← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.193

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.193 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20211223.7 Arrest- Rolnummer: 193/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-08 Raadplegingen: 481 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt de vordering tot uitlegging. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Procedure (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot uitlegging van het arrest nr. 85/2018 van 5 juli 2018, ingesteld door Jacques Defrère. Voorafgaande rechtspleging - Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid - Vordering tot uitlegging. Tekst van de beslissing Rolnummer 7659 Arrest nr. 193/2021 van 23 december 2021 In zake : de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 85/2018 van 5 juli 2018, ingesteld door Jacques Defrère. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter P. Nihoul en de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 oktober 2021, heeft Jacques Defrère een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 85/2018 van 5 juli 2018 ingesteld. Op 9 november 2021 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de vordering tot uitlegging klaarblijkelijk onontvankelijk is. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. De om uitlegging verzoekende partij vraagt het Hof zich uit te spreken over een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 85/2018 van 5 juli
  2. Zij preciseert dat haar vordering aansluit op een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 september
  3. A.
  4. In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de vordering tot uitlegging klaarblijkelijk onontvankelijk is. De rechters-verslaggevers hebben vastgesteld dat de vordering tot uitlegging betrekking heeft op een arrest dat is gewezen op een prejudiciële vraag die het Hof van Beroep te Brussel heeft gesteld in het kader van een geschil tussen de om uitlegging verzoekende partij en de Belgische Staat. Zij hebben geoordeeld dat artikel 118 van het bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof een partij die in het geding is voor het verwijzende rechtscollege niet toelaat bij het Hof een vordering in te stellen tot uitlegging van een op prejudiciële vraag gewezen arrest. Bovendien zijn de rechters-verslaggevers van mening dat de vordering tot uitlegging in werkelijkheid ertoe strekt het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 september 2019 te laten controleren. A.
  5. In haar memorie met verantwoording voert de om uitlegging verzoekende partij aan dat de toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof zou vereisen dat overweging B.8 van het arrest van het Hof nr. 85/2018 vooraf ten uitvoer wordt gelegd, hetgeen niet is gebeurd. Zij voegt eraan toe dat de situatie een uitzonderlijk karakter vertoont. Bovendien legt zij uit dat bij het Hof van Cassatie een voorziening is ingesteld tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 september 2019 en dat het openbaar ministerie conclusies heeft neergelegd waarin wordt voorgesteld de voorziening te verwerpen. De om uitlegging verzoekende partij wenst dat het Hof van Cassatie de voorziening kan onderzoeken met volle kennis van de wil van het Grondwettelijk Hof. De om uitlegging verzoekende partij doet gelden dat het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 september 2019 impliciet de argumenten valideert die de Belgische Staat en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid hebben uiteengezet in een memorie van 2008, en zij repliceert op die memorie. Ten slotte verwijst de om uitlegging verzoekende partij naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 juli 1987 (HvJ, 9 juli 1987, C-82/86 en C-103/86, Laborero en Sabato). 3 -B- B.
  6. De vordering tot uitlegging heeft betrekking op het arrest van het Hof nr. 85/2018 van 5 juli 2018, dat is gewezen op een prejudiciële vraag die het Hof van Beroep te Brussel heeft gesteld in het kader van een geschil tussen de om uitlegging verzoekende partij en de Belgische Staat. B.
  7. Artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt : « Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding. Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk. De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest ». Uit die bepaling vloeit voort dat bij het Hof, wanneer het een arrest op prejudiciële vraag heeft gewezen, geen vordering tot uitlegging van dat arrest kan worden ingesteld door een partij die in het geding is voor het verwijzende rechtscollege. B.
  8. Bovendien blijkt uit het verzoekschrift en uit de memorie met verantwoording dat de vordering tot uitlegging ertoe strekt een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 12 september 2019 door het Hof te laten controleren. Het Hof is echter niet bevoegd om na te gaan of een jurisdictionele beslissing het gezag van zijn arresten in acht neemt. B.
  9. De vordering tot uitlegging is derhalve klaarblijkelijk onontvankelijk. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verwerpt de vordering tot uitlegging. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 december
  10. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.