id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.192 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211223.6 Arrest- Rolnummer: 192/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-08 Raadplegingen: 406 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Procedure (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep ingesteld door Y.D. namens E.P. Voorafgaande rechtspleging - Klaarblijkelijke niet-bevoegdheid van het Hof. Tekst van de beslissing Rolnummer 7651 Arrest nr. 192/2021 van 23 december 2021 ___________ In zake : het beroep ingesteld door Y.D. namens E.P. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter P. Nihoul en de rechters-verslaggevers M. Pâques en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 oktober 2021, heeft Y.D. een beroep ingesteld namens E.P. Op 19 oktober 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en D. Pieters, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- Bij aangetekende brief die op 13 oktober 2021 op het Hof werd ontvangen, hebben Y.D. en E.P. een beroep tot vernietiging ingesteld en een « klacht tegen de Belgische Staat » ingediend. Uit die geschreven stukken kan worden afgeleid dat E.P. een handicap heeft en dat hij woont bij zijn voogd en bewindvoerder, Y.D., die te zijnen aanzien optreedt als een « pleeggezin ». Er kan eveneens uit worden afgeleid dat E.P. meer bepaald een beslissing betwist die ten aanzien van hem door de FOD Sociale Zekerheid is genomen met betrekking tot de toekenning van integratietegemoetkomingen of inkomensvervangende tegemoetkomingen, en dat hij van mening is dat die beslissing afbreuk doet aan zijn grondrecht om te mogen kiezen of hij bij een pleeggezin dan wel in een instelling woont. Hij betwist ook verschillende vonnissen van de Arbeidsrechtbank Henegouwen en arresten van het Arbeidshof te Bergen. Hij verwijst onder meer naar het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. E.P. wil ook klacht indienen tegen de Belgische Staat wegens verscheidene nalatigheden en een herhaaldelijk gebrek aan zorg in het verleden, toen hij in een instelling was geplaatst. A.
- Bij hun conclusies, die op 19 oktober 2021 werden genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, laten weten dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest uit te spreken waarbij wordt vastgesteld dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is. Van die conclusies werd kennis gegeven aan de verzoekende partijen. A.
- Er werd geen memorie met verantwoording ingediend. 3 -B- B.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.
- De verzoekende partijen vorderen niet de vernietiging van een wet, een decreet of een ordonnantie. Het beroep en de « klacht » hebben betrekking op een administratieve beslissing, op vonnissen en arresten die door arbeidsgerechten werden gewezen en op de slechte behandeling die E.P. onderging gedurende zijn kindertijd en zijn jeugd. De verzoekende partijen wensen, enerzijds, de herziening te verkrijgen van een administratieve beslissing waarbij aan E.P. het voordeel van tegemoetkomingen werd geweigerd en, anderzijds, de erkenning te verkrijgen van fouten, begaan door de Belgische Staat en door diverse instellingen, met betrekking tot feiten en nalatigheden waarvan E.P. het slachtoffer was. Zij zijn van mening dat die elementen een nalatigheid vanwege de Belgische Staat aantonen, in zoverre die laatste zijn verplichtingen die voortvloeien uit het voormelde Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, niet zou nakomen. B.
- Dat beroep en die tegen de Belgische Staat gerichte klacht behoren klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div