id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.181 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211209.5 Arrest- Rolnummer: 181/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-05 Raadplegingen: 598 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De eerste en de tweede prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. - De derde prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 1 en 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de artikelen 1344ter en volgende en de artikelen 1344novies en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaamse decreet van 9 november 2018 « houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan » en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesteld door de Vrederechter van het tweede kanton Antwerpen. Sociaal recht - OCMW - Huisvesting - Kortlopende overeenkomst van precaire bezetting - Uithuiszetting - Rechtsverhouding tussen de partijen - Maatschappelijke dienstverlening. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 1344ter - 04 Link Justel databank 19671009-04 Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 1344novies - 04 Link Justel databank 19671009-04 Decreet Vlaamse Raad - 09-11-2018 - 46 - 01 ELI link Pub nr 2018015087 Decreet Vlaamse Raad - 09-11-2018 - 50 - 01 ELI link Pub nr 2018015087 Wet - 06-07-1976 - 1 - 35 Link Justel databank 19760706-35 Wet - 06-07-1976 - 60 - 35 Link Justel databank 19760706-35 Tekst van de beslissing Rolnummer 7524 Arrest nr. 181/2021 van 9 december 2021 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 1 en 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de artikelen 1344ter en volgende en de artikelen 1344novies en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaamse decreet van 9 november 2018 « houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan » en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesteld door de Vrederechter van het tweede kanton Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 25 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 maart 2021, heeft de Vrederechter van het tweede kanton Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Kan de OCMW-wet van 8 april 1974 [lees : 8 juli 1976], en dan met name de artikel 1 en 60, zo geïnterpreteerd worden dat deze wet toestaat dat het OCMW aan personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting andere hulp biedt dan maatschappelijke dienstverlening, met name huisvesting middels een kortlopende Overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede), en leidt deze interpretatie niet tot een ongelijke behandeling binnen één en dezelfde categorie van personen, namelijk de personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting en die de huisvesting krijgen onder de vorm van maatschappelijke dienstverlening en de personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting en die geen huisvesting bekomen onder de vorm van maatschappelijke dienstverlening maar wel onder de vorm van een kortlopende Overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) ? - Kunnen artikel 1344ter e.v. Gerechtelijk Wetboek, artikel 1344novies e.v. Gerechtelijk Wetboek, artikel 46 en 50 van het Vlaams Huurdecreet en artikel 3.32 Vlaamse Codex Wonen 2021 zo geïnterpreteerd worden dat zij het OCMW toestaan om met een andere categorie van personen, met name personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting, een kortlopende Overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) af te sluiten zonder dat deze overeenkomst als maatschappelijke dienstverlening is te beschouwen, en leidt deze interpretatie niet tot een niet toelaatbare gelijke behandeling van niet vergelijkbare categorieën van personen, namelijk zij die geen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening maar wel nood hebben aan (tijdelijke) huisvesting en zij die wel recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting ? - In ontkennend geval leidt het afsluiten door het OCMW met personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting van een kortlopende Overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) waarbij deze huisvesting niet wordt verleend onder de vorm van maatschappelijke dienstverlening niet tot een inbreuk op het recht op een behoorlijke huisvesting gegarandeerd door artikel 23 lid 3 3° van de Grondwet ? ». Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Bracke, advocaat bij de balie te Gent, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 6 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 oktober 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 oktober 2021 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 15 februari 2018 verkreeg de verwerende partij voor de verwijzende rechter de subsidiaire beschermingsstatus. Met ingang vanaf 1 november 2018 werd door het betrokken OCMW, eisende partij voor de verwijzende rechter, aan haar een leefloon toegekend in het kader van de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie ». Het betrokken OCMW en de verwerende partij sloten met het oog op huisvesting een overeenkomst van voorlopige bezetting (bezetting ter bede) vanaf 21 juni 2019 tot 20 september 2019. Omdat de verwerende partij binnen die initiële periode nog geen andere woning had gevonden, werd een addendum bij de overeenkomst van voorlopige bezetting opgemaakt om deze te verlengen tot 20 november 2019. Het addendum werd niet door de verwerende partij ondertekend omdat zij niet aangetroffen werd in de woning. De verwerende partij werd per brief op 13 november 2019 meegedeeld dat de voormelde overeenkomst op 20 november 2019 zou worden beëindigd en dat zij aldus de woning nadien niet meer mocht gebruiken. Zij gaf hier geen reactie op omdat zij in voorlopige hechtenis zat. Na het einde van de voorlopige hechtenis nam zij terug haar intrek in de woning tot op heden. Het OCMW heeft vervolgens een procedure ingeleid bij de Vrederechter teneinde voor recht te horen zeggen dat de overeenkomst van bezetting ter bede van rechtswege beëindigd is op 20 november 2019, en dat de verwerende partij de woning sindsdien bezet zonder recht of titel. Het OCMW vordert de uitdrijving van de verwerende partij uit de woning. Daarnaast vordert het OCMW achterstallige bezettingsvergoedingen en de betaling van een vergoeding voor de periode van 21 november 2019 tot op de dag van de volledige ontruiming van het goed. De verwijzende rechter heeft bij vonnis van 18 juni 2020 de zaak doorverwezen naar de Arrondissementsrechtbank omdat zij twijfelde aan haar bevoegdheid. De Arrondissementsrechtbank heeft bij vonnis van 13 oktober 2020 geoordeeld dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is en de zaak teruggestuurd naar de verwijzende rechter omdat de vordering van het OCMW niet gebaseerd is op een formele beslissing van het OCMW dat de verwerende partij geen recht meer heeft op « maatschappelijke dienstverlening ». De verwijzende rechter stelt zich allereerst vragen over de toelaatbaarheid van de vordering tot uithuiszetting die berust op een overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede), waarvan volgens haar de toelaatbaarheid in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het recht op behoorlijke huisvesting in het geding is. Zij onderzoekt de mogelijke rechtsgronden waarop het OCMW zou kunnen steunen om een woning via een overeenkomst van precaire bezitting (bezetting ter bede) aan de verwerende partij ter beschikking te stellen. De verwijzende rechter stelt in dat opzicht dat het OCMW geen andere bevoegdheden heeft dan die welke uit de respectieve wetsbepalingen voortvloeien. Zij stelt enerzijds vast dat het OCMW krachtens de artikelen 1 en 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-Wet) de opdracht heeft om « maatschappelijke dienstverlening », in de vorm van passende materiële hulp, te bieden aan eenieder die daarop recht heeft. Zij neemt aan dat de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet de rechtsgrond bieden voor de overeenkomst van precaire bezetting. Meer bepaald zou het OCMW die artikelen zo begrijpen dat zij de rechtsgrond bieden voor het sluiten van een overeenkomst van precaire bezetting met personen die recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en nood aan huisvesting hebben. Zij vraagt zich af of het ter beschikking stellen van een woning aan een persoon die recht heeft op « maatschappelijke dienstverlening » en die nood heeft aan huisvesting door middel van een overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) niet leidt tot een discriminatie indien dat OCMW-optreden niet als een optreden van het OCMW in de zin van de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet zou worden begrepen. Zo rijst de vraag of de interpretatie van die artikelen niet leidt tot een ongelijke behandeling van personen inzake bescherming naar gelang van de wijze waarop de huisvesting wordt georganiseerd. Zij stelt in dat opzicht dat de 4 persoon die een woning van het OCMW ter beschikking krijgt via een overeenkomst van precaire bezetting, evenals het OCMW zelf, gebonden zijn door een overeenkomst die van rechtswege eindigt na afloop van de afgesproken termijn, ongeacht of de persoon aan wie de precaire bezetting werd verleend al dan niet nog in de voorwaarden verkeert om « maatschappelijke dienstverlening » te verkrijgen. Zij overweegt dat de persoon die daarentegen een woning ter beschikking krijgt in de vorm van « maatschappelijke dienstverlening » slechts met het einde van zijn hulp inzake huisvesting kan worden geconfronteerd indien de wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van « maatschappelijke dienstverlening » niet meer zijn vervuld, hetgeen een beslissing van het OCMW vereist. Dit brengt de verwijzende rechter ertoe de voormelde eerste prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. Zij stelt anderzijds dat de artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaamse decreet van 9 november 2018 « houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan » (hierna : het Vlaams Woninghuurdecreet) en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, bepalen dat het OCMW op de meest aangewezen wijze, binnen zijn wettelijke opdracht, aanbiedt om hulp te verschaffen. Volgens haar strekken die bepalingen, in samenhang gelezen met artikel 57, § 4, van de OCMW-Wet, ertoe het OCMW de opdracht te geven om hulp te bieden aan personen die hun woning hebben verlaten of hebben moeten verlaten, met andere woorden personen in crisissituaties. Zij overweegt dat in die situaties door het OCMW met de betrokkenen veelal overeenkomsten van precaire bezetting worden gesloten. Zij stelt dat het OCMW die bepalingen mogelijkerwijs zo interpreteert dat zij de rechtsgrond zouden bieden voor de overeenkomst van precaire bezetting. Zij onderzoekt of die bepalingen, in de gegeven interpretatie, de rechtsgrond kunnen bieden voor het contractueel optreden van het OCMW. De verwijzende rechter vraagt zich in dat opzicht af of de voormelde bepalingen, in de interpretatie dat zij het OCMW toelaten een overeenkomst van precaire bezetting te sluiten met een persoon die recht heeft op « maatschappelijke dienstverlening » en die geen woning vindt, niet leiden tot een gelijke behandeling van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden : enerzijds, de personen die recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en die geen woning vinden en, anderzijds, personen die nood hebben aan crisisopvang in het kader van een andere wettelijke opdracht van het OCMW. Dit brengt de verwijzende rechter ertoe de voormelde tweede prejudiciële vaag aan het Hof voor te leggen. De verwijzende rechter vraagt zich ten slotte af of de artikelen 1 en 60 van de OCMW-wet, de artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaams Woninghuurdecreet en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in zoverre het OCMW niet verplicht zou zijn om in onderdak te voorzien ten behoeve van een persoon die recht heeft op « maatschappelijke dienstverlening » en nood heeft aan huisvesting, doch die na het einde van een overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) die het OCMW met hem heeft afgesloten uit de ter beschikking gestelde woning wordt gezet, niet strijdig zijn met artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet, indien de betrokkene het reële risico loopt dakloos te worden. Dit brengt de verwijzende rechter ertoe de voormelde derde prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.1.1. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, is het OCMW van mening dat die erop gericht is na te gaan welke houding een OCMW kan aannemen ten aanzien van personen die gerechtigd zijn op « maatschappelijke dienstverlening » en aldus nood hebben aan huisvesting. Het OCMW wijst er evenwel op dat de verwerende partij voor de verwijzende rechter voldoet aan de wettelijke voorwaarden inzake een recht op maatschappelijke integratie, hetgeen haar ook bij beslissing werd toegekend in de vorm van een leefloon als alleenstaande. Het OCMW benadrukt dat geen beslissing werd genomen over de toekenning van een recht op « maatschappelijke dienstverlening » daar de betrokkene een recht op maatschappelijke integratie werd toegekend. Het OCMW is dan ook van oordeel dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. 5 In ondergeschikte orde betoogt het OCMW dat de prejudiciële vraag in wezen betrekking heeft op de uitlegging van de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet en een afbakening van de taken van een OCMW, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheden van het Grondwettelijk Hof. Het OCMW betoogt verder dat het wel degelijk is toegestaan aan crisisopvang te doen door woningen ter beschikking te stellen aan personen die nood hebben aan dringende huisvesting zonder dat ten aanzien van die personen een recht op maatschappelijke dienstverlening dient te zijn vastgesteld. In de hoedanigheid van eigenaar van woningen kan het OCMW wel degelijk woningen ter beschikking stellen als crisishuisvesting via een overeenkomst van precaire bezetting. Het OCMW is van oordeel dat die bevoegdheid inzake beheer en beschikking over zijn eigendommen voortvloeit uit artikel 78, tweede lid, 11°, van het decreet van 22 december 2017 « over het lokaal bestuur ». Het OCMW benadrukt dat het over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt om te bepalen of een individu recht heeft op « maatschappelijke dienstverlening » en op welke manier die nood moet worden ingevuld. Het OCMW wijst erop dat aan de verwerende partij voor de verwijzende rechter een crisiswoning ter beschikking werd gesteld om haar toe te laten van daaruit een woning te zoeken, maar dat die terbeschikkingstelling niet als een beslissing tot « maatschappelijke dienstverlening » kan worden gekwalificeerd. Het OCMW merkt nog op dat de overeenkomst van precaire bezetting niet gesloten werd als een beslissing of overeenkomst die strekt tot het bieden van materiele hulp conform artikel 60, § 3, van de OCMW-Wet. Daarnaast is een bezetting ter bede niet verenigbaar met de toekenning van « maatschappelijke dienstverlening » overeenkomstig de wettelijke opdracht van het OCMW. De overeenkomst van precaire bezetting wordt dan ook louter geregeld door het algemeen verbintenissenrecht. Volgens het OCMW zijn de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet niet in het geding als rechtsgrond voor het optreden van het OCMW (terbeschikkingstelling van een crisiswoning) in het bodemgeschil zodat de eerste prejudiciële vraag op een verkeerde aanname ter zake berust. Bijgevolg behoeft die vraag geen antwoord. A.1.2. Het OCMW betoogt in meer ondergeschikte orde dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn en dat er dus geen ongeoorloofd verschil in behandeling bestaat. In de ene situatie gaat het om personen aan wie huisvesting wordt geboden in de vorm van « maatschappelijke dienstverlening » en in de andere situatie gaat het om personen aan wie huisvesting wordt geboden in de vorm van een overeenkomst van bezetting ter bede. Dat laatste gebeurt zonder dat een recht op « maatschappelijke dienstverlening » wordt onderzocht of vastgesteld. Het OCMW betoogt dat de vergeleken situaties wezenlijk verschillend zijn. Zo wordt een bezetting ter bede gesloten met personen die nood hebben aan tijdelijke overgangshuisvesting en die in staat zijn om op korte termijn een meer permanente oplossing voor hun huisvesting te vinden. Dit gebeurt zonder enig sociaal onderzoek en zonder dat het bestaan van een recht op « maatschappelijke dienstverlening » wordt onderzocht of vastgesteld. Indien de nood aan huisvesting daarentegen wordt ingevuld als een vorm van « maatschappelijke dienstverlening », dan wordt ter zake eerst een sociaal onderzoek gevoerd en wordt die hulp binnen het kader van de wettelijke opdracht van het OCMW niet beperkt in de tijd geboden. Het OCMW besluit dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, geen buitenproportionele gevolgen heeft en aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. A.2.1. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, is het OCMW in hoofdorde van oordeel dat om dezelfde redenen als die welke hiervoor met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag zijn uiteengezet, die prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. In ondergeschikte orde betoogt het OCMW dat de vraag in wezen betrekking heeft op de uitlegging van artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen, 46 en 50 van het Vlaams Woninghuurdecreet en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en het om een afbakening van de taken van het OCMW gaat. Volgens het OCMW is het Hof daarvoor niet bevoegd. Indien de vraag zo dient te worden begrepen dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of een bezettingsovereenkomst mogelijk is na een eerdere uithuiszetting, dan is die vraag volgens het OCMW niet ontvankelijk omdat de overeenkomst in casu niet afgesloten is in kader van een eerdere uithuiszetting. A.2.2. Indien de prejudiciële vraag echter zo dient te worden begrepen dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of het OCMW zelf een vordering tot uithuiszetting mag instellen rekening houdend met zijn wettelijke rol, dan benadrukt het OCMW dat noch artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, noch de artikelen 46 en 50 van het Vlaams Woninghuurdecreet, noch artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 een vordering tot uithuiszetting ingeleid door het OCMW verhinderen. Het OCMW moet worden beschouwd als zowel eigenaar van de woning als maatschappelijke dienstverlener. Het OCMW kan, in kader van zijn algemene werking, daden stellen die niet als « maatschappelijke dienstverlening » worden gekwalificeerd, zoals hiervoor in het kader van de eerste prejudiciële vraag is uiteengezet. Het is in die hoedanigheid dat het OCMW een 6 bezettingsovereenkomst kan sluiten als een daad van beheer. Volgens het OCMW dient de tweede prejudiciële vraag dus niet te worden beantwoord aangezien de verwijzende rechter uitgaat van een kennelijk verkeerde interpretatie van de voorgelegde bepalingen. A.2.3. Het OCMW is in nog meer ondergeschikte orde van oordeel dat beide categorieën vergelijkbaar zijn, waardoor gelijke behandeling geoorloofd is. Beide categorieën, namelijk personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting en personen die geen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening, maar wel nood hebben aan huisvesting, gelijk worden behandeld omdat ze allebei dringende nood hebben aan tijdelijke huisvesting. Volgens het OCMW verantwoordt het urgente karakter van de noodsituatie dat de vergeleken categorieën, ongeacht of er sprake is van een eventueel recht op maatschappelijke dienstverlening, op dezelfde wijze worden behandeld. A.3.1. Wat de derde prejudiciële vraag betreft, is het OCMW allereerst van oordeel dat het antwoord op die prejudiciële vraag om dezelfde redenen als die welke hiervoor met betrekking tot de eerste en de tweede prejudiciële vraag zijn uiteengezet, niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. In ondergeschikte orde betoogt het OCMW dat de verwijzende rechter de toetsing van een praktijk van een OCMW aan de Grondwet vraagt, hetgeen niet tot de bevoegdheden van het Grondwettelijk Hof behoort. A.3.2. In meer ondergeschikte orde zet het OCMW uiteen dat het sluiten van een bezettingsovereenkomst (die in essentie van korte duur
- is)met personen die mogelijkerwijs recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en nood hebben aan huisvesting geen schending van artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet uitmaakt. Allereerst betoogt het OCMW dat artikel 23 van de Grondwet zich in de eerste plaats tot de wetgevende macht richt ter implementatie van de erin vervatte grondrechten. De standstill-verplichting geeft daarbij de grenzen van de beleidsvrijheid aan. Het OCMW is vervolgens van oordeel dat een legitiem doel wordt nagestreefd door crisiswoningen ter beschikking te stellen met het oog op het verhelpen van een tijdelijk huisvestingsprobleem en het zoeken naar een oplossing daarvan, en de duur van die terbeschikkingstelling beperkt te houden door een overeenkomst van precaire bezetting te sluiten. Daarbij voert het OCMW aan dat artikel 23 van de Grondwet geen absoluut grondrecht instelt, waardoor er in de toepassing ervan een belangenafweging met de grondrechten van derden, onder meer inzake behoorlijke huisvesting, dient te gebeuren. Zo dient er volgens het OCMW rekening mee te worden gehouden dat binnen een afzienbare tijd andere personen ook in een crisissituatie kunnen terechtkomen waarin die personen nood hebben aan crisishuisvesting. Het OCMW houdt staande dat het daarom niet kennelijk onredelijk is dat een bezettingsovereenkomst wordt gesloten die van korte duur is. Bijkomend voegt het OCMW eraan toe dat er eveneens een belangenafweging dient te gebeuren tussen het grondrecht op wonen van de bewoner tegenover het eigendomsrecht van de eigenaar van de woning. De overeenkomst is niet gesloten in kader van een recht op « maatschappelijke dienstverlening », waardoor volgens het OCMW de contractuele vrijheid onverkort van toepassing is en dus meer met de belangen van de eigenaar rekening dient te worden gehouden. Het OCMW wijst er nog op dat, gelet op cassatierechtspraak, de bepalingen van het Vlaams Woninghuurdecreet niet van toepassing zijn op bezettingsovereenkomsten. Daar de derde prejudiciële vraag berust op een kennelijk verkeerde interpretatie van de in die vraag aangehaalde bepalingen, behoeft zij volgens het OCMW geen antwoord, minstens dient zij ontkennend te worden beantwoord. -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen B.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de eerste en de tweede prejudiciële vragen zo zijn geformuleerd dat zij het Hof verzoeken de voorgelegde 7 wetsbepalingen te interpreteren. Zij voert aan dat de derde prejudiciële vraag het Hof verzoekt de bestaanbaarheid van een praktijk met artikel 23 van de Grondwet na te gaan. B.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.3.1. Wanneer een prejudiciële vraag aan het Hof wordt voorgelegd, dient de verwijzende rechter de wetsbepalingen waarover hij het Hof wenst te bevragen, in voorkomend geval in een door die rechter vermelde interpretatie, en de normen waaraan die wetsbepalingen dienen te worden getoetst, te identificeren. Daarnaast dient de verwijzende rechter de eventuele ongrondwettigheid uiteen te zetten in de voorgelegde prejudiciële vragen B.3.2. Wat de eerste en tweede prejudiciële vraag betreft, identificeert de verwijzende rechter de wetsbepalingen (artikelen 1 en 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-wet), de artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaamse decreet van 9 november 2018 « houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan » (hierna : het Vlaams Woninghuurdecreet) en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021) waarover zij het Hof wenst te ondervragen, geeft zij een interpretatie aan die wetsbepalingen en zet zij uiteen hoe en in welke zin de wetsbepalingen niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet zouden zijn. Niettegenstaande de formulering van de prejudiciële vragen prima facie een andere indruk zouden kunnen wekken, blijkt aldus uit de combinatie van die prejudiciële vragen met de overwegingen van de verwijzingsbeslissing, dat de verwijzende rechter in wezen vragen stelt 8 over de grondwettigheid van wetsbepalingen, in een eveneens door die rechter gepreciseerde interpretatie. B.3.3. De derde prejudiciële vraag is als volgt geformuleerd : « In ontkennend geval leidt het afsluiten door het OCMW met personen die recht hebben op maatschappelijke dienstverlening en nood hebben aan huisvesting van een kortlopende Overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) waarbij deze huisvesting niet wordt verleend onder de vorm van maatschappelijke dienstverlening niet tot een inbreuk op het recht op een behoorlijke huisvesting gegarandeerd door artikel 23 lid 3 3° van de Grondwet ? ». Die vraag betreft het afsluiten, door het OCMW, van een kortlopende overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede) met bepaalde personen. B.3.4. De derde prejudiciële vraag heeft bijgevolg betrekking op een of meer individuele maatregelen die vallen onder de eventuele toepassing van de in het geding zijnde bepalingen. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de manier waarop bepalingen van wetgevende aard worden toegepast, ongeacht of die vraag de algemene toepassing ervan betreft dan wel de toepassing ervan op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. B.3.5. De derde prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. Ten gronde Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.4. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 1 en 60 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-Wet). Artikel 1 van de OCMW-Wet bepaalt : 9 « Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren ». Artikel 60 van de OCMW-Wet bepaalt : « § 1. De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien. De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend. Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen. § 2. Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken. § 3. Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm. De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand. In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst. 10 […] ». B.5. In de procedure voor de verwijzende rechter wordt de uithuiszetting gevorderd door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : het OCMW) van een persoon met wie het OCMW een thans afgelopen overeenkomst strekkende tot bezetting ter bede had gesloten teneinde die persoon tijdelijk een onroerend eigendom als huisvesting ter beschikking te stellen. In het kader van die vordering is er in het bodemgeschil discussie over de rechtmatigheid van dat contractuele optreden van het OCMW - oorzaak en grondslag van de voormelde vordering -, de kwalificatie van de overeenkomst als « maatschappelijke dienstverlening » en in het licht daarvan, over de rechtsgrond daarvoor. De verwijzende rechter onderzoekt vanuit het uitgangspunt dat de onderliggende verhouding tussen de partijen in het bodemgeschil berust op (een effectief recht
- op)« maatschappelijke dienstverlening », de geldigheid van de bezettingsovereenkomst, die de aanleiding en grondslag vormt voor de vordering tot uithuiszetting. In dat opzicht worden door de verwijzende rechter in het kader van de eerste prejudiciële vraag de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet als grond voor het contractuele optreden van het OCMW in aanmerking genomen. B.6. Uit de overwegingen van de verwijzingsbeslissing en de formulering van de eerste prejudiciële vraag blijkt voorts dat de feiten enkel betrekking hebben op een rechtsverhouding inzake het ter beschikking stellen van huisvesting. Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot de artikelen 1 en 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet. B.7. De verwijzende rechter interpreteert, gelet op hetgeen in B.5 is vermeld, de artikelen 1 en 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet in die zin dat zij het OCMW toelaten aan personen die recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en nood aan huisvesting hebben andere hulp te bieden dan « maatschappelijke dienstverlening », met name huisvesting door middel van een kortlopende overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede). B.8. De voormelde « maatschappelijke dienstverlening » is een onderdeel van de sociale bijstand, ten aanzien waarvan het recht daarop (artikel 1 van de OCMW-Wet) en de passende 11 vorm (o.a. artikel 60, § 3, van de OCMW-Wet) overeenkomstig de wettelijke bepalingen respectievelijk dienen te worden uitgeoefend en vastgesteld. Artikel 58, § 1, van de OCMW-Wet bepaalt : « Een aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een beslissing moet nemen, wordt, de dag van haar ontvangst, chronologisch ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden register. De schriftelijke aanvraag wordt ondertekend door de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen. Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het eerste lid ». Artikel 62bis van de OCMW-Wet bepaalt : « De beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn, door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst ingevolge artikel 114 en 552 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of tegen ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting ». Artikel 71 van de OCMW-wet bepaalt : « Eenieder kan bij de arbeidsrechtbank in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst ingevolge artikel 114 en 552 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending. Het beroep moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs. 12 Bij ontstentenis van een beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing. Het beroep werkt niet schorsend. Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». B.9. Uit de in B.4 en B.8 vermelde bepalingen volgt dat het recht op « maatschappelijke dienstverlening » geen automatisch of absoluut recht is, maar dat die dienstverlening door de betrokkene bij het OCMW dient te worden aangevraagd, waarna het OCMW vervolgens na een individueel sociaal onderzoek betreffende, enerzijds, diens nood aan en de omvang van diens behoefte aan dienstverlening en, anderzijds, de meest passende middelen, beslist over de aanvraag en de te bieden hulp. Zo bestaat het recht op « maatschappelijke dienstverlening », gewaarborgd door de OCMW-Wet, pas
(1)indien en zolang de betrokkene zich in een situatie bevindt waarin hij of zij niet over de middelen beschikt die nodig zijn om een menswaardig leven te leiden en
(2)indien het OCMW daarover een beslissing heeft genomen. In dat verband komt het aan het OCMW toe om met betrekking tot iedere aanvraag afzonderlijk te oordelen of aan die voorwaarde voldaan is en, zo ja, om te oordelen welke vorm of wijze de hulpverlening moet aannemen. Met andere woorden, zowel de toekenning als de wijziging of beëindiging van die hulp – hetgeen aldus de hoedanigheid van rechthebbende op « maatschappelijke dienstverlening » bepaalt – vereist een beoordeling door en een formele beslissing van de bevoegde instantie van het OCMW. Die beslissing dient overigens te worden gemotiveerd en ter kennis gebracht van de aanvrager. Tegen die beslissing is een beroep mogelijk bij de arbeidsrechtbank. B.
- De verwijzende rechter wenst te vernemen of de artikelen 1 en 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet, in de in B.7 vermelde interpretatie, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij een verschil in behandeling instellen tussen, enerzijds, de personen die recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en nood aan huisvesting 13 hebben en die de huisvesting krijgen in de vorm van « maatschappelijke dienstverlening » en, anderzijds, de personen die recht hebben op « maatschappelijke dienstverlening » en nood hebben aan huisvesting en die geen huisvesting verkrijgen in de vorm van « maatschappelijke dienstverlening », maar wel in de vorm van een kortlopende overeenkomst van precaire bezetting (bezetting ter bede). In het eerstgenoemde geval betreft het materiële hulp in de zin van artikel 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet in de vorm van huisvesting, die slechts onder wettelijke voorwaarden door een beslissing van het OCMW aan een persoon kan worden toegekend of ontnomen. In het laatstgenoemde geval betreft het hulp in de vorm van huisvesting via een overeenkomst die van rechtswege (zonder enige beslissing van het bevoegde orgaan van het OCMW) eindigt na afloop van de vooraf bepaalde duur, ongeacht of de betrokkene al dan niet voldoet aan de voorwaarden voor « maatschappelijk dienstverlening ». Die overeenkomst wordt louter door de algemene regels van het contractenrecht beheerst. Aldus strekt de prejudiciële vraag ertoe na te gaan of een verschil in behandeling inzake bescherming binnen dezelfde categorie van personen naar gelang van de aard van de hulpverlening gerechtvaardigd is. B.11.
- Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord, omdat het niet dienstig zou zijn voor de oplossing van het geschil. Meer in het bijzonder merkt zij op dat de bepalingen waarover het Hof wordt ondervraagd, niet van toepassing zijn op de feiten in het bodemgeschil. B.11.
- De door de verwijzende rechter voorgelegde eerste prejudiciële vraag berust op het uitgangspunt dat de artikelen 1 en 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet, in de in B.7 vermelde interpretatie, van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, hetgeen een hoedanigheid van rechthebbende op « maatschappelijke dienstverlening » veronderstelt. B.11.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op dat geschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet. 14 Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde norm klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. B.11.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de bevoegde instantie van het OCMW bij formele beslissing aan de verwerende partij voor de verwijzende rechter in het kader van de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie » een leefloon heeft toegekend. Aangezien een formele beslissing inzake de toekenning, evenals een formele beslissing tot de wijziging of beëindiging van « maatschappelijke dienstverlening » in de zin van artikel 60, § 3, eerste lid, van de OCMW-Wet ontbreekt, blijkt, rekening houdend met hetgeen in B.9 is vermeld, niet dat de overeenkomst tot stand is gekomen in het kader van een rechtsverhouding inzake « maatschappelijke dienstverlening » tussen de partijen in het bodemgeschil. De hoedanigheid van rechthebbende op « maatschappelijk dienstverlening » is immers niet bij formele beslissing van het OCMW vastgesteld. Het feit dat de verwerende partij voor de verwijzende rechter de facto mogelijkerwijs in aanmerking zou kunnen komen voor een rechtsverhouding in het kader van een recht op « maatschappelijke dienstverlening » in de zin van de artikelen 1 en 60, § 3, van de OCMW- Wet leidt niet tot een andere conclusie aangezien de hoedanigheid van rechthebbende op « maatschappelijke dienstverlening » wordt bepaald via een beslissing door het OCMW, waarbij na een sociaal onderzoek uitspraak wordt gedaan over een aanvraag, onder het rechterlijk toezicht van de arbeidsrechtbank. De prejudiciële vraag van de verwijzende rechter berust op het verkeerde uitgangspunt dat de rechtsverhouding tussen de partijen in het bodemgeschil wordt beheerst door de bepalingen waarover het Hof wordt ondervraagd. B.11.
- Bijgevolg behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord. 15 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 1344ter en 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 46 en 50 van het Vlaams Woninghuurdecreet en artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van
- Artikel 1344ter Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijk persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in afdeling II of afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, uit een goed dat blijkens de inleidende akte de huurder tot woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, tot verblijfplaats dient. […] §
- Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden ». Artikel 1344novies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij gezamenlijk verzoekschrift waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijke persoon die zonder recht of titel een plaats betrekt. […] §
- Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden ». De decreetgever heeft de artikelen 1344ter en 1344sexies van het Gerechtelijk Wetboek overgenomen in het Vlaams Woninghuurdecreet, zonder grote wijzigingen door te voeren. Artikel 46 van het Vlaams Woninghuurdecreet bepaalt : « §
- Dit artikel is van toepassing op elke vordering die ingeleid wordt bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijk persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten waarop deze titel van toepassing is. 16 §
- Als de vordering bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning aanhangig wordt gemaakt, zendt de griffier onverwijld via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebrek aan een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder. Als de vordering bij dagvaarding aanhangig wordt gemaakt, zendt de gerechtsdeurwaarder onverwijld via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, een afschrift van de dagvaarding naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebrek aan een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder. §
- Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt op de meest aangewezen wijze en binnen zijn wettelijke opdracht hulp aan ». Artikel 50 van hetzelfde decreet bepaalt : « Bij de betekening van elk vonnis tot uithuiszetting zendt de gerechtsdeurwaarder onverwijld met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, een afschrift van het vonnis naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de plaats waar het goed gelegen is. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt op de meest aangewezen wijze en binnen zijn wettelijke opdracht hulp aan ». Artikel 3.32 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt : « Als de bewoners van een onbewoonbare of overbewoonde woning of van een goed als vermeld in artikel 3.35, geherhuisvest moeten worden omdat dit noodzakelijk is wegens mensonwaardige levensomstandigheden, ernstige risico's voor hun veiligheid en gezondheid en de bepalingen van artikel 3.30, § 2, niet toegepast kunnen worden, neemt de burgemeester de nodige maatregelen voor de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt. Hij kan daarbij onder meer de gemeentelijke huisvestingsmogelijkheden benutten of een beroep doen op de medewerking van het OCMW of van de sociale woonorganisaties, waarvan het werkingsgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de gemeente. De Vlaamse Regering kan, binnen de kredieten die daartoe ingeschreven worden op de begroting van het Vlaamse Gewest en onder de voorwaarden die ze bepaalt, initiatieven nemen om de ontwikkeling van gemeentelijke herhuisvestingsmogelijkheden aan te moedigen of te ondersteunen ». B.13.
- Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord, omdat het niet dienstig zou zijn voor de oplossing van het geschil. Meer in het bijzonder merkt zij op dat de bepalingen waarover het Hof wordt ondervraagd, niet van toepassing zijn op de feiten in het bodemgeschil. 17 B.13.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter aanneemt dat de in B.12 vermelde bepalingen als rechtsgrond voor het optreden van het OCMW (de overeenkomst inzake een bezetting ter bede) ten aanzien van rechthebbenden op « maatschappelijke dienstverlening » van toepassing zijn op de onderliggende rechtsverhouding tussen de partijen in het voor haar hangende geschil. B.13.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd die klaarblijkelijk niet op dat geschil kunnen worden toegepast, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen niet. Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde norm klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. B.13.
- Uit hetgeen in B.11.4 is vermeld, blijkt dat de rechtsverhouding tussen de partijen in het bodemgeschil niet kan worden gekwalificeerd als « maatschappelijke dienstverlening » in de zin van de artikelen 1 en 60 van de OCMW-Wet. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat de overeenkomst noch tot stand is gekomen naar aanleiding van een hulpverlening in het kader van een procedure tot uithuiszetting, noch naar aanleiding van een herhuisvesting. Om dezelfde redenen als die welke in B.11.4 zijn vermeld, en gelet op het voorgaande, zijn de bepalingen waarover het Hof wordt bevraagd kennelijk niet van toepassing op de feiten in het bodemgeschil. Het antwoord op de tweede prejudiciële vraag is derhalve niet nuttig voor de oplossing van het bodemgeschil. B.13.
- Bijgevolg behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De eerste en de tweede prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. - De derde prejudiciële vraag valt niet onder de bevoegdheid van het Hof. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.181 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.059 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div