.5.
  11. Tot slot wijst de Ministerraad erop dat het aantekenen van verzet niet automatisch ertoe leidt dat het verstekvonnis voor niet bestaande moet worden gehouden. Het verzet zal immers onontvankelijk worden verklaard indien het niet volgens de wettelijke vormen en termijnen werd betekend, indien het bestreden vonnis niet bij verstek werd uitgesproken of indien er al een ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld tegen hetzelfde vonnis. Het verzet zal bovendien als ongedaan worden beschouwd indien de eiser nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet of indien vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan en geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek. -B- B.1.
  12. Artikel 48 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968) bepaalt : « Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 500 euro tot 2.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang, wordt gestraft, hij die : 1° een voertuig of een luchtschip bestuurt, een rijdier geleidt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, spijts het tegen hem uitgesproken verval; 2° een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder het voorgeschreven onderzoek met goed gevolg te hebben ondergaan. De gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan ». Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « §
  13. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid. De betekening aan de personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, wordt eveneens aan diens woonplaats of verblijfplaats gedaan. §
  14. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak. Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden. §
  15. Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt. §
  16. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot
  17. §
  18. Het verzet wordt inzonderheid onontvankelijk verklaard : 1° behoudens overmacht, indien het niet overeenkomstig de wettelijke vormen en termijnen is betekend; 2° indien het bestreden vonnis niet bij verstek is gewezen; 3° indien de eiser in verzet vooraf een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld tegen dezelfde beslissing. §
  19. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd : 1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij 6 verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; 2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard. §
  20. De partij die verzet heeft gedaan kan ervan afstand doen of dat beperken volgens de nadere regels inzake afstand of beperking in hoger beroep, verduidelijkt in artikel
  21. §
  22. De partij in verzet die zich een tweede keer laat vonnissen bij verstek, mag geen nieuw verzet meer aantekenen. §
  23. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep. Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis. §
  24. De door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is ». B.1.
  25. De prejudiciële vraag heeft met name betrekking op artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering, dat het rechtsgevolg van het verzet regelt. Indien het verzet ontvankelijk wordt verklaard, het niet als ongedaan wordt beschouwd en er geen afstand van wordt gedaan, heeft het vonnis waarbij het ontvankelijk wordt verklaard, als gevolg dat het verstekvonnis voor niet bestaande wordt gehouden (Cass., 9 mei 2001, P.01.0249.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010509.5; Cass., 25 januari 2017, P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9). Het rechtscollege dat eerst uitspraak deed bij verstek, dient de zaak vervolgens opnieuw te onderzoeken en uitspraak te doen over de grond van de zaak binnen de perken van de akte van verzet (Cass., 26 oktober 1983, Arr. Cass., 1983-1984, nr. 116). Dat rechtsgevolg geldt ongeacht of het verzet is aangetekend tijdens de gewone of tijdens de buitengewone verzetstermijn. Indien de betekening van het verstekvonnis niet aan de veroordeelde in persoon is gedaan, beschikt hij na afloop van de gewone termijn van 15 dagen vanaf de betekening van het vonnis over een buitengewone verzetstermijn van vijftien dagen die begint te lopen op de dag na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen (Cass., 3 maart 1998, P.96.1345.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980303.5). De buitengewone termijn begint te lopen vanaf de kennisneming van de betekening, ook indien de veroordeelde nog geen kennis van het vonnis 7 heeft kunnen nemen (Cass., 11 juni 2014, P.14.0374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2). De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze wanneer de veroordeelde kennis van de betekening heeft gekregen (Cass., 19 december 1972, Arr. Cass., 1973, p. 411). De bewijslast van dat tijdstip rust op het openbaar ministerie (Parl. St., Kamer, 1906-1907, nr. 73, p. 8). B.1.
  26. De prejudiciële vraag verwijst daarnaast naar artikel 48 van de wet van 16 maart 1968, dat de overtreding van het krachtens de artikelen 38 tot 44 van dezelfde wet opgelegde verval van het recht tot sturen strafbaar stelt. Indien dat verval als straf is uitgesproken, gaat het krachtens artikel 40 van dezelfde wet in op de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn niet in die termijn inbegrepen. In geval van veroordeling bij verstek maakt die kennisgeving melding van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden. B.1.
  27. Uit de combinatie van beide in het geding zijnde bepalingen volgt dat personen die op grond van artikel 38 van de wet van 16 maart 1968 bij verstek werden veroordeeld tot verval van het recht tot sturen en die op ontvankelijke wijze verzet tegen dat vonnis aantekenen, die straf zien wegvallen zodra dat verzet ontvankelijk wordt verklaard. Indien dat verzet is aangetekend tijdens de buitengewone termijn, was het verval van het recht tot sturen krachtens artikel 187, § 2, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering weliswaar al uitvoerbaar sedert het verstrijken van de termijn om hoger beroep aan te tekenen (Cass., 26 februari 2014, P.14.0147.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.10), maar heeft het ontvankelijk verklaren van het verzet krachtens artikel 187, § 4, van hetzelfde Wetboek niettemin als gevolg dat het verval met terugwerkende kracht voor niet bestaande moet worden gehouden. Indien een bij verstek veroordeelde persoon tijdens de looptijd van het verval een voertuig heeft bestuurd, heeft het vonnis waarbij het tijdens de buitengewone termijn aangetekende verzet ontvankelijk wordt verklaard dus als gevolg dat hij niet in een afzonderlijk strafproces kan worden veroordeeld wegens het rijden spijts dat verval. Een vervolging op grond van artikel 48 van de wet van 16 maart 1968 kan aldus worden doorkruist door een ontvankelijk verklaard verzet tegen het verstekvonnis waarbij het verval van het recht tot sturen werd opgelegd, ook al is dat verzet aangetekend tijdens de buitengewone termijn en was het verval van het recht tot sturen reeds uitvoerbaar. B.
  28. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de strafrechter verhinderen een bestuurder te veroordelen voor het besturen van een voertuig spijts verval van het recht tot sturen indien hij tegen het vonnis waarbij dat verval werd uitgesproken, op ontvankelijke wijze verzet heeft aangetekend. B.3.
  29. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie veronderstelt onder meer de precieze identificatie van twee categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. De bewoordingen van de prejudiciële vraag waarin het Hof wordt verzocht een dergelijk onderzoek te verrichten, moeten dus de elementen bevatten die voor die identificatie nodig zijn. Het staat niet aan het Hof de grondwettigheid te onderzoeken van een verschil in behandeling of van een gelijke behandeling van twee categorieën van personen waarvan het zelf de contouren zou moeten bepalen aangezien die bepaling in de prejudiciële vraag niet wordt gedaan. B.3.
  30. In de onderhavige prejudiciële vraag worden geen categorieën van personen afgebakend die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. Uit de motieven van het verwijzingsvonnis kan evenwel worden afgeleid dat de verwijzende rechter personen die bij verstek tot verval van het recht tot sturen werden veroordeeld, vergelijkt met personen die op tegenspraak tot dat verval werden veroordeeld. B.
  31. Artikel 187 van het Wetboek van strafvordering waarborgt personen die bij verstek worden veroordeeld een voorwaardelijk recht op een nieuwe beoordeling in feite en in rechte. Die bepaling beïnvloedt geenszins het recht op toegang tot de rechter of het recht op een eerlijk proces van personen die op tegenspraak worden veroordeeld. Artikel 48 van de wet van 16 maart 1968 is een norm van materieel strafrecht die op zich niet raakt aan het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, ongeacht of het vonnis waarin het verval van het recht tot sturen is opgelegd, bij verstek of op tegenspraak is gewezen. Bijgevolg dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord in zoverre zij betrekking heeft op artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  32. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6.
  33. Volgens de Ministerraad zijn personen die op tegenspraak werden veroordeeld niet vergelijkbaar met personen die bij verstek werden veroordeeld, omdat die eerste categorie van personen zich reeds in feite en in rechte heeft kunnen verdedigen en meteen op de hoogte was van de opgelegde straf, terwijl die tweede categorie van personen zich nog niet heeft kunnen verdedigen en oorspronkelijk niet op de hoogte was van de straf. B.6.
  34. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. De omstandigheid dat men zich reeds in feite en in rechte heeft kunnen verdedigen, kan weliswaar een criterium uitmaken bij de beoordeling van het redelijke en evenredige karakter van een verschil in behandeling tussen personen die bij verstek zijn veroordeeld en personen die op tegenspraak zijn veroordeeld, maar het kan niet volstaan om te besluiten tot de niet- vergelijkbaarheid van die categorieën van personen, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.6.
  35. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, heeft het in het geding zijnde verschil in behandeling evenwel alleen betrekking op de vraag of de veroordeelde zich reeds in feite en in rechte heeft kunnen verdedigen. De vraag of de veroordeelde op de hoogte was van het vonnis, de straf en de modaliteiten ervan, hangt immers niet zozeer samen met het verstek, maar veeleer met het feit dat dit vonnis niet aan de persoon van de veroordeelde werd betekend. B.7.
  36. Met het recht om verzet aan te tekenen tegen een verstekvonnis beoogde de wetgever de waarheidsvinding centraal te stellen in het strafproces en de beklaagde te beschermen tegen onterechte veroordelingen of veroordelingen waartegen hij zich onvoldoende 10 had kunnen beschermen. Daartoe werd het recht op een nieuw proces in aanwezigheid van de beklaagde als cruciaal beschouwd (Parl. St., Kamer, 1906-1907, nr. 73, pp. 1-5). B.7.
  37. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens acht de persoonlijke verschijning van een beklaagde van kapitaal belang, zowel wegens het recht van die laatste om te worden gehoord als wegens de noodzaak de juistheid van zijn verklaringen te controleren en ze te confronteren met de beweringen van het slachtoffer, wiens belangen moeten worden beschermd, alsook met die van de getuigen (EHRM, 23 november 1993, Poitrimol t. Frankrijk, § 35; 13 februari 2001, Krombach t. Frankrijk, § 84; 14 juni 2001, Medenica t. Zwitserland, § 54; 13 januari 2011, Drakos t. Griekenland, § 35). Indien het nationaal recht het verloop van een proces toelaat niettegenstaande de afwezigheid van de beschuldigde, moet die later kunnen verkrijgen dat een rechtscollege opnieuw, na hem te hebben gehoord, uitspraak doet over de gegrondheid van de beschuldiging, zowel in feite als in rechte, wanneer niet vaststaat dat hij heeft afgezien van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch dat hij de bedoeling heeft gehad zich aan het gerecht te onttrekken (EHRM, grote kamer, 1 maart 2006, Sejdovic t. Italië, § 82; 1 maart 2011, Faniel t. België, § 26). B.
  38. Het in het geding zijnde artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering is pertinent om die doelstellingen te bereiken, aangezien het de effectiviteit van het recht op verzet waarborgt. Aangezien de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen, daarmee zijn rechtsmacht heeft uitgeput, dient dat vonnis teniet te gaan vooraleer hij een nieuw vonnis kan uitspreken in een procedure waarin de beklaagde zich in rechte en in feite kan verdedigen. Dat is des te meer het geval indien het verzet binnen de buitengewone termijn wordt aangetekend. In dat geval heeft het verstekvonnis immers kracht van gewijsde en is het uitvoerbaar. De buitengewone verzetstermijn waarborgt dat een bij verstek veroordeelde persoon die pas later kennis krijgt van de betekening van het verstekvonnis, een nieuwe beoordeling ten gronde kan krijgen en intussen geen verder nadeel ondervindt van dat vonnis. B.9.
  39. Artikel 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering leidt niet tot een onevenredige beperking van de rechten van personen die op tegenspraak tot verval van het recht tot sturen worden veroordeeld. Die personen hebben hun recht van verdediging immers reeds kunnen 11 uitoefenen in de procedure die tot het vonnis op tegenspraak heeft geleid en kunnen dat een tweede maal doen indien zij hoger beroep aantekenen tegen dat vonnis. Die bepaling waarborgt slechts dat ook personen die bij verstek worden veroordeeld, over een tweede mogelijkheid beschikken om zich in rechte en in feite te verdedigen. Zij berokkent personen die op tegenspraak zijn veroordeeld geen nadeel. B.9.
  40. Het loutere aantekenen van verzet tegen een verstekvonnis leidt overigens niet steeds ertoe dat dat vonnis voor niet bestaande moet worden gehouden. Indien het verzet onontvankelijk is in de zin van artikel 187, § 5, van het Wetboek van strafvordering of indien het als ongedaan moet worden beschouwd in de zin van artikel 187, § 6, van hetzelfde Wetboek, blijft het verstekvonnis immers zijn rechtsgevolgen behouden (Cass., 25 januari 2017, P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9) en kan het dus als grondslag dienen voor een veroordeling wegens rijden spijts het verval van het recht tot sturen. Krachtens artikel 187, § 6, 1°, van het Wetboek van strafvordering dient het verzet als ongedaan te worden beschouwd indien de eiser in verzet kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan en geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek. De rechter oordeelt soeverein over de aangevoerde reden. De bewijslast van de kennisname van de dagvaarding door de beklaagde rust op het openbaar ministerie (Cass., 17 januari 2017, P.16.0989.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7). Die bepaling heeft als gevolg dat alleen personen die geen afstand hebben gedaan van het recht om te verschijnen en zich te verdedigen, en evenmin de intentie hadden zich te onttrekken aan het gerecht, de gelegenheid krijgen om zich alsnog in rechte en in feite te verdedigen. Het is redelijk verantwoord dat het bij verstek opgelegde verval van het recht tot sturen ten aanzien van die personen niet in een afzonderlijk strafproces kan dienen als grondslag van een veroordeling wegens rijden spijts het verval van het recht tot sturen. B.9.
  41. De in het geding zijnde bepalingen hebben tot slot niet als gevolg dat degene die op ontvankelijke wijze verzet aantekent tegen een verstekvonnis dat hem een verval van het recht tot sturen oplegt, definitief van die sanctie is vrijgesteld. De rechter die op het verzet uitspraak doet, kan hem immers opnieuw dezelfde sanctie opleggen na hem te hebben gehoord. Indien hij vervolgens tijdens de looptijd van die sanctie alsnog een voertuig bestuurt, of na de looptijd ervan een motorvoertuig bestuurt zonder de nodige examens af te leggen of onderzoeken te ondergaan, kan hij op dat ogenblik worden veroordeeld op grond van artikel 48 van de wet van 16 maart
  42. B.
  43. Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de strafrechter verhinderen een bestuurder te veroordelen voor het besturen van een voertuig spijts verval van het recht tot sturen indien de bestuurder tijdens de buitengewone termijn op ontvankelijke wijze verzet aantekent tegen het vonnis waarbij dat verval werd uitgesproken. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 187, § 4, van het Wetboek van strafvordering en 48 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de strafrechter verhinderen een bestuurder te veroordelen voor het besturen van een voertuig spijts verval van het recht tot sturen indien die bestuurder tijdens de buitengewone termijn op ontvankelijke wijze verzet aantekent tegen het vonnis waarbij dat verval werd uitgesproken. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 november
  44. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.172 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980303.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010509.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.10 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.