id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.189 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211223.3 Arrest- Rolnummer: 189/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-08 Raadplegingen: 741 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 « betreffende de overzeese sociale zekerheid » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 « betreffende de overzeese sociale zekerheid », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Overzeese sociale zekerheid - Verzekering voor geneeskundige verzorging - Terugbetaling - Verblijfsverplichting. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1963 - 46 - 01 ELI link Pub nr 1963071701 Tekst van de beslissing Rolnummer 7464 Arrest nr. 189/2021 van 23 december 2021 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 « betreffende de overzeese sociale zekerheid », gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 november 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 november 2020, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat Verdrag, in zoverre dat artikel 46, in de op het geschil toepasselijke redactie ervan, leidt tot een verschillende behandeling van twee categorieën van personen, ten aanzien van de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging, terwijl zij op dezelfde wijze hebben bijgedragen aan de financiering van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid, namelijk : - de Belgen (en sommige ‘ bevoorrechte ’ vreemdelingen bedoeld in paragraaf 2 ervan) die niet zijn onderworpen aan de verplichting van de gewone en werkelijke verblijfplaats in België om de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten indien zij voldoen aan de andere daarin vastgelegde voorwaarden, - de (andere) vreemdelingen die - zoals de heer A.M. - hun gewone en werkelijke verblijfplaats in België moeten hebben om de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten indien zij voldoen aan de andere daarin vastgelegde voorwaarden, behoudens een individueel toegekende afwijking, waarbij dat verschil in behandeling bovendien uitsluitend op de nationaliteit lijkt te berusten ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - A.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Sarolea, advocaat bij de balie van Waals-Brabant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 10 november 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 10 november 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil A.M. is geboren op 5 april 1952. Hij heeft de Rwandese nationaliteit en heeft sinds 1994 zijn gewone en werkelijke verblijfplaats in Rwanda. Op 16 november 1999 sluit A.M. zich aan bij het algemene stelsel bepaald in artikel 12 van de wet van 17 juli 1963 « betreffende de overzeese sociale zekerheid » (hierna : de wet van 17 juli 1963), dat het stelsel van de ouderdomsverzekering, dat van de ziekte- en invaliditeitsverzekering en dat van de verzekering voor geneeskundige verzorging dekt. Om de terugbetaling te genieten van de kosten voor geneeskundige verzorging dienen de aangeslotenen aan te tonen dat zij hun gewone en werkelijke verblijfplaats in België hebben, tenzij zij Belgen zijn of behoren tot een van de categorieën van vreemdelingen bedoeld in artikel 46, § 2, van de wet van 17 juli 1963 (hierna : de bevoorrechte vreemdelingen), namelijk de onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, van de Zwitserse Confederatie of van een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte indien zij, met toepassing van de verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 « tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen », aanspraak kunnen maken op de bepalingen van de verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72 betreffende de sociale zekerheid, de vluchtelingen, de staatlozen en de onderdanen van een land waarmee België een wederkerigheidsakkoord heeft gesloten dat hen van de verblijfsvoorwaarde vrijstelt. A.M. sluit daarnaast een aanvullende verzekeringsovereenkomst « geneeskundige verzorging » zoals toegelaten bij artikel 57 van de wet van 17 juli 1963. Die overeenkomst bepaalt dat het optreden van de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid (hierna : DOSZ) ook geldt voor de zorg die wordt verstrekt aan de aangeslotene en aan zijn familieleden gedurende de periodes van activiteit, en dat dat optreden aan geen enkele verblijfsvoorwaarde is onderworpen. De terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging van A.M. wordt ten laste genomen door de aanvullende verzekering zolang hij bijdraagt aan die verzekering. A.M. wenst evenwel de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten. Op 3 augustus 2016 stuurt A.M. een brief aan de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels (hierna : DIBISS), die de verplichtingen van de DOSZ had overgenomen, welke vervolgens zijn overgedragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : RSZ). Krachtens artikel 46, § 1, van de wet van 17 juli 1963 verzoekt hij om een afwijking van de verblijfsvoorwaarde om gezondheidsredenen. Op 4 oktober 2016 brengt de DIBISS aan A.M. haar beslissing ter kennis om de gevraagde afwijking niet toe te staan en bijgevolg hem het voordeel van de verzekering voor geneeskundige verzorging te weigeren. Op 11 oktober 2016 stelt A.M. voor de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel beroep in tegen de beslissing van de DIBISS. Op 2 maart 2018 verwerpt de Arbeidsrechtbank het beroep. Zij oordeelt dat de beslissing tot weigering van de aangevraagde afwijking gerechtvaardigd is. Zij stelt eveneens vast dat de verplichting om in België een verblijfplaats te hebben « teneinde de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging te ontvangen », van bij het begin is opgelegd bij artikel 46 van de wet van 17 juli 1963, zodat de verklaring van de eiser dat hij daarvan geen kennis had, geen gevolgen heeft. Overigens blijkt dat artikel 18, § 1, van dezelfde wet het de vreemdelingen mogelijk maakt om alleen deel te nemen aan de ouderdoms- en overlevingsverzekering, daar zij moeten voldoen aan de verblijfsvoorwaarde om de verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten. Ten slotte oordeelt zij dat de verblijfsvoorwaarde geen indirecte discriminatie doet ontstaan die berust op de nationaliteit, en dat, zelfs in de veronderstelling dat een op de nationaliteit gegrond verschil in behandeling bestaat, dat verschil niet discriminerend zou zijn. Op 28 maart 2018 stelt A.M. tegen dat vonnis hoger beroep in voor het Arbeidshof te Brussel. Het Arbeidshof is van mening dat artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 de terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging altijd heeft gekoppeld aan de voorwaarde om in België te verblijven en dat A.M. van 4 die voorwaarde op de hoogte lijkt te zijn gebracht. Het is tevens van mening dat de DIBISS terecht niet is ingegaan op het verzoek van A.M. om de afwijking toe te kennen. Het is evenwel van mening dat artikel 46 van de wet van 17 juli 1963, in de op het geschil toepasselijke versie ervan, enerzijds, de Belgen en de in die bepaling beoogde « bevoorrechte » vreemdelingen, en, anderzijds, de andere vreemdelingen, zoals A.M., verschillend behandelt, in zoverre alleen de laatstgenoemden hun gewone en werkelijke verblijfplaats in België moeten hebben om de verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten, behoudens een individueel toegestane afwijking, terwijl zij op dezelfde wijze als de eerstgenoemden hebben bijgedragen aan de financiering van het Belgisch stelsel van de overzeese sociale zekerheid. Het is van mening dat dat verschil in behandeling mogelijk uitsluitend blijkt te berusten op de nationaliteit, daar de ratio legis van de verblijfsvoorwaarde, die erin bestond periodieke controles mogelijk te maken, volledig lijkt te zijn opgegeven. Het is ook van mening dat de controle van de evenredigheid van artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 niet vergelijkbaar is met die welke het Hof heeft uitgevoerd in zijn arrest nr. 82/2016 van 2 juni 2016, om de volgende redenen : vanaf 1 januari 2009 kunnen de vreemdelingen van de categorie waartoe A.M. behoort, zich niet langer aansluiten bij het facultatieve stelsel waarin de wet van 17 juli 1963 voorziet, hetgeen de gevolgen van de wettelijke regeling voor de financiën van de Belgische Staat voor de toekomst heeft beperkt; indien A.M. de verzekering voor geneeskundige verzorging niet kan genieten, zou het geringe bedrag van de aanvullende rente die hij krachtens artikel 20bis van de wet van 17 juli 1963 zou kunnen ontvangen, mogelijk niet in verhouding staan tot het eventueel omvangrijke bedrag van de kosten voor geneeskundige verzorging dat hij mogelijk tot zijn overlijden zou moeten betalen; er zou kunnen worden gesteld dat A.M., gelet op zijn leeftijd, in de onmogelijkheid zal verkeren om opnieuw een verzekeringsmechanisme van dezelfde aard te vinden wanneer hij zal willen of moeten stoppen met werken. Het Arbeidshof beslist derhalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie invoert tussen, enerzijds, de Belgen en de bevoorrechte vreemdelingen die zijn aangesloten bij de verzekering voor geneeskundige verzorging van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid en, anderzijds, de andere vreemdelingen die bij die verzekering zijn aangesloten, daar alleen die laatstgenoemden hun gewone en werkelijke verblijfplaats in België moeten hebben teneinde de verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten. A.1.2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de situatie van de twee categorieën van personen die het voorwerp van het verschil in behandeling uitmaken, vergelijkbaar zijn, daar die aangeslotenen onder dezelfde voorwaarden hebben bijgedragen aan de financiering van de overzeese sociale zekerheid en zich willen verzekeren tegen het ziekterisico, onder meer maar niet uitsluitend, in het kader van loopbanen die een internationale mobiliteit of een verblijf in het buitenland impliceren. Zij verwijst met name naar het arrest van het Hof nr. 82/2016 van 2 juni 2016, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de situatie van de Belgische begunstigden van een ouderdomsrente geïnd in het kader van de overzeese sociale zekerheid vergelijkbaar is met die van de buitenlandse begunstigden van die rente. A.1.3. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat het in het geding zijnde verschil in behandeling uitsluitend is gegrond op de nationaliteit, zodat alleen zeer sterke overwegingen dat verschil zouden kunnen verantwoorden, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en die van het Grondwettelijk Hof. A.1.4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert tevens aan dat de in het geding zijnde bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom, dat wordt beschermd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 5 Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (met name het arrest van 30 september 2003, Koua Poirrez t. Frankrijk, § 37) leidt zij af dat de in het geding zijnde sociale prestatie wel degelijk eigendom vormt in de zin van die verdragsbepaling, ook al is het stelsel van de overzeese sociale zekerheid geen op bijdragen berustend stelsel. Het voordeel van de verzekering voor geneeskundige verzorging valt dus onder de gelding van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de Belgische Staat het niet discriminerende karakter moet waarborgen van de toekenning van de sociale prestaties krachtens dat stelsel. A.1.5. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat het oorspronkelijke doel van de verblijfsvoorwaarde erin bestond de periodieke controles te vergemakkelijken. Zij is van mening dat dat doel in 1976 lijkt te zijn opgegeven, aangezien de wetgever de verblijfsvoorwaarde voor de Belgen en vervolgens voor de bevoorrechte vreemdelingen heeft laten varen. Zij leidt daaruit af dat het motief van die voorwaarde vooral financieel is. De uitsluiting van sommige buitenlandse aangeslotenen is immers noodzakelijk gebleken om het budgettaire evenwicht van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid te waarborgen. Volgens haar is die doelstelling geen zeer sterke overweging die toelaat het verschil in behandeling te verantwoorden. A.1.6. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat de in het geding zijnde bepaling niet passend is voor het oorspronkelijke doel van de verblijfsvoorwaarde, daar die voorwaarde voor de Belgen en voor de bevoorrechte vreemdelingen is opgeheven. Daarnaast voert zij aan dat de doorstroming van ingewikkelde medische gegevens vandaag geen enkele moeilijkheid meer vertoont. Zij is ook van mening dat de maatregel niet passend is voor het financieel doel, daar niets erop wijst dat het financieel evenwicht van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid in grotere mate wordt bedreigd door de niet-bevoorrechte buitenlandse begunstigden dan door de Belgen, de vluchtelingen of de staatlozen en de burgers van de Europese Unie, van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland die ook in het buitenland verblijven en op dezelfde wijze hebben bijgedragen. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege onderstreept dat de oplossing van het arrest van het Hof nr. 82/2016 van 2 juni 2016 niet naar de onderhavige zaak kan worden omgezet. Dat arrest had betrekking op een verschil in behandeling tussen, enerzijds, de Belgen en de bevoorrechte vreemdelingen en, anderzijds, de andere vreemdelingen, in zoverre alleen de laatstgenoemden onderworpen waren aan een verblijfsvoorwaarde om de indexering te genieten van de ouderdomsrenten die worden geïnd in het kader van de overzeese sociale zekerheid. Het Hof heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord was. De eisende partij voert aan dat, in dat geval, de vreemdelingen die niet in België verblijven, niet elke herwaardering van hun bijdragen wordt ontzegd, daar in een compenserend mechanisme is voorzien in artikel 20bis van de wet van 17 juli 1963. Volgens haar wordt de uitsluiting van het voordeel van de verzekering voor geneeskundige verzorging die de categorie van vreemdelingen waartoe zij behoort, moet ondergaan, daarentegen niet gecompenseerd door enig gelijkwaardig mechanisme, zodat niet kan worden besloten dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen niet onevenredig zijn. Zij voert aan dat zij niet langer een beroepsactiviteit uitoefent en noch het rustpensioen, noch de verhoogde rente waarin artikel 20bis van de wet van 17 juli 1963 voorziet, ontvangt, daar zij, indien zij zou aanvaarden die te genieten, ervan zou moeten afzien bij te dragen. Echter, zonder bij te dragen kan zij geen terugbetaling ontvangen van haar kosten voor geneeskundige verzorging. Zij is van mening dat het bedrag van de ouderdomsrente van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid niet toelaat de kosten voor haar geneeskundige verzorging en die van haar echtgenote te compenseren. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet correct geformuleerd is, daar het aangevoerde verschil in behandeling niet uitsluitend berust op de nationaliteit, maar op de nationaliteit en de verblijfplaats. A.2.2. Hij is van mening dat de vergeleken categorieën niet vergelijkbaar zijn in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel, daar het stelsel van de overzeese sociale zekerheid vooral ertoe strekt de Belgen te dekken die zijn geëmigreerd naar overzeese landen en daar de uitbreiding van het stelsel tot verschillende categorieën van vreemdelingen voortvloeit uit de internationale verbintenissen van België of uit de band van die vreemdelingen met België. De andere vreemdelingen, die geen band hebben met België, zijn niet vergelijkbaar met de personen die tot die categorieën behoren. Hij herinnert eveneens eraan dat de wet van 17 juli 1963 in verschillende opzichten een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de Belgen en de bevoorrechte vreemdelingen en, anderzijds, de andere vreemdelingen. Dat is met name het geval voor de indexering van de toelagen (artikel 51), 6 de facultatieve deelneming aan sommige takken van de overzeese sociale zekerheid (artikel 18) en de verhoging van de ouderdomsrente (artikel 20bis). Hij voert aan dat het Hof zich, in zijn voormelde arrest nr. 82/2016 van 2 juni 2016, niet heeft uitgesproken over de vergelijkbaarheid van de betrokken categorieën van personen en dat, in tegenstelling tot een verzekering voor geneeskundige verzorging, de ouderdomsrente, die in dat arrest in het geding is, een prestatie is die wordt toegekend aan alle aangeslotenen, los van hun nationaliteit of van hun verblijfplaats, ook al kunnen de voorwaarden voor de berekening van de ouderdomsrente variëren naar gelang van de nationaliteit. A.2.3. De Ministerraad is van mening dat de arresten waarbij het Grondwettelijk Hof eist dat een verschil in behandeling wordt verantwoord door zeer sterke overwegingen, betrekking hebben op verschillen in behandeling die uitsluitend berusten op de nationaliteit, zodat zij niet kunnen worden omgezet naar de onderhavige zaak. Volgens hem volstaat het, aangezien het verschil in behandeling steunt op de nationaliteit en op de verblijfplaats, dat dat verschil een gewettigd doel nastreeft. Hij voert aan dat, in elk geval, zeer sterke overwegingen het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoorden. Volgens hem, in tegenstelling tot wat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verklaart, zijn de wil om de periodieke controles te vergemakkelijken en het evenwicht van de overheidsfinanciën te handhaven niet de enige motieven van de in het geding zijnde bepaling. Hij voert aan dat de wetgever nooit de intentie heeft gehad een universeel socialezekerheidsstelsel in te voeren dat voor iedereen zou openstaan, zonder onderscheid van nationaliteit, daar het stelsel van de overzeese sociale zekerheid soms grotere voordelen biedt dan de Belgische sociale zekerheid, dat stelsel ruimschoots wordt gefinancierd door de Staat en de te betalen bijdragen lager liggen dan die welke de verzekeringsmaatschappijen voorstellen. Volgens hem wenste de wetgever dat de Belgen niet zouden worden bestraft wanneer zij een deel van hun loopbaan uitoefenen in het buitenland. De wetgever wilde evenwel ook de vreemdelingen die aan het Belgisch stelsel van de overzeese sociale zekerheid waren onderworpen vóór de onafhankelijkheid van de kolonies, niet bestraffen. De beoogde vreemdelingen waren geëmigreerde vreemdelingen met een band met België. Hij wilde eveneens de vreemdelingen die werkten voor ondernemingen die bij het stelsel van de overzeese sociale zekerheid aangesloten Belgen tewerkstelden, niet minder gunstig behandelen. Vervolgens zijn in de lijst van mogelijke begunstigden van het stelsel, teneinde in overeenstemming te zijn met de internationale verplichtingen van België, verschillende categorieën van vreemdelingen opgenomen zonder dat een verblijfsvoorwaarde is opgelegd. Ten slotte heeft de wetgever dat toepassingsgebied ook beperkt teneinde het risico van een budgettaire ontsporing te beperken en te voorkomen dat vreemdelingen zonder enige band met België de overzeese sociale zekerheid kunnen genieten. De Ministerraad is van mening dat het Hof de rechtmatigheid van die doelstellingen heeft erkend in zijn voormelde arrest nr. 82/2016. Hij voegt eraan toe dat bovendien zeer sterke overwegingen het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoorden. A.2.4. De Ministerraad is van mening dat het criterium van onderscheid, dat zowel op de nationaliteit als op de verblijfplaats berust, relevant is, aangezien de wetgever, door de Belgen en sommige bevoorrechte vreemdelingen vrij te stellen van de verblijfsvoorwaarde om de verzekering voor geneeskundige verzorging te genieten, zich ervan vergewist dat die categorieën van personen het stelsel van de overzeese sociale zekerheid kunnen genieten, overeenkomstig zijn doelstelling die erin bestaat hen niet te bestraffen en zich in overeenstemming te brengen met zijn internationale verplichtingen, terwijl hij, door die voorwaarde aan de niet- bevoorrechte vreemdelingen op te leggen, zich ervan vergewist dat de kosten van de verzekering voor geneeskundige verzorging beperkt zijn, door te voorkomen dat iedere persoon, ongeacht zijn band met België, de terugbetaling kan genieten van zijn kosten voor geneeskundige verzorging ten laste van de Belgische Schatkist. Hij is ook van mening dat het verschil in behandeling relevant is, gelet op het doel dat erin bestaat de controles te vergemakkelijken, daar het voor de RSZ moeilijker is om een arts naar Rwanda te sturen voor een eenvoudige controle. A.2.5. In verband met de evenredigheid van de maatregel merkt de Ministerraad op dat de verblijfsvoorwaarde in de wet van 17 juli 1963 is opgenomen sinds de inwerkingtreding ervan en dat het stelsel van de overzeese sociale zekerheid een facultatief stelsel is waaraan de aangeslotenen op vrijwillige basis 7 deelnemen, zodat de vreemdelingen die geen « bevoorrechte » vreemdelingen zijn, met kennis van zaken ervoor kiezen zich daarbij aan te sluiten. In tegenstelling tot de Belgen genieten de vreemdelingen de mogelijkheid om zich alleen aan te sluiten bij de ouderdoms- en overlevingsverzekering, die niet onderworpen is aan een verblijfsvoorwaarde (artikel 18, § 1, van de wet van 17 juli 1963). De aangeslotenen kunnen daarnaast het bedrag van hun bijdragen vrij bepalen. De Ministerraad onderstreept eveneens dat de overzeese sociale zekerheid het in het land bestaande stelsel van sociale zekerheid aanvult. Hij is van mening dat het Rwandese stelsel van sociale zekerheid internationaal erkend is. De Ministerraad is van mening dat het, daar de verzekering voor geneeskundige verzorging voor meer dan 90 % door de Belgische Staat wordt gefinancierd, niet onredelijk is voorwaarden vast waarbij een minimale band tussen de verzekerde en België wordt gegarandeerd. Hij verzoekt het Hof te redeneren naar analogie van zijn voormelde arrest nr. 82/2016, waarbij het heeft geoordeeld dat de indexering van de ouderdomsrente een voordeel is dat niet de tegenprestatie vormt voor de bijdragen die worden gestort door diegenen die bij de DOSZ een ouderdomsverzekering hebben gesloten, aangezien die steunt op een solidariteitsstelsel dat voor meer dan de helft door de Belgische Staat wordt gefinancierd. Het arrest steunt tevens op het gegeven dat de rente in het kader van de ouderdoms- en overlevingsverzekering wordt vermeerderd met 17 % indien geen gebruik wordt gemaakt van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van het Solidariteits- en Perequatiefonds. Volgens de Ministerraad geldt dat argument eveneens te dezen. In tegenstelling tot wat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verklaart, is de ouderdomsrente rechtstreeks verbonden met de verzekering voor geneeskundige verzorging. De Ministerraad voert tevens aan dat de wetgever vermocht te stellen dat een algemene uitbreiding van de verzekering voor geneeskundige verzorging tot alle vreemdelingen, los van het bestaan van enige band met België, zou leiden tot misbruiken en onredelijke kosten met zich zou meebrengen. De Ministerraad merkt tevens op dat de vreemdelingen de aanvullende verzekering voor geneeskundige verzorging kunnen sluiten, hetgeen de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft gedaan. Die aanvullende verzekering is aan geen enkele verblijfsvoorwaarde verbonden. Hij onderstreept dat de niet-bevoorrechte vreemdelingen om gezondheidsredenen een afwijking van de verblijfsvoorwaarde kunnen verkrijgen. Hij voert aan dat, zelfs voor de personen die behoren tot de categorieën die zijn vrijgesteld van de verplichting om in België een verblijfplaats te hebben, geen enkele terugbetaling wordt toegekend aan diegenen die aanspraak kunnen maken op voordelen van dezelfde aard met toepassing van andere contractuele, wettelijke of reglementaire, Belgische of buitenlandse, bepalingen of van een wederkerigheidsakkoord. A.3. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof, in de veronderstelling dat het een schending vaststelt, de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven. Hij voert aan dat de voorwaarden inzake de aansluiting bij de overzeese sociale zekerheid strikter zijn gemaakt bij de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) », zodat de massale aansluiting van personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en geen band hebben met België, niet meer mogelijk is. De eisende partij voor de verwijzende rechter behoort tot de categorie van personen die aangesloten kunnen blijven met toepassing van de overgangsregeling bepaald in artikel 12, § 2, laatste lid, van de wet van 17 juli 1963. Volgens de Ministerraad vloeit hieruit voort dat het voordeel dat zou kunnen worden gehaald uit een vaststelling van ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling beperkt zou zijn tot een klein aantal personen, terwijl het aanzienlijke administratieve problemen met zich zou meebrengen. Indien de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig zou worden verklaard zonder aanpassing in de tijd, dan zouden de personen die, zoals de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, zijn aangesloten bij de aanvullende verzekering voor geneeskundige verzorging, voor het verleden inderdaad recht hebben op de verzekering voor geneeskundige verzorging, zodat hun verzekeringsovereenkomst retroactief zou moeten worden beëindigd, premies zouden moeten worden terugbetaald en voor hen een wettelijk recht zou moeten worden geopend. De terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging die die personen hebben gekregen op grond van de aanvullende verzekering ligt hoger dan de terugbetaling die zouden hebben kunnen krijgen op grond van de verzekering voor geneeskundige verzorging, die wordt uitgevoerd tegen het tarief van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : het RIZIV), zodat zou moeten worden overgegaan tot lange en ingewikkelde afrekeningen om de ten onrechte betaalde sommen te recupereren. Bovendien zouden sommige schulden verjaard zijn. Er zou ook rekening moeten worden gehouden met het feit dat de verjaringstermijnen van 8 de premies niet dezelfde zijn als de verjaringstermijnen van de prestaties in het kader van de terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging. Daarbij komt dat de invordering van schulden in het buitenland en in het bijzonder buiten de Europese Economische Ruimte zeer moeilijk is. Ten slotte zou het residuaire karakter van de verzekering voor geneeskundige verzorging in het kader van de overzeese sociale zekerheid problemen kunnen doen rijzen indien de betrokkene een verzekering heeft gesloten bij een private maatschappij, in de hypothese dat die voor het geheel is opgetreden of tegen een ander terugbetalingstarief dan het tarief van het RIZIV. A.4.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling uitsluitend steunt op de nationaliteit. Zij voert aan dat uit het standpunt van de Ministerraad voortvloeit dat het criterium van nationaliteit nooit aan de orde zou kunnen worden gesteld als mogelijk discriminerend. Zij betoogt dat, indien wordt beschouwd dat een onderdaan en een vreemdeling niet vergelijkbaar zijn, de vraag of de nationaliteit een objectief criterium is, wordt omzeild. Zij herinnert eraan dat de vergeleken groepen niet identiek moeten zijn, maar zich in vergelijkbare situaties moeten bevinden. A.4.2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat de Ministerraad niet aantoont dat de enkele vreemdelingen die zich in dezelfde situatie als haarzelf bevinden, verantwoordelijk zijn voor de eventuele financiële moeilijkheden die het stelsel van de overzeese sociale zekerheid zou kennen. Zij onderstreept eveneens dat de Ministerraad verwijst naar de algemene doelstellingen van de wet van 17 juli 1963, maar niet de doelstellingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging identificeert. Volgens haar dient echter te worden aangetoond dat het in het geding zijnde verschil in behandeling, en niet de wet van 17 juli 1963 in het algemeen, een gewettigd doel nastreeft. A.4.3. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege geldt dezelfde redenering voor de relevantie van de maatregel, die moet worden beoordeeld in het licht van het bijzondere doel van die maatregel en niet in het licht van het algemene doel van de wet. Zij is van mening dat niet is aangetoond dat het uitsluiten van het beperkte aantal personen die zich in haar situatie bevinden, omdat zij vreemdelingen zijn, zou toelaten de begroting van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid te herstellen of de kosten van dat stelsel te beperken. Zij is van mening dat het niet relevant is dat die personen, wegens hun nationaliteit, als enigen het eventuele slechte budgettaire beheer van het stelsel van de overzeese sociale zekerheid moeten ondergaan. Zij erkent dat de sociale prestaties die zij zou kunnen genieten, niet de tegenprestatie vormen voor de gestorte bijdragen. Zij voert evenwel aan dat uit het feit dat het bedrag van de bijdragen wordt overgelaten aan de vrije keuze van de aangeslotene, voortvloeit dat een aangesloten vreemdeling meer zou kunnen hebben bijgedragen dan een Belg en veel lagere kosten voor geneeskundige verzorging zou hebben kunnen betalen dan die laatstgenoemde. In dat geval vormt de vreemdeling geen last voor het stelsel van de overzeese sociale zekerheid, maar worden hem niettemin uitsluitend wegens zijn nationaliteit sociale prestaties geweigerd. - B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 46 van de wet van 17 juli 1963 « betreffende de overzeese sociale zekerheid » (hierna : de wet van 17 juli 1963). Dat artikel bepaalt : « § 1. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 44, slechts toegekend als de titularis van de verzekering zijn 9 werkelijke en gewone verblijfplaats in België heeft, tenzij hij om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven. § 2. De verblijfsverplichting omschreven in § 1 is niet van toepassing op : 1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte (en de onderdanen van een niet-Lidstaat van de Europese Economische Ruimte die met toepassing van de Europese verordening 859/2003 aanspraak kunnen maken op de bepalingen van de Europese verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid); 2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie; 3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°; 4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt. § 3. Voor de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen maken de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die verblijven op het grondgebied van één van die Staten maar niet in België, de keuze hetzij voor de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 49, hetzij voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid. § 4. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt niet toegekend aan de personen die krachtens andere wettelijke, contractuele of reglementaire, Belgische of vreemde, bepalingen of krachtens een wederkerigheidsovereenkomst, aanspraak kunnen maken op gelijksoortige uitkeringen ». B.2.1. De bij de wet van 17 juli 1963 ingevoerde regeling is een facultatief systeem van sociale zekerheid waarbij de personen die in de door de Koning aangewezen overzeese landen werken, zich kunnen aansluiten. Die regeling betreft « zowel de agenten […] die hun diensten verrichten in een openbare sector als de werknemers tewerkgesteld door private ondernemingen bij uitvoering van een kontrakt van dienstverhuring of zelfs personen die een zelfstandige beroepsbedrijvigheid uitoefenen » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 431/1, p. 1). Die regeling werd uitgewerkt teneinde te « beantwoorden aan de bekommernissen van deze die verlangen overzees een loopbaan te ondernemen of te voltooien en wensen in hun land van herkomst gedekt te zijn door wettelijke bepalingen die een stelsel van sociale verzekeringen voorzien » (ibid.). 10 De prestaties waarop de verzekerden aanspraak kunnen maken om reden van de stortingen die op hun rekening zijn ingeschreven, worden opgevat als « prestaties die deze aanvullen welke de belanghebbenden kunnen bekomen in het land waar hun beroepsbedrijvigheid uitgeoefend wordt » (ibid.). De parlementaire voorbereiding vermeldt nog : « Kunnen deelnemen aan het facultatief stelsel van ouderdoms- en overleveringsverzekering, van de ziekengeld- en invaliditeitsverzekering en van de ziektekostenverzekering, de personen van Belgische nationaliteit en, onder sommige voorwaarden, de personen van vreemde nationaliteit die een beroepsbedrijvigheid uitoefenen, ondergeschikt of niet, buiten Belgisch grondgebied, in de landen door de Koning bepaald (artikel 12) » (ibid., p. 4). « De aansluiting bij het beoogde stelsel van sociale zekerheid voorzien bij deze wet kan niet dwingend zijn. Zij is facultatief daar zij de soevereiniteit van die vreemde landen dient te eerbiedigen welke de op hun grondgebied werkende Belgen zouden kunnen verplichten aan te sluiten bij de in dit land in voege zijnde sociale reglementatie. Zij is aanvullend om de belanghebbenden toe te laten een bijkomende sociale verzekering aan te gaan in het moederland, indien deze van het land waar zij een beroepsactiviteit uitoefenen, hun onvoldoende garanties biedt of om elke andere reden (b.v. onvoordelige geldkoers) » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 271, p. 3). « Bovendien mogen de verzekerden van vreemde nationaliteit deelnemen hetzij aan al de verzekeringen voorzien bij onderhavig ontwerp, hetzij alleen aan de ouderdoms- en overlevingsverzekering […] Indien de renten uitbetaald zijn welke ook de plaats van verblijf van de gerechtigde zij, is integendeel het toekennen van de prestaties inzake ziekengeld- en invaliditeitsverzekering en ziektekostenverzekering, ondergeschikt aan sommige voorwaarden van verblijf, voorwaarden welke de verzekerde van vreemde nationaliteit, op het ogenblik dat hij aan de verzekering onderschrijft, zou kunnen overwegen in de toekomst niet te vervullen. Littera
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.