id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211209.1 Arrest- Rolnummer: 177/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-05 Raadplegingen: 1410 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 4 en 21, 3° en 4°, van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij »; - vernietigt artikel 31 van de voormelde wet van 7 mei 2019, enkel in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt; - verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij », ingesteld door de nv « Derby » en de nv « Tiercé Ladbroke », door de nv « Betcenter Group », door E.G., door de bvba « World Football Association », door de nv « Belgische PMU » en door de nv « Rocoluc » en anderen. Kansspelen -
- Weddenschappen op paardenwedrennen -
- Vaste kansspelinrichtingen klasse IV - Lokalisatiebeperkingen - Verplichting om met de gemeenten een convenant te sluiten -
- Vaste kansspelinrichtingen klasse IV - Registratieplicht -
- Kansspelcommissie - Bevoegdheid om bepaalde weddenschappen te verbieden -
- Vergunninghouders die de gokker kan aanspreken -
- Deelnemen aan automatische kansspelen in vaste kansspelinrichtingen klasse IV - Leeftijdsgrens -
- Internationale passagiersschepen. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-2019 - 4 - 01 ELI link Pub nr 2019011970 Wet - 07-05-2019 - 21,3° - 01 ELI link Pub nr 2019011970 Wet - 07-05-2019 - 21,4° - 01 ELI link Pub nr 2019011970 Wet - 07-05-2019 - 31 - 01 ELI link Pub nr 2019011970 Tekst van de beslissing Rolnummers 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296 Arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij », ingesteld door de nv « Derby » en de nv « Tiercé Ladbroke », door de nv « Betcenter Group », door E.G., door de bvba « World Football Association », door de nv « Belgische PMU » en door de nv « Rocoluc » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3, 2°, 18, 20, 2°, 21, 3° en 4°, 22, 23, 1°, 24, 2° en 3°, en 31 van de wet 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2019) door de nv « Derby » en de nv « Tiercé Ladbroke », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 november 2019, heeft de nv « Betcenter Group », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Wynant en Mr. A. Loubkine, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 november 2019, heeft E.G., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Philippe en Mr. J.-F. Libert, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 28, 1°, en 31, 1°, van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft de bvba « World Football Association », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Y. Spiegl en Mr. C. Maczkovics, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 20, 2°, 21, 3° en 4°, 23, 1°, 24, 2° en 3°, en 31, 1° en 2°, van dezelfde wet. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft de nv « Belgische PMU », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Y. Spiegl en Mr. C. Maczkovics, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 20, 2°, en 21, 3° en 4°, van dezelfde wet. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 20, 24 en 36 van dezelfde wet door de nv « Rocoluc », de nv « Fremoluc » en Frédéric Van den Berghe, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Tulkens en Mr. M. Vanderstraeten, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « UBA-BNGO », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Y. Van Damme en Mr. D. Pattyn, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen (tussenkomende partij in de zaak nr. 7277); 3 - de nv « Nationale Loterij », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Ryckman, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in alle zaken); - de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Ryckaert, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partijen in alle zaken); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vlaemminck, Mr. R. Verbeke en Mr. A. Couwenbergh, advocaten bij de balie te Brussel. Alle verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 14 juli 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2021 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 september 2021 de dag van de terechtzitting bepaald op 20 oktober
- Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2021 : - zijn verschenen : . Mr. P. Joassart en Mr. A. Paternostre, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277; . Mr. L. Marquet loco Mr. P. Vansteenkiste, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7279; . Mr. M. Clément de Cléty, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. D. Philippe en Mr. J.-F. Libert, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7280; . Mr. O. Bertin, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. Y. Spiegl en Mr. C. Maczkovics, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291; . Mr. F. Tulkens, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296; . Mr. D. Pattyn, voor de vzw « UBA-BNGO » (tussenkomende partij in de zaak nr. 7277); . Mr. L. Clément de Cléty, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. D. Ryckaert, voor de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » (tussenkomende partijen in alle zaken); . Mr. R. Verbeke en Mr. A. Couwenbergh, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; 4 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 zetten uiteen dat zij actief zijn op het gebied van kansspelen en weddenschappen, in het bijzonder weddenschappen op paardenwedrennen, dat zij vergunninghouders F1 en F2 zijn en dat zij kansspelinrichtingen klasse IV exploiteren. Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de bestreden wet) hen rechtstreeks en ongunstig raken, aangezien zij hun activiteiten beperken en hen aan dwingende verplichtingen onderwerpen. A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 zet uiteen dat zij actief is op het gebied van sportweddenschappen, dat zij vergunninghouder F1 en F1+ is en dat zij 85 kansspelinrichtingen klasse IV exploiteert. Zij meent rechtstreeks en ongunstig te worden geraakt door de bestreden wet, in zoverre die extra verplichtingen oplegt aan de kansspelinrichtingen klasse IV, die bovendien voor hen tot een omzetverlies zullen leiden ten voordele van de dagbladhandelaars. A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7280 zet uiteen dat zij zich af en toe naar een wedkantoor begeeft om er voor geringe bedragen te spelen, vaak op automatische kansspelen, en dat zij de door de wedkantoren geboden gezelligheid weet te waarderen. Zij doet gelden dat de bestreden wet haar situatie rechtstreeks en ongunstig raakt in zoverre zij, enerzijds, de toegang tot de automatische kansspelen voortaan geweigerd ziet tot de leeftijd van 21 jaar en in zoverre zij, anderzijds, voortaan verplicht is om haar identiteitskaart voor te leggen telkens als zij zich naar een wedkantoor begeeft. A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 zet uiteen dat een van haar hoofdactiviteiten bestaat in het aannemen van weddenschappen, met name voor rekening van de verzoekende partij in de zaak nr.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 legt uit dat zij over vergunningen F1 en F1+ beschikt, alsook over vergunningen F2 die het haar mogelijk maken kansspelinrichtingen klasse IV te exploiteren en dat zij de toekenning van de nieuwe vergunning F1P heeft aangevraagd die bij de bestreden wet wordt vereist voor het organiseren van weddenschappen op paardenwedrennen. De verzoekende partij in de zaak nr. 7291 zet uiteen dat een van haar activiteiten de organisatie van weddenschappen is, dat zij over een vergunning F1 beschikt en dat zij de toekenning van een vergunning F1P heeft aangevraagd. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 doen gelden dat de bestreden wet hun situatie rechtstreeks en ongunstig raakt in zoverre
(1)de Kansspelcommissie hun kan verbieden hun activiteiten uit te oefenen,
(2)de door de bevoegde federatie erkende renvereniging kan weigeren om hun toestemming te verlenen om onderlinge weddenschappen en weddenschappen tegen vaste notering te organiseren op paardenwedrennen die door die vereniging in België worden georganiseerd of die plaatsvinden in het buitenland en
(3)de verzoekende partijen met de renvereniging die de paardenwedren in België organiseert waarvoor zij weddenschappen wensen aan te bieden, een overeenkomst dienen te sluiten waarbij zij een « vergoeding » ten voordele van de betrokken renvereniging dienen te betalen. 5 De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 doet bovendien gelden dat de bestreden wet haar situatie rechtstreeks en ongunstig raakt, in zoverre
(1)zij een convenant met de gemeente dient te sluiten om een vaste kansspelinrichting klasse IV te kunnen exploiteren,
(2)zij geen vaste kansspelinrichting klasse IV mag exploiteren in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht en
(3)zij de identiteit dient te controleren van de personen die toegang willen krijgen tot een vaste kansspelinrichting klasse IV en ze in een register dient in te schrijven. A.1.
- De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7296 zet uiteen dat zij een kansspelinrichting klasse II exploiteert waarvoor zij over een vergunning B beschikt en dat zij een aanvullende vergunning B+ bezit om kansspelen van klasse II online te exploiteren. De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 7296 zet uiteen dat zij een kansspelinrichting klasse III exploiteert waarvoor zij over een vergunning C beschikt. De derde verzoekende partij in de zaak nr. 7296 zet uiteen dat zij de gedelegeerd bestuurder van de eerste twee verzoekende partijen is en dat zij bovendien kansspelen heeft gespeeld en nog kan spelen. De eerste twee verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 doen gelden dat de bestreden wet tussen de verschillende exploitanten van kansspelen en tussen de verschillende vergunninghouders discriminaties doet ontstaan die een verstoring van de concurrentie veroorzaken die nadelig is voor hen. De derde verzoekende partij in de zaak nr. 7296 doet gelden dat de bestreden wet onverantwoorde verschillen in behandeling doen ontstaan met betrekking tot de bescherming van de spelers en dat zij het niveau van bescherming van de spelers aanzienlijk zonder verantwoording vermindert. A.2.
- De vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons », tussenkomende partijen in de zaken nrs. 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296, zetten uiteen dat de eerste tussenkomende partij de sportfederatie is die de paardenwedrennen in België organiseert en dat zij bestaat uit vijf erkende Belgische renverenigingen, waarvan er een de tweede tussenkomende partij is. Bij het beschrijven van de werking van de sector van de paardenwedrennen leggen zij uit, enerzijds, dat de renverenigingen de wedrennen organiseren, het beheer van de renbanen ten laste nemen, waken over het goede verloop van de wedrennen en aan de winnaars de prijzen uitbetalen, waardoor de keten van de socioprofessionele actoren van de sector (fokkers, eigenaars, trainers, jockeys) wordt gefinancierd, en, anderzijds, dat de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen », wier financiering voortvloeit uit de bijdragen die door de renverenigingen en door de socioprofessionele actoren van de sector worden betaald, een rol van toezicht en van controle uitoefent, een « Stud Book » bijhoudt, het paspoort en het afstammingsbewijs van de paarden, de « recettes couleur » (kleuren van de jockeyjasjes) en de vergunningen voor amateurs en profs uitreikt, een infoblad uitgeeft en een nationaal renprogramma opstelt. Zij beklemtonen dat de bestreden wet erin voorziet dat een vergunninghouder F1P, teneinde weddenschappen op paardenwedrennen aan te bieden op alle wedrennen die door de Belgische renverenigingen in België worden georganiseerd of op de wedrennen die in het buitenland worden georganiseerd, de toestemming van alle erkende Belgische renverenigingen moet verkrijgen en hun een vergoeding moet betalen. Zij steunen hun belang om tussen te komen op het feit dat die nieuwe inkomstenbron zou verdwijnen in geval van vernietiging van artikel 21, 3° of 4°, van de bestreden wet. A.2.
- De Nationale Loterij, tussenkomende partij in de zaken nrs. 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296, zet uiteen dat zij weddenschappen aanbiedt op de Belgische markt en dat zij een vergunning F1 en een vergunning F1+ bezit, zodat haar situatie rechtstreeks zal worden geraakt door het arrest dat het Hof dient te wijzen. Bovendien beklemtoont zij dat zij alleen in België loterijen organiseert in het algemeen belang, hetgeen bijdraagt tot de verwezenlijking van het doel de spelers te sturen in de richting van een aanbod van minder risicovolle spelen. Volgens haar zou de vernietiging van de bestreden bepalingen het beschermingsniveau verminderen dat door de reglementering op de risicovollere spelen wordt georganiseerd, zodat zij haar eigen spelaanbod dan zou moeten aanpassen teneinde de kanalisatieopdracht te vervullen die haar toekomt. Bovendien doet zij gelden dat haar producten met name worden verdeeld door de dagbladhandelaars, zodat haar situatie rechtstreeks zal worden geraakt door de wijze waarop het Hof zal oordelen over de middelen waarin wordt aangeklaagd dat de bestreden wet discriminaties doet ontstaan tussen de kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars. Ten slotte beklemtoont de Nationale Loterij dat de vernietiging van de bestreden bepalingen die extra voorwaarden opleggen aan de kansspelinrichtingen klasse IV, het niveau van bescherming van de spelers zou verminderen, hetgeen een weerslag zou hebben op het beleid ter preventie van gokverslaving dat de Nationale Loterij als wettelijke opdracht dient te voeren. A.2.
- De vzw « UBA-BNGO », tussenkomende partij in de zaak nr. 7277, doet gelden dat uit artikel 42, § 3, van de wet van 23 maart 2019 « tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen » en uit artikel 9:25 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voortvloeit dat zij in rechte kan treden voor de verdediging van de persoonlijke rechten van haar leden. Zij preciseert dat zij ook een beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden wet heeft ingesteld (zaak nr. 7298). 6 Zij beklemtoont dat haar statutair doel van een bijzondere aard is, dat het zich onderscheidt van het algemeen belang en dat het kan worden geraakt door het arrest dat het Hof dient te wijzen. Zij beweert dat de belangen van haar leden rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden wet, in het bijzonder door de bepalingen ervan met betrekking tot de « 3.3-toestellen ». Daarenboven doet zij gelden dat het beroep van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 ertoe strekt de exploitatie van « 3.3-toestellen » onbeperkt toe te staan in de kansspelinrichtingen klasse IV en te verbieden in de kansspelinrichtingen klasse III. Volgens haar zou daaruit volgen dat de concurrentiepositie van de kansspelinrichtingen klasse III en van de leveranciers van de toestellen die er worden geëxploiteerd, ongunstig zou worden geraakt ten opzichte van de kansspelinrichtingen klasse IV. A.3.
- De vzw « UBA-BNGO » doet gelden dat het eerste middel, het eerste onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel in de zaak nr. 7277 niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan belang. Volgens haar berusten die middelen op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen en van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999), in zoverre zij inhouden dat de bestreden wet de exploitatie van « 3.3-toestellen » toestaat in de kansspelinrichtingen klasse IV en de exploitatie ervan verbiedt in de kansspelinrichtingen klasse III. Enerzijds beklemtoont zij dat uit de artikelen 6, eerste lid, en 43/4 van de wet van 7 mei 1999 voortvloeit dat de kansspelinrichtingen klasse IV in beginsel uitsluitend bestemd zijn voor het aannemen van weddenschappen. Volgens haar wijzigt de bestreden wet die uitsluitende bestemming niet. Noch de bestreden wet, noch het koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV », net zomin als het koninklijk besluit van 4 mei 2018 « betreffende kansspelen over virtuele sportevenementen in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV », staan trouwens de exploitatie toe, in de kansspelinrichtingen klasse IV, van kaart- of gezelschapsspelen die slechts een zeer beperkte inzet vereisen en aan de speler of gokker slechts een materieel voordeel van geringe waarde kunnen opleveren, met name de « 3.3-toestellen ». Anderzijds doet zij gelden dat de « 3.3-toestellen » zijn toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse III voor zover zij eveneens automatische kansspelen met verminderde inzet uitmaken in de zin van artikel 2, eerste lid, 11°, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 2 van de bestreden wet. Bovendien voert de vzw « UBA-BNGO » aan dat het tweede onderdeel van het vierde middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Zij merkt op dat in dat onderdeel wordt aangeklaagd dat de artikelen 2 en 18 van de bestreden wet de inrichtingen zonder vergunning en de kansspelinrichtingen klasse III verschillend behandelen, in zoverre de eerstgenoemde « 3.3-toestellen » mogen exploiteren, terwijl de laatstgenoemde dergelijke toestellen niet zouden mogen exploiteren maar wel automatische kansspelen met verminderde inzet. Aangezien de verzoekende partijen niet tot een van de twee vergeleken categorieën behoren, kunnen zij volgens haar niet rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat artikel 3, 2°, van de bestreden wet het met name de kansspelinrichtingen klasse IV mogelijk maakt om de in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde kaart- of gezelschapsspelen te exploiteren, die geen kansspelen in de zin van de wet van 7 mei 1999 zijn voor zover zij buiten een inrichting klasse I, II of III worden geëxploiteerd. Bovendien zijn zij van mening dat de vzw « UBA-BNGO » hun verwijt geen belang bij het middel aan te tonen en dat die exceptie moet worden verworpen, aangezien zij een belang bij het beroep hebben. A.3.
- Wat het eerste middel, het eerste onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel betreft, repliceert de vzw « UBA-BNGO » dat de vernietiging van de bestreden bepalingen de situatie van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 niet zou wijzigen en dat zij zelfs geen kans zou bieden om hun situatie gunstiger te regelen. Gesteld dat de ontstentenis van belang niet leidt tot de onontvankelijkheid van de desbetreffende middelen, dient zij volgens haar te leiden tot de gedeeltelijke onontvankelijkheid van het beroep. A.4.
- De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7277, 7289, 7291 en 7296 geen wettig belang hebben bij het vorderen van de vernietiging van artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20 van de bestreden wet, dat de Kansspelcommissie ertoe machtigt weddenschappen te verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden gegarandeerd of indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn. Volgens hem is het vreemd dat de verzoekende partijen weddenschappen willen blijven aanbieden die door fraude kunnen zijn aangetast. A.4.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat de Ministerraad hun verwijt geen belang bij het middel aan te tonen en dat die exceptie moet worden verworpen, aangezien zij een belang bij het beroep hebben. Bovendien beweren zij dat zij de wens delen om de weddenschappen die door fraude kunnen zijn aangetast, te verhinderen, maar dat zij de bestreden bepaling verwijten het de vergunninghouders F1 en F2 niet 7 mogelijk te maken tijdig de interpretatie te bepalen die de Kansspelcommissie zal geven aan de bijzonder vage begrippen die door de wetgever zijn gebruikt. A.4.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 antwoorden dat zij over een wettig belang beschikken om de vernietiging van artikel 20, 2°, van de bestreden wet te vorderen. Zij beklemtonen dat zij de vernietiging van die bepaling vorderen, niet omdat weddenschappen die door fraude kunnen zijn aangetast, zouden kunnen worden verboden, maar wel omdat de aan de Kansspelcommissie toegekende bevoegdheid niet aan enige beperking of nadere regel wordt onderworpen. Ten aanzien van de « 3.3-toestellen » (eerste, vierde en vijfde middel in de zaak nr. 7277) Wat betreft de bevoegdheidsverdeling A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 3, 2°, van de bestreden wet, van artikel 39 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Zij doen gelden dat de bevoegdheid om de bevoegdheden van de gemeenten vast te stellen toebehoort aan de gewesten, zodat de federale overheid niet bevoegd is om de gemeenten ertoe te machtigen de exploitatie van « 3.3-toestellen » te onderwerpen aan een voorafgaande toelating en aan niet-technische exploitatievoorwaarden. A.5.
- De Ministerraad beklemtoont dat de wet van 7 mei 1999 één enkel aspect vormt van de reglementering die van toepassing is op de kansspeloperatoren, aangezien die ook de regelgevingen inzake openbare orde moeten naleven. Hij doet gelden dat het de reeds bestaande bevoegdheid van de gemeenten inzake openbare orde (artikelen 119 en 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet) is die zij toepassen wanneer zij bepaalde kaart- of gezelschapsspelen onderwerpen aan een voorafgaande toelating of aan niet-technische exploitatievoorwaarden. Hij verwijst in dat verband naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie van vóór de wet van 7 mei 1999, volgens welke de gemeenten bepaalde kansspelen konden verbieden krachtens hun bevoegdheid inzake handhaving van de openbare orde. Volgens hem verleent de bestreden bepaling geen nieuwe bevoegdheden aan de gemeenten maar verduidelijkt zij de bevoegdheden waarover zij reeds beschikten. A.5.
- De Nationale Loterij zet een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad. A.5.
- In het kader van haar argumentatie volgens welke het eerste middel op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen berust, doet de vzw « UBA-BNGO » gelden dat daaruit op zijn minst voortvloeit dat het eerste middel niet gegrond is. Bovendien beklemtoont zij dat de aangelegenheid van de spelen en weddenschappen tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Zij voegt eraan toe dat uit artikel 6, § 1, VIII, 1°, vierde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 blijkt dat de federale overheid bevoegd is voor « de organisatie van en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet », hetgeen de algemene administratieve politie en de handhaving van de openbare orde op het gemeentelijk grondgebied inhoudt. Volgens haar bevestigt de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling dat die past in het kader van de gemeentelijke bevoegdheid van de handhaving van de openbare orde. A.5.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat zij vaststellen dat de Ministerraad en de Nationale Loterij erkennen dat de bevoegdheid die bij de bestreden bepaling aan de gemeenten is toegewezen, tot de bevoegdheid van de gewesten behoort en niet onder de federale overheid ressorteert. Volgens hen kan de redenering volgens welke de verduidelijking van een bestaande bevoegdheid niet zou overeenstemmen met de uitoefening van een bevoegdheid, evenwel niet worden aangenomen, aangezien zij afbreuk zou doen aan het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheden. Bovendien zijn zij van mening dat de bestreden bepaling verder gaat dan de bestaande bevoegdheden van de gemeenten, aangezien zij het die gemeenten mogelijk maakt de contouren van een strafrechtelijke inbreuk te bepalen. Daarenboven doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 gelden dat de bij artikel 6, § 1, VIII, 1°, vierde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 toegekende federale bevoegdheid restrictief moet worden geïnterpreteerd en dat in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling noch naar het voormelde artikel, noch naar artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet wordt verwezen. Ten slotte beweren zij dat de voormelde federale bevoegdheid, gelet op het wettigheidsbeginsel in strafzaken, het niet mogelijk maakt de gemeenten ertoe te machtigen de contouren van een strafrechtelijke inbreuk te bepalen en zij verwijzen in dat verband naar het vijfde middel. A.5.
- De Ministerraad repliceert dat hij geenszins erkent dat de bestreden bepaling tot de bevoegdheid van de gewesten zou behoren. Voor het overige herhaalt hij zijn argumentatie. 8 A.5.
- De repliek van de Nationale Loterij sluit aan bij die van de Ministerraad. A.5.
- De vzw « UBA-BNGO » repliceert dat uit de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk blijkt dat de bestreden bepaling de gemeentelijke bevoegdheid van de handhaving van de openbare orde betreft. Bovendien voert zij aan dat de overgangsbepaling van artikel 35 van de Grondwet, artikel 39 van de Grondwet en artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 eraan in de weg staan dat de bij artikel 6, § 1, VIII, 1°, vierde streepje, van dezelfde bijzondere wet toegekende federale bevoegdheid restrictief wordt geïnterpreteerd. Daarenboven doet zij gelden dat de gewesten geen bepaling zouden kunnen aannemen die identiek is aan de bestreden bepaling, aangezien zij dan afbreuk zouden doen aan de federale bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen. Ten slotte brengt zij in herinnering dat het wettigheidsbeginsel in strafzaken geen bevoegdheidverdelende regel is en zij verwijst bovendien naar haar weerlegging van het vijfde middel. Wat betreft het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie A.6.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 2, 3, 2°, en 18 van de bestreden wet. In een eerste onderdeel doen zij gelden dat artikel 3, 2°, van de bestreden wet een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de kansspelinrichtingen klasse IV en de inrichtingen die niet over een vergunning beschikken en « 3.3-toestellen » exploiteren. Terwijl de kansspelinrichtingen klasse IV automatische kansspelen mogen exploiteren mits een vergunning vooraf werd toegekend en bij koninklijk besluit vastgestelde regels worden nageleefd, mogen de inrichtingen zonder vergunning « 3.3-toestellen » exploiteren zonder over een vergunning te moeten beschikken en zonder enige werkingsregel te moeten naleven. Zij doen gelden dat dat verschil in behandeling geen wettig doel lijkt na te streven en dat het bovendien onevenredig is. Volgens hen brengt de machtiging die bij de bestreden wet aan de gemeenten is verleend om de « 3.3-toestellen » aan een voorafgaande toelating en aan niet-technische exploitatievoorwaarden te onderwerpen, die vaststelling niet in het geding, aangezien het een loutere mogelijkheid voor de gemeenten betreft. Ten slotte merken zij op dat de niet-naleving, door de exploitanten van kansspelinrichtingen klasse IV, van de exploitatievoorwaarden die op hen van toepassing zijn, kan leiden tot de intrekking van hun vergunning, terwijl die mogelijkheid niet bestaat ten aanzien van de exploitanten van inrichtingen zonder vergunning die « 3.3-toestellen » exploiteren. In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de artikelen 2 en 18 van de bestreden wet een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de kansspelinrichtingen klasse III en de inrichtingen zonder vergunning die « 3.3-toestellen » exploiteren. Volgens hen worden « 3.3-toestellen » in de bestreden wet beschouwd als kansspelen die zijn verboden in kansspelinrichtingen klasse III, maar worden zij daarin daarentegen niet als kansspelen beschouwd wanneer zij worden geëxploiteerd in inrichtingen zonder vergunning. Zij beweren dat de bestreden wet, ter compensatie van het verbod dat is opgelegd aan de kansspelinrichtingen klasse III om « 3.3-toestellen » te exploiteren, een nieuwe categorie van automatische kansspelen heeft ingevoerd die enkel in die inrichtingen zijn toegestaan, namelijk de automatische kansspelen met verminderde inzet. Volgens hen is de definitie van die nieuwe categorie evenwel dermate vaag dat zij het niet mogelijk maakt de betreffende spelen concreet te identificeren. Zij zijn van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling dus berust op een criterium van onderscheid dat niet objectief is, aangezien het onmogelijk is om een « 3.3-toestel » te onderscheiden van een automatisch kansspel met verminderde inzet. A.6.
- De Ministerraad beklemtoont dat de « 3.3-toestellen » niet onder de definitie van kansspelen vielen krachtens artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999, maar dat zij, in de kansspelinrichtingen klasse III, de facto kansspeltoestellen waren geworden en werden geëxploiteerd naast de in die inrichtingen toegestane kansspelen. Hij legt uit dat artikel 39 van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 18 van de bestreden wet, overeenkomstig de kanalisatiedoelstelling voortaan erin voorziet dat de kansspelinrichtingen klasse III maximaal twee automatische kansspelen en twee automatische kansspelen met verminderde inzet mogen exploiteren. Hij beklemtoont dat de « 3.3-toestellen » die in andere inrichtingen worden geëxploiteerd, voortaan worden geregeld bij artikel 3, tweede tot vierde lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 3, 2°, van de bestreden wet. Volgens hem bestaat er een essentieel verschil tussen, enerzijds, de exploitatie van de toestellen die in artikel 39 van de wet van 7 mei 1999 worden beoogd en die in de kansspelinrichtingen klasse III worden geëxploiteerd en, anderzijds, de in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde automatische kaart- of gezelschapsspelen, zodat er geen discriminatie kan bestaan. In ondergeschikte orde, gesteld dat een dergelijke discriminatie bestaat, doet de Ministerraad gelden dat dan enkel de woorden « uitgeoefend in kansspelinrichtingen klasse III » in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 zouden moeten worden 9 vernietigd, zodat alle kaart- of gezelschapsspelen waarbij gebruik wordt gemaakt van een toestel, in beginsel als kansspelen zouden worden beschouwd. A.6.
- De Nationale Loterij zet een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die welke in hoofdorde door de Ministerraad is uiteengezet. A.6.
- Wat het eerste onderdeel van het vierde middel betreft, doet de vzw « UBA-BNGO » gelden dat uit haar argumentatie volgens welke dat onderdeel op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen berust, op zijn minst voortvloeit dat dat onderdeel niet gegrond is. Wat het tweede onderdeel van het vierde middel betreft, doet de vzw « UBA-BNGO » gelden dat dat onderdeel onontvankelijk is in zoverre de vaagheid van het begrip « automatische kansspelen met verminderde inzet » daarin wordt bekritiseerd, aangezien die kritiek niets te maken heeft met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bovendien, indien het onderdeel in kwestie in die zin moet worden gelezen dat de onmogelijkheid om een « 3.3-toestel » te onderscheiden van een automatisch kansspel met verminderde inzet daarin wordt bekritiseerd, houdt zulks volgens haar dan in dat er geen verschil in behandeling tussen die twee begrippen bestaat, zodat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet kan zijn geschonden. Bij het uitvoerig beschrijven van de verschillende elementen van de definitie van automatische kansspelen met verminderde inzet doet zij ten slotte gelden dat die definitie voldoende nauwkeurig is. A.6.
- Wat het eerste onderdeel betreft, antwoorden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 dat de inrichtingen zonder vergunning en de kansspelinrichtingen klasse IV gemachtigd zijn om de in artikel 3, 2°, van de bestreden wet bedoelde kaart- of gezelschapsspelen te exploiteren. Zij beklemtonen dat noch de Ministerraad, noch de tussenkomende partijen het bekritiseerde verschil in behandeling verantwoorden, namelijk dat die twee categorieën van inrichtingen die kaart- of gezelschapsspelen mogen exploiteren maar dat enkel de kansspelinrichtingen klasse IV vooraf een vergunning moeten verkrijgen en het voorwerp van een intrekking van de vergunning kunnen uitmaken in geval van niet-naleving van de exploitatievoorwaarden. Wat het tweede onderdeel betreft, antwoorden zij dat de vraag of een verschil in behandeling op een objectief criterium berust, een duidelijk verband vertoont met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bovendien merken zij op dat, indien het standpunt van de vzw « UBA-BNGO » wordt gevolgd volgens hetwelk de automatische kansspelen met verminderde inzet en de in artikel 3, 2°, van de bestreden wet bedoelde kaart- of gezelschapsspelen identieke definities hebben, daaruit voortvloeit dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet op enig criterium berust en dus discriminerend is. Vervolgens voeren zij aan dat de definitie van de automatische kansspelen met verminderde inzet het niet mogelijk maakt ze te onderscheiden van de in artikel 3, 2°, van de bestreden wet bedoelde kaart- of gezelschapsspelen. Ten slotte doen zij gelden dat het standpunt van de Ministerraad volgens hetwelk het objectieve criterium zou gelegen zijn in de exploitatievoorwaarden van de spelen in kwestie, niet kan worden gevolgd. A.6.
- De Ministerraad en de Nationale Loterij repliceren dat uit de artikelen 6 en 43/4, § 2, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 voortvloeit dat de kansspelinrichtingen klasse IV de in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde kaart- of gezelschapsspelen, met inbegrip van de « 3.3-toestellen », niet mogen exploiteren. Wat betreft het verschil in behandeling dat wordt aangevoerd tussen de kansspelinrichtingen klasse III en de andere inrichtingen, beweert de Minsterraad dat artikel 3, tweede tot vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 tegelijk op de automatische kansspelen met verminderde inzet en op de « 3.3-toestellen » van toepassing is, zodat het verschil in behandeling in dat verband onbestaande is. Bovendien beklemtoont hij dat de kansspelinrichtingen klasse III cafés zijn waar mensen samenkomen om zich te ontspannen en waar minderjarigen aanwezig kunnen zijn, hetgeen verantwoordt dat het maximumaantal automatische kansspelen met verminderde inzet er wordt beperkt tot twee. A.6.
- Wat het tweede onderdeel van het vierde middel betreft, repliceert de vzw « UBA-BNGO » allereerst dat dat onderdeel van het middel niet gegrond is in zoverre daarin de vage definitie van het begrip « automatische kansspelen met verminderde inzet » wordt bekritiseerd. Zij preciseert dat de automatische kansspelen met verminderde inzet zich enkel van de andere kansspelen onderscheiden door de wijze van spelen (gebruik van een toestel) en door de beperking van de inzet. Volgens haar kunnen automatische kansspelen met verminderde inzet overeenstemmen met alle mogelijke kansspelen, ook met kaart- of gezelschapsspelen, maar zonder daartoe te zijn beperkt. Zij beklemtoont dat de kaart- of gezelschapsspelen die op een toestel worden gespeeld, die beantwoorden aan de elementen van inzet, van winst of verlies en van kans, en waarvoor de inzet de in artikel 2, eerste lid, 11°, 10 van de wet van 7 mei 1999 vastgestelde limiet niet overschrijdt, automatische kansspelen met verminderde inzet zijn. De vzw « UBA-BNGO » doet overigens gelden dat in de memorie van antwoord van de verzoekende partijen de bestreden wet inmiddels wordt bekritiseerd in zoverre zij het de inrichtingen zonder vergunning mogelijk maakt « 3.3-toestellen » te exploiteren zonder te zijn onderworpen aan de voorwaarden en aan de beperkingen die van toepassing zijn op de kansspelinrichtingen klasse III wanneer zij dergelijke toestellen exploiteren. Volgens haar is die kritiek gegrond. Zij preciseert trouwens dat in het eerste middel dat zij in de zaak nr. 7298 aanvoert, het discriminerende karakter van de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet wordt bekritiseerd en zij neemt dat middel over in haar memorie van wederantwoord. Zij merkt desalniettemin op dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de artikelen 2, 3, 2°, en 18 van de bestreden wet, maar uit artikel 3, 1°, ervan. Ten slotte is de vzw « UBA-BNGO » het eens met de suggestie tot gedeeltelijke vernietiging die in ondergeschikte orde door de Ministerraad is geformuleerd. Wat betreft het wettigheidsbeginsel in strafzaken A.7.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een vijfde middel af uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet door artikel 3, 2°, van de bestreden wet. Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling aan de Kansspelcommissie en aan de gemeenten de bevoegdheid delegeert om de essentiële elementen van een inbreuk te bepalen, aangezien zij de voorwaarden kunnen vaststellen waaronder de « 3.3-toestellen » kunnen worden geëxploiteerd zonder als kansspelen te worden beschouwd. Wanneer die voorwaarden niet worden nageleefd, worden de « 3.3-toestellen » volgens hen beschouwd als verboden kansspelen die zonder vergunning worden geëxploiteerd, zodat de exploitant ervan strafrechtelijk kan worden bestraft krachtens artikel 63 van de wet van 7 mei
- A.7.
- De Ministerraad doet gelden dat de wet van 7 mei 1999 de kansspelen erg duidelijk definieert en dat de in artikel 3 van dezelfde wet bedoelde uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Om zich ervan te vergewissen dat een spel onder die uitzonderingen valt, dienen volgens hem de richtlijnen van de Kansspelcommissie en van de bevoegde gemeente te worden geraadpleegd en, indien het spel niet binnen de overeenkomstig artikel 3, tweede tot vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 vastgestelde marges valt, betreft het een kansspel in de zin van artikel 2, 1°, van dezelfde wet. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat enkel de woorden « uitgeoefend in kansspelinrichtingen klasse III » in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 zouden moeten worden vernietigd. A.7.
- De Nationale Loterij zet een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die welke in hoofdorde door de Ministerraad is uiteengezet. A.7.
- De vzw « UBA-BNGO » doet gelden dat uit haar argumentatie volgens welke het vijfde middel op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen berust, op zijn minst voortvloeit dat dat middel niet gegrond is. Vervolgens, wat betreft de bevoegdheid die aan de Kansspelcommissie is toevertrouwd om de toestellen toe te staan waarop de in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde kaart- of gezelschapsspelen mogen worden gespeeld, doet zij gelden dat die bevoegdheid wordt afgebakend bij dat artikel en bij de koninklijke besluiten die krachtens artikel 3, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 zijn aangenomen. Bovendien beklemtoont zij dat bij de interpretatie van die bevoegdheid rekening moet worden gehouden met de volgende elementen :
(1)de parlementaire voorbereiding, de omzendbrieven en de commentaar met betrekking tot de vroegere versies van de wet van 7 mei 1999,
(2)de doelstellingen van de wet van 7 mei 1999, binnen de perken waarvan de Kansspelcommissie dient te handelen wanneer zij de bevoegdheid in kwestie uitoefent,
(3)de taken van de Kansspelcommissie, die met name bij artikel 52 van de wet van 7 mei 1999 reeds is belast met de erkenning van elk model van materiaal of van toestel dat is ingevoerd of vervaardigd en
(4)het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Daarenboven, wat betreft de aan de gemeenten toevertrouwde bevoegdheid om de in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde kaart- of gezelschapsspelen aan een voorafgaande toelating of aan niet-technische exploitatievoorwaarden te onderwerpen, doet de vzw « UBA-BNGO » eveneens gelden dat die bevoegdheid bij dat artikel en bij koninklijke besluiten wordt afgebakend. Bovendien is zij van mening dat het begrip « voorafgaande toelating » moet worden begrepen volgens de gewone betekenis ervan en dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de niet-technische exploitatievoorwaarden die zijn welke betrekking hebben op de exploitatie, de plaats, het aanbod en de uren van beschikbaarheid van de « 3.3-toestellen ». Ten slotte is zij van mening dat de gemeentelijke bevoegdheid in kwestie beperkt is, aangezien er een redelijk verband van 11 evenredigheid moet bestaan tussen de aangenomen maatregelen en concrete en aangetoonde behoeften inzake handhaving van de openbare orde. A.7.5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat geen enkele partij het feit betwist dat de bestreden bepaling de Kansspelcommissie en de gemeenten ertoe machtigt de contouren te bepalen van het gedrag dat wordt verboden bij artikel 4, § 1, van de wet van 7 mei 1999 en dat strafbaar wordt gesteld bij artikel 63 van dezelfde wet. Zij beklemtonen dat hun grief, die geen betrekking heeft op de wettigheid in materiële zin maar op de wettigheid in formele zin, is opgebouwd rond drie redenen :
(1)de wetgever kan de bevoegdheid om de niet-essentiële elementen van een inbreuk vast te stellen delegeren aan de uitvoerende macht maar niet aan de gemeenten of aan een onafhankelijke administratieve overheid,
(2)de aan de gemeenten toevertrouwde bevoegdheid wordt niet voldoende nauwkeurig omschreven, en
(3)de gemeenten zijn ertoe gemachtigd de essentiële elementen van de inbreuk vast te stellen. A.7.
- De Ministerraad repliceert dat de bestreden wet geen enkele nieuwe bevoegdheid toevertrouwt aan de Kansspelcommissie of aan de gemeenten en hun a fortiori geen enkele bevoegdheid verleent om de contouren van een inbreuk te bepalen. Enerzijds verwijst hij naar de erkenningsbevoegdheid die reeds aan de Kansspelcommissie is toegekend bij artikel 52 van de wet van 7 mei
- Anderzijds is hij van mening dat de bestreden bepaling de reeds bestaande bevoegdheid van de gemeenten inzake handhaving van de openbare orde alleen maar bevestigt. A.7.
- De repliek van de Nationale Loterij is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. In ondergeschikte orde is de Nationale Loterij eveneens van mening dat enkel de woorden « uitgeoefend in kansspelinrichtingen klasse III » in artikel 3, eerste lid, 3°, van de wet van 7 mei 1999 zouden moeten worden vernietigd. A.7.
- De vzw « UBA-BNGO » repliceert dat de grieven van de verzoekende partijen waarbij wordt aangevoerd dat enkel de Koning ertoe kan worden gemachtigd de inhoud van een inbreuk te preciseren en dat de aan de gemeenten toevertrouwde machtiging vaag is en betrekking heeft op de essentiële elementen van de inbreuk, voor de eerste maal in de memorie van antwoord werden geformuleerd en dus onontvankelijk zijn wegens het niet- tijdige karakter ervan. De vzw « UBA-BNGO » sluit zich eveneens aan bij de argumentatie die in de memories van de Ministerraad en van de Nationale Loterij is uiteengezet. Bovendien beklemtoont zij dat het in artikel 4 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde principiële verbod niet van toepassing is op de spelen die worden uitgesloten van het toepassingsgebied van die wet. Aangezien enkel dergelijke spelen door de gemeente aan een voorafgaande toelating of aan niet-technische exploitatievoorwaarden kunnen worden onderworpen, is de niet-naleving van de regels die ter zake door de gemeente worden aangenomen, volgens haar niet strafbaar op grond van de artikelen 4 en 63 van de wet van 7 mei
- Wat betreft de handhaving van de gevolgen A.
- In ondergeschikte orde en teneinde de onevenredige gevolgen van de niet-gemoduleerde vernietiging van de artikelen 2, 3, 2° en 3°, en 18 van de bestreden wet te vermijden (enerzijds, aantasting van het doel van bescherming van de spelers en, anderzijds, aantasting van de investeringen die door de vergunninghouders C en E zijn gedaan om zich te voegen naar de bestreden wet, aantasting van de rechtszekerheid en aantasting van de rendabiliteit van de kansspelinrichtingen klasse III), verzoekt de vzw « UBA-BNGO » om de gevolgen van die bepalingen te handhaven gedurende de tijd die nodig is om de wetgever in staat te stellen opnieuw wetgevend op te treden. Ten aanzien van de weddenschappen op paardenwedrennen (tweede, zevende en achtste middel in de zaak nr. 7277; eerste middel en tweede middel, tweede onderdeel, in de zaken nrs. 7289 en 7291) Wat betreft de bevoegdheidsverdeling A.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 21, 4°, van de bestreden wet, van de artikelen 39 en 127 van de Grondwet en van de artikelen 4, 9°, en 6, § 1, V, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de bestreden bepaling alleen tot doel heeft de financiering van het circuit van de paardenwedrennen te verzekeren door aan de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen de verplichting op te leggen om een overeenkomst te sluiten met de paardenrenverenigingen, waarbij met name de vergoeding wordt vastgesteld die de eerstgenoemden aan de laatstgenoemden moeten betalen om alle soorten van weddenschappen op 12 paardenwedrennen (onderlinge weddenschappen en weddenschappen tegen notering, in België en in het buitenland) te kunnen organiseren. Volgens hem behoort de financiering van het circuit van de paardenwedrennen niet tot de federale bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen maar hetzij tot de gemeenschapsbevoegdheid inzake sport, hetzij tot de gewestelijke bevoegdheid inzake landbouwbeleid of economie. Zij verwijzen in dat verband naar het arrest van het Hof nr. 114/2005 van 30 juni
- A.9.
- De Ministerraad doet gelden dat de bestreden bepaling betrekking heeft op de toelating van weddenschappen op paardenwedrennen en niet op de toelating van de paardenwedrennen zelf. Uit het arrest van het Hof nr. 114/2005 leidt hij af dat een dergelijke maatregel niet tot de gemeenschapsbevoegdheid inzake sport maar tot de federale bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen behoort. Hoewel niet wordt betwist dat de bestreden bepaling met name betrekking heeft op de financiering van de sector van de paardenwedrennen, past zij volgens hem enkel in het kader van de bescherming van de consument en van de bestrijding van gokverslaving. Volgens hem bestaat het doel erin de kwaliteit van de weddenschappen op paardenwedrennen te vrijwaren en risico’s van fraude te voorkomen, hetgeen vereist dat de kwaliteit van de paardenwedrennen wordt verzekerd door een gezonde financiering van de sector te waarborgen. Hij beklemtoont dat de bestreden wet past in het kader van de continuïteit van de wet van 10 januari 2010 « tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen » (hierna : de wet van 10 januari 2010), die reeds had gezorgd voor het financiële evenwicht van de sector van de paardenwedrennen door een conventionele ondersteuning in het kader van de onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland worden georganiseerd. De Ministerraad verwijst eveneens naar de arresten van het Hof nrs. 100/2001 van 13 juli 2001 en 96/2010 van 29 juli
- Ten slotte doet hij gelden dat de bestreden bepaling de artikelen 6, e), en 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in acht neemt. A.9.
- De vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » zetten een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad. A.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat de andere partijen niet betwisten dat de bestreden bepaling uitsluitend tot doel heeft het circuit van de paardenwedrennen te financieren. Volgens de verzoekende partijen dienen twee voorwaarden te worden vervuld opdat de federale overheid het circuit van de paardenwedrennen kan financieren op grond van zijn bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen :
(1)de aangelegenheid in kwestie dient voldoende nauw verbonden te zijn met de weddenschappen op paardenwedrennen en
(2)de parlementaire voorbereiding dient het bestaan van dat verband en het adequate karakter van de genomen maatregelen aan te tonen. Volgens hem beperkt de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling zich tot het vermelden van het algemene verband tussen de kwaliteit van de weddenschappen en de financiering van het circuit van de paardenwedrennen, zonder evenwel preciseringen aan te brengen. Bovendien zijn zij van mening dat de in de bestreden bepaling bedoelde wijze van financiering niet werd beoordeeld en onzeker is en dat de renverenigingen niet ertoe zijn gehouden de ontvangen bedragen te bestemmen voor het verbeteren van de kwaliteit van de weddenschappen. Ten slotte beklemtonen zij dat de verwijzingen door de andere partijen naar het Europese recht, irrelevant zijn met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling. A.9.
- De Ministerraad repliceert dat hij geenszins erkent dat de financiering van de sector van de paardenwedrennen het uitsluitende doel van de bestreden bepaling zou zijn. Hij beklemtoont dat uit de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk blijkt dat de bestreden bepaling onrechtstreeks betrekking heeft op de financiering van de sector van de paardenwedrennen met het oog op de bescherming van de consument en de bestrijding van gokverslaving. Ten slotte merkt hij op dat de verzoekende partijen geen wettelijke grondslag aangeven die de twee voorwaarden verantwoordt waarop zij in hun memorie van antwoord de aandacht vestigen. A.9.
- De repliek van de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en van de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. Wat betreft de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten A.10.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een achtste middel, eerste onderdeel, af uit de schending, door de artikelen 21, 3° en 4°, en 22 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet en met de artikelen 49, 52, 54, 56, 57 en 62 van het VWEU. Zij beklemtonen dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten enkel geoorloofd zijn op de drievoudige voorwaarde dat zij zonder onderscheid van toepassing zijn op de nationale onderdanen en op de onderdanen van de andere lidstaten, dat zij een aanvaardbaar doel nastreven en dat zij adequaat, noodzakelijk en evenredig met het nagestreefde doel zijn. 13 Ten eerste doen zij gelden dat artikel 21, 3° en 4°, van de bestreden wet de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten beperkt, in zoverre het de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen onderwerpt aan de toestemming van de renverenigingen, die een financiële tegenprestatie zullen eisen. Zij zijn van mening dat de desbetreffende vrijheden des te meer worden beperkt met betrekking tot de weddenschappen op paardenwedrennen die plaatsvinden in andere lidstaten, aangezien de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen een vergoeding moeten betalen aan de Belgische renverenigingen zonder dat die enige prestatie leveren. Ten tweede merken zij op dat de bestreden bepalingen zonder onderscheid van toepassing zijn op de nationale onderdanen en op de onderdanen van de andere lidstaten. Ten derde doen zij gelden dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten kunnen worden verantwoord door de in artikel 52, lid 1, van het VWEU opgesomde motieven of door dwingende redenen van algemeen belang maar dat zij daarentegen niet kunnen worden verantwoord door economische doelstellingen. Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het enige doel van de bestreden bepalingen erin bestaat de sector van de paardenwedrennen financieel te ondersteunen, hetgeen een economisch doel uitmaakt. Bovendien beklemtonen zij dat het Hof, bij zijn arrest nr. 96/2010, een middel ernstig heeft bevonden dat was gericht tegen de wet van 10 januari 2010, die reeds een monopolie verleende aan de Belgische renverenigingen voor de toestemming om weddenschappen aan te nemen op de wedrennen die zij organiseren. Zij besluiten daaruit dat de bestreden bepalingen een onverantwoorde beperking van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten met zich meebrengen. A.10.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 leiden een tweede middel, tweede onderdeel, af uit de schending, door artikel 21, 3° en 4°, van de bestreden wet, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij doen gelden dat de verplichting voor de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen om een overeenkomst met de betrokken renvereniging te sluiten en om haar een vergoeding te betalen, een belemmering van de door de artikelen 49 en 56 van het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden uitmaakt. Vervolgens beklemtonen zij dat die belemmering niet kan worden verantwoord door het doel het circuit van de paardenwedrennen te ondersteunen, aangezien het een louter economisch doel betreft. Ten slotte beklemtonen zij dat het Hof van Justitie van oordeel is dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat de aan een nationale autoriteit toegekende vergunningsbevoegdheid strikt wordt afgebakend om willekeurige beslissingen te vermijden en dat die vereiste a fortiori geldt ten aanzien van een vergunningsbevoegdheid die aan private entiteiten is toegekend. Volgens hen nemen de bestreden bepalingen die evenredigheidsvereiste niet in acht, aangezien de renverenigingen ertoe worden gemachtigd de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen al dan niet toe te staan hun activiteiten uit te oefenen, hun de nadere regels van de overeenkomst op te leggen en het bedrag vast te stellen dat zij moeten betalen, zonder dat die bevoegdheden worden beperkt door wettelijke of reglementaire bepalingen. A.10.
- De Ministerraad zet één enkele argumentatie uiteen met betrekking tot het zevende middel en het eerste onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7277 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs. 7289 en
- Wat betreft de grief met betrekking tot de schending van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten doet de Ministerraad allereerst gelden dat de oorspronkelijk overwogen rente niet is opgenomen in de bestreden wet. Vervolgens beklemtoont hij dat de paardenwedrennen en de weddenschappen op paardenwedrennen steeds intrinsiek met elkaar verbonden zijn geweest, dat de inkomsten uit de weddenschappen op paardenwedrennen het mogelijk maken de activiteit van de paardenfokkerij te ondersteunen en dat de levensvatbaarheid van de sector van de paardenwedrennen rechtstreeks verband houdt met de bescherming van de spelers. Volgens hem beogen de bestreden bepalingen betrouwbare, eerlijke en kwaliteitsvolle paardenwedrennen te waarborgen, teneinde de spelers te beschermen en fraude en criminaliteit te bestrijden. Volgens hem blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat de kansspelreglementering in ondergeschikte orde financiële doelstellingen kan nastreven en dat de lidstaten vrij zijn om hun politieke doelstellingen ter zake vast te stellen en het gewenste niveau van bescherming van de spelers te bepalen. De Ministerraad is van mening dat, gelet op de huidige situatie van een gebrek aan financiering van de paardensport, de bestreden bepalingen niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. Hij beklemtoont bovendien dat de bestreden bepalingen het de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen mogelijk maken zelf te onderhandelen over de bijdrage die zij aan de renverenigingen moeten betalen. Hij doet overigens gelden dat paardenwedrennen in het buitenland niet kunnen worden uitgesloten van het vergoedingsmechanisme ten voordele van de Belgische sector van de paardenwedrennen omdat, enerzijds, Belgische paarden deelnemen aan buitenlandse wedrennen en, anderzijds, de inaanmerkingneming van de plaats van de wedren, veeleer dan de plaats 14 van het aanbod van weddenschappen, een onvolkomenheid zou creëren die het mogelijk maakt weddenschappen aan te bieden op buitenlandse wedrennen zonder de noodzakelijke financiële vergoeding te betalen. A.10.
- De vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » zetten een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad. Zij voegen eraan toe dat een derde reden verantwoordt dat buitenlandse wedrennen niet worden uitgesloten van het vergoedingsmechanisme ten voordele van de Belgische sector van de paardenwedrennen, namelijk het feit dat soortgelijke bepalingen in het buitenland kunnen bestaan, waarbij operatoren die in het buitenland weddenschappen aannemen op Belgische wedrennen, een financiële bijdrage leveren aan de buitenlandse sector van de paardenwedrennen. A.10.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat de paardenwedrennen niet worden georganiseerd om het mogelijk te maken weddenschappen aan te nemen, maar een economische activiteit op zich uitmaken die, net zoals elke andere sport, erin bestaat tussen de deelnemers een competitie te organiseren die wordt bekroond met een prijs en die een betalend schouwspel voor het publiek vormt. Zij zijn van mening dat het hoofddoel van de bestreden bepalingen erin bestaat de renverenigingen te subsidiëren. Volgens hen bestaat er geen enkele waarborg dat de ontvangen bedragen de paardenfokkers ten goede komen (hetgeen hoe dan ook een economisch doel zou uitmaken) of dat zij worden aangewend om fraude te bestrijden. Bovendien doen zij gelden dat de maatregel onevenredig is, aangezien de renverenigingen volledige vrijheid genieten om het bedrag van de bijdrage te bepalen. Volgens hen wordt die onevenredigheid vergroot wat de buitenlandse paardenwedrennen betreft. Ten slotte beklemtonen zij dat, hoewel het juist is dat andere lidstaten hebben geoordeeld dat de sector van de paardenwedrennen publieke ondersteuning verdiende, een dergelijke ondersteuning moet passen in het kader van het recht op staatssteun. Volgens hen houdt dat in dat de overheid zelf het bedrag van de steun vaststelt en dat zij de maatregel vooraf aanmeldt bij de Europese Commissie, die zal waken over het gebrek aan « overcompensatie ». A.10.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 antwoorden dat het doel om het circuit van de paardenwedrennen te ondersteunen niet zou kunnen verantwoorden dat een beperking wordt aangebracht in de artikelen 49 en 56 van het VWEU, ook al zou dat doel het mogelijk maken de consument te beschermen en fraude en criminaliteit te bestrijden. Bovendien beweren zij dat de Ministerraad niet concreet aantoont dat de bestreden bepalingen het doel van bescherming van de consument nastreven. Vervolgens doen zij gelden dat de bekritiseerde beperkingen hoe dan ook onevenredig zijn, aangezien de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen die plaatsvinden in België, de voorafgaande toestemming van de renverenigingen vereist en aangezien de eenzijdige bevoegdheid die aan die laatstgenoemden is toegekend, door geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling wordt afgebakend. A.10.
- De Ministerraad zet één enkele repliek uiteen met betrekking tot het zevende middel en het eerste onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7277 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs. 7289 en
- Wat betreft de grief met betrekking tot de schending van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, repliceert de Ministerraad dat, hoewel het juist is dat de weddenschappen op buitenlandse wedrennen enkel kunnen worden georganiseerd door de vergunninghouders F1P die weddenschappen op Belgische wedrennen organiseren, de vergoeding ten voordele van de Belgische renverenigingen essentieel verband houdt met het aanbod van weddenschappen op Belgische wedrennen. Volgens hem wordt het feit dat de in België gevestigde organisatoren van weddenschappen niet alleen weddenschappen op buitenlandse wedrennen kunnen aanbieden, verantwoord door de noodzaak om de onvolkomenheid te vermijden die erin zou bestaan dat de operatoren van weddenschappen die in een eerste Staat zijn gevestigd, enkel weddenschappen aanbieden op wedrennen die in een tweede Staat worden georganiseerd, en omgekeerd. Bovendien merkt de Ministerraad op dat het koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van de nadere voorwaarden onder dewelke onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden kunnen worden ingericht » vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet reeds in een financiële ondersteuning voor de renverenigingen voorzag, die werd berekend op basis van onderlinge weddenschappen op buitenlandse wedrennen en hij is van mening dat de bestreden wet zich ertoe beperkt dat systeem te veralgemenen. Ten slotte verwijst de Ministerraad naar het Verdrag van de Raad van Europa van 18 september 2014 inzake de manipulatie van sportwedstrijden (het Macolin-Verdrag), waarvan artikel 8 betrekking heeft op de ondersteuning van sportorganisaties teneinde sportfraude te bestrijden. Daarenboven beweert de Ministerraad dat de renverenigingen, bij gebrek aan een passende ondersteuning vanwege de sector van de weddenschappen, alle failliet zouden gaan, hetgeen het aantal clandestiene wedrennen en illegale geldspelen zou doen toenemen. Hij voert aan dat het feit dat een lidstaat van de Europese Unie staatssteun kan toekennen aan de renverenigingen, bevestigt dat de bestreden wet geen onevenredige beperking 15 met zich meebrengt. Volgens hem had de Belgische Staat kunnen beslissen om een belasting te heffen op de weddenschappen op paardenwedrennen en om aan de renverenigingen staatssteun toe te kennen dankzij die ontvangsten. Volgens hem zou het nettoresultaat identiek zijn geweest, maar de beperking zou groter zijn geweest in vergelijking met de bestreden wet, die het de organisatoren van weddenschappen zelf mogelijk maakt het met de renverenigingen eens te worden over het bedrag dat moet worden betaald voor het organiseren van weddenschappen op paardenwedrennen. Ten slotte betwist de Ministerraad dat de renverenigingen eenzijdig het bedrag van de vergoeding kunnen opleggen, aangezien zij met de organisatoren van weddenschappen een akkoord moeten bereiken. Volgens hem zal de werking van de markt waarborgen dat die laatstgenoemden nooit te veel zullen betalen. Bovendien beweert hij dat de renverenigingen meer vragende partij zijn om dergelijke overeenkomsten te sluiten, aangezien zij enkel de mogelijkheid hebben om paardenwedrennen te organiseren, terwijl de organisatoren van weddenschappen kunnen beslissen om hun activiteiten op andere sporten te concentreren. A.10.
- De repliek van de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en van de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. Zij voegen eraan toe dat er nergens ter wereld correcte paardenwedrennen bestaan zonder een financiële bijdrage die afkomstig is van weddenschappen. Zij beweren dat de bestreden bepaling niet meer dan rechtvaardig is omdat de rensector anders alle kosten ten laste zou moeten nemen, terwijl de sector van de weddenschappen zou gebruikmaken van de gegevens die toebehoren aan de rensector zonder bij te dragen in de kosten. Wat betreft het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie A.11.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een zevende middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 21, 3° en 4°, en 22 van de bestreden wet. In een eerste onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen, die een overeenkomst met de renverenigingen moeten sluiten en hun een vergoeding moeten betalen, en de organisatoren van weddenschappen in alle andere domeinen (windhondenrennen, voetbalwedstrijden, tenniswedstrijden, enz.), die niet aan enige financiële verplichting worden onderworpen. Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen discriminerend zijn, zowel wat betreft de paardenwedrennen die in België worden georganiseerd als wat betreft die welke in het buitenland worden georganiseerd. Volgens hen krijgen de Belgische renverenigingen in dat laatste geval een financiering toegekend voor een dienst die zij niet verstrekken. In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen die over een vergunning F1P beschikken en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV die de weddenschappen van die organisatoren aannemen en, anderzijds, de dagbladhandelaars, de Nationale Loterij en de organisatoren die weddenschappen aannemen op renbanen. Terwijl beide vergeleken categorieën weddenschappen op paardenwedrennen mogen organiseren of aannemen, dient volgens hen enkel de eerste daartoe een overeenkomst met de renverenigingen te sluiten en hun een vergoeding te betalen. Zij is van mening dat het niet passend is om op die twee categorieën onderscheiden regels toe te passen terwijl de in het geding zijnde weddenschappen soortgelijk zijn. A.11.
- De Ministerraad zet één enkele argumentatie uiteen met betrekking tot het zevende middel en het eerste onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7277 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs. 7289 en
- Wat het eerste onderdeel van het zevende middel betreft, is hij van mening dat de twee categorieën niet vergelijkbaar zijn, gelet op het (historische) verschil tussen de paardenwedrennen en de andere sporten en met name gelet op het feit dat de paardenwedrennen worden georganiseerd met het oog om erop te wedden en het feit dat de financiering die afkomstig is van de weddenschappen, noodzakelijk is voor het organiseren van betrouwbare en eerlijke wedrennen. Volgens hem bestaat er op zijn minst een pertinente reden om een onderscheid te maken tussen de paardenwedrennen en de andere sporten en is de maatregel gepast en evenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Wat het tweede onderdeel van het zevende middel betreft, is de Ministerraad van mening dat de argumentatie van de verzoekende partijen op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen berust. Hij beklemtoont dat elke organisator van weddenschappen op paardenwedrennen over een vergunning F1P moet beschikken. 16 A.11.
- De vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » zetten een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad. Wat het tweede onderdeel van het zevende middel betreft, preciseren zij dat de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen, die houder zijn van een vergunning F1P, en de aannemers van weddenschappen, die houder zijn van een vergunning F2, zich in volledig verschillende situaties bevinden en in de wet van 7 mei 1999 aan onderscheiden regelingen worden onderworpen. A.11.
- Wat het eerste onderdeel van het zevende middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 dat het hoe dan ook onevenredig is om aan de renverenigingen het buitensporige voorrecht toe te kennen om het bedrag dat hun moet worden betaald, willekeurig te bepalen. Wat het tweede onderdeel van het zevende middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 dat de vergeleken categorieën vergelijkbaar zijn, met name omdat de vergunninghouders F1, F2 en F1P deel uitmaken van dezelfde klasse, namelijk klasse IV, en omdat bepaalde organisatoren van weddenschappen tegelijk over een vergunning F1P en over een vergunning F2 beschikken en zich bijgevolg in dezelfde situatie bevinden als de vergunninghouders F
- Zij beklemtonen dat de bestreden wet de vergunninghouders F1 de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen heeft ontnomen om ze toe te vertrouwen aan de vergunninghouders F1P maar dat zij geen vergunning F2P in het leven heeft geroepen, zodat weddenschappen op paardenwedrennen kunnen worden aangenomen door vergunninghouders F
- Zij beweren dat enkel de vergunninghouders F1P het circuit van de paardenwedrennen dienen te financieren, terwijl de vergunninghouders F2, buiten inrichtingen klasse IV, ervan worden vrijgesteld. Ten slotte legden het gelijkheidsbeginsel en het nastreven van de door de Ministerraad aangevoerde doelstellingen volgens hen de verplichting op om alle actoren van weddenschappen op paardenwedrennen te onderwerpen aan de verplichting om het circuit van de paardenwedrennen te financieren. A.11.
- De Ministerraad zet één enkele repliek uiteen met betrekking tot het zevende middel en het eerste onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7227 en het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaken nrs. 7289 en
- Wat het eerste onderdeel van het zevende middel betreft, repliceert de Ministerraad dat het standpunt van de verzoekende partijen niet duidelijk is, aangezien zij zelf diensten met betrekking tot weddenschappen aanbieden en zij niet kunnen worden gediscrimineerd door een verschil in behandeling tussen paardenwedrennen en andere sporten. De Ministerraad beweert dat, indien de verzoekende partijen van mening zijn dat zij aan elke organisator van een sportevenement een heffing moeten betalen die onderling moet worden overeengekomen om weddenschappen op die sport te kunnen aanbieden, hij daarvan akte neemt. Hij beklemtoont overigens dat de paardenwedrennen steeds werden onderworpen aan regelgevingen die verschillen van die van de andere sporten en hij verwijst in dat verband naar de richtlijn 90/428/EEG van de Raad van 26 juni 1990 « inzake het handelsverkeer in voor wedstrijden bestemde paardachtigen en houdende vaststelling van de voorwaarden voor deelneming aan deze wedstrijden ». Wat het tweede onderdeel van het zevende middel betreft, doet de Ministerraad gelden dat de vergunninghouders F1 en de vergunninghouders F2 zich op verschillende niveaus in de economische keten bevinden, aangezien de laatstgenoemden de wedproducten van de eerstgenoemden verdelen. Volgens hem brengen de eventuele verticale integraties het verschil tussen de met de vergunning F1 uitgeoefende activiteiten en de met de vergunning F2 uitgeoefende activiteiten niet in het geding. Voor het overige beklemtoont hij dat een vergunninghouder F1P een handelsovereenkomst kan sluiten met de vergunninghouder F2 die zijn verdeler is, waarbij die laatste deelneemt aan de bijdrage die aan de renverenigingen moet worden betaald. Bovendien is hij van mening dat de gegevens die in de overeenkomst met de renverenigingen zijn opgenomen, noodzakelijk zijn voor de vergunninghouders F1P maar niet voor de vergunninghouders F
- Ten slotte is hij van mening dat het bestaan van specifieke bepalingen met betrekking tot het aannemen van onderlinge weddenschappen binnen een renbaan, geenszins de nood aan een vergunning F2P aantoont en hij beklemtoont dat een vergunninghouder F2 die weddenschappen wenst aan te nemen op een renbaan, hoe dan ook een overeenkomst dient te sluiten met de renvereniging die de renbaan beheert. A.11.
- De repliek van de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en van de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. Wat het eerste onderdeel van het zevende middel betreft, voegen zij eraan toe dat de paardenwedrennen, in vergelijking met de andere sporten, worden gekenmerkt door het feit dat er geen tv-rechten zijn en evenmin een markt van sporters. Bovendien beklemtonen zij dat de paardenwedrennen een selectieactiviteit van de paardenfokkerij uitmaken. 17 Wat betreft het Europese mededingingsrecht A.12.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een achtste middel, tweede onderdeel, af uit de schending, door de artikelen 21, 3° en 4°, en 22 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 101, 102 en 106 van het VWEU. Wat de Belgische paardenwedrennen betreft, doen zij gelden dat artikel 21 van de bestreden wet alle Belgische renverenigingen ertoe brengt om gezamenlijk te onderhandelen met de organisator van weddenschappen, zodat die bepaling een prijs- en voorwaardenkartel regelt en elke mededinging afschaft die tussen de renverenigingen had kunnen bestaan. Wat de buitenlandse paardenwedrennen betreft, doen zij gelden dat artikel 21 van de bestreden wet aan de Belgische renverenigingen het monopolie verleent van de toestemming om weddenschappen op die wedrennen aan te nemen en dat het hen dus collectief in een machtspositie plaatst. Zij merken evenwel op dat het Hof van Justitie van oordeel is dat een lidstaat de artikelen 102 en 106 van het VWEU schendt wanneer de onderneming waaraan hij bijzondere of uitsluitende rechten heeft verleend, door de loutere uitoefening ervan ertoe wordt gebracht haar machtspositie te misbruiken of wanneer die rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming ertoe wordt gebracht dergelijke misbruiken te begaan, zonder dat het noodzakelijk is dat zich daadwerkelijk misbruik voordoet. Zij beklemtonen vervolgens dat het eisen van een prijs die buitensporig is ten opzichte van de economische waarde van de verrichte prestatie, een misbruik van machtspositie uitmaakt. Zij besluiten daaruit dat artikel 21 van de bestreden wet onvermijdelijk tot een dergelijk misbruik leidt, aangezien de Belgische renverenigingen een vergoeding ontvangen voor een dienst die zij niet verlenen. A.12.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 21, 3° en 4°, van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 102 en 106 van het VWEU. Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen, door aan de door de bevoegde federatie erkende renverenigingen de bevoegdheid toe te vertrouwen om de organisatie van weddenschappen toe te staan op paardenwedrennen die in België of in het buitenland plaatsvinden, aan die verenigingen bijzondere rechten toevertrouwen die het hun mogelijk maken hun concurrenten op de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen uit te schakelen. Ten eerste beklemtonen zij dat de renverenigingen ondernemingen zijn die aan het mededingingsrecht zijn onderworpen. Zij merken op dat artikel 43/2, § 2, van de wet van 7 mei 1999, tot de inwerkingtreding van de bestreden wet, aan de renverenigingen rechtstreeks het recht toekende om onderlinge weddenschappen te organiseren op paardenwedrennen die plaatsvinden in België of in het buitenland. Zij preciseren dat de vijf Belgische renverenigingen thans alle over een vergunning F2 beschikken, waardoor ze weddenschappen op paardenwedrennen kunnen aannemen, en dat zij een vergunning F1P kunnen aanvragen om weddenschappen op paardenwedrennen te organiseren. Zij besluiten daaruit dat de renverenigingen operatoren van weddenschappen op paardenwedrennen zijn. Ten tweede gaan zij over tot het definiëren van de relevante markten, zowel vanuit het oogpunt van de betrokken producten als vanuit geografisch oogpunt. Wat de markt van de betrokken producten betreft, onderscheiden zij de markt van de paardenwedrennen, waarop de renverenigingen een machtspositie hebben, en de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen, waarop misbruik van machtspositie kan plaatsvinden. Volgens hen dient de markt van de paardenwedrennen te worden onderscheiden van de andere sportmarkten en dient de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen te worden onderscheiden van de andere activiteiten inzake sportweddenschappen. Wat de geografische markt betreft, zijn zij van mening dat die zich in beide gevallen tot het nationale niveau beperkt. Ten derde bepalen zij de positie van de renverenigingen op de relevante markten. Volgens hen hebben de renverenigingen een machtspositie op de toeleveringsmarkt van de paardenwedrennen. Nog steeds volgens hen concurreren de renverenigingen op de afnemersmarkt van de weddenschappen op paardenwedrennen met de operatoren van weddenschappen op paardenwedrennen. Zij beklemtonen dat die concurrentiesituatie is erkend bij het arrest van het Hof nr. 96/
- Ten vierde doen zij gelden dat de bijzondere rechten die de bestreden bepalingen aan de renverenigingen toewijzen, drie risico’s van misbruik van machtspositie in het leven roepen. Op de eerste plaats zijn zij van mening dat de uitoefening, door de renverenigingen, van hun bijzondere rechten een belangenconflict bij die 18 laatstgenoemden kan doen ontstaan. Na te hebben vastgesteld dat de wetgever niet de voorwaarden preciseert van de overeenkomst die de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen moeten sluiten met de renverenigingen, beklemtonen zij dat de renverenigingen ertoe kunnen worden gebracht hun eigen activiteiten te bevoordelen indien zij houder zijn van een vergunning F1P of de activiteiten van de vergunninghouder F1P voor wiens rekening zij weddenschappen op paardenwedrennen aannemen. Verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008 inzake Motoe (grote kamer, C-49/07), zijn zij van mening dat een dergelijk belangenconflict het mogelijk maakt te besluiten tot het bestaan van een risico van misbruik van machtspositie. Op de tweede plaats zijn zij van mening dat de renverenigingen over een buitensporige bevoegdheid beschikken ten aanzien van hun concurrenten. In dat verband merken zij op dat de bestreden bepalingen niet voorzien in enig toezicht op de beslissing van een renvereniging om een concurrent al dan niet toe te staan weddenschappen op paardenwedrennen te organiseren. Bovendien beklemtonen zij dat een organisator van weddenschappen geen andere keuze zal hebben dan de door de renvereniging geëiste vergoeding te betalen, zo niet wordt hem de toestemming om weddenschappen op paardenwedrennen te organiseren geweigerd. Zij besluiten daaruit dat de bestreden bepalingen het de renverenigingen mogelijk maken hun machtspositie te versterken en uit te breiden door de concurrerende operatoren op de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen uit te schakelen. Op de derde plaats zijn zij van mening dat de uitoefening, door de renverenigingen, van hun bijzondere rechten kan leiden tot het weigeren van toegang tot de paardenwedrennen aan de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen. Zij beklemtonen dat een weigering tot levering waartoe wordt beslist door een onderneming met een machtspositie op een toeleveringsmarkt, een misbruik van machtspositie uitmaakt op de tweevoudige voorwaarde dat de weigering betrekking heeft op een product dat onontbeerlijk is voor een doeltreffende concurrentie op een afnemersmarkt en dat de weigering kan leiden tot de uitschakeling van effectieve concurrentie. Volgens hen zijn die twee voorwaarden te dezen vervuld. Bovendien zijn zij van mening dat de renverenigingen hoe dan ook niet objectief zouden kunnen verantwoorden dat een organisator van weddenschappen de toegang tot de paardenwedrennen wordt geweigerd. A.12.
- De Ministerraad doet vooraf gelden dat de verzoekende partijen een verkeerde voorstelling van de markt en van de situatie op de markt maken. Allereerst beklemtoont hij dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het Europese mededingingsrecht niet rechtstreeks kan worden toegepast op de sector van de kansspelen, omdat dat nadelig zou zijn voor de consumenten. Vervolgens beweert hij dat de Europese Commissie van oordeel is dat de organisatie van paardenwedrennen een openbare dienst is en geeft hij aan dat er op Europees niveau eensgezindheid bestaat om een deel van de ontvangsten van weddenschappen op paardenwedrennen voor te behouden aan renverenigingen, teneinde die kosten van openbare dienst te dekken. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de betrokken markt zich niet beperkt tot België maar aangrenzende lidstaten omvat. Vervolgens merkt de Ministerraad op dat geen enkele renvereniging thans houder is van een vergunning F1, F1+ of F1P, zodat er op heden geen concurrentieverhouding tussen hen en de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen bestaat. Bovendien beklemtoont hij dat het feit dat de renverenigingen een vergunning F2 bezitten, niet inhoudt dat zij actief zijn op dezelfde markt als de vergunninghouders F
- Ten slotte is hij van mening dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen argumenteren, het in werkelijkheid de renverenigingen zijn die sterk afhankelijk zijn van de organisatoren van weddenschappen en dat zij geen enkele reden hebben om hen uit te sluiten van de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen. Bovendien doet de Ministerraad gelden dat artikel 21 van de bestreden wet het in artikel 101, lid 1, van het VWEU bedoelde verbod op afspraken niet schendt. Hij doet gelden dat de organisatoren van weddenschappen maar één enkele overeenkomst met de vijf Belgische renverenigingen moeten sluiten indien zij weddenschappen op alle Belgische paardenwedrennen wensen aan te bieden. Hij is overigens van mening dat een vrijstelling hoe dan ook mogelijk is op grond van artikel 101, lid 3, van het VWEU. In dat verband redeneert hij naar analogie met het besluit van de Europese Commissie van 23 juli 2003 waarbij is aanvaard dat de UEFA de mediarechten op voetbalwedstrijden collectief verkoopt. Hij voert vervolgens de volgende vier elementen aan :
(1)dankzij het unieke loket kunnen de organisatoren van weddenschappen een veelvoud aan onderhandelingen vermijden en wordt er een grotere financiële solidariteit verzekerd tussen de renverengingen,
(2)de voordelen zullen ook de toeschouwers ten goede komen,
(3)een ingrijpende hervorming was noodzakelijk om te voorkomen dat de sector van de paardenwedrennen verdwijnt en
(4)de bestreden wet zal tot gevolg hebben dat de bestaande zwakke concurrentie tussen de renverenigingen wordt versterkt, door de kleinste van hen in staat te stellen aantrekkelijkere wedrennen aan te bieden. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat er geen reëel risico bestaat dat de bijzondere rechten die zogenaamd aan de renverenigingen zijn toegekend, leiden tot een misbruik van machtspositie en hij merkt op dat de thans onderzochte zaak zich onderscheidt van die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van Justitie inzake Motoe. Ten eerste is hij van mening dat er geen belangenconflict bestaat bij de renverenigingen, dat 19 het louter hypothetisch is dat een renvereniging houder kan zijn van een vergunning F1P en dat de renverenigingen nooit hebben geweigerd om samen te werken met een organisator van weddenschappen. Ten tweede beweert hij dat het de Kansspelcommissie is die, door de vergunningen F1P af te leveren, bepaalt wie weddenschappen op paardenwedrennen mag aanbieden. Volgens hem heeft de overeenkomst tussen de renverenigingen en de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen geen betrekking op de toegang tot de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen maar omschrijft zij de praktische samenwerkingsmodaliteiten. Volgens hem zou de Kansspelcommissie rekenschap kunnen vragen aan een renvereniging die zou weigeren om met een organisator van weddenschappen een overeenkomst te sluiten. Ten derde is hij van mening dat het onjuist is om de paardenwedrennen eenzijdig voor te stellen als zijnde objectief onontbeerlijk voor de weddenschappen op paardenwedrennen, terwijl de weddenschappen op paardenwedrennen minstens even onontbeerlijk zijn voor de paardenwedrennen. Ten vierde, wat betreft de vergoeding die de Belgische renverenigingen ontvangen voor de weddenschappen met betrekking tot buitenlandse wedrennen, beklemtoont de Ministerraad dat het bedrag in kwestie, enerzijds, lager is dan de kosten die zijn gemaakt door de renverenigingen om te investeren in Belgische paarden die traditioneel deelnemen aan buitenlandse wedrennen en, anderzijds, lager is dan de economische waarde van de toestemming om weddenschappen op buitenlandse wedrennen aan te bieden. A.12.
- Het standpunt van de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en van de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. A.12.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden allereerst dat de Europese Commissie het feit had betwist dat de activiteiten van de Franse renverenigingen kunnen worden beschouwd als een dienst van algemeen economisch belang. Wat betreft de grief met betrekking tot de verboden afspraken, voeren zij aan dat het niet noodzakelijk was om een systeem van collectieve onderhandelingen in te voeren, aangezien elke renvereniging de rechten op haar eigen wedrennen had kunnen toewijzen. Bovendien zijn zij van mening dat het precedent met betrekking tot de UEFA te dezen niet kan worden overgenomen, aangezien de voetbalclubs zowel op economisch vlak als op sportief vlak concurrenten zijn, terwijl de concurrentie tussen de renverenigingen enkel economisch en niet sportief is. Ten slotte voeren zij aan dat de vier cumulatieve voorwaarden om een vrijstelling op grond van artikel 101, lid 3, van het VWEU te verkrijgen, te dezen niet zijn vervuld. Wat betreft de grief met betrekking tot het misbruik van machtspositie, zijn zij van mening dat de betrokken markt zich beperkt tot België, aangezien de door de renverenigingen verleende toestemming enkel in België noodzakelijk is. Vervolgens, wat betreft het argument volgens hetwelk de prijs die door de organisatoren van weddenschappen aan de renverenigingen wordt betaald, lager zou zijn dan de kosten die door die laatste worden gedragen voor de deelname van Belgische paarden aan buitenlandse wedrennen, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 aan dat die prijs in werkelijkheid door de renverenigingen wordt bepaald, dat de desbetreffende kosten niet uitvoerig worden beschreven, dat die kosten in werkelijkheid door de renstallen worden gedragen en dat de Belgische renverenigingen geen enkele dienst aan de organisatoren van weddenschappen verlenen. Ten slotte voeren zij aan dat het buitensporige karakter van de gevraagde prijs niet kan worden beoordeeld ten aanzien van het voordeel dat aan afnemerszijde wordt gegenereerd door de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen. A.12.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 antwoorden in de eerste plaats dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het Europese mededingingsrecht van toepassing is op kansspelactiviteiten. Op de tweede plaats voeren zij aan dat de markt van de paardenwedrennen een nationale dimensie heeft, aangezien een renvereniging moet worden erkend door de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » om haar activiteiten in België te mogen uitoefenen. Op de derde plaats doen zij gelden dat de renverenigingen aanwezig zijn op de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen, aangezien zij een vergunning F1P kunnen aanvragen en beschikken over vergunningen F
- Op de vierde plaats merken zij op dat de Ministerraad geenszins zijn bewering staaft volgens welke de renverenigingen zich ten opzichte van de organisatoren van weddenschappen in een situatie van economische afhankelijkheid bevinden. Bovendien beklemtonen zij dat een mogelijk risico van misbruik van machtspositie volstaat om tot de schending van de artikelen 102 en 106 van het VWEU te besluiten. Zij preciseren overigens dat, zonder voorafgaande toestemming van de renvereniging, de organisator van weddenschappen op paardenwedrennen in de onmogelijkheid verkeert om zijn activiteiten uit te oefenen. Bovendien merken zij op dat geen enkele bepaling van de wet van 7 mei 1999 de Kansspelcommissie toestaat aan een renvereniging te vragen haar weigering om met een organisator van weddenschappen een overeenkomst te sluiten te verantwoorden. Zij doen gelden dat de toegang tot de paardenwedrennen onontbeerlijk is om de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen mogelijk te maken en dat het irrelevant is dat het omgekeerde ook het geval kan zijn. Ten slotte beklemtonen zij dat zij niet 20 het feit bekritiseren dat een bijdrage aan de renverenigingen moet worden betaald maar dat zij de bevoegdheid bekritiseren die is toevertrouwd aan de renverenigingen om te beslissen over het verlenen van toestemming en om het bedrag en de nadere regels van die bijdrage vast te stellen. A.12.
- De Ministerraad repliceert dat, hoewel het juist is dat de kansspelen een aan het VWEU onderworpen economische activiteit vormen, in vaste rechtspraak de bijzondere aard van de kansspelsector wordt erkend. Vervolgens beklemtoont hij dat de markt van de paardenwedrennen weinig concurrentieel is en grote kosten van gemeenschappelijk belang kent. Bovendien is hij van mening dat de reglementaire vereisten niet volstaan om tegen te spreken dat de geografische markt van de paardenwedrennen verder reikt dan België en de perifere gebieden van de buurlanden omvat, wat wordt bevestigd door de bestaande coördinatie voor het vaststellen van het tijdschema van de wedrennen. Bovendien zijn de renverenigingen volgens hem niet actief op de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen en bevinden zij zich in een verhouding van complementariteit en niet van concurrentie met de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen. Wat betreft de grief met betrekking tot de verboden afspraken, beklemtoont de Ministerraad dat de samenwerking tussen de renverenigingen niet nieuw is. Hij herhaalt dat de aangevoerde afspraken hoe dan ook een vrijstelling op grond van artikel 101, lid 3, van het VWEU kunnen genieten. Wat betreft de grief met betrekking tot het misbruik van machtspositie, herhaalt de Ministerraad dat er geen reëel risico van misbruik van machtspositie bestaat. Ten eerste beweert hij dat de renverenigingen geen enkel belang erbij hebben om met de organisatoren van weddenschappen geen redelijke voorwaarden overeen te komen die de levensvatbaarheid van de sector van de paardenwedrennen zouden verzekeren. Bovendien beklemtoont hij dat uit de parlementaire voorbereiding de economische afhankelijkheid van de renverenigingen ten opzichte van de organisatoren van weddenschappen blijkt. Ten tweede beklemtoont hij dat de renverenigingen aan controles worden onderworpen, aangezien een controle van de Kansspelcommissie niet ondenkbaar is, aangezien een controle door de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » wordt uitgeoefend en aangezien een weigering om met een organisator van weddenschappen een overeenkomst te sluiten zou kunnen worden betwist voor elke bevoegde autoriteit of elk bevoegd rechtscollege. Ten derde is hij van mening dat het geen twijfel lijdt dat de vergoeding die aan de renverenigingen moet worden betaald, noodzakelijkerwijs billijk zal zijn. Bovendien beweert hij dat de vergoeding daadwerkelijk een tegenprestatie heeft, ook wat betreft de buitenlandse wedrennen. A.12.
- De repliek van de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » en van de nv « Hippodrome de Wallonie à Mons » is vergelijkbaar met die van de Ministerraad. Zij voegen eraan toe dat de renverenigingen niet met elkaar concurreren, aangezien het tijdschema van de wedrennen zodanig wordt vastgesteld dat de wedrennen niet terzelfdertijd plaatsvinden en aangezien de verdeling tussen de renverenigingen van de financiering die afkomstig is van de weddenschappen op buitenlandse wedrennen, die 85 % van de weddenschappen op paardenwedrennen in België vertegenwoordigen, wordt bepaald door de vzw « Belgische Federatie voor Paardenwedrennen » ingevolge regels van verdeling die na 2010 door de Kansspelcommissie zijn opgelegd. Bovendien beweren zij dat de situatie helemaal geen « overcompensatie » van de kosten van de renverenigingen met zich meebrengt. Ten aanzien van de verplichting voor de vaste kansspelinrichtingen klasse IV om met de gemeente een convenant te sluiten en ten aanzien van de lokalisatiebeperkingen die op hen van toepassing zijn (derde, negende en tiende middel in de zaak nr. 7277; eerste, tweede en derde middel in de zaak nr. 7279; tweede middel, derde en vierde onderdeel, in de zaak nr. 7289, tweede middel in de zaak nr. 7296) Wat betreft de bevoegdheidsverdeling A.13.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 23, 1°, en 24, 2° en 3°, van de bestreden wet, van artikel 39 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Zij doen gelden dat de bevoegdheid om de bevoegdheden van de gemeenten vast te stellen toebehoort aan de gewesten, zodat de federale overheid niet bevoegd is om het sluiten van een convenant tussen de exploitanten van de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de gemeenten van de vestigingsplaats van die inrichtingen op te leggen. A.13.
- De argumentatie van de Ministerraad is identiek aan die welke hij heeft uiteengezet in verband met het eerste middel in de zaak nr. 7277 (met betrekking tot de « 3.3-toestellen »). Hij voert in essentie aan dat de bestreden bepalingen zich beperken tot het verduidelijken van de bevoegdheid waarover de gemeenten reeds beschikten op grond van de artikelen 119 en 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet. 21 A.13.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat zij vaststellen dat de Ministerraad erkent dat de bevoegdheid die bij de bestreden bepalingen aan de gemeenten is toegewezen, tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Volgens hen heeft het feit dat de federale overheid een nieuwe bevoegdheid aan de gemeenten wenst toe te kennen of dat zij een vooraf bestaande bevoegdheid wenst te vermelden, geen weerslag op de onbevoegdheid van de federale overheid. Ten slotte zijn zij van mening dat de redenering volgens welke de verduidelijking van een bestaande bevoegdheid niet zou overeenstemmen met de uitoefening van een bevoegdheid, niet kan worden aangenomen, aangezien zij afbreuk zou doen aan het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheden. A.13.
- De Ministerraad repliceert dat hij geenszins erkent dat de bestreden bepaling tot de bevoegdheid van de gewesten zou behoren en hij herhaalt zijn argumentatie. Wat betreft de vergelijking tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen klasse II en wat betreft de overgangsregeling A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een negende middel, eerste onderdeel, af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet door de artikelen 23, 1°, en 24, 2° en 3°, van de bestreden wet, in zoverre die de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen klasse II op identieke wijze behandelen met betrekking tot de verplichting om met de gemeente een convenant te sluiten en met betrekking tot de verplichting om een bepaalde afstand in acht te nemen ten aanzien van verscheidene plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Volgens hen bevinden die twee categorieën van kansspelinrichtingen zich niet in een identieke situatie, gelet op de verschillen met betrekking tot het aantal toegestane inrichtingen, de controle, de toegankelijkheid, het toegestane gemiddelde uurverlies en de geldigheidsduur van de vergunning (drie jaar voor de inrichtingen klasse IV en negen jaar voor de inrichtingen klasse II). Zij verwijzen eveneens naar het arrest van het Hof nr. 113/2000 van 8 november
- Bovendien zijn zij van mening dat de bestreden bepalingen het niet mogelijk maken de nagestreefde doelstellingen te bereiken, aangezien de spelers zich zullen verplaatsen naar andere kansspelinrichtingen of naar de dagbladhandelaars. Ten slotte beklemtonen zij dat de snelheid en de frequentie van spelen een doorslaggevende impact op de verslaving hebben, zodat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV (wedkantoren) niet dezelfde risico’s vertonen als de kansspelinrichtingen klasse II, die speelautomaten exploiteren. A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 24 en 36, tweede lid, van de bestreden wet, die aan de aanvrager van een vergunning F2 de verplichting opleggen ervoor te zorgen dat hij zijn inrichting niet vestigt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, behoudens een met redenen omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan, en die bepalen dat die vereiste in werking treedt ten aanzien van de vergunningsaanvragen en de aanvragen om hernieuwing die ten vroegste twee jaar na de inwerkingtreding van de bestreden wet zijn ingediend. In een eerste onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de aanvrager van een vergunning F2 en de aanvrager van een vergunning B, aangezien die laatste, overeenkomstig artikel 36, 4°, van de wet van 7 mei 1999, ervoor dient te zorgen dat hij zich niet vestigt in de nabijheid van niet alleen onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, maar ook plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen. Volgens hen zijn de kansspelinrichtingen klasse II en de kansspelinrichtingen klasse IV vergelijkbaar, aangezien zij kansspelen exploiteren en elkaar beconcurreren. Zij beklemtonen dat het verschil in behandeling niet wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding. Verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 100/2001, doen zij gelden dat de twee vergeleken categorieën van inrichtingen zich in een identieke situatie bevinden ten aanzien van het doel dat met de geografische beperkingen in kwestie wordt nagestreefd. In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de aanvrager van een vergunning F2 en de aanvrager van een vergunning B, aangezien enkel de eerstgenoemde een door de gemeente met redenen omklede afwijking kan genieten. Zij beklemtonen dat dat verschil in behandeling niet wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding. In een derde onderdeel doen zij gelden dat de in artikel 36, tweede lid, van de bestreden wet bedoelde overgangsregeling het bestaande maar onverantwoorde verschil in behandeling tussen de kansspelinrichtingen klasse II en de kansspelinrichtingen klasse IV op onevenredige wijze bestendigt. Zij beklemtonen dat de nieuwe 22 geografische beperkingen die op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV van toepassing zijn, krachtens die overgangsbepaling van toepassing zullen zijn op de vergunningsaanvragen en op de aanvragen om hernieuwing die vanaf 25 mei 2021 worden ingediend. Zij beweren evenwel dat vrijwel alle huidige vergunningen F2 verstrijken in 2020, zodat het bekritiseerde verschil in behandeling in werkelijkheid zal voortbestaan tot in
- Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling niet evenredig is met het doel dat erin bestaat de rechtszekerheid van de vergunninghouders F2 te waarborgen. In een vierde onderdeel doen zij gelden dat de in de vorige onderdelen vastgestelde discriminaties tegelijkertijd een onverantwoord verschil in behandeling met zich meebrengen tussen de spelers, die een betere bescherming genieten in de kansspelinrichtingen klasse II dan in de kansspelinrichtingen klasse IV, en een onverantwoord verschil in behandeling tussen de buren van de kansspelinrichtingen, die naargelang van de klasse ervan meer of minder beschermd zijn tegen de hinder die die uit die inrichtingen voortvloeit. A.14.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een tweede middel af uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde. Zij doet gelden dat artikel 36 van de bestreden wet met betrekking tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV erin voorziet dat de verplichting om met de gemeente een convenant te sluiten en de lokalisatiebeperkingen enkel van toepassing zullen zijn op de aanvragen die « ten vroegste twee jaar na de inwerkingtreding » van de bestreden wet zijn ingediend. Volgens haar stelt de wetgever de inwerkingtreding van de betrokken bepalingen aldus uit tot een onbepaalde datum, waarvan enkel zeker is dat hij niet vroeger zal vallen dan twee jaar na de inwerkingtreding van de bestreden wet. A.14.
- De Ministerraad stelt allereerst vast dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 en de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 lijnrecht tegenovergestelde standpunten verdedigen, aangezien de eerstgenoemden van oordeel zijn dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen klasse II dermate verschillend zijn dat zij niet op identieke wijze kunnen worden behandeld, terwijl de laatstgenoemden van mening zijn dat die twee categorieën van inrichtingen precies op dezelfde manier zouden moeten worden behandeld. Hij beklemtoont dat er vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet een meer uitgesproken verschil in aanpak bestond tussen die twee categorieën van inrichtingen, hetgeen werd verantwoord door het feit dat de in de kansspelinrichtingen klasse II aangeboden kansspelen (automatische kansspelen) meer risico’s vertonen dan die welke oorspronkelijk in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV (weddenschappen) werden aangeboden. Hij doet gelden dat de bestreden wet dat verschil heeft beperkt omdat de in de tweede categorie van inrichtingen aangeboden kansspelen evolueren naar een extra aanbod van gevaarlijkere soorten van weddenschappen (virtuele weddenschappen en live weddenschappen). Volgens hem blijft er evenwel tussen de twee categorieën van inrichtingen een verschil bestaan dat een verschillende behandeling verantwoordt en dat overigens verantwoordt dat de leeftijdsgrens 21 jaar bedraagt voor de automatische kansspelen en 18 jaar voor de weddenschappen. Bovendien verwijst hij naar het arrest van het Hof nr. 113/2004 van 23 juni
- Wat de overgangsregeling betreft, is hij van mening dat het tweede middel in de zaak nr. 7279 op een verkeerde lezing van artikel 36 van de bestreden wet berust. Volgens hem vloeit uit die bepaling voort dat de in de artikelen 23, eerste lid, 1°, en 24 van de bestreden wet bedoelde nieuwe voorwaarden van toepassing zijn op de volgende aanvraag voor een vergunning F1 of F2 of op de volgende aanvraag om hernieuwing, indien die aanvraag plaatsvindt na het verstrijken van een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de bestreden wet, namelijk na 25 mei
- Daarenboven is hij van mening dat die overgangsregeling wordt verantwoord door de noodzaak om het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen in acht te nemen. A.14.
- De Nationale Loterij zet een argumentatie uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad wat betreft het eerste onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 en het tweede middel in de zaak nr.
- A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 antwoorden dat het feit dat het Hof reeds uitspraak heeft gedaan over de verplichting, voor de kansspelinrichtingen klasse II, om een convenant met de gemeente te sluiten, niet tot gevolg heeft dat die verplichting niet zou moeten worden getoetst door het Hof met betrekking tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. Bovendien zijn zij van mening dat het sluiten van een convenant met de gemeente niet de minst restrictieve keuze is om het gewenste niveau van bescherming van de openbare orde te bereiken, aangezien de naleving van de openbare orde kan worden beoordeeld door de Kansspelcommissie op grond van een advies van de gemeentelijke overheden, zoals dat het geval was vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet. A.14.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 antwoorden dat de Ministerraad zijn bewering volgens welke de spelers van kansspelinrichtingen klasse II meer risico zouden lopen dan de spelers van 23 kansspelinrichtingen klasse IV, niet aantoont. Zij doen gelden dat live weddenschappen maar één voorbeeld van gevaarlijke weddenschappen zijn en dat zij bovendien de meerderheid van de aangeboden weddenschappen vertegenwoordigen. Zij verwijzen naar het arrest van de Raad van State nr. 246.998 van 6 februari 2020, dat betrekking had op onlinespelen en -weddenschappen maar waarvan de lering kan worden overgenomen met betrekking tot de fysieke inrichtingen. Voor het overige stellen zij vast dat het koninklijk besluit van 4 mei 2018 « betreffende kansspelen over virtuele sportevenementen in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV » de virtuele weddenschappen gelijkstelt met automatische kansspelen. Volgens hen verantwoordt het feit dat jongeren van 18 tot 21 jaar toegang hebben tot kansspelinrichtingen klasse IV, en niet tot kansspelinrichtingen klasse II, des te meer dat zij adequaat worden beschermd. Bovendien doen zij gelden dat het arrest van het Hof nr. 113/2004 te dezen niet relevant is, aangezien het betrekking had op een verschil in behandeling tussen de kansspelinrichtingen klasse I en de kansspelinrichtingen klasse II. Zij beklemtonen dat, gesteld dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de kansspelinrichtingen klasse II en de kansspelinrichtingen klasse IV, de Ministerraad hoe dan ook niet aantoont in welk opzicht zulks concreet de bekritiseerde verschillen in behandeling verantwoordt. Ten slotte merken zij op dat de Ministerraad de uitzonderlijk lange duur van de overgangsregeling niet verantwoordt. A.14.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 antwoordt dat haar argumentatie niet berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. In ondergeschikte orde verzoekt zij dat het middel wordt verworpen onder voorbehoud van een conforme interpretatie, die overeenstemt met de door de Ministerraad voorgestelde lezing. A.14.
- De Ministerraad repliceert dat de in de kansspelinrichtingen klasse II aangeboden soorten van kansspelen gevaarlijker zijn dan die welke in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV worden aangeboden, ook al wordt dat verschil kleiner aangezien die laatste gevaarlijkere producten aanbieden, namelijk live weddenschappen en virtuele weddenschappen. Volgens hem is het arrest van de Raad van State dat door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 is aangehaald, niet relevant omdat het betrekking had op onlinekansspelen. De Ministerraad beklemtoont overigens dat de benadering volgens welke weddenschappen minder risico’s vertonen dan automatische kansspelen, stelselmatig wordt gevolgd in het kader van het Belgische kansspelbeleid. Bovendien doet hij gelden dat het verschil tussen de kansspelinrichtingen klasse I en de kansspelinrichtingen klasse II, dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 niet relevant achten, geringer is in termen van risico op verslaving dan het verschil tussen de kansspelinrichtingen klasse II en de kansspelinrichtingen klasse IV. Wat de overgangsregeling betreft, herhaalt hij zijn standpunt volgens hetwelk de verzoekende partij in de zaak nr. 7279 een verkeerde lezing van artikel 36 van de bestreden wet maakt. Ten slotte is hij van mening dat de overgangsperiode van twee jaar noodzakelijk is, aangezien de nieuwe vestigingsvoorwaarden ook van toepassing zullen zijn op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV die thans wettelijk gevestigd zijn. A.14.
- De Nationale Loterij zet een repliek uiteen die vergelijkbaar is met die van de Ministerraad met betrekking tot het eerste onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 en het tweede middel in de zaak nr.
- Zij voegt eraan toe dat, enerzijds, studies aantonen dat automatische kansspelen een verband vertonen met potentieel problematische spelgedragingen dat veel groter is dan gewone sportweddenschappen en dat, anderzijds, de automatische kansspelen die in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV worden aangeboden, moeten worden afgestemd op het risicoprofiel van de kansspelinrichtingen klasse I en II en dat steeds terugkerende activiteiten van weddenschappen met een korte tijdspanne tussen inzet en resultaat, zoals live weddenschappen, het risicoprofiel eveneens doen toenemen. Volgens haar vormt de bestreden wet een adequaat kader dat zich aan die evolutie aanpast. Wat betreft het verschil in behandeling tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars A.15.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een negende middel, tweede onderdeel, af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet door de artikelen 23, 1°, en 24, 2° en 3°, van de bestreden wet. Volgens hen bevinden de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars zich in een vergelijkbare situatie, aangezien zij dezelfde soorten van weddenschappen verkopen en vergunninghouders F2 zijn. Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan in zoverre zij enkel aan de vaste kansspelinrichtingen klasse IV de verplichting opleggen om met de gemeente een convenant te sluiten en een bepaalde afstand in acht te nemen ten aanzien van verscheidene plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht. Volgens hen is het verschil in behandeling des te meer onverantwoord daar dagbladhandelaars vaker door jongeren worden bezocht. 24 A.15.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bestreden wet, met name in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars, aangezien enkel de eerstgenoemden met de gemeente een convenant moeten sluiten en ervoor dienen te zorgen dat zij zich niet vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, behoudens een met redenen omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan. Ten eerste doet zij gelden dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars vergelijkbare categorieën zijn ten aanzien van het essentiële doel van bescherming van de spelers. Zij beklemtoont dat de twee vergeleken categorieën actief zijn in het aannemen van weddenschappen en dat zij houder moeten zijn van een vergunning F
- Volgens haar wordt de vergelijkbaarheid niet in geding gebracht door het feit dat de dagbladhandelaars het aannemen van weddenschappen slechts « bij wijze van nevenactiviteit » mogen uitoefenen, noch door de voorwaarden die aan de dagbladhandelaars worden opgelegd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV ». Ten tweede is zij van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling geen wettig doel nastreeft maar het doel van bescherming van de spelers in gevaar brengt. Ten derde doet zij gelden dat het criterium van onderscheid niet objectief is. Zij beklemtoont dat de twee criteria die de wetgever hanteert om de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de in artikel 43/4, § 5, 1°, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde ondernemingen te onderscheiden, erin bestaan dat die laatstgenoemde « dagbladhandelaars » moeten zijn wier activiteit bestaande in het aannemen van weddenschappen slechts « bij wijze van nevenactiviteit » wordt uitgeoefend. In de eerste plaats, na te hebben vastgesteld dat de wetgever de term « dagbladhandelaar » niet heeft gedefinieerd, analyseert zij de in het woordenboek gegeven definitie en is zij van mening dat aan de hand ervan niet de vereiste mate van nauwkeurigheid kan worden bereikt. Bovendien meent zij dat de woorden die in de wet van 7 mei 1999 in het Frans (« librairie ») en in het Nederlands (« dagbladhandelaar ») worden gebruikt, niet overeenstemmen, aangezien de Franse term « librairie » in het Nederlands wordt vertaald door « boekhandel ». In de tweede plaats doet zij gelden dat de voorwaarde met betrekking tot het aannemen van weddenschappen « bij wijze van nevenactiviteit » evenmin de vereiste mate van nauwkeurigheid bereikt. Bovendien is zij van mening dat de Franse versie (« à titre complémentaire ») en de Nederlandse versie (« nevenactiviteit ») niet overeenstemmen. In de derde plaats stelt zij vast dat de Koning het begrip « aannemen van weddenschappen ‘ bij wijze van nevenactiviteit ’ » zelf in die zin lijkt te hebben gepreciseerd dat het de situatie beoogt waarin die activiteit niet meer dan 49 % van de totale omzet genereert (artikel 4, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 22 december 2010). Volgens haar kan de wetgever aan de Koning evenwel niet de bevoegdheid delegeren om het criterium van onderscheid te bepalen en hoe dan ook werd een dergelijke delegatie te dezen niet aan de Koning toevertrouwd. Ten slotte beklemtoont zij dat het voormelde koninklijk besluit van 22 december 2010 hoe dan ook niet preciseert of het percentage van 49 % moet worden berekend per dag, per week, per maand of per jaar. Ten vierde doet zij gelden dat het criterium van onderscheid niet pertinent is. Volgens haar zal de bestreden wet een verschuiving van de activiteiten van weddenschappen naar de dagbladhandelaars met zich meebrengen, terwijl die laatstgenoemden minder waarborgen bieden met betrekking tot de bescherming van de spelers (geen maximumaantal dagbladhandelaars, geen minimumafstand tussen de dagbladhandelaars, mogelijkheid voor dagbladhandelaars om alcohol te verkopen die niet ter plaatse mag worden verbruikt). Volgens haar doet de bestreden wet afbreuk aan de kanalisatiedoelstelling. Verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 108/2018 van 19 juli 2018, doet zij bovendien gelden dat, hoewel het problematisch is dat een speler wordt geconfronteerd met andere kansspelen dan die welke hij zoekt, het des te problematischer is dat een persoon die zich om een andere reden naar een dagbladhandelaar begeeft, wordt geconfronteerd met weddenschappen. Ten vijfde, steunend op de parlementaire voorbereiding en wijzend op de strengheid van de sancties die de vaste kansspelinrichtingen klasse IV oplopen indien zij hun verplichtingen niet nakomen, voert zij aan dat het verschil in behandeling onevenredige gevolgen voor die inrichtingen met zich meebrengt. A.15.
- De Ministerraad doet allereerst gelden dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars geen vergelijkbare categorieën zijn. Hij beklemtoont dat de eerstgenoemde enkel bestemd zijn voor het aannemen van weddenschappen, terwijl de activiteit