id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.002 Arrest- Rolnummer: 2/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 394 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 mei 2020 « tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het invoeren van een overgangsbepaling voor de geldigheidsduur van de startdatum, vermeld in artikel 1.1.3, 113°/2 » (invoeging van artikel 15.3.5/22 in het Energiedecreet van 8 mei 2009), ingesteld door de nv « E-Wood Energiecentrale » en anderen. Energie - Vlaams Gewest - Groenestroom- en warmtekrachtprojecten - Geldigheidsduur van de startdatum - Schorsing - Overmacht te wijten aan COVID-19 Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 2/2022 van 13 januari 2022 Rolnummer : 7470 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 mei 2020 « tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het invoeren van een overgangsbepaling voor de geldigheidsduur van de startdatum, vermeld in artikel 1.1.3, 113°/2 » (invoeging van artikel 15.3.5/22 in het Energiedecreet van 8 mei 2009), ingesteld door de nv « E-Wood Energiecentrale » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J.-P. Moerman, R. Leysen, Y. Kherbache, T. Detienne en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 november 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 december 2020, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 mei 2020 « tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het invoeren van een overgangsbepaling voor de geldigheidsduur van de startdatum, vermeld in artikel 1.1.3, 113°/2 » (invoeging van artikel 15.3.5/22 in het Energiedecreet van 8 mei 2009), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 mei 2020, door de nv « E-Wood Energiecentrale », de nv « Slib en Co Verwerkingscentrale », de nv « SUEZ R&R Belgium » en de nv « Indaver », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Vandendriessche, Mr. C. Degreef en Mr. C. Mathieu, advocaten bij de balie te Brussel. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Verhoeven, Mr. J. Van Orshoven en Mr. L. Moons, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 6 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 oktober 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Vlaamse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 oktober 2021 de dag van de terechtzitting bepaald op 24 november 2021. Op de openbare terechtzitting van 24 november 2021 : - zijn verschenen : . Mr. F. Vandendriessche en Mr. C. Mathieu, voor de verzoekende partijen; . Mr. L. Moons, tevens loco Mr. D. Verhoeven en Mr. J. Van Orshoven, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Detienne verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partijen A.1. In het enige middel, dat bestaat uit twee onderdelen, voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 mei 2020 « tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het invoeren van een overgangsbepaling voor de geldigheidsduur van de startdatum, vermeld in artikel 1.1.3, 113°/2 » (hierna : het decreet van 15 mei 2020), dat een artikel 15.3.5/22 invoegt in het decreet van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid » (hierna : het Energiedecreet), in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2. De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 15.3.5/22 van het Energiedecreet een onderscheid maakt tussen, enerzijds, projecten die op 20 maart 2020 over een geldige startdatum beschikken en waarvan die startdatum vervalt in 2020 of 2021 en, anderzijds, projecten die op 20 maart 2020 over een geldige startdatum beschikken en waarvan die startdatum vervalt vanaf 1 januari 2022. Voor de eerste categorie van projecten wordt de geldigheidsduur van de startdatum automatisch geschorst tussen 20 maart 2020 en 17 juli 2020. Voor de tweede categorie van projecten, waartoe ook het biomassaproject van de verzoekende partijen behoort, kan de geldigheidsduur van de startdatum worden geschorst door de Vlaamse Regering op voorwaarde dat de projectontwikkelaar aantoont dat het project niet binnen de initiële geldigheidsduur kan worden verwezenlijkt wegens een overmachtsituatie die te wijten is aan COVID-19. 3 Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 15 mei 2020 leiden de verzoekende partijen af dat de decreetgever met de bestreden bepaling in essentie beoogde de Europese doelstellingen inzake hernieuwbare energie te behalen. Het betwiste verschil in behandeling wordt verantwoord door de overweging dat er meer tijd overblijft om de projecten te realiseren waarvan de startdatum vervalt in 2022. Eveneens wou de decreetgever vermijden dat wanbeheer zou worden beloond. A.3.1. In het eerste middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling geen legitiem doel nastreeft en het criterium van onderscheid in ieder geval niet pertinent is. A.3.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat het niet legitiem is dat de decreetgever uitsluitend ernaar streefde de doelstellingen inzake hernieuwbare energie voor 2020 en 2021 te behalen en de automatische schorsing daarom heeft beperkt tot de projecten waarvan de startdatum vervalt in die jaren. Vlaanderen zal ook in de volgende jaren zulke doelstellingen moeten behalen, die na 2021 zelfs nog strenger zullen worden. A.3.3. De verzoekende partijen vervolgen dat het gemaakte onderscheid niet pertinent is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, voor zover het is gebaseerd op de veronderstelling dat de projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022 over meer tijd zouden beschikken dan de projecten waarvan de startdatum vervalt in 2020 of 2021. Bij wijze van voorbeeld zetten de verzoekende partijen uiteen dat voor de startdatum van zowel windturbines als biomassa-installaties de geldigheidsduur 36 maanden bedraagt. Nochtans kunnen windturbines gemiddeld reeds na 13 maanden in dienst worden genomen, in tegenstelling tot biomassa-installaties, waarbij de indienstneming gemiddeld na 24 maanden plaatsvindt. Een ontwikkelaar van een windturbineproject met een startdatum die vervalt in 2021 en die de automatische schorsing geniet, zal in werkelijkheid dan ook aanzienlijk meer tijd hebben om zijn project te realiseren dan een ontwikkelaar van een biomassaproject waarvan de startdatum vervalt in 2022, die geen aanspraak maakt op een schorsing. De verzoekende partijen leiden daaruit af dat het criterium van onderscheid niet kan worden gebaseerd op het jaar waarin de startdatum vervalt, maar dat veeleer de aard van het project in aanmerking dient te worden genomen. A.3.4. De verzoekende partijen menen verder dat ook de doelstelling om wanbeheer niet te belonen het verschil in behandeling niet kan verantwoorden. Het onderscheid tussen de projecten waarvan de startdatum in 2020 of 2021 dan wel in 2022 vervalt, houdt geen verband met het al dan niet voorhanden zijn van wanbeheer. Ook projecten waarvan de startdatum in 2020 of 2021 vervalt, kunnen een slecht projectbeheer kennen en toch een automatische schorsing genieten, zelfs wanneer zij geen vertraging hebben opgelopen door de COVID-19- pandemie. A.3.5. Volgens de verzoekende partijen is het verschil in behandeling evenmin pertinent ten aanzien van de doelstelling om de hernieuwbare-energiedoelstellingen te behalen voor de jaren 2020 en/of 2021. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering betoogt, valt niet in te zien waarom de Europese Commissie bij de beoordeling van de bereikte hernieuwbare-energiedoelstellingen voor het jaar 2020 ook nog rekening zou houden met de projecten gerealiseerd in 2021 en dus waarom de automatische schorsing van de geldigheidsduur eveneens zou moeten gelden voor die projecten. Overigens zullen de hernieuwbare energiedoelstellingen voor het jaar 2020 in werkelijkheid pas kunnen worden bereikt tegen 2025, zodat hoe dan ook geldboetes zullen worden opgelegd. Daarnaast beschikt de projectontwikkelaar in geval van een schorsing over vier bijkomende maanden om zijn project te realiseren. Projecten met een startdatum die vervalt na 1 oktober 2021 moeten daardoor pas ten vroegste in 2022 - en niet in 2021 - worden gerealiseerd. Bovendien zullen de lidstaten, overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/2001), ook na 2021 de minimale doelstellingen zoals van kracht voor 2020 moeten blijven bereiken, en zijn zij ertoe gehouden nationale bijdragen vast te stellen om collectief te voldoen aan het bindend algemeen streefcijfer van de Europese Unie voor 2030, als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De Europese Commissie kan een inbreukprocedure opstarten tegen een lidstaat waarvan het energie- en klimaatplan onvoldoende ambitieus is of die niet de vereiste vooruitgang boekt om de collectieve maatregelen te behalen. Ook na 2021 zullen bijgevolg individuele financiële sancties kunnen worden opgelegd indien het Vlaamse Gewest niet de nodige inspanningen inzake hernieuwbare energie levert. A.3.6. Tot slot merken de verzoekende partijen op dat ook de projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022, vertragingen hebben opgelopen die op systematische wijze niet kunnen worden ingehaald. Er is geen reden om aan te nemen dat het per definitie niet mogelijk is voor projecten waarvan de startdatum vervalt in 2020 of 2021 om de opgelopen vertragingen in te halen, terwijl dit wel steeds mogelijk zou zijn voor projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022 of later. Bovendien blijven de vertragingen zich opstapelen zolang de COVID-19- 4 pandemie duurt. Ook om die reden heeft het criterium van onderscheid geen pertinent karakter, zoals eveneens blijkt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 67.274/3 van 24 april 2020. A.4.1. In het tweede middelonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor de ontwikkelaars van projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022. A.4.2. De verzoekende partijen betogen dat de bewijslast voor dergelijke projectontwikkelaars buitensporig zwaar is. Zij dienen immers aan te tonen dat de COVID-19-pandemie voor hen overmacht uitmaakt en dat de door die overmacht veroorzaakte vertragingen niet meer met alle mogelijke inspanningen kunnen worden ingehaald tijdens de resterende geldigheidsduur van de startdatum, terwijl de ontwikkelaars van projecten waarvan de startdatum vervalt in 2020 of 2021 op geen enkele wijze aannemelijk moeten maken dat de realisatie van hun project in het gedrang komt. De verzoekende partijen zijn van mening dat hun aldus wordt gevraagd een nagenoeg onmogelijk bewijs te leveren, zoals ook blijkt uit de wijze waarop de Vlaamse Regering de bestreden bepaling interpreteert en toepast. Bij besluit van 9 oktober 2020 heeft de Vlaamse Regering de aanvraag geweigerd die de verzoekende partijen hadden ingediend op grond van artikel 15.3.5/22, tweede lid, van het Energiedecreet, met betrekking tot het biomassaproject dat zij momenteel realiseren en waarvan de startdatum vervalt op 2 december 2022. Nochtans maakt de vertraging die dat project heeft opgelopen als gevolg van de COVID-19-pandemie eveneens een situatie van overmacht uit. A.4.3. Daarenboven is de bestreden regeling volgens de verzoekende partijen strenger dan de gemeenrechtelijke overmachtsregeling. In het gemeen recht kan immers ook tijdelijke overmacht kan worden aangevoerd, waarbij niet moet worden aangetoond dat het onmogelijk is de opgelopen vertraging in te halen. A.4.4. De verzoekende partijen vervolgen dat de bestreden bepaling eveneens onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor zover zij aan de Vlaamse Regering een discretionaire beoordelingsbevoegdheid toekent bij de beoordeling van een aanvraag tot schorsing, zelfs wanneer de overmacht wordt aangetoond. Dat volgt uit het woord « kan » in de eerste zin van artikel 15.3.5/22, tweede lid, van het Energiedecreet. Bovendien preciseert de bestreden bepaling niet op welke wijze de Vlaamse Regering haar discretionaire bevoegdheid uitoefent en voorziet zij evenmin in een maximale beslissingstermijn. A.4.5. Daarnaast merken de verzoekende partijen op dat de door de COVID-19-pandemie opgelopen vertragingen tevens de projecten waarvan de startdatum in 2022 vervalt blijvend belasten en ook voor die projecten niet systematisch zijn weg te werken. Zulke projecten worden bijgevolg anders behandeld dan de projecten waarvan de startdatum in 2020 of 2021 vervalt, terwijl het om gelijke situaties gaat. Een dergelijk verschil in behandeling heeft onevenredige gevolgen voor de verzoekende partijen, voor zover zij hun project zullen moeten stopzetten of de installatie een andere bestemming zullen moeten geven bij gebrek aan groenestroom- en warmtekrachtcertificaten en de daarmee gepaard gaande financiële steun. Verder is de regeling inzake de startdatum in de eerste plaats bedoeld om projectontwikkelaars investeringszekerheid te bieden, aangezien daarmee de garantie wordt geboden dat de steunregeling ongewijzigd blijft gedurende een vooraf bepaalde periode. Door niet te voorzien in een automatische schorsing doet de bestreden bepaling afbreuk aan die investeringszekerheid. Daartegenover staat volgens de verzoekende partijen dat de Vlaamse Regering geen negatieve gevolgen zal ondervinden van een schorsing van de geldigheidsduur van de startdatum. Een schorsing zou immers geen budgettaire impact hebben, aangezien de waarde van de certificaten ten laste komt van de marktspelers. Evenmin zou een schorsing een waarneembare invloed hebben op de energieprijs voor gezinnen en bedrijven. De verzoekende partijen benadrukken voorts dat op het ogenblik van de COVID-19-pandemie slechts een beperkt aantal projecten over een geldige startdatum beschikten, zodat alleen al om die reden de maatschappelijke kosten van een schorsing verwaarloosbaar zijn. De bestreden bepaling gaat ook in tegen het algemeen belang, aangezien daardoor het risico ontstaat dat de projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022 worden stopgezet en het bereiken van de hernieuwbare energiedoelstellingen voor dat jaar in het gedrang komt. A.5. De verzoekende partijen zijn ten slotte van mening dat het verzoek van de Vlaamse Regering om, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven, niet kan worden ingewilligd. Een handhaving zou immers verhinderen dat de aangeklaagde discriminatie ophoudt te bestaan. 5 Standpunt van de Vlaamse Regering A.6.1. De Vlaamse Regering is van mening dat het enige middel ongegrond is. A.6.2. Wat betreft het eerste middelonderdeel, merkt de Vlaamse Regering op dat de doelstellingen van de bestreden bepaling erin bestaan de hernieuwbare-energiedoelstellingen voor 2020 te behalen, alsook de automatische schorsing te beperken tot de projecten die een groot risico lopen om de geldigheidsduur van de startdatum te overschrijden en een mogelijke achterstand niet meer kunnen inhalen. Die doelstellingen zijn legitiem, zoals ook blijkt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 67.274/3 van 24 april 2020. A.6.3. De Vlaamse Regering meent dat het betwiste onderscheid een pertinent karakter heeft. Er wordt immers beoogd het aandeel hernieuwbare energie voor het jaar 2020 te behalen. Dat aandeel wordt in 2021 beoordeeld door de Europese Commissie, die daarbij in de praktijk ook de toestand op de dag van haar beslissing in rekening brengt. Het Vlaamse Gewest riskeert een zware financiële aansprakelijkheid indien de hernieuwbare- energiedoelstellingen voor 2020 niet worden behaald. Op 1 juli 2021 treedt de richtlijn (EU) 2018/2001 in werking, die nieuwe doelstellingen inzake hernieuwbare energie invoert. De richtlijn legt geen strengere individuele doelstellingen op per lidstaat, maar voorziet wel in een streefcijfer dat de lidstaten collectief dienen te bereiken tegen 2030. Een lidstaat kan evenwel niet het voorwerp uitmaken van individuele sancties indien dat streefcijfer niet wordt bereikt. Daaruit volgt volgens de Vlaamse Regering dat het redelijk verantwoord is projecten waarvan de startdatum vervalt in 2020 of 2021 dan wel in 2022 verschillend te behandelen. Niet alleen zijn de financiële risico’s veel groter wat de eerste categorie van projecten betreft; het realiseren van die projecten is ook dringender aangezien hun startdatum eerder zal vervallen. Overigens is het behalen van de hernieuwbare- energiedoelstellingen een cumulatief proces, en komt het bereiken van de doelstelling voor 2020 ook het energiebeleid op de langere termijn ten goede. A.6.4. De Vlaamse Regering is daarnaast van mening dat projecten die in 2020 of 2021 moeten worden gerealiseerd, een groter risico lopen op een door de COVID-19-pandemie veroorzaakte achterstand die niet meer kan worden ingehaald binnen de geldigheidsduur van de startdatum, dan de projecten die na 2021 moeten worden gerealiseerd. Hoe meer ruimte een projectplanning biedt, hoe meer mogelijkheden er voorhanden zijn om in te spelen op onverwachte factoren zoals vertraging. Dat standpunt vindt steun in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 67.274/3 van 24 april 2020. Weliswaar is het volgens de Vlaamse Regering niet uitgesloten dat ook projecten waarvan de startdatum vervalt na 2021 worden getroffen door de COVID-19-pandemie en een achterstand oplopen die niet meer kan worden ingehaald. Om die reden voorziet de bestreden bepaling in de mogelijkheid om op individuele basis een schorsing aan te vragen. Er bestaat evenwel een verschil tussen de hinder die alle economische sectoren ondervinden als gevolg van de COVID-19-pandemie en overmacht. Projectontwikkelaars met een deadline die nog ver in de toekomst ligt, kunnen in beginsel worden verondersteld de hinder op te vangen in hun projectplanning. De decreetgever was dus niet van mening dat projecten met een startdatum in 2022 per definitie de opgelopen achterstand zullen kunnen inhalen, maar wel dat het volstond om voor die projecten te voorzien in een schorsingsregeling ad hoc, afgestemd op het lagere risico dat die projecten lopen om onherroepelijk te worden vertraagd. A.6.5. Voor zover de verzoekende partijen bij wijze van voorbeeld een vergelijking maken tussen een windturbineproject met een startdatum die in 2021 vervalt en een biomassaproject waarvan de startdatum in 2022 vervalt, meent de Vlaamse Regering dat niet de bestreden bepaling als dusdanig wordt bekritiseerd, maar wel het feit dat de startdatum van een windturbineproject een even lange geldigheidsduur heeft als de startdatum van een biomassaproject. Zulks is niet het gevolg van de bestreden bepaling, maar wel van het decreet van 13 juli 2012 « houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie », dat de regeling inzake de startdata heeft ingevoerd. Bovendien kan de decreetgever de verscheidenheid van toestanden die zich in de praktijk voordoen naar gelang van het specifieke projecttype opvangen in categorieën die met de werkelijkheid slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze overeenstemmen. De decreetgever beschikt te dezen ook over een ruime beoordelingsvrijheid. A.7.1. Wat betreft het tweede middelonderdeel, is de Vlaamse Regering van mening dat de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen heeft. A.7.2. Volgens de Vlaamse Regering trekken de verzoekende partijen met het tweede middelonderdeel in de eerste plaats de opportuniteit van de bestreden bepaling in twijfel, maar tonen zij niet aan dat die bepaling in 6 strijd is met het evenredigheidsvereiste. De ontwikkelaars van projecten waarvan de startdatum vervalt na 2021 genieten weliswaar niet de automatische schorsing, maar kunnen wel een beroep doen op de schorsingsmogelijkheid ad hoc waarin is voorzien in artikel 15.3.5/22, tweede lid, van het Energiedecreet. Zoals ook blijkt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 67.274/3 van 24 april 2020, is het niet onevenredig om van de ontwikkelaars van dergelijke projecten te vereisen dat zij de vertraging aantonen aan de hand van concrete elementen. Evenmin wordt aan zulke projectontwikkelaars een buitensporige bewijslast opgelegd. De bestreden bepaling bevat geen specifieke regels met betrekking tot de manier waarop de overmacht moet worden bewezen. Voor zover de Vlaamse Regering in een concreet geval een onjuiste invulling zou geven aan het overmachtsvereiste, kan een beroep worden ingesteld bij de Raad van State. De bestreden regeling is bovendien niet strenger dan de gemeenrechtelijke overmachtsregeling. Ook in het gemeen recht zou niet alleen moeten worden aangetoond dat het project een achterstand heeft opgelopen, maar ook dat die achterstand niet kan worden ingehaald. Gemeenrechtelijke overmacht vereist immers een onoverkomelijk beletsel, dat niet aanwezig is wanneer het nakomen van de verbintenis enkel moeilijker of duurder wordt (Cass., 15 februari 1951, Arr. Cass., 1951, p. 327; 23 februari 1967, Arr. Cass., 1967, p. 797). A.7.3. De Vlaamse Regering meent daarnaast dat subsidiëring via groenestroom- en warmtekrachtcertificaten een hoge maatschappelijke kostprijs heeft en het aan de decreetgever toekomt de modaliteiten daarvan te bepalen. De decreetgever moet niet enkel rekening houden met de belangen van de projectontwikkelaars, maar ook met die van de eindafnemers, die in werkelijkheid de kosten van de steunmaatregelen dragen. Het is evenwichtig en proportioneel om aan de ontwikkelaars van projecten waarvan de startdatum vanaf 2022 vervalt, de mogelijkheid te bieden om een schorsing te verkrijgen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, maar dan enkel op voorwaarde dat de oorsprong en de impact van de achterstand worden aangetoond. Een automatische schorsing toekennen aan alle projecten zou de regeling inzake de startdata uithollen, terwijl die regeling is bedoeld om, enerzijds, de investeringszekerheid te waarborgen en, anderzijds, oversubsidiëring te vermijden en dus de maatschappelijke kostprijs van de steunregeling binnen de perken te houden (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1639/1, p. 2). Het argument van de verzoekende partijen dat de impact en de maatschappelijke kosten van een verlenging voor projecten waarvan de startdatum vervalt vanaf 2022 verwaarloosbaar zijn, omdat slechts een beperkt aantal projecten over een geldige startdatum beschikt, mist volgens de Vlaamse Regering feitelijke grondslag. In werkelijkheid hebben 624 projecten een startdatum die vervalt in 2020 of later. Daarvan zijn er respectievelijk 254 en 97 projecten waarvan de startdatum vervalt in 2022 en 2023. Daarenboven leidt een algemene schorsing niet alleen ertoe dat meer projecten certificaten zullen ontvangen, maar ook dat de desbetreffende projecten later zullen worden gerealiseerd. In het licht van de hernieuwbare-energiedoelstellingen maakt zulks wel degelijk een belangrijke maatschappelijke kostenfactor uit. Het is niet onevenredig om van de projectontwikkelaars te vereisen dat er effectief overmacht wordt aangetoond. Ook in het burgerlijk recht is het overigens vereist dat de persoon die zich op overmacht beroept, het bestaan van die overmacht aantoont. A.7.4. Tot slot betwist de Vlaamse Regering het standpunt van de verzoekende partijen dat zij bij de beoordeling van een aanvraag tot schorsing over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt en er aldus voor kan kiezen de schorsing niet toe te kennen, zelfs wanneer de overmacht wordt aangetoond. Het woord « kan » in de eerste zin van artikel 15.3.5/22, tweede lid, van het Energiedecreet doet geen afbreuk aan de verplichting voor een overheid om de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Die beginselen laten niet toe dat een schorsing zonder meer wordt geweigerd indien de toepassingsvoorwaarden daartoe zijn vervuld. A.8. Voor zover het beroep tot vernietiging zou worden ingewilligd, verzoekt de Vlaamse Regering in ondergeschikte orde de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven op grond van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, ten aanzien van de projecten die reeds een schorsing van de geldigheidsduur van de startdatum hebben verkregen. Een handhaving is noodzakelijk om de rechtszekerheid te waarborgen en het voortbestaan van die projecten niet in het gedrang te brengen. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 mei 2020 « tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft het invoeren van een overgangsbepaling voor de geldigheidsduur van de startdatum, vermeld in artikel 1.1.3, 113°/2 » (hierna : het decreet van 15 mei 2020), dat een artikel 15.3.5/22 invoegt in het decreet van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid » (hierna : het Energiedecreet). Die bepaling voorziet in een schorsing van de geldigheidsduur van de startdatum van bepaalde « groenestroom »- en warmtekrachtprojecten. B.2.1. De bestreden bepaling houdt verband met de in het Energiedecreet vervatte regeling betreffende de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten. B.2.2. Een groenestroomcertificaat is een uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode een hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 1.1.3, 60°, van het Energiedecreet). Een warmtekrachtcertificaat is een uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode een hoeveelheid primaire energiebesparing heeft gerealiseerd door gebruik te maken van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling ten opzichte van een moderne referentiecentrale en een moderne referentieketel (artikel 1.1.3, 135°, van het Energiedecreet). B.2.3. Het stelsel van de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten houdt in grote lijnen het volgende in : - De producenten van « groene stroom », dit is elektriciteit opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, kunnen een groenestroomcertificaat verkrijgen wanneer zij een bepaalde hoeveelheid « groene stroom » hebben opgewekt (artikel 7.1.1 van het Energiedecreet). De producenten van energie opgewekt in kwalitatieve 8 warmtekrachtinstallaties kunnen een warmtekrachtcertificaat verkrijgen wanneer zij een bepaalde primaire energiebesparing hebben gerealiseerd (artikel 7.1.2 van het Energiedecreet). De certificaten worden toegekend door de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) (artikel 7.1.3 van het Energiedecreet). - De producenten kunnen hun certificaten aanbieden hetzij op de markt tegen de marktprijs, hetzij aan een netbeheerder, die dan ertoe is gehouden het certificaat op te kopen tegen een bepaalde minimumwaarde. Wat de groenestroomcertificaten betreft, varieert de minimumwaarde naar gelang van de gebruikte energiebron en productietechnologie. De verplichting voor de netbeheerders om de certificaten op te kopen tegen een bepaalde minimumwaarde is ingegeven door de zorg om voor de desbetreffende producenten een zekere opbrengst te waarborgen. De netbeheerders brengen minstens één keer per jaar de verworven certificaten op de markt om de kosten ervan te recupereren (artikelen 7.1.6 en 7.1.7 van het Energiedecreet). - De leveranciers van elektriciteit (de zogenaamde « toegangshouders ») moeten elk jaar een aantal groenestroom- en warmtekrachtcertificaten bij de VREG inleveren dat overeenstemt met een percentage « groene stroom » of stroom opgewekt in een warmtekrachtinstallatie in verhouding tot het totaal van de door hen in het voorgaande kalenderjaar aan de eindafnemers geleverde elektriciteit. Zij kunnen aan die verplichting voldoen door certificaten aan te kopen bij de producenten of bij de netbeheerders (artikelen 7.1.10 en 7.1.11 van het Energiedecreet). B.2.4. Wat de toekenning van groenestroomcertificaten betreft, bepaalt artikel 7.1.1, § 2, van het Energiedecreet in het bijzonder : « Wat installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden groenestroomcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen. […] Een installatie met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel groenestroomcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie wordt gehanteerd. 9 Het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend voor elke 1 000 kWh elektriciteit die wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen in installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor. De Vlaamse Regering kan de toekenning van groenestroomcertificaten ook beperken op basis van het aantal vollasturen die gehanteerd worden in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie. De Vlaamse Regering kan daarnaast voor nieuwe installaties en verlengingsaanvragen met betrekking tot de periodes, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van bestaande installaties het aantal groenestroomcertificaten begrenzen tot een bepaalde hoeveelheid groenestroomcertificaten. […] ». Wat de toekenning van warmtekrachtcertificaten betreft, bepaalt artikel 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet : « Wat betreft kwalitatieve warmte-krachtinstallaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 en gelegen in het Vlaamse Gewest, worden warmte- krachtcertificaten toegekend aan de eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen. Een installatie of ingrijpende wijziging met startdatum vanaf 1 januari 2013 krijgt enkel warmte-krachtcertificaten gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek voor de onrendabele top voor de WKK-technologie wordt gehanteerd. Het aantal warmte-krachtcertificaten dat voor installaties of ingrijpende wijzigingen met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt toegekend voor elke 1 000 kWh primaire energiebesparing, gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmte- krachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van het tweede lid, een alternatieve methode voor toekennen van warmte-krachtcertificaten vastleggen op basis van het aantal vollasturen gehanteerd in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die warmte- krachttechnologie ». B.3. De startdatum voor « groenestroom »- en warmtekrachtprojecten wordt in artikel 1.1.3, 113°/2, van het Energiedecreet bepaald als volgt : « voor wat betreft projecten die niet over een omgevingsvergunning dienen te beschikken, de datum van indienstneming van de installatie; 10 voor wat betreft projecten die over een omgevingsvergunning dienen te beschikken : de datum waarop een aanvraag voor de toekenning van certificaten voor het project is ingediend, of de datum waarop het project beschikt over de vereiste omgevingsvergunning, indien deze laatste datum een latere datum is. Deze startdatum blijft voor installaties op basis van zonne- energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.