id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.007 Arrest- Rolnummer: 7/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikelen 5, § 1, 2°, f), en 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016 « tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren », zoals ingevoegd bij de artikelen 147 en 152 van de wet van 20 juli 2020, in zoverre die bepalingen erin voorzien dat het verlies van de vereiste betrouwbaarheid als bedrijfsrevisor ingevolge een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » en op haar uitvoeringsbesluiten of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben, onherroepelijk
- is)- Vernietiging (artikel 9, § 1, 3°, van de voormelde wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij artikel 152 van de voormelde wet van 20 juli 2020, in zoverre die bepaling ertoe leidt dat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor onmiddellijk dient te worden ingetrokken door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren wanneer, in het kader van een rechtspersoon, één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties, waarbij het bedrijfsrevisorenkantoor geen redelijke termijn wordt geboden om de banden met de betrokkene te verbreken) - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 147, 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren en anderen. Economisch recht - Reglementering van het beroep - Bedrijfsrevisor - Verlies van de vereiste betrouwbaarheid - 1. Verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor - 2. Veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de preventieve witwaswetgeving. Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 7/2022 van 20 januari 2022 Rolnummer : 7499 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 147, 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door het Instituut van de bedrijfsrevisoren en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 januari 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 januari 2021, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 147, 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 2020) door het Instituut van de bedrijfsrevisoren, Tom Meuleman en Fernand Maillard, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 10 november 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de 2 kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 24 november 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 24 november 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad A.1.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat de memorie van de Ministerraad onontvankelijk is omdat die memorie niet door een advocaat werd ondertekend, zoals ook blijkt uit het arrest van het Hof nr. 32/94 van 19 april 1994. De aangebrachte handtekening is onleesbaar en vermeldt niet de naam of de hoedanigheid van de ondertekenaar. Uit artikel 89, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof volgt bovendien dat enkel een partij die een memorie heeft ingediend over de mogelijkheid beschikt om een memorie van wederantwoord in te dienen. Daaruit volgt dat, bij gebrek aan ontvankelijke memorie, ook de memorie van wederantwoord van de Ministerraad onontvankelijk is, aldus de verzoekende partijen. A.1.2. De Ministerraad antwoordt dat de memorie werd ondertekend door een advocaat die medewerker is van het advocatenkantoor waarvan de raadslieden van de Ministerraad deel uitmaken. Bijgevolg voldoet de memorie aan de vereisten van artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en is zij ontvankelijk, zoals ook blijkt uit het arrest van het Hof nr. 137/2015 van 1 oktober 2015. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging A.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang en het beroep tot vernietiging daarom onontvankelijk is. De bestreden bepalingen hebben geen negatieve weerslag op de wettelijke opdracht van de eerste verzoekende partij, het Instituut van de bedrijfsrevisoren, en evenmin op haar persoonlijke situatie. Wat betreft de tweede en de derde verzoekende partij, Tom Meuleman en Fernand Maillard, doen zij hun belang uitsluitend steunen op de mogelijkheid dat zij zouden worden veroordeeld tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 en hun hoedanigheid van bedrijfsrevisor daardoor zou worden ingetrokken. Het belang van die partijen is bijgevolg louter hypothetisch, aldus de Ministerraad. A.2.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij doen blijken van het vereiste belang en dat het beroep tot vernietiging ontvankelijk is. Het Instituut van de bedrijfsrevisoren is een beroepsorde met als taak de bestendige organisatie van de bedrijfsrevisoren te waarborgen. Krachtens de bestreden bepalingen zal het Instituut van de bedrijfsrevisoren in bepaalde gevallen verplicht zijn om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toe te kennen of in te trekken, terwijl het daarbij voordien over een beoordelingsbevoegdheid beschikte. Tom Meuleman en Fernand Maillard worden daarnaast als bedrijfsrevisoren rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepalingen, omdat het mogelijk is dat zij in de toekomst het voorwerp zullen uitmaken van maatregelen die op die bepalingen steunen. De verzoekende partijen benadrukken dat de gevraagde vernietiging niet noodzakelijk een onmiddellijk voordeel dient op te leveren opdat een partij doet blijken van het vereiste belang. Meer in het algemeen hebben de bestreden bepalingen een belangrijke impact op de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een actio popularis. 3 Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3.1. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 147 van de wet van 20 juli 2020 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Krachtens artikel 5, § 1, 2°, f), van de wet van 7 december 2016 « tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren » (hierna : de wet van 7 december 2016), zoals ingevoegd bij artikel 147 van de wet van 20 juli 2020, kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor niet worden toegekend wanneer de betrokken natuurlijke persoon werd veroordeeld tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben. Volgens de verzoekende partijen is die automatische onmogelijkheid om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verkrijgen in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Een dergelijke maatregel geldt immers niet ten aanzien van de overige beroepsgroepen die onder het toepassingsgebied vallen van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/849), zoals accountants, belastingadviseurs, vastgoedmakelaars en personen die een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud. Wat die laatste twee beroepsgroepen betreft, voorzien artikel 5, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 11 februari 2013 « houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar » (hierna : de wet van 11 februari 2013) en artikel 5, § 1, achtste lid, 3°, c), van de wet van 18 september 2017 weliswaar ook in een automatische onmogelijkheid tot uitoefening van het beroep in geval van een strafrechtelijke veroordeling voor een inbreuk op de preventieve witwaswetgeving, maar dan enkel indien de geldboete minstens 2 500 euro bedraagt. A.3.2. De verzoekende partijen menen dat de bedrijfsrevisoren en de voormelde beroepsgroepen vergelijkbaar zijn, hetgeen ook blijkt uit de overwegingen 9 en 10 van de richtlijn (EU) 2015/849 en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2020 (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/001, p. 8). De vergelijkbaarheidstoets dient uitsluitend te gebeuren in het licht van de regelgeving inzake witwassen en de activiteiten die een risico inhouden op witwassen, zodat geen rekening kan worden gehouden met de overige verschillen tussen de beroepsgroepen, en in het bijzonder de revisorale opdrachten van de bedrijfsrevisoren. Die opdrachten worden door de wetgever niet als risicovol beschouwd op het vlak van witwassen. Overigens zijn bedrijfsrevisoren, zelfs indien toch rekening wordt gehouden met hun specifieke revisorale opdrachten, wel degelijk vergelijkbaar met de overige beroepsgroepen. Voor tal van verrichtingen, zoals een ontbinding of een fusie, voorziet het Wetboek van vennootschappen en verenigingen immers in de tussenkomst van de commissaris of, wanneer er geen commissaris is, een bedrijfsrevisor of een externe accountant aangewezen door het bestuursorgaan. Daaruit volgt dat niet alleen de bedrijfsrevisoren, maar ook verschillende andere beroepsgroepen belangrijke controleopdrachten hebben ten aanzien van vennootschappen. Het volstaat bijgevolg niet om, zoals de Ministerraad doet, naar de specifieke activiteiten van de bedrijfsrevisoren te verwijzen ter verantwoording van het betwiste verschil in behandeling. A.3.3. De verzoekende partijen vervolgen dat geen van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, met name het bestrijden van witwaspraktijken en het naleven van de verplichting tot omzetting van de richtlijn (EU) 2015/849, dat verschil in behandeling kan verantwoorden. Allereerst legt de voormelde richtlijn geen verplichting op aan de lidstaten om het betwiste beroepsverbod in te voeren en dient de wetgever, bij het omzetten van een richtlijn, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet na te leven. Daarnaast vormt het beroep, wat de strijd tegen witwaspraktijken betreft, geen pertinent criterium van onderscheid. Zoals blijkt uit overweging 10 van de richtlijn (EU) 2015/849 dienen alle rechtstreeks vergelijkbare diensten immers op dezelfde wijze te worden behandeld, ongeacht welke onder de richtlijn vallende beroepsbeoefenaars de diensten verstrekken. Ook uit de precisering in artikel 5, § 1, van de wet van 18 september 2017 dat de bepalingen van die wet slechts van toepassing zijn op de genoemde entiteiten wanneer zij handelen « in het kader van hun gereglementeerde beroepsactiviteiten », kan worden afgeleid dat in het kader van de strijd tegen witwaspraktijken uitsluitend de risicovolle activiteiten van de desbetreffende beroepsgroepen worden 4 beoogd, maar niet de overige activiteiten, zoals het verstrekken van onderwijs, het verlenen van juridisch advies, het bekleden van mandaten in vennootschappen of het optreden als gerechtsdeskundige. De parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2020 bevestigt dat niet alle activiteiten uitgeoefend door een bedrijfsrevisor een risico inhouden op vlak van witwassen (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/001, p. 137). De verzoekende partijen zijn tot slot van mening dat het verschil in behandeling onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Een beperkte inbreuk op de wet van 18 september 2017 zal immers automatisch leiden tot een beroepsverbod wegens onbetrouwbaarheid, zonder enige mogelijkheid tot herziening. De wetgever had daaraan kunnen tegemoetkomen door te voorzien in een ondergrens wat de strafrechtelijke geldboete betreft, dan wel een beoordelingsvrijheid van het Instituut van de bedrijfsrevisoren of een mogelijkheid om na verloop van een bepaalde periode de vereiste betrouwbaarheid opnieuw te verwerven. A.4.1. De Ministerraad merkt op dat artikel 147 van de wet van 20 juli 2020 voorziet in drie bijkomende categorieën van strafrechtelijke veroordelingen die ertoe leiden dat een persoon niet langer als betrouwbaar wordt beschouwd in de zin van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016, namelijk een veroordeling tot een criminele straf (artikel 5, § 1, 2°, d)), een veroordeling voor een inbreuk op de artikelen 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3°, en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben (artikel 5, § 1, 2°, e)), of een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben (artikel 5, § 1, 2°, f)). De verzoekende partijen richten zich uitsluitend tegen die laatste categorie van veroordelingen, waardoor het middel in elk geval niet kan leiden tot de vernietiging van de overige bijkomende betrouwbaarheidsvoorwaarden. A.4.2. Volgens de Ministerraad is het eerste middel niet gegrond. Allereerst is het niet duidelijk welke beroepsgroepen met elkaar worden vergeleken. De verzoekende partijen verwijzen nu eens naar de overige beroepsgroepen die onder het toepassingsgebied vallen van de richtlijn (EU) 2015/849, dan weer naar de accountants, belastingadviseurs, vastgoedmakelaars, commissarissen en natuurlijke personen of rechtspersonen die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud. De Ministerraad vervolgt dat de wet van 20 juli 2020 de richtlijn (EU) 2015/849 omzet, door wijzigingen aan te brengen in zowel de wet van 18 september 2017 als de specifieke wetgeving met betrekking tot de verschillende betrokken beroepsgroepen. Daarbij worden rechtstreeks vergelijkbare diensten op dezelfde wijze behandeld, weliswaar zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van bepaalde beroepsgroepen en hun activiteiten. De bedrijfsrevisoren vervullen, in het kader van hun revisorale opdrachten, een belangrijke maatschappelijke functie. Zij zijn daardoor niet vergelijkbaar met de overige beroepsgroepen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen. Om die reden alleen kan er geen sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. A.4.3. In elk geval streeft de wet van 20 juli 2020, en in het bijzonder het bestreden artikel 147, volgens de Ministerraad een legitieme doelstelling na. Die wet voorziet immers in bijkomende maatregelen in de strijd tegen witwassen en de financiering van terrorisme, onder meer door een verhoogde mate van transparantie te waarborgen en het onmogelijk te maken dat bij bedrijfsrevisoren-rechtspersonen criminelen en hun medeplichtigen een leidinggevende functie uitoefenen of de uiteindelijk begunstigden zijn. In het licht van die doelstellingen kent het betwiste verschil in behandeling een redelijke verantwoording, aldus de Ministerraad. Allereerst vormt de beroepsgroep een pertinent criterium van onderscheid. Gelet op hun taken van algemeen belang is het pertinent om het betrouwbaarheidsvereiste ten aanzien van bedrijfsrevisoren te verstrengen, door te voorzien in een automatische weigering van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in geval van specifieke strafrechtelijke veroordelingen die een bijzondere relevantie hebben voor de uitgeoefende beroepsactiviteiten. Dat geldt in het bijzonder voor een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017. Evenmin brengt het bestreden artikel 147 onevenredige gevolgen met zich mee. De Ministerraad benadrukt dat de wetgever bij de omzetting van de richtlijn (EU) 2015/849 over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, waardoor het niet relevant is dat die richtlijn de lidstaten niet verplicht om te voorzien in een beroepsverbod ten aanzien van bedrijfsrevisoren. Ook vóór de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2020 golden strenge vereisten inzake betrouwbaarheid voor bedrijfsrevisoren, waarbij strafrechtelijke veroordelingen in het kader van verschillende andere rechtsdomeinen reeds aanleiding gaven tot een automatisch verlies van betrouwbaarheid. De wetgever kon, gelet op de maatschappelijke functie van de bedrijfsrevisoren, in redelijkheid oordelen dat zulks ook het geval dient te zijn bij een strafrechtelijke veroordeling voor een inbreuk op de preventieve witwaswetgeving. De keuze om niet te voorzien in een minimale geldboete past in het kader van de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. 5 Tot slot merkt de Ministerraad op dat ook bij verschillende andere beroepsgroepen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, een strafrechtelijke veroordeling van rechtswege leidt tot een onmogelijkheid om de desbetreffende beroepstitel te voeren. De Ministerraad verwijst naar de artikelen 6, § 3, en 10, § 1, van de wet van 17 maart 2019 « betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur » (hierna : de wet van 17 maart 2019) (met betrekking tot de voorwaarden om te worden ingeschreven op de aparte lijst bedoeld in artikel 29, § 2, van dezelfde wet of om de hoedanigheid van gecertificeerd accountant of gecertificeerd belastingadviseur te verkrijgen), naar artikel 5, § 1, van de wet van 11 februari 2013 (met betrekking tot de voorwaarden om het beroep van vastgoedmakelaar uit te oefenen) en naar artikel 5, § 1, achtste lid, 3°, van de wet van 18 september 2017 (met betrekking tot de voorwaarden « voor de inschrijving bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie voor : 1° de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopen, verkopen of optreden als tussenpersoon in de handel van kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, wanneer de verkoopprijs van een of een geheel van deze werken of goederen gelijk is aan of hoger is dan 10 000 euro; en 2° de natuurlijke personen of rechtspersonen die eigenaar of beheerder zijn van entrepots, met inbegrip van douane- entrepots of in vrijhavens gelegen entrepots, die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud en alleen voor dergelijke goederen en werken »). Wat betreft het tweede middel A.5.1. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 152 vult artikel 9, § 1, van de wet van 7 december 2016 aan met een 3°, en wijzigt artikel 9, § 3, van dezelfde wet. Daaruit volgt dat het Instituut van de bedrijfsrevisoren voortaan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor moet intrekken zodra de bedrijfsrevisor zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot f), van dezelfde wet bedoelde situaties. Voordien was de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor facultatief en moest de betrokkene de mogelijkheid worden geboden om daarover schriftelijke opmerkingen over te zenden aan het Instituut van de bedrijfsrevisoren. Aldus creëert het bestreden artikel 152 volgens de verzoekende partijen een ongelijkheid tussen de bedrijfsrevisoren en de overige beroepsgroepen die worden geviseerd in de strijd tegen witwassen, met name de advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders. Die ongelijkheid bestaat in het bijzonder in geval van een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017. Specifiek wat de notarissen betreft, merken de verzoekende partijen op dat ook die beroepsgroep belangrijke controleverplichtingen heeft ten aanzien van vennootschappen, zoals het bevestigen van het bestaan en de externe wettigheid van de rechtshandelingen en formaliteiten alvorens de beslissing tot ontbinding van de vennootschap bij authentieke akte op te stellen, krachtens artikel 2:71, § 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bovendien zijn notarissen openbare ambtenaren en oefenen zij dus, zoals bedrijfsrevisoren, een vertrouwensfunctie uit. A.5.2. De verzoekende partijen verduidelijken dat artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 het gevolg is van een amendement. De toelichting van dat amendement verwijst naar artikel 47, lid 3, van de richtlijn (EU) 2015/849, terwijl voor de andere beroepsgroepen bedoeld in die bepaling niet wordt voorzien in een automatisch beroepsverbod. Artikel 47, lid 3, biedt geen rechtvaardiging voor het betwiste verschil in behandeling, des te meer daar bedrijfsrevisoren niet tot het toepassingsgebied behoren van die bepaling, aangezien zij geen « meldingsplichtige entiteiten bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3), onder a), b), en
- d)» zijn. Artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 streeft bijgevolg geen wettige doelstelling na. De verzoekende partijen herhalen dat de beroepsgroep geen pertinent criterium van onderscheid vormt. Daarenboven heeft het automatische verlies van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor onevenredige gevolgen. De door de wetgever nagestreefde doelstellingen zouden ook kunnen worden bereikt met andere, minder verregaande middelen. De wetgever had evengoed een beoordelingsvrijheid kunnen toekennen aan het Instituut van de bedrijfsrevisoren, dat dan - net zoals de tuchtorganen van de advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders - zou kunnen beslissen of het opportuun is om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in te trekken, na de betrokken bedrijfsrevisor te hebben gehoord. A.6.1. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen zich uitsluitend richten tegen het feit dat een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete voor een inbreuk op de preventieve witwaswetgeving aanleiding geeft tot een verplichte intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. Artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 wordt niet bekritiseerd voor zover het ertoe leidt dat ook andere categorieën van strafrechtelijke veroordelingen een dergelijke intrekking tot gevolg hebben. 6 A.6.2. Volgens de Ministerraad is het tweede middel niet gegrond. Hij wijst erop dat het middel andere beroepsgroepen betreft dan het eerste middel, met name de advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders. Die beroepsgroepen zijn niet voldoende vergelijkbaar met de bedrijfsrevisoren, ook al zijn zij eveneens onderworpen aan de witwaswetgeving. De revisorale activiteiten van de bedrijfsrevisoren verschillen van de activiteiten van advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders. Het feit dat notarissen eveneens bepaalde controlerende taken hebben ten aanzien van vennootschappen leidt niet tot een andere conclusie. Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.6.3. Om grotendeels dezelfde redenen als die welke zijn aangevoerd met betrekking tot het eerste middel, is de Ministerraad in ondergeschikte orde van mening dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 streeft immers dezelfde legitieme doelstellingen na als artikel 147 van dezelfde wet. Het is pertinent ten aanzien van die doelstellingen om strenge betrouwbaarheidsvereisten op te leggen aan bedrijfsrevisoren, aangezien hun revisorale activiteiten rechtstreeks het algemeen belang raken. Voorts meent de Ministerraad dat de verplichte intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. De wetgever beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. Bovendien bepaalde artikel 9 van de wet van 7 december 2016 ook vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 152 dat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in bepaalde gevallen verplicht werd ingetrokken. Tot slot is het, ook wat de andere beroepsgroepen betreft waarop de witwaswetgeving van toepassing is, gebruikelijk om rekening te houden met opgelopen veroordelingen. De Ministerraad verwijst naar de artikelen 460 en 533 van het Gerechtelijk Wetboek (met betrekking tot advocaten en gerechtsdeurwaarders), artikel 95 van de wet van 25 ventôse jaar XI « op het notarisambt » (met betrekking tot notarissen) en artikel 115, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 (met betrekking tot de accountants en belastingadviseurs). Wat betreft het derde middel A.7. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd is met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen heeft de tuchtrechtelijke sanctie die bestaat in een intrekking van de hoedanigheid van lid van een beroepsgroep, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, betrekking op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6, lid 1, zodat aan de waarborgen van die bepaling dient te worden voldaan (EHRM, 19 februari 2013, Müller-Hartburg t. Oostenrijk, §§ 42-49; 10 februari 1983, Albert en Le Compte t. België, § 29). Zulks is te dezen niet het geval, aangezien het Instituut van de bedrijfsrevisoren geen enkele beoordelingsvrijheid heeft en de betrokken bedrijfsrevisor evenmin toegang heeft tot een rechterlijke instantie (EHRM, 23 oktober 1995, Schmautzer t. Oostenrijk, § 36; 23 oktober 1995, Gradinger t. Oostenrijk, § 44). Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vereist dat een bedrijfsrevisor die zijn hoedanigheid dreigt te verliezen toegang heeft tot een onafhankelijke rechterlijke instantie of een orgaan dat een beoordeling in rechte en in feite kan uitvoeren, dan wel beroep kan instellen tegen de beslissing van een tuchtorgaan bij een rechter met volle rechtsmacht. Het feit dat de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor niet kan worden beschouwd als een strafsanctie leidt niet tot een andere conclusie. A.8.1. De Ministerraad is van mening dat het derde middel niet gegrond is. Hij merkt op dat artikel 9 van de wet van 7 december 2016 ook vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 voorzag in een verplichte intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in bepaalde situaties. Die regeling is nooit strijdig bevonden met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.8.2. Volgens de Ministerraad is het recht op toegang tot de rechter niet van toepassing op de situatie waarin een bedrijfsrevisor zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor verliest om de reden dat hij zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot f), van de wet van 7 december 2016 bedoelde situaties. Die bepaling betreft slechts één van de vereisten waaraan moet zijn voldaan opdat iemand de hoedanigheid van bedrijfsrevisor kan verkrijgen en behouden, namelijk het vereiste van betrouwbaarheid. Elk van de in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot f), genoemde situaties is het gevolg van een veroordeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het intrekken van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor gaat niet gepaard met enige beoordelingsvrijheid van het Instituut van de bedrijfsrevisoren. Het gaat evenmin om een strafsanctie, maar wel om een preventieve maatregel die past in het kader van de strijd tegen witwassen en de financiering van terrorisme. De rechtspraak van het Europees Hof voor 7 de Rechten van de Mens waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, leidt niet tot een andere conclusie. Uit die rechtspraak kan enkel worden afgeleid dat tuchtrechtelijke geschillen onder het toepassingsgebied vallen van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wegens een gebrek aan betrouwbaarheid betreft geen tuchtrechtelijk geschil. Daarenboven erkennen de verzoekende partijen zelf dat een dergelijke intrekking geen strafsanctie uitmaakt. Het is bijgevolg niet vereist dat de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor zou worden uitgesproken door een rechter of een beroepsorde. Wat betreft het vierde middel A.9.1. In het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De artikelen 148, 151 en 152 wijzigen respectievelijk de artikelen 6, § 1, 8 en 9, § 1, van de wet van 7 december 2016. Daaruit volgt dat een rechtspersoon niet langer betrouwbaar wordt geacht zodra één van de vennoten, één van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers of één van de uiteindelijk begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017, zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 bedoelde situaties. In zulke gevallen kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor niet worden toegekend (artikelen 6, § 1, 4°, en 8, 9°, van de wet van 7 december 2016) of wordt die hoedanigheid verplicht ingetrokken (artikel 9, § 1, 3°, van dezelfde wet). A.9.2. De verzoekende partijen merken op dat voor andere beroepsgroepen, zoals advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en accountants, niet wordt voorzien in een dergelijk beroepsverbod wat rechtspersonen betreft. Dat verschil in behandeling kent geen redelijke verantwoording. Het valt niet in te zien waarom de strijd tegen witwaspraktijken vereist dat bedrijfsrevisoren strenger worden behandeld, aangezien bedrijfsrevisoren in dezelfde mate als de overige beroepsgroepen die zijn onderworpen aan de witwaswetgeving activiteiten uitoefenen die een risico op witwassen inhouden. De beroepsgroep vormt geen pertinent criterium van onderscheid. In elk geval creëert het verschil in behandeling onevenredige gevolgen, aldus de verzoekende partijen. Er zijn immers minder verregaande maatregelen mogelijk in het kader van de strijd tegen witwaspraktijken. De wetgever had het bijvoorbeeld ook aan het Instituut van de bedrijfsrevisoren kunnen overlaten om de betrouwbaarheid van een rechtspersoon te onderzoeken, naar analogie met de regeling inzake de toekenning van de hoedanigheid van accountant of belastingadviseur aan een rechtspersoon (artikel 27, 2°, van de wet van 17 maart 2019). Bovendien is er in artikel 47, lid 3, van de richtlijn (EU) 2015/849 en de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2020 sprake van « criminelen of hun medeplichtigen », zodat de wetgever de weigering van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor afhankelijk had moeten maken van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokken rechtspersoon. In de huidige regeling is het mogelijk dat een rechtspersoon de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ontzegd voor een gedraging die niet aan die rechtspersoon toerekenbaar is. Daarnaast beschikt de rechtspersoon niet over de mogelijkheid om de banden met de veroordeelde natuurlijke persoon te verbreken en de betrouwbaarheid te herstellen. A.10.1. Volgens de Ministerraad is het vierde middel niet gegrond. Hij wijst erop dat het opnieuw niet duidelijk is met welke categorieën van personen de bedrijfsrevisoren worden vergeleken. In elk geval kunnen de activiteiten van een bedrijfsrevisor niet worden vergeleken met de activiteiten van de overige beroepsgroepen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, zoals de Ministerraad ook reeds heeft uiteengezet in het kader van het eerste en het tweede middel. Er is bijgevolg geen sprake van vergelijkbare categorieën van personen. A.10.2. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het beroepsverbod voor rechtspersonen een redelijke verantwoording kent, om grotendeels dezelfde redenen als die welke hij heeft aangevoerd ter weerlegging van het eerste en het tweede middel. Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, merkt de Ministerraad op dat het initiële artikel 6, § 2, van de wet van 7 december 2016 reeds bepaalde dat het Instituut van de bedrijfsrevisoren kon « weigeren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verlenen aan de rechtspersoon of aan een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, indien, naar het oordeel van het Instituut, de betrouwbaarheid van die rechtspersoon of die entiteit in het gedrang is gebracht naar aanleiding van één van de volgende elementen of gelijkaardige elementen : […] 4° één van haar vennoten of één van de leden van het bestuursorgaan bevindt zich in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties, tenzij binnen de maand van de ingebrekestelling door het Instituut de betrokken persoon ontslag neemt als vennoot en/of als lid van het bestuursorgaan, naargelang het geval ». De bestreden bepalingen liggen bijgevolg in de lijn van de bestaande regeling. Bovendien beschikt de wetgever te dezen over een ruime beoordelingsvrijheid. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen geen onevenredige gevolgen hebben. 8 Volgens de Ministerraad is het bij de beoordeling van de evenredigheid niet van belang dat de onbetrouwbaarheid van de bedrijfsrevisor-rechtspersoon komt vast te staan, zelfs al is de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die rechtspersoon niet in het geding. De wetgever kon in redelijkheid van een bedrijfsrevisor-rechtspersoon verwachten dat hij toeziet op de betrouwbaarheid van zijn medewerkers en de samenwerking met onbetrouwbare personen tijdig stopzet. Wat betreft het vijfde middel A.11. In het vijfde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd zijn met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen zijn van mening dat een verbod om een bepaald beroep verder uit te oefenen een straf uitmaakt in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 12 januari 2016, Gouarré t. Andorra, § 30). Een straf kan evenwel slechts worden opgelegd aan iemand die persoonlijk schuldig werd bevonden (EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R.L. t. Italië, §§ 241-242 en 246; 29 oktober 2013, Varvara t. Italië, § 63; 20 januari 2009, Sud Fondi srl e.a. t. Italië, § 116). Daaruit volgt dat het in strijd is met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens om een rechtspersoon een straf op te leggen, zoals een beroepsverbod, wegens een strafrechtelijke overtreding begaan door een ander persoon, zoals een leidinggevende, een vertegenwoordiger of een uiteindelijk begunstigde. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft reeds geoordeeld dat het opleggen van een straf aan een vennootschap voor een gedraging van haar bestuurder, zonder dat er een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de vennootschap wordt vastgesteld, een schending inhoudt van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R.L. t. Italië, §§ 272-274). Overigens wordt het strafrechtelijk karakter bevestigd door het feit dat er zowel in de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2020 als in de richtlijn (EU) 2015/849 sprake is van « criminelen of hun medeplichtigen ». A.12. De Ministerraad is van mening dat het vijfde middel niet gegrond is. De onmogelijkheid om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verkrijgen of te behouden wanneer een leidinggevende, vertegenwoordiger of uiteindelijk begunstigde niet voldoet aan het betrouwbaarheidsvereiste, is geen strafsanctie in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die maatregel wordt in het interne recht immers niet gekwalificeerd als een strafsanctie en heeft evenmin een bestraffend karakter. Het gaat niet om een rechtstreeks gevolg dat wordt gehecht aan een strafrechtelijke inbreuk, maar wel om een preventieve maatregel, die is bedoeld om de betrokkenheid van criminelen en hun medeplichtigen bij bedrijfsrevisoren-rechtspersonen uit te sluiten en aldus past in het kader van de strijd tegen witwassen en de financiering van terrorisme. Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is bijgevolg niet van toepassing. Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 12 januari 2016 in zake Gouarré t. Andorra, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, leidt volgens de Ministerraad niet tot een andere conclusie. In dat arrest werd een definitief verbod om de geneeskunde uit te oefenen, uitgesproken als een aanvullende straf in het kader van een veroordeling wegens seksueel misbruik, weliswaar gekwalificeerd als een strafsanctie in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, maar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwam tot dat besluit omdat het beroepsverbod in het interne recht van Andorra als een strafsanctie werd gekwalificeerd. Uit dat arrest kan dan ook niet worden afgeleid dat een verbod om een beroep uit te oefenen steeds onder het toepassingsgebied van artikel 7 valt. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 147, 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het 9 witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 20 juli 2020). Die bepalingen hebben betrekking op de toekenning en de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, en in het bijzonder het daarbij geldende betrouwbaarheidsvereiste. B.2. De artikelen 147, 148 en 151 wijzigen meer bepaald de artikelen 5, 6 en 8 van de wet van 7 december 2016 « tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren » (hierna : de wet van 7 december 2016), waarin de voorwaarden worden vastgesteld voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. Artikel 152 wijzigt artikel 9 van de wet van 7 december 2016, dat betrekking heeft op de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. B.3.1. Krachtens artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 dient een natuurlijk persoon « betrouwbaar » te zijn opdat het Instituut van de bedrijfsrevisoren hem de hoedanigheid van bedrijfsrevisor kan toekennen. B.3.2. Oorspronkelijk betekende « betrouwbaar zijn » volgens die bepaling « niet beroofd zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten, niet in staat van faillissement verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen en geen gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden hebben gekregen voor een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op het Wetboek van Vennootschappen, het Wetboek van economisch recht, hun uitvoeringsbesluiten, de fiscale wetgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben ». B.3.3. Zoals vervangen bij het bestreden artikel 147 van de wet van 20 juli 2020, bepaalt artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 : « Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan ieder natuurlijk persoon die erom verzoekt en die aan de volgende voorwaarden voldoet : […] 10 2° betrouwbaar zijn, wat betekent :
- a)niet beroofd zijn of zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten;
- b)niet in staat van faillissement zijn of verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen;
- c)niet veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden op grond van de volgende Belgische regelgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben :
- i)een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
- ii)een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven; iii) een inbreuk op het Wetboek van Vennootschappen of het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en hun uitvoeringsbesluiten;
- iv)een inbreuk op het Wetboek van economisch recht en haar uitvoeringsbesluiten;
- v)een inbreuk op de fiscale wetgeving;
- d)niet veroordeeld zijn tot een criminele straf;
- e)niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op artikel 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;
- f)niet veroordeeld zijn tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben ». Aldus worden de situaties waarin een natuurlijk persoon niet betrouwbaar wordt geacht als bedrijfsrevisor uitgebreid met de veroordelingen vermeld in artikel 5, § 1, 2°, d),
- e)en f), namelijk een veroordeling tot een criminele straf, een veroordeling voor een inbreuk op de artikelen 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben, en een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben. 11 B.4. Artikel 6, § 1, van de wet van 7 december 2016 bepaalt onder welke voorwaarden de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt toegekend aan een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, met zetel in een lidstaat. Het bestreden artikel 148 van de wet van 20 juli 2020 vult die bepaling aan met een 4°. Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 6, § 1, van de wet van 7 december 2016 : « Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan iedere rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, met zetel in een lidstaat, die aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de natuurlijke personen die de wettelijke controle van de jaarrekening namens die rechtspersoon of die entiteit uitvoeren, hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor; 2° de meerderheid van de stemrechten van deze rechtspersoon of deze entiteit is in het bezit van auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren; 3° het bestuursorgaan van die rechtspersoon of die entiteit is voor een meerderheid samengesteld uit auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren. Wanneer het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, is ten minste één van hen een bedrijfsrevisor, een auditkantoor of een wettelijke auditor zijn. Wanneer een revisorenkantoor of een auditkantoor lid is van het bestuursorgaan, wordt dit kantoor, overeenkomstig artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, respectievelijk vertegenwoordigd door een natuurlijk persoon die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft of door een natuurlijk persoon die als wettelijke auditor is erkend; 4° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties ». B.5. Artikel 8 van de wet van 7 december 2016 bepaalt onder welke voorwaarden de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt toegekend aan andere entiteiten dan natuurlijke personen naar het recht van derde landen. Het bestreden artikel 151 van de wet van 20 juli 2020 vult die bepaling aan met een 9°. Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 8 van de wet van 7 december 2016 : 12 « Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan andere entiteiten dan natuurlijke personen naar het recht van derde landen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° alle vennoten, evenals de zaakvoerders en bestuurders, moeten in de Staat waar zij hun hoofdvestiging hebben, zijn gemachtigd om de wettelijke controle van de jaarrekening van ondernemingen uit te voeren; indien een vennoot een rechtspersoon is, geldt dezelfde voorwaarde voor de vennoten van laatstgenoemde; 2° hun zetel en hun hoofdvestiging hebben in een Staat die de bedrijfsrevisoren op zijn grondgebied het voordeel van de wederkerigheid toekent met betrekking tot de toelating tot het beroep; 3° opgericht zijn in een vorm, onder een statuut en onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die waaronder de bedrijfsrevisoren zich in België kunnen verenigen; zij verbinden zich ertoe om zich, voor het uitoefenen van hun activiteiten als bedrijfsrevisor in België, te doen kennen onder een benaming die enkel de naam mag bevatten van een of meer natuurlijke personen, die vennoot, zaakvoerder of bestuurder zijn of de naam van één of meer natuurlijke personen die de hoedanigheid van vennoot hebben gehad; 4° ten minste één bestuurder of zaakvoerder is bedrijfsrevisor en is belast met het bestuur van de vestiging in België; indien meer personen met dit bestuur zijn belast, is de meerderheid van hen bedrijfsrevisor; 5° alle vennoten, bestuurders of zaakvoerders die hun beroepsactiviteit gewoonlijk in België uitoefenen, zijn bedrijfsrevisor; 6° zich ertoe verbinden in België een vestiging te houden waar de beroepsactiviteit effectief zal worden uitgeoefend en waar de daarmee samenhangende akten, documenten en briefwisseling zullen worden bewaard; 7° zich ertoe verbinden in België rechtstreeks of zijdelings geen activiteiten uit te oefenen die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van bedrijfsrevisor; 8° zich ertoe verbinden artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen te eerbiedigen, telkens hun in België een wettelijke controle van de jaarrekening wordt toevertrouwd; 9° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties ». B.6.1. Artikel 9, § 1, van de wet van 7 december 2016 bepaalt in welke gevallen de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ingetrokken door het Instituut van de bedrijfsrevisoren. Het bestreden artikel 152, 1°, van de wet van 20 juli 2020 vult die bepaling aan met een 3°. 13 Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 9, § 1, van de wet van 7 december 2016 : « Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in de volgende gevallen door het Instituut ingetrokken : 1° wanneer de bedrijfsrevisoren drie maanden na de in artikel 81 voorziene terechtwijzing hebben nagelaten om alle of een deel van de bijdragen te betalen, om de documenten tot vaststelling van de bijdrage over te leggen, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het Instituut moeten meedelen voor de uitvoering van de krachtens artikel 41 aan het Instituut gedelegeerde taken of om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het College moeten meedelen wanneer het College de inzameling van die inlichtingen of documenten aan het Instituut heeft toevertrouwd; 2° wanneer de bedrijfsrevisor daar expliciet om verzoekt; 3° wanneer de bedrijfsrevisor, of in het kader van een rechtspersoon, één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten zich bevindt in één van in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot en met f), bedoelde situaties ». B.6.2. Artikel 9, § 3, eerste lid, van de wet van 7 december 2016 bepaalt wanneer de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut kan worden ingetrokken. Oorspronkelijk bestond die mogelijkheid tot intrekking wanneer niet meer was voldaan aan « de voorwaarden voor de toekenning van deze hoedanigheid met uitzondering van de voorwaarden bepaald in de artikelen 5, § 1, 6°, en 7, § 1, 7° ». Krachtens het bestreden artikel 152, 2°, van de wet van 20 juli 2020 worden in die bepaling de woorden « de artikelen 5, § 1, 6°, en 7, § 1, 7°, » vervangen door de woorden « artikel 5, § 1, 2,° en 6°, artikel 6, § 1, 4°, artikel 7, § 1, 3° en 7°, en artikel 8, 9°, ». Krachtens artikel 9, § 3, tweede lid, is een dergelijke facultatieve intrekking slechts mogelijk nadat het Instituut de betrokkene heeft uitgenodigd « om zijn opmerkingen schriftelijk aan het Instituut te laten geworden binnen een termijn die niet minder dan vijftien dagen mag bedragen », en dient het Instituut de intrekkingsbeslissing te motiveren. B.7. Luidens de memorie van toelichting heeft de wet van 20 juli 2020 als doelstelling om « het preventief dispositief inzake de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van 14 terrorisme » te actualiseren naar aanleiding van de aanneming van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/849). De omzetting van die richtlijn gebeurt « door wijzigingen aan te brengen in de bestaande relevante wetgeving, in hoofdzaak aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ». Eveneens worden « de nodige wijzigingen [aangebracht] in andere wetgevingen om deze conform de wijzigingen aan het witwasdispositief te maken » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/001, p. 4). B.8.1. Initieel was de inhoud van de bestreden artikelen 147, 148 en 151 opgenomen in de artikelen 145, 146 en 149 van het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 20 juli 2020 (ibid., pp. 360-361). De memorie van toelichting vermeldt daarover : « Artikelen 145 tot 149 strekken ertoe artikel 47, lid 3, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie om te zetten. Deze bepaling stelt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de bevoegde autoriteiten maatregelen kunnen nemen ten opzichte van de meldingsplichtige entiteiten om te voorkomen dat ter zake veroordeelde criminelen of hun medeplichtigen in die meldingsplichtige entiteiten een leidinggevende functie hebben of de uiteindelijk begunstigde van die entiteiten zijn. Om die reden worden de artikelen 5, 6, 7 en 8 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren gewijzigd teneinde het onmogelijk te maken dat de voormelde criminelen en hun medeplichtigen een leidinggevende functie hebben of de uiteindelijke begunstigde zijn » (ibid., p. 175). B.8.2. Het bestreden artikel 152 is het gevolg van een amendement tot invoeging van een artikel 149/1, waarvan de verantwoording vermeldt : 15 « Deze artikelen strekken ertoe artikel 47, derde lid, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie om te zetten. Deze bepaling stelt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de bevoegde autoriteiten maatregelen kunnen nemen ten opzichte van de meldingsplichtige entiteiten om te voorkomen dat ter zake veroordeelde criminelen of hun medeplichtigen in die meldingsplichtige entiteiten een leidinggevende functie hebben of de uiteindelijk begunstigde van die entiteiten zijn. Om die reden wordt artikel 9, §§ 1 en 3 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren gewijzigd teneinde het onmogelijk te maken dat de voornoemde criminelen en hun medeplichtigen die bedrijfsrevisoren zijn hun hoedanigheid kunnen behouden. Wanneer de bedrijfsrevisor, of in het kader van een rechtspersoon, één van de vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten zich bevindt in één van in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot en met
- f)bedoelde situaties, dan wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor van de natuurlijke persoon of rechtspersoon zonder enige beoordelingsmogelijkheid ter zake ingetrokken » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/002, pp. 6-7). B.8.3. Bij de aanneming in eerste lezing door de Commissie voor Financiën en Begroting werden de bestreden bepalingen hernummerd tot de artikelen 147, 148, 151 en 152 (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/005, pp. 77-79). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad B.9.1. De verzoekende partijen betwisten de ontvankelijkheid van de memorie van de Ministerraad, in zoverre die memorie op onleesbare wijze is ondertekend door een andere persoon dan de raadslieden van de Ministerraad, zonder dat de identiteit of de hoedanigheid van die ondertekenaar kan worden bepaald. B.9.2. Evenzeer als wat ten aanzien van de ondertekening van de verzoekschriften uitdrukkelijk is voorgeschreven bij artikel 5 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geldt, bij analogie, voor memories dat zij op straffe van niet- 16 ontvankelijkheid moeten worden ondertekend, al naar het geval, door de Eerste Minister, door een daartoe aangewezen lid van een regering, door de voorzitter van een wetgevende vergadering, door degene die doet blijken van een belang of door hun advocaat. B.9.3. Uit de elementen die het Hof vermag in aanmerking te nemen, blijkt dat de persoon die de memorie van de Ministerraad heeft ondertekend, advocaat is en medewerker van het advocatenkantoor waarvan de raadslieden van de Ministerraad deel uitmaken. De memorie beantwoordt aan de in B.9.2 vermelde vereisten inzake ondertekening. B.9.4. De memorie van de Ministerraad is ontvankelijk. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging B.10.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep bij gebrek aan belang. Hij voert aan dat de bestreden bepalingen geen ongunstige weerslag hebben op de wettelijke opdracht van de eerste verzoekende partij, het Instituut van de bedrijfsrevisoren, en evenmin op haar persoonlijke situatie. Wat betreft de tweede en de derde verzoekende partij, die bedrijfsrevisoren zijn, zou het belang louter hypothetisch zijn. B.10.2. Krachtens artikel 64 van de wet van 7 december 2016 heeft het Instituut van de bedrijfsrevisoren « als doel om te voorzien in de bestendige organisatie van een korps specialisten die bekwaam zijn de functie van bedrijfsrevisor te vervullen met alle vereiste waarborgen inzake competentie, onafhankelijkheid en beroepseer ». Het Instituut beslist onder meer, overeenkomstig de artikelen 5 tot 9, in samenhang gelezen met artikel 41, § 1, 1°, van dezelfde wet, over de toekenning en de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. Bijgevolg doet het Instituut blijken van het vereiste belang om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen de artikelen 147, 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020, aangezien die bepalingen wijzigingen aanbrengen in de bij de artikelen 5, 6, 8 en 9 vastgestelde vereisten met betrekking tot de toekenning en intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor. B.10.3. Aangezien de eerste verzoekende partij doet blijken van een belang, hoeft het belang van de andere verzoekende partijen om de vernietiging van de artikelen 147, 148, 151 en 152 te vorderen, niet te worden onderzocht. 17 B.10.4. Het beroep tot vernietiging is ontvankelijk. Ten gronde Wat betreft het eerste en het tweede middel B.11. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 147 van de wet van 20 juli 2020 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de situaties uitbreidt waarin een natuurlijk persoon niet betrouwbaar kan worden geacht in de zin van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016. De daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verkrijgen, zou in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, aangezien zij niet bestaat ten aanzien van de overige beroepsgroepen die onder het toepassingsgebied vallen van de richtlijn (EU) 2015/849, zoals accountants, belastingadviseurs, vastgoedmakelaars en personen die een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 152 van de wet van 20 juli 2020, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Krachtens het door die bepaling gewijzigde artikel 9 van de wet van 7 december 2016 moet het Instituut van de bedrijfsrevisoren voortaan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor intrekken zodra de bedrijfsrevisor zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, van dezelfde wet bedoelde situaties. Het aldus gecreëerde verschil in behandeling tussen, enerzijds, de bedrijfsrevisoren en, anderzijds, de advocaten, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders kent volgens de verzoekende partijen evenmin een redelijke verantwoording. Gelet op hun samenhang, dienen de beide middelen samen te worden onderzocht. B.12. In de uiteenzetting van het eerste middel ontwikkelen de verzoekende partijen enkel grieven tegen het bestreden artikel 147, voor zover daarbij een 2°, f), wordt ingevoegd in artikel 5, § 1, van de wet van 7 december 2016. Krachtens dat artikel 5, § 1, 2°, f), wordt een natuurlijk persoon die is veroordeeld « tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering 18 van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben » niet betrouwbaar geacht en kan hem daardoor niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor worden toegekend. Wat het bestreden artikel 152 betreft, bekritiseren de verzoekende partijen eveneens uitsluitend de verplichting voor het Instituut van de bedrijfsrevisoren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in te trekken wanneer de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon zich bevindt in de in artikel 5, § 1, 2°, f), van de wet van 7 december 2016 bedoelde situatie. Het eerste en het tweede middel hebben bijgevolg geen betrekking op de verplichting tot weigering of tot intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wanneer niet is voldaan aan een van de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, 2°,
- a)tot e), van de wet van 7 december 2016. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de beide middelen in die zin. B.13. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.14.1. De Ministerraad betwist de vergelijkbaarheid van de bedrijfsrevisoren en de overige beroepsgroepen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, namelijk - wat het eerste middel betreft - accountants, belastingadviseurs, vastgoedmakelaars en personen die een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, alsook - wat het tweede middel betreft - advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders. 19 B.14.2. Tussen de beroepsgroep van de bedrijfsrevisoren en de voormelde andere beroepsgroepen bestaan verschillen die voortvloeien uit het verschillende regelgevende kader waaraan elk van die beroepsgroepen al dan niet is onderworpen. Die verschillen hebben betrekking op inzonderheid hun onderscheiden opdrachten, de organisatie van het beroep, de deontologie en de regels voor de toegang tot het beroep. Uit die verschillen kan evenwel niet worden afgeleid dat de desbetreffende beroepsgroepen dermate van elkaar te onderscheiden zijn dat zij ten aanzien van de bestreden maatregel niet vergelijkbaar zouden zijn. B.15. De bedrijfsrevisoren zijn onderworpen aan de voormelde wet van 7 december 2016. Titel 3 van die wet heeft betrekking op de organisatie van het beroep en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren. Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van die titel regelt de toekenning van de hoedanigheid, de inschrijving en de registratie van de bedrijfsrevisor, waarvoor het Instituut van de bedrijfsrevisoren instaat. De artikelen 5 en 9, zoals gewijzigd bij de bestreden artikelen 147 en 152, maken deel uit van die afdeling. De bedrijfsrevisor heeft « als hoofdtaak alle opdrachten uit te voeren die bij of krachtens de wet uitsluitend aan de bedrijfsrevisoren zijn toevertrouwd, en in het bijzonder alle revisorale opdrachten ter uitvoering van of krachtens de wet » (artikel 4 van de wet van 7 december 2016). Een revisorale opdracht wordt gedefinieerd als « elke opdracht, inclusief de opdracht van wettelijke controle van de jaarrekening, die ertoe strekt een deskundig oordeel te geven over de getrouwheid en de waarachtigheid van een jaarrekening, van een tussentijdse financiële staat, van een waardering of van andere economische en financiële informatie, verschaft door een onderneming of instelling; dit begrip omvat eveneens de ontleding en de verklaring van de economische en financiële inlichtingen aan de leden van de ondernemingsraad » (artikel 3, 10°, van dezelfde wet). De personen of de entiteiten die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor hebben verkregen, worden ingeschreven in een openbaar register, dat wordt gehouden en bijgewerkt door het Instituut van de bedrijfsrevisoren (artikel 10, § 1, van dezelfde wet). Alleen de in het openbaar register ingeschreven natuurlijke personen of entiteiten mogen de titel van bedrijfsrevisor dragen en alle revisorale opdrachten uitoefenen (artikel 11, § 1, van dezelfde wet). B.16. Artikel 5, § 1, 2°, f), van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 147, leidt ertoe dat natuurlijke personen die zijn veroordeeld tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 en op haar 20 uitvoeringsbesluiten of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben, ongeacht de hoogte van de geldboete, automatisch niet langer betrouwbaar worden geacht om het beroep van bedrijfsrevisor uit te oefenen. Een dergelijk verlies van betrouwbaarheid verplicht het Instituut van de bedrijfsrevisoren om te weigeren de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toe te kennen (artikel 5, § 1, 2°, f), van de wet van 7 december 2016) dan wel om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in te trekken (artikel 9, § 1, 3°, van diezelfde wet, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 152, in samenhang gelezen met het voormelde artikel 5, § 1, 2°, f)). Het Instituut beschikt daarbij niet over enige beoordelingsvrijheid (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/002, p. 7). Evenmin wordt de periode gedurende welke de veroordeling aanleiding geeft tot het verlies van betrouwbaarheid en dus tot de uitsluiting van het beroep van bedrijfsrevisor beperkt in de tijd. B.17. De richtlijn (EU) 2015/849, en in het bijzonder artikel 47, lid 3, van die richtlijn, waarnaar wordt verwezen in de in B.8 aangehaalde parlementaire voorbereiding, houdt geen verplichting in voor de wetgever om te voorzien in de in B.16 vermelde uitsluiting van het beroep van bedrijfsrevisor. Zoals ook de Ministerraad erkent in zijn memories, staat het derhalve aan het Hof om te onderzoeken of de bestreden maatregel redelijk verantwoord is in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.18.1. Gelet op de functie en bevoegdheden van de bedrijfsrevisoren, in het bijzonder de uitoefening van de in B.15 vermelde revisorale opdrachten en de onafhankelijkheid, integriteit en objectiviteit die daarbij van de bedrijfsrevisor worden verwacht krachtens artikel 12 van de wet van 7 december 2016, kan worden aanvaard dat de wetgever verregaande vereisten inzake de betrouwbaarheid van bedrijfsrevisoren oplegt. In dat verband vermocht de wetgever redelijkerwijze te oordelen dat natuurlijke personen die worden veroordeeld tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de preventieve witwaswetgeving automatisch de betrouwbaarheid als bedrijfsrevisor verliezen, zelfs wanneer het bedrag van de opgelegde geldboete gering is, waarbij aan het Instituut van de bedrijfsrevisoren geen beoordelingsvrijheid wordt toegekend. Een dergelijk automatisch verlies van betrouwbaarheid en de daarmee gepaard gaande verplichting voor het Instituut van de bedrijfsrevisoren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te weigeren of in te trekken, houden op zich geen onevenredige beperking in van de rechten van de betrokken natuurlijke personen. Dat geldt des te meer daar krachtens de artikelen 136 en 137 van de wet van 18 september 2017 slechts een beperkt aantal inbreuken 21 op diezelfde wet strafrechtelijk wordt bestraft. In het algemeen worden inbreuken op de wet van 18 september 2017 overeenkomstig de artikelen 132 tot en met 135 bestraft met administratieve geldboetes, die geen aanleiding geven tot een automatisch verlies van betrouwbaarheid. B.18.2. De bestreden bepaling heeft evenwel onevenredige gevolgen, in zoverre het verlies van de betrouwbaarheid op grond van artikel 5, § 1, 2°, f), van de wet van 7 december 2016 van onbeperkte duur is, waarbij het zelfs niet mogelijk is voor het Instituut van de bedrijfsrevisoren om na verloop van een bepaalde periode in concreto te beoordelen of de betrokkene opnieuw betrouwbaar kan worden geacht en hem derhalve alsnog de hoedanigheid van bedrijfsrevisor kan worden toegekend. Het is onevenredig streng ervan uit te gaan dat het verlies van de betrouwbaarheid als bedrijfsrevisor in zulke gevallen per definitie onherroepelijk zou zijn en de betrouwbaarheid in geen enkele omstandigheid nog zou kunnen worden hersteld. B.19. Het eerste en het tweede middel zijn in die mate gegrond. Om de vastgestelde ongrondwettigheid ongedaan te maken, dienen de artikelen 5, § 1, 2°, f), en 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij de artikelen 147 en 152 van de wet van 20 juli 2020, te worden vernietigd, in zoverre die bepalingen erin voorzien dat het verlies van de vereiste betrouwbaarheid als bedrijfsrevisor ingevolge een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 en op haar uitvoeringsbesluiten of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben, onherroepelijk is. Wat betreft het derde middel B.20. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd is met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een persoon van wie de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ingetrokken krachtens het door die bepaling gewijzigde artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, geen toegang zou hebben tot een rechterlijke instantie die voldoet aan de vereiste waarborgen. B.21. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt een recht op toegang tot de rechter, dat een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces 22 vormt. Het recht op toegang tot de rechter vereist dat een beslissing van een bestuur kan worden onderworpen aan de controle a posteriori van een rechtscollege met volle rechtsmacht, hetgeen inhoudt dat de rechter kan nagaan of de beslissing van het bestuur in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die het bestuur in acht moet nemen, zijn geëerbiedigd. Het recht op een rechterlijke toetsing met volle rechtsmacht houdt minstens in dat hetgeen tot de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur behoort, ook onder de controle van de rechter valt. Bij zijn controle mag de rechter zich evenwel niet begeven op het terrein van de opportuniteit, vermits dat onverenigbaar zou zijn met de beginselen die de verhoudingen regelen tussen het bestuur en de rechtscolleges. B.22. Volgens een vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt het recht om een beroep uit te oefenen beschouwd als een burgerlijk recht in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (zie o.m. EHRM, 19 februari 2013, Müller-Hartburg t. Oostenrijk, § 39; 10 december 2009, Goriany t. Oostenrijk, § 21). In tegenstelling tot wat de Ministerraad meent, is het bij die bepaling gewaarborgde recht op toegang tot de rechter te dezen dus van toepassing. B.23.1. Uit de tekst van artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 152, volgt dat wanneer de bedrijfsrevisor zich bevindt in een van de situaties bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016, waardoor niet langer is voldaan aan het vereiste van betrouwbaarheid, zulks niet van rechtswege de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor met zich meebrengt. Opdat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor wordt ingetrokken, is een uitdrukkelijke beslissing vereist van het Instituut van de bedrijfsrevisoren, waarop krachtens artikel 41, §§ 1 en 2, van de wet van 7 december 2016 overigens toezicht wordt uitgeoefend door het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren. B.23.2. Het bestreden artikel 152 verhindert niet dat tegen een beslissing tot intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor een beroep wordt ingesteld bij de bevoegde rechter. Evenmin verhindert die bepaling dat de rechter zijn toezicht uitoefent met volle rechtsmacht, waarbij hij kan nagaan of de beslissing tot intrekking in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die het Instituut van de bedrijfsrevisoren in acht moet nemen. Aldus vermag de rechter in het bijzonder na te gaan of de voorwaarden met betrekking tot de intrekking overeenkomstig artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, 2°, van diezelfde wet, zijn vervuld. 23 B.23.3. De omstandigheid dat het Instituut van de bedrijfsrevisoren ertoe is verplicht de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in te trekken wanneer niet langer is voldaan aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 en er in dat opzicht dus sprake is van een gebonden bevoegdheid, leidt op zich niet tot de schending van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die bepaling verzet zich niet ertegen dat de wetgever, onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vaststelt in welke situaties een bedrijfsrevisor niet langer betrouwbaar kan worden geacht en aldus de beoordelingsvrijheid van het bestuur of de rechter uitsluit. B.23.4. Bovendien is elk van de situaties bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 het gevolg van een uitspraak door een rechterlijke instantie die eveneens voldoet aan de vereisten van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en die in het bijzonder in de beoordeling van de concrete feiten kan treden die aanleiding geven tot het verlies van betrouwbaarheid, te weten de strafrechter (in geval van een strafrechtelijke veroordeling) of de ondernemingsrechtbank (in geval van een faillissement zonder eerherstel). B.24. Uit wat voorafgaat, volgt dat het bestreden artikel 152 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt. Het derde middel is niet gegrond. Wat betreft het vierde middel B.25. In het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020 in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bij die bepalingen ingevoegde artikelen 6, § 1, 4°, 8, 9°, en 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016 een verplichting inhouden voor het Instituut van de bedrijfsrevisoren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te weigeren of in te trekken ten aanzien van rechtspersonen of andere entiteiten wanneer één van de vennoten, één van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste 24 vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijk begunstigden niet voldoet aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016. Een dergelijke verplichte uitsluiting van het beroep van bedrijfsrevisor zou in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, aangezien zij niet bestaat ten aanzien van andere vergelijkbare beroepsgroepen, zoals advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en accountants. B.26.1. Uit artikel 6, § 1, 4°, van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 148 van de wet van 20 juli 2020, volgt dat het Instituut van de bedrijfsrevisoren de hoedanigheid van bedrijfsrevisor enkel kan toekennen aan een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, met zetel in een lidstaat, indien geen van de vennoten, geen van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, geen van de leden van de werkelijke leiding, geen van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of geen van de uiteindelijk begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017, zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 bedoelde situaties. Krachtens artikel 8, 9°, van diezelfde wet, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 151 van de wet van 20 juli 2020, geldt die voorwaarde eveneens voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor aan andere entiteiten dan natuurlijke personen naar het recht van derde landen. Uit artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 152 van de wet van 20 juli 2020, volgt dat het Instituut van de bedrijfsrevisoren verplicht is om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor van een rechtspersoon in te trekken wanneer niet langer is voldaan aan diezelfde voorwaarde. B.26.2. Artikel 3, 1°, 2°, 3°, 25° en 26°, van de wet van 7 december 2016 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon : een natuurlijk persoon ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren; 2° bedrijfsrevisorenkantoor : een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, andere dan een natuurlijk persoon, ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren; 3° bedrijfsrevisor : een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of een bedrijfsrevisorenkantoor; 25 […] 25° vennoot : de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die zijn beroepsactiviteit in een bedrijfsrevisorenkantoor uitoefent; 26° vaste vertegenwoordiger :
- a)de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor voor een bepaalde controleopdracht is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening namens het bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor, of
- b)in het geval van een groepscontrole, de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening op groepsniveau, en de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of wettelijke auditor die als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening bij de grote dochterondernemingen, of
- c)de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die het controleverslag ondertekent ». B.26.3. Artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan, wordt verstaan onder : […] 27° ‘ uiteindelijke begunstigde ’ : de natuurlijke perso(o)n(
- en)die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt, de lasthebber van de cliënt of de begunstigde van levensverzekeringsovereenkomsten en/of de natuurlijke perso(o)n(
- en)voor wiens/wier rekening een verrichting wordt uitgevoerd of een zakelijke relatie wordt aangegaan. Worden beschouwd als personen die de uiteindelijke eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over de cliënt, de lasthebber van de cliënt of de begunstigde van levensverzekeringsovereenkomsten :
- a)in het geval van vennootschappen :
- i)de natuurlijke perso(o)n(
- en)die rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang in deze vennootschap houdt/houden, met inbegrip van het houden van aandelen aan toonder. Een door een natuurlijke persoon gehouden belang van meer dan vijfentwintig procent van de stemrechten of van meer dan vijfentwintig procent van de aandelen of het kapitaal van de 26 vennootschap, geldt als een indicatie van een toereikend percentage van de stemrechten of van het direct belang in de zin van het eerste lid. Een belang gehouden door een vennootschap die onder zeggenschap staat van één of meerdere natuurlijke perso(o)n(en), of van meerdere vennootschappen die onder zeggenschap staan van dezelfde natuurlijke persoon of natuurlijke personen, van meer dan vijfentwintig procent van de aandelen of van meer dan vijfentwintig procent van het kapitaal van de vennootschap, geldt als indicatie van een toereikend onrechtstreeks belang in de zin van het eerste lid;
- ii)de natuurlijke perso(o)n(
- en)die zeggenschap heeft/hebben over deze vennootschap via andere middelen. De uitoefening van zeggenschap via andere middelen kan met name worden vastgesteld volgens de criteria bedoeld in artikel 22, leden 1 tot en met 5, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad; iii) de natuurlijke persoon of personen die behoort/behoren tot het hoger leidinggevend personeel, indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen als bedoeld onder
- i)of
- ii)is geïdentificeerd, of indien er enige twijfel bestaat of de geïdentificeerde persoon of personen de uiteindelijke begunstigde(
- n)is, respectievelijk zijn; […] ». B.27.1. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever, wat bedrijfsrevisorenkantoren betreft, dezelfde vereisten inzake betrouwbaarheid oplegt aan de vennoten, leidinggevenden, vaste vertegenwoordigers en uiteindelijk begunstigden als die welke gelden voor bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen. Gelet op hun positie binnen de rechtspersoon of andere entiteit kan immers worden aangenomen dat een gebrek aan betrouwbaarheid van de vennoten, leidinggevenden, vaste vertegenwoordigers of uiteindelijk begunstigden eveneens de betrouwbaarheid van de rechtspersoon of andere entiteit aantast. Bovendien heeft de verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, wat rechtspersonen en andere entiteiten betreft, geen onherroepelijk karakter. Het volstaat dat de banden worden verbroken met de vennoot, leidinggevende, vaste vertegenwoordiger of uiteindelijk begunstigde die niet als betrouwbaar kan worden beschouwd opdat aan de betrokken rechtspersoon of andere entiteit opnieuw de hoedanigheid van bedrijfsrevisor kan worden toegekend overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen 6 of 8 van de wet van 7 december 2016. Voor zover de weigering of intrekking van de hoedanigheid van 27 bedrijfsrevisor een verplicht karakter heeft en het Instituut van de bedrijfsrevisoren derhalve niet over een beoordelingsvrijheid beschikt, heeft die maatregel geen onevenredige gevolgen. B.27.2. Artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016 voorziet erin dat de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut onmiddellijk dient te gebeuren. Aldus wordt geen redelijke termijn geboden aan het bedrijfsrevisorenkantoor om de banden te verbreken met de onbetrouwbaar geachte vennoot, leidinggevende, vaste vertegenwoordiger of uiteindelijk begunstigde. Weliswaar kan de rechtspersoon of andere entiteit die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft verloren, zoals is vermeld in B.27.1, daartoe een nieuw verzoek indienen overeenkomstig de artikelen 6 of 8 van de wet van 7 december 2016. Krachtens de artikelen 8, § 1, eerste lid, en 10, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 juli 2017 « betreffende de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor alsook de inschrijving en registratie in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren » beschikt het Instituut van de bedrijfsrevisoren evenwel over een termijn van drie maanden vanaf de indiening van alle vereiste stukken om over dat verzoek uitspraak te doen. Het verlies van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor gedurende een dergelijke termijn kan de continuïteit van de activiteiten van de rechtspersoon of andere entiteit wezenlijk in het gedrang brengen. De gevolgen van de onmiddellijke intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor staan bijgevolg niet in een redelijke verhouding tot de nagestreefde doelstelling om de betrouwbaarheid te waarborgen van de bedrijfsrevisorenkantoren. B.28. Uit het bovenstaande volgt dat artikel 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 152 van de wet van 20 juli 2020, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre die bepaling ertoe leidt dat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor onmiddellijk dient te worden ingetrokken door het Instituut van de bedrijfsrevisoren wanneer, in het kader van een rechtspersoon, één van zijn vennoten, één van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijk begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017, zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016 bedoelde situaties, waarbij het bedrijfsrevisorenkantoor geen redelijke termijn wordt geboden om de banden met de betrokkene te verbreken. In die mate is het vierde middel gegrond. 28 Wat betreft het vijfde middel B.29. In het vijfde middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 6, § 1, 4°, 8, 9°, en 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016, zoals gewijzigd bij de bestreden artikelen 148, 151 en 152 van de wet van 20 juli 2020, in strijd zijn met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen de hoedanigheid van bedrijfsrevisor ontzeggen aan een rechtspersoon of een andere entiteit, omdat één van de vennoten ervan, één van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijk begunstigden niet voldoet aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016. Volgens de verzoekende partijen wordt aldus een strafsanctie opgelegd aan een rechtspersoon voor inbreuken waaraan hij niet persoonlijk schuldig werd bevonden. B.30.1. Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een maatregel een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, §§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, §§ 30-31). Dat Hof hanteert dezelfde criteria voor de toepassing van artikel 7 van hetzelfde Verdrag (EHRM, 4 oktober 2016, Žaja t. Kroatië, § 86; 4 juni 2019, Rola t. Slovenië, § 54). Het Hof onderzoekt of de krachtens de bestreden bepalingen verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor ten aanzien van rechtspersonen of andere entiteiten als bedoeld in de artikelen 6 en 8 van de wet van 7 december 2016, aan de voormelde criteria beantwoordt en als strafrechtelijk in de zin van het Verdrag dient te worden aangemerkt. 29 B.30.2. De verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor is noch door de plaats van de bestreden bepalingen in de wetgeving, noch in de parlementaire voorbereiding als strafsanctie aangemerkt. Aldus blijkt niet dat die maatregel volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft. Evenmin kan uit de aard van de maatregel worden afgeleid dat het om een strafsanctie gaat. Met de verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor van een rechtspersoon of andere entiteit wanneer één van de vennoten, leidinggevenden, vaste vertegenwoordigers of uiteindelijk begunstigden niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van de wet van 7 december 2016, wordt in essentie beoogd de betrouwbaarheid van de bedrijfsrevisoren te waarborgen, zodat daarmee geen repressief doel wordt nagestreefd. Die maatregel geldt bovendien ten aanzien van een specifieke beroepsgroep, namelijk de bedrijfsrevisoren, en niet ten aanzien van het publiek in het algemeen. De omstandigheid dat bepaalde strafrechtelijke veroordelingen aanleiding geven tot de verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut van de bedrijfsrevisoren leidt niet tot een andere conclusie. Het is niet omdat gedragingen die kunnen leiden tot een maatregel opgelegd door een beroepsorganisatie eveneens strafbare handelingen vormen, dat die maatregel een strafsanctie uitmaakt (zie o.m. EHRM, 19 februari 2013, Müller- Hartburg t. Oostenrijk, § 44; 31 mei 2021, Xhoxhaj t. Albanië, § 244). Tot slot blijkt ook niet uit de aard en de ernst van de maatregel dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft. Zoals vermeld in B.27.1, heeft de verplichte weigering of intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, wat rechtspersonen of andere entiteiten betreft, immers geen onherroepelijk karakter. B.31. Het vijfde middel is niet gegrond. 30 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 5, § 1, 2°, f), en 9, § 1, 3°, van de wet van 7 december 2016 « tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren », zoals ingevoegd bij de artikelen 147 en 152 van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », in zoverre die bepalingen erin voorzien dat het verlies van de vereiste betrouwbaarheid als bedrijfsrevisor ingevolge een veroordeling tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » en op haar uitvoeringsbesluiten of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben, onherroepelijk is; - vernietigt artikel 9, § 1, 3°, van de voormelde wet van 7 december 2016, zoals ingevoegd bij artikel 152 van de voormelde wet van 20 juli 2020, in zoverre die bepaling ertoe leidt dat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor onmiddellijk dient te worden ingetrokken door het Instituut van de bedrijfsrevisoren wanneer, in het kader van een rechtspersoon, één van zijn vennoten, één van de leden van het wettelijke bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijk begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », zich bevindt in één van de in artikel 5, § 1, 2°, van de voormelde wet van 7 december 2016 bedoelde situaties, waarbij het bedrijfsrevisorenkantoor geen redelijke termijn wordt geboden om de banden met de betrokkene te verbreken; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 januari 2022. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div