id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010 Arrest- Rolnummer: 10/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 1130 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vorderingen tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vorderingen tot schorsing - van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU COVID certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Bernadette Weyers en anderen en door Luc Lamine en anderen, - van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU COVID certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » en - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Gezondheidszorg - COVID-19-pandemie - Initiatieven om de verspreiding van COVID-19-besmettingen tegen te gaan - Samenwerkingsakkoord - COVID Safe Ticket -
- Exhaustieve opsomming van de plaatsen waarvoor het voorleggen van het CST kan worden vereist -
- Verwerking van de in het CST opgenomen persoonsgegevens Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 10/2022 van 20 januari 2022 Rolnummers : 7658 en 7666 In zake : de vorderingen tot schorsing - van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België », ingesteld door Bernadette Weyers en anderen en door Luc Lamine en anderen, - van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » en - van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket », ingesteld door Luc Lamine en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 oktober 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 oktober 2021, is een vordering tot schorsing van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie) ingesteld door Bernadette Weyers, Dominique Liesse, Frédéric Porphyre, Sylvie Leblanc, Valérie Colon en de vzw « Notre Bon Droit », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. de Bandt, Mr. R. Gherghinaru en Mr. L. Panepinto, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 november 2021 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 november 2021, is een vordering tot schorsing : 1) van de wet van 1 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 oktober 2021, tweede editie), 2) van de wet van 29 oktober 2021, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021, van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het [wetgevend] 3 samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) en 3) van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2021, tweede editie) ingesteld door Luc Lamine, Marguerite Weemaes en Michel Lamine. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7658 en 7666 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde normen. Bij beschikking van 10 november 2021 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vorderingen tot schorsing bepaald op 8 december 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 3 december 2021 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen mee te delen. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys, advocaat bij de balie te Gent (in de zaak nr. 7658); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Ministerraad, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys (in de zaak nr. 7658); - de Ministerraad en de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys (in de zaak nr. 7666); - het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys (in de zaak nr. 7666); - de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Feys (in de zaak nr. 7658 en in de zaak nr. 7666). Op de openbare terechtzitting van 8 december 2021 : 4 - zijn verschenen : . Mr. R. Gherghinaru en Mr. L. Panepinto, tevens loco Mr. P. de Bandt, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658; . Michel Lamine, in eigen persoon; . Mr. M. Feys en Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Ministerraad, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap; - hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de zaak nr. 7658 betreft A.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 zijn vijf natuurlijke personen, enerzijds, en de vzw « Notre Bon Droit », anderzijds. Zij vorderen de vernietiging en de schorsing van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021). A.1.
- Die natuurlijke personen voeren aan dat zij belang hebben om in rechte te treden omdat de in die zaak bestreden bepalingen hun grondrechten, met name het recht op eerbiediging van het privéleven dat wordt gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing dat wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en het recht om vreedzaam te vergaderen dat wordt gewaarborgd bij artikel 26 van de Grondwet, rechtstreeks aantasten. Het samenwerkingsakkoord waarmee de in die zaak bestreden bepalingen instemmen, voorziet in de mogelijkheid om de toegang tot een zeer groot aantal plaatsen afhankelijk te stellen van het overleggen van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST), hetgeen een verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt. Die verzoekende partijen bevestigen dat zij die plaatsen heel regelmatig bezoeken, waardoor zij verplicht zijn zich te onderwerpen aan een vaccinatie tegen COVID-19 of aan een intrusieve test, en een verwerking van zeer gevoelige persoonsgegevens te ondergaan. Zij voeren bovendien aan dat de bestreden bepalingen een verhulde 5 vaccinatieplicht inhouden voor diegenen die een normaal leven willen leiden. Wat betreft de verzoekende partijen die zich niet wensen te laten vaccineren, impliceert het voorleggen van het CST een verplichting om zich heel regelmatig te laten testen, hetgeen in de praktijk onuitvoerbaar is – a fortiori voor diegenen die geen smartphone hebben –, en financieel onhaalbaar. Daarnaast toont elk van die verzoekende partijen aan op welke manier de bestreden bepalingen haar persoonlijke situatie raken, aangezien bepaalde activiteiten niet meer mogelijk zijn zonder het CST voor te leggen. De eerste verzoekende partij kan niet langer een bezoek brengen aan een familielid dat in een woonzorgcentrum verblijft. De tweede verzoekende partij kan niet langer badminton spelen, terwijl zij die sport gedurende gemiddeld tien uur per week beoefent. De derde verzoekende partij kan niet langer deelnemen aan de handelsbeurzen in het kader van de uitoefening van haar activiteit van sommelier-cavist, die zij uitoefent als zelfstandige in bijberoep. De vierde verzoekende partij kan niet langer naar de sportzaal, de bioscoop en het theater gaan - waarvoor zij een abonnement heeft -, noch andere personen ontmoeten in restaurants of cafés. De vijfde verzoekende partij zal de door haar aangevatte opleiding tot yogalerares moeten stopzetten. A.1.
- De vzw « Notre Bon Droit » zet uiteen dat zij de grondrechten van de Belgische burgers verdedigt in het kader van de aanpak van de COVID-19-pandemie, hetgeen een doel van collectief belang vormt dat onderscheiden is van het algemeen belang. Zij verklaart dat dit statutair doel actief wordt nagestreefd, meer bepaald door het organiseren van activiteiten, het verspreiden van informatie op de website van die vzw en het instellen van verschillende rechtsvorderingen. De vzw « Notre Bon Droit » is van mening dat de bestreden bepalingen haar statutair doel raken, want personen die zich willen begeven naar de plaatsen die door het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 worden beoogd, geen andere keuze hebben dan de verwerking van hun persoonsgegevens te aanvaarden en zich aan de toegangsvoorwaarden te onderwerpen. Zij voert overigens aan dat dit samenwerkingsakkoord een verhulde vaccinatieplicht inhoudt voor niet-gevaccineerde personen die een normaal leven willen leiden. De bestreden bepalingen vormen bijgevolg zeer aanzienlijke beperkingen van de vrijheid van vergadering en vereniging, van het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing en van het recht op eerbiediging van het privéleven. Wat de zaak nr. 7666 betreft A.2.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 zijn drie natuurlijke personen. Zij vorderen de vernietiging en de schorsing van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, van de akten houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021) en van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het CST-decreet van 29 oktober 2021). A.2.
- De verzoekende partijen voeren aan dat zij een belang hebben om in rechte te treden omdat zij niet gevaccineerd zijn tegen COVID-19, omdat zij zich niet zullen laten vaccineren zolang die profylactische maatregel geen gebruikelijk vaccin is in de zin van het arrest Vavřička van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en omdat zij zich niet heel regelmatig willen laten testen. Hun situatie wordt bijgevolg door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig geraakt, meer bepaald omdat zij niet meer op een gewone wijze naar horecazaken kunnen gaan. De verzoekende partijen beroepen zich vervolgens op bepaalde persoonlijke omstandigheden. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 7666 maakt zich zorgen over het risico van het vaccin voor personen die bloedverdunners innemen. Zij verklaart overigens dat zij geen smartphone heeft, waardoor zij niet over de applicatie kan beschikken die nodig is om het CST voor te leggen. De derde verzoekende partij heeft een zoon die in 2008 is geboren, en die dus niet zelf die applicatie kan downloaden. Voor het overige voeren de verzoekende partijen aan dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het niet vereist is dat zij een belang hebben bij elk middel dat zij aanvoeren, als zij maar een belang hebben bij het beroep. 6 A.2.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 verduidelijken tot slot dat zij hun belang om in rechte te treden zouden behouden zelfs wanneer het Hof uitspraak zou doen na het verstrijken van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, omdat zij nu reeds onder de druk leven die uitgaat van dat samenwerkingsakkoord en omdat de Vlaamse decreetgever het voorleggen van het CST op elk ogenblik verplicht kan maken. Zij voeren aan dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen, zelfs na de datum waarop die bepalingen zijn opgeheven, hen zou toelaten een morele schadevergoeding te vorderen van de overheidsinstanties. Ten aanzien van het ernstige karakter van de middelen Wat de zaak nr. 7658 betreft A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 leidt een eerste middel af uit de schending, door de in die zaak bestreden bepalingen, van de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. In een eerste onderdeel voeren die verzoekende partijen aan dat de deelentiteiten niet bevoegd zijn, op het gebied van preventieve geneeskunde, om de toegang tot een groot aantal sectoren en activiteiten te regelen door middel van het CST. Die regelgeving valt onder de bevoegdheid van de federale overheid inzake profylactische maatregelen of, in elk geval, onder die van de federale overheid inzake bestuurlijke politie, zodat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 de democratische waarborgen omzeilt die werden vastgelegd in het kader van de wet van 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (hierna : de wet van 14 augustus 2021). In ondergeschikte orde voeren die verzoekende partijen, in een tweede onderdeel, aan dat, indien de deelentiteiten wel bevoegd zijn voor die regelgeving, moet worden vastgesteld dat het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 aan de deelentiteiten een bevoegdheid verleent waarover zij reeds beschikken, en tegelijkertijd hun bevoegdheid inzake preventieve geneeskunde inperkt en de uitoefening van die bevoegdheid afhankelijk stelt van een eenzijdige beslissing van de federale overheid. De partijen voeren overigens in een derde onderdeel aan dat dat samenwerkingsakkoord voorziet in een afbakening van de bevoegdheden van de federale overheid en de deelentiteiten. In een vierde onderdeel voeren zij aan dat dat samenwerkingsakkoord ook de delegatie van een bevoegdheid aan een deelentiteit vormt. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 22, 23 en 26 van de Grondwet, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat vervat is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 11 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8 en 12, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 9, lid 2, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij voorzien in de mogelijkheid om te eisen dat het CST wordt voorgelegd om toegang te krijgen tot bepaalde plaatsen of om bepaalde activiteiten uit te oefenen, een inmenging vormen in het recht op eerbieding van het privéleven en op bescherming van de persoonsgegevens, in het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing en in het recht om vreedzaam te vergaderen, inmenging waarvan de noodzaak niet wordt aangetoond in het licht van de nagestreefde doelstellingen. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie creëren tussen de personen die niet over een vaccinatie- of herstelcertificaat beschikken, enerzijds, en diegenen die wel over een van die certificaten of zelfs over beide certificaten beschikken, in zoverre de eerstgenoemden niet langer toegang kunnen krijgen tot de plaatsen beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, noch de erin bedoelde activiteiten kunnen uitoefenen, terwijl vaccinatie niet verplicht is bij de huidige stand van het Belgische recht. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen de bezoekers van de voorzieningen vermeld in het samenwerkingsakkoord van 7 27 september 2021 en die van de voorzieningen die niet in dat akkoord worden beoogd, in zoverre de eerstgenoemden enkel op vertoon van hun EU digitaal Covid-certificaat toegang kunnen krijgen tot de betrokken voorzieningen, in tegenstelling tot de laatstgenoemden. In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen de bezoekers van de voorzieningen vermeld in het samenwerkingsakkoord en de personen die er werken, in zoverre het CST enkel met betrekking tot de eerstgenoemden kan worden vereist. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 leiden een derde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, van het wettigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat is vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 5, 6 en 9 van de AVG. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen bepaalde essentiële elementen van de gegevensverwerking delegeren aan de uitvoerende macht, meer bepaald met betrekking tot het bepalen van de voorzieningen die behoren tot de culturele sector, de evenementen- en de recreatiesector, het bepalen van de massa-evenementen en het bepalen van de voorwaarden waaronder men toegang kan verkrijgen op basis van een digitaal COVID-certificaat van de Europese Unie of op basis van andere maatregelen. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet toelaten voldoende duidelijk en nauwkeurig de situaties te onderscheiden waarin de persoonsgegevens van de betrokkenen kunnen of moeten worden verwerkt, onder meer bij handelsbeurzen en congressen, noch de personen die gemachtigd zijn om het CST te genereren en te lezen door middel van de CST-module van de COVIDScan-applicatie en die gemachtigd zijn om het identiteitsdocument van de betrokkene te vragen. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de betrokken deelentiteiten toestaan om te voorzien in een facultatief gebruik van het CST, terwijl een inmenging in de rechten op eerbieding van het privéleven en op bescherming van de persoonlijke gezondheidsgegevens enkel mogelijk is wanneer dat absoluut noodzakelijk is om het doel dat met die inmenging wordt nagestreefd te bereiken, hetgeen dat facultatieve karakter niet aantoont. A.
- De Ministerraad, de Vlaamse Regering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Regering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap (hierna : de tegenpartijen) voeren aan dat die verschillende middelen, in geen van hun onderdelen, ernstig zijn in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Wat de zaak nr. 7666 betreft A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 leiden een enig middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 14bis, 16, 19, 22, 22ter, 23, 25, 26, 27 en 187 van de Grondwet en, voor zover nodig, uit de schending van artikel 5, § 1, I, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de artikelen 128, 161 en 187 van de Grondwet, en al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 10, 13, 14, 15 en 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Vierde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2, 4, 6, 7, 9, 12, 14, 15, 17 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 1, 2, 3, 4, 6, 8, 11, 17, 20, 21, 47, 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel « fraus omnia corrumpit », met het beginsel « alles wat niet bij wet verboden is, is toegelaten » zoals het reeds verwoord was in de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 1789, met het beginsel van behoorlijke wetgeving, met het algemeen transparantiebeginsel, met het algemeen beginsel van de menselijke waardigheid, met het algemeen beginsel van het recht op een eerlijk proces en toegang tot een rechter, met het algemeen beginsel van gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten dat onder meer is neergelegd in artikel 16 van de Grondwet, met het beginsel van goede trouw, met het « beginsel van het verbod van rechtsregelontduiking », met het beginsel volgens hetwelk een grondrecht ook niet onrechtstreeks of indirect mag worden geschonden zoals blijkt uit de rechtspraak betreffende indirecte 8 discriminatie, en met het beginsel van het monopolie van geweld en dwang van de Staat, en gelezen in het licht van de wet van 10 april 1990 « tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid », en in het bijzonder de artikelen 2 tot 13 en 13.9 tot 13.15 ervan, van artikel 1 van de wet van 10 januari 1977 « houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en het pompen van grondwater », van artikel 8 van de wet van 30 juli 1979 « betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechterlijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen », van artikel 2.7.3.20, § 1, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, van artikel 31, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 « houdende fiscale en andere bepalingen », van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek, van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van artikel 25, § 1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 « houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering », van artikel 1, eerste lid, 3°, van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » en van de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek. Dat enig middel bevat eenentwintig onderdelen. A.6.
- In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de vaccinatie onrechtstreeks verplicht maken, terwijl de rechten van niet-gevaccineerden alleen kunnen worden beperkt als de vaccinatie wettelijk verplicht is. A.6.
- In een tweede onderdeel verklaren die verzoekende partijen dat het verschil in behandeling tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden op valse, betwistbare of op zijn minst niet-transparante feiten steunt en dus niet redelijk verantwoord is. A.6.
- In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het CST een kennelijk onredelijke draagwijdte heeft omdat de in de bestreden bepalingen bedoelde horecavoorzieningen, essentiëler zijn dan bepaalde plaatsen die niet in die bepalingen worden beoogd, terwijl in de memorie van toelichting bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 wordt verklaard dat het CST niet geldt voor essentiële diensten. A.6.
- In een vierde onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat er geen enkele technische beperking is ten aanzien van de personen die het digitaal EU-COVID-certificaat kunnen lezen, terwijl het met de moderne technologie mogelijk is om onbevoegden te verhinderen om dat certificaat te lezen. A.6.
- In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen tussen niet-gevaccineerden, naar gelang van hun financiële situatie, gelet op het feit dat de testen zeer duur zijn. A.6.
- In een zesde onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen geen rekening houden met de situatie van de personen die het vaccin niet mogen krijgen wegens medische contra-indicaties. A.6.
- In een zevende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet in toereikende procedurele waarborgen voorzien, en meer bepaald in het voorafgaand optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter om de beslissing tot weigering van toegang tot een van de in de bestreden bepalingen bedoelde plaatsen te betwisten. A.6.
- In een achtste onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen niet het recht waarborgen, van de burgers, op toegang tot het toilet wanneer zij zich buitenshuis begeven, hetgeen onder meer cystitis kan veroorzaken. De bestreden bepalingen brengen bijgevolg de gezondheid van die burgers in gevaar en schenden het recht op menselijke waardigheid. A.6.
- In een negende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen het recht op eerbiediging van het privéleven schenden in zoverre zij de bezoekers van de geviseerde plaatsen verplichten om persoonlijke gegevens, meer bepaald over hun identiteit en adres, te onthullen. A.6.
- In een tiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de uitsluiting van de door de bestreden bepalingen geviseerde activiteiten een hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft, zodat zij een strafsanctie is in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg kan die sanctie alleen worden uitgesproken door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank. 9 A.6.
- In een elfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling creëren tussen diegenen die zich laten vaccineren om het CST te verkrijgen en diegenen die zich laten vaccineren omdat het wettelijk verplicht is, doordat de aansprakelijkheid van de overheid verschillend is in geval van ernstige bijwerkingen. A.6.
- In een twaalfde onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een discriminatie teweegbrengen van de twaalf- tot vijftienjarigen, aangezien zij niet zelf de applicatie kunnen downloaden die nodig is voor het overleggen van het CST en niet altijd met nuttig gevolg de hulp van hun ouders kunnen inroepen. A.6.
- In een dertiende onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat de bestreden bepalingen geen begeleidende maatregelen bevatten voor diegenen die geen toegang hebben tot de voor het CST noodzakelijke mobiele applicatie of die niet de nodige kennis hebben om het CST te gebruiken, zodat die personen worden gediscrimineerd. A.6.
- In een veertiende onderdeel stellen die verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een frauduleus doel nastreven, namelijk de overheden doen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid in geval van bijwerkingen van het vaccin. A.6.
- In een vijftiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen niet transparant zijn en het publieke debat over vaccinatie niet aanmoedigen, in strijd met hetgeen wordt vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 8 april 2021 inzake Vavřička. A.6.
- In een zestiende onderdeel verklaren de verzoekende partijen dat er geen waarborg is dat het systeem van de QR-code de overheid niet toelaat de verplaatsingen van burgers te controleren. A.6.
- In een zeventiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er maatregelen zijn die minder afbreuk doen aan de vrijheden dan die waarin de bestreden bepalingen voorzien, bijvoorbeeld het gebruik van een temperatuurscanner. A.6.
- In een achttiende onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen toestaan dat tot bepaalde plaatsen toegang wordt geweigerd, zonder evenwel de omvang te preciseren van de bevoegdheden van de personen die belast zijn met de controle van het CST. Dat gebrek aan duidelijkheid tast het recht van de burgers op veiligheid aan. A.6.
- In een negentiende onderdeel stellen de verzoekende partijen dat er geen beperkingen zijn voor diegenen die een vaccinatie tegen polio – de enige verplichte vaccinatie in België – hebben geweigerd. De bestreden bepalingen creëren bijgevolg een discriminatie tussen diegenen die het poliovaccin weigeren en diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren. A.6.
- In een twintigste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen niet in enige vrijstelling van het gebruik van het CST voorzien voor bijzonder dringende en noodzakelijke activiteiten die niet kunnen worden uitgesteld. Het gaat bijgevolg om onevenredige maatregelen. A.6.
- In een eenentwintigste en laatste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen diegenen die het COVID-19-vaccin weigeren, strenger behandelen dan diegenen die een wettelijk verplicht vaccin weigeren. A.6.
- Wat enkel het decreet van 29 oktober 2021 betreft, voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 bovendien aan dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre dat decreet het gebruik van het CST verplicht stelt voor de bezoekers die zich in binnenruimten van horecavoorzieningen en van fitnesscentra begeven, maar niet voor de bezoekers van andere sportcentra, handelsbeurzen, congressen en voorzieningen die behoren tot de culturele, de evenementen- en recreatiesector. Volgens hen laat het beoefenen van bepaalde activiteiten waarop die verplichting geen betrekking heeft, niet toe de social distancing in acht te nemen of een mondmasker te dragen, terwijl het die onmogelijkheid is die door de decreetgever als verantwoording wordt gegeven voor de verplichting om het CST voor te leggen. Dat verschil in behandeling is bijgevolg niet redelijk verantwoord. 10 Die verzoekende partijen stellen overigens dat bepaalde restaurantuitbaters, die over de nodige technische vaardigheden op het vlak van websites beschikken, erin slagen de CST-verplichting te omzeilen, hetgeen discriminerend is tegenover diegenen die daartoe niet over de nodige kennis beschikken. A.
- De tegenpartijen zijn van oordeel dat dit enige middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de voormelde « beginselen » en wetsbepalingen, omdat die niet vermeld zijn in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari
- Voor het overige voeren zij aan dat het enige middel, in geen van zijn onderdelen, ernstig is in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari
- Ten aanzien van het risico op een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel Wat de zaak nr. 7658 betreft A.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 voeren aan dat de bestreden bepalingen een bijzondere ernstige aantasting toestaan van de individuele vrijheden van de natuurlijke personen – waaronder de eerste vijf verzoekende partijen -, die de vzw « Notre Bon Droit » krachtens haar statutair doel kan verdedigen, aangezien het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 een groot aantal plaatsen beoogt die een ruim deel van de bevolking dagelijks aandoet. Het voorleggen van het CST om tot die plaatsen toegang te verkrijgen, gaat immers gepaard met een verwerking van persoonsgegevens, in voorkomend geval door verschillende personen. Een dergelijke verwerking, op zeer grote schaal en door middel van mobiele applicaties, houdt een risico in voor de beveiliging van de verwerkte gegevens. De bestreden bepalingen vormen ook een inmenging in het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing, in het recht om vreedzaam te vergaderen en in het recht op bewegingsvrijheid, in zoverre zij de toegang beperken tot plaatsen die essentieel zijn voor het sociale en mentale evenwicht van de bevolking, met inbegrip van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 die natuurlijke personen zijn, terwijl de sociale banden reeds sterk zijn verzwakt door de quarantainemaatregelen en de andere restrictieve maatregelen die te wijten zijn aan de gezondheidscrisis. A.8.
- De inmenging in de uitoefening van de grondrechten is nog aanzienlijker voor diegenen die niet over een vaccinatie- of herstelcertificaat beschikken. Dat is het geval voor sommige verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die zich thans niet willen laten vaccineren tegen COVID-
- Om toegang te verkrijgen tot de plaatsen die worden beoogd in het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, moeten die personen systematisch een PCR-test of een antigeentest ondergaan. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 wijzen erop dat de geldigheidsduur van die tests respectievelijk 48 en 24 uur is, zodat een niet-gevaccineerde of niet-herstelde persoon die sterk verlangt naar een normaal sociaal, cultureel en sportief leven, zich verplicht zal moeten onderwerpen aan een bijzonder hoog aantal tests. Volgens die verzoekende partijen zijn die tests niet zonder risico voor de gezondheid. Zij kunnen bloedingen en letsels aan het neustussenschot veroorzaken, of zelfs breuken in de anterieure schedelbasis, gepaard gaan met een risico van hersenvliesontsteking. De hoge kostprijs van die tests heeft bovendien tot gevolg dat iemand die een normaal sociaal, cultureel en sportief leven wil leiden, ongeveer 100 euro per week zal moeten neertellen. Bij de huidige stand van het Belgische recht is vaccinatie echter niet verplicht en kan zij dus geen grondslag vormen voor een verschil in behandeling tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden. A.8.
- Voor het overige verwijzen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 die natuurlijke personen zijn, naar de persoonlijke omstandigheden die zij ieder hebben uiteengezet om hun belang om in rechte te treden aan te tonen. A.9.
- De tegenpartijen voeren aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, niet mogen verwijzen naar de bewijsvoering van hun belang om in rechte te treden teneinde het bestaan aan te tonen van een risico op een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, omdat dit laatste begrip een veel ingrijpendere aantasting van de situatie van een partij veronderstelt dan die welke vereist is om een belang aan te tonen. A.9.
- De tegenpartijen doen overigens gelden dat de voorwaarde van het bestaan van een ernstig middel niet samenvalt met die van een risico op een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, en dat bijgevolg het risico van aantasting van verschillende grondrechten niet volstaat om het bestaan van een dergelijk risico aan te tonen. Bovendien voeren de tegenpartijen aan dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 niet concreet de omvang aantonen van het door hen aangevoerde risico van nadeel, maar dat zij zich beperken tot algemene beweringen. 11 A.9.
- De tegenpartijen verklaren dat het risico van financieel nadeel dat wordt aangevoerd door de derde verzoekende partij in de zaak nr. 7658, die een natuurlijke persoon is, niet is becijferd en dat bovendien een dergelijk risico in principe niet ernstig noch moeilijk te herstellen is, a fortiori wanneer het een nevenactiviteit betreft waarvan de omvang niet gekend is. A.9.
- Wat ten slotte de vzw « Notre Bon Droit » betreft, voeren de tegenpartijen aan dat de aantasting van het statutair doel van een rechtspersoon geen risico op een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel vormt, zelfs wanneer dat risico betrekking heeft op de natuurlijke personen die de rechtspersoon wil beschermen bij het nastreven van zijn statutair doel. Wat de zaak nr. 7666 betreft A.10.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 voeren aan dat de bestreden bepalingen hun recht op menselijke waardigheid schenden in zoverre zij hun niet toestaan normale toegang te verkrijgen tot de binnenruimte van horecavoorzieningen in het Vlaamse Gewest, waardoor zij er niet naar het toilet kunnen gaan en verplicht op het terras moeten consumeren, mogelijk in de koude en in de wind, wat een risico voor hun gezondheid alsook een gevoel van vernedering inhoudt die niet met terugwerkende kracht kunnen worden tenietgedaan. Zij verklaren dat de situatie vergelijkbaar is met die van de systematische fouilleringen op het lichaam in de gevangenissen. Bij zijn arrest nr. 143/2013 van 30 oktober 2013 oordeelde het Hof dat zij een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit vormden, die niet kan worden hersteld. A.10.
- De derde verzoekende partij in die zaak stelt overigens dat zij zich in het kader van haar werk als burgerlijk ingenieur vaak moet verplaatsen en dat zij niet langer, tijdens die verplaatsingen, naar een restaurant kan gaan. Daarnaast vreest zij een uitbreiding van het CST tot de werkvloer als dusdanig, hetgeen haar financieel nadeel zou berokkenen of zou leiden tot andere onaangename gevolgen, zoals bijvoorbeeld pesterijen door haar werkgever. De eerste verzoekende partij wenst bovendien geen smartphone te bezitten en voert aan dat het een week duurt om een papieren digitaal EU-COVID-certificaat te verkrijgen, zodat dit alternatief materieel niet mogelijk is. A.11.
- De tegenpartijen voeren in de eerste plaats aan dat de voorwaarde van het bestaan van een ernstig middel niet samenvalt met die van een risico op een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel, en dat bijgevolg het risico van aantasting van verschillende grondrechten niet volstaat om het bestaan van een dergelijk risico aan te tonen. A.11.
- De tegenpartijen stellen daarnaast dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 niet concreet het door hen aangevoerde risico van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aantonen, maar dat zij zich beperken tot algemene beweringen, waarvan sommige overigens onjuist zijn. Dat is onder meer het geval voor het verbod op toegang tot het toilet van horecavoorzieningen, dat door de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 wordt aangevoerd, toegang die in werkelijkheid wel mogelijk is zonder CST, in tegenstelling tot hetgeen zij beweren. A.11.
- De mogelijkheid voor ondernemingen om het gebruik van het CST op te leggen op de werkplek, die door de derde verzoekende partij in de zaak nr. 7666 wordt bekritiseerd, is overigens louter hypothetisch. Bovendien kan een risico van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel niet afhangen van de vaststelling van latere regelgeving, maar moet het zijn oorsprong vinden in de bestreden bepalingen. A.11.
- De tegenpartijen stellen ten slotte dat de situatie niet vergelijkbaar is met die welke aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest nr. 143/
- Ten aanzien van de belangenafweging A.
- In de zaak nr. 7658 en in de zaak nr. 7666 verzoeken de tegenpartijen het Hof, in ondergeschikte orde, om de vordering tot schorsing te verwerpen door de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Volgens hen hebben de bestreden bepalingen immers tot doel de invoering mogelijk te maken van een maatregel die de uitoefening van bepaalde grondrechten tijdelijk beperkt, precies om andere grondrechten te beschermen waarvan sommige, zoals het recht op leven en op gezondheid, nog belangrijker zijn dan die welke door de verschillende verzoekende partijen in die zaken worden aangevoerd. 12 Ten aanzien van de draagwijdte van de vordering tot schorsing A.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 en de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 vorderen de schorsing van de bepalingen die zij respectievelijk aanvechten. A.14.
- In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 het Hof dat de in die zaak bestreden bepalingen ten minste geschorst worden in zoverre zij het voorleggen van het CST toelaten voor voorzieningen van horeca-activiteiten; in zoverre zij niet waarborgen dat onbevoegden niet de technische mogelijkheid hebben om het digitaal EU-COVID-certificaat in te lezen; in zoverre zij niet bepalen dat eenieder die dat wenst in het bezit moet worden gesteld van een document of een applicatie waarmee het digitaal EU-COVID-certificaat kan worden gelezen, zelfs indien hij niet gevaccineerd is, geen test heeft ondergaan en nog niet aan COVID-19 werd blootgesteld, dat van het CST geen gebruik mag worden gemaakt vooraleer eenieder die dat wenst in het bezit ervan kan worden gesteld en dat het CST alleen door officieren van politie mag worden gelezen met een applicatie die uitsluitend kan worden gedownload door een officier van gerechtelijke of bestuurlijke politie; in zoverre zij niet waarborgen dat de toegang tot zowel vaccinaties als tests algemeen zal zijn, zowel vanuit financieel als vanuit organisatorisch oogpunt, zolang gebruik zal worden gemaakt van het CST, zodat dit gebruik niet neerkomt op een vaccinatieplicht; in zoverre zij niet bepalen dat de regering die het gebruik van het CST verplicht maakt of dit gebruik mede mogelijk maakt, op burgerrechtelijk vlak objectief aansprakelijk zal zijn voor eventuele ernstige bijwerkingen veroorzaakt of naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de vaccinatie, of zo niet, in zoverre zij niet bepalen dat die regering burgerrechtelijk aansprakelijk zal zijn voor zulke eventuele bijwerkingen op dezelfde wijze als een administratieve overheid die een vaccinatie verplicht maakt, of zo niet in zoverre zij niet bepalen dat die regering burgerrechtelijk aansprakelijk zal zijn voor zulke bijwerkingen op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek; in zoverre zij niet bepalen dat Belgische burgers door de burgemeester van hun woon- of verblijfplaats kunnen worden vrijgesteld wanneer zij een dringende en noodzakelijke activiteit, die niet kan worden uitgesteld, moeten verrichten. A.14.
- In uiterst ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 het Hof om de bestreden bepalingen te schorsen in zoverre zij niet bepalen dat de regering die het gebruik van het CST verplicht maakt of dit gebruik mede mogelijk maakt, burgerrechtelijk aansprakelijk is, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek, voor de ernstige bijwerkingen veroorzaakt of naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door de vaccinatie. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 vorderen de schorsing van de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en 13 zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021), namelijk : - de wet van 1 oktober 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België»; - het decreet van de Vlaams Gemeenschap van 1 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 26 [lees : 27] september 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 30 september 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 strekkende tot wijziging 14 van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van het Waalse Gewest van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 30 september 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- 15 certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België ». B.1.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 vorderen de schorsing van de voormelde akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en van de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 « strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021), namelijk : - de wet van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het wetgevend samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van het Waalse Gewest van 28 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van 16 persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 en 27 september 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; - het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID- certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België »; 17 - de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België en tot wijziging van de ordonnantie van 14 oktober 2021 betreffende de uitbreiding van het COVID Safe Ticket in geval van noodzakelijkheid voortvloeiend uit een specifieke epidemiologische situatie »; - het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 29 oktober 2021 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord strekkende tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende of verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België ». Ten slotte vorderen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 de schorsing van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 29 oktober 2021 « over het COVID Safe Ticket » (hierna : het CST-decreet van 29 oktober 2021). B.2.
- Het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van 14 juli 2021 « betreffende de verwerking van gegevens met betrekking tot het digitaal EU-COVID-certificaat, het COVID Safe Ticket, het PLF en de verwerking van persoonsgegevens van in het buitenland wonende op verblijvende werknemers en zelfstandigen die activiteiten uitvoeren in België » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021), vormt, luidens artikel 2, § 1, van dat akkoord, de rechtsgrond voor de 18 verwerking van persoonsgegevens die nodig zijn voor de opmaak en afgifte van het digitaal EU-COVID-certificaat en voor het genereren van het COVID Safe Ticket (hierna : het CST) op basis van het digitaal EU-COVID-certificaat. Volgens de algemene toelichting van dat samenwerkingsakkoord gaat dat laatste uit van de noodzaak om « de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken », maar tevens om « rekening [te houden] met de heropstart van de activiteiten van de burgers zoals deze werden uitgeoefend vóór de COVID-19-pandemie » (B.S., 23 juli 2021, 3de editie, p. 76710). B.2.
- Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 definieert het digitaal EU-COVID-certificaat als « een interoperabel certificaat op een papieren drager of een digitale drager met informatie over de vaccinatie, test en/of herstelstatus van de houder, afgegeven in de context van de COVID-19-pandemie » (artikel 1, § 2, 2°). Krachtens artikel 3, § 1, van dat samenwerkingsakkoord maakt het digitaal EU-COVID-certificaat de afgifte, de grensoverschrijdende verificatie en aanvaarding mogelijk van het vaccinatiecertificaat, testcertificaat en herstelcertificaat. B.2.
- Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 definieert het CST als het resultaat van de lezing van het digitaal EU-COVID-certificaat middels de COVIDScan-applicatie teneinde de toegang tot bepaalde plaatsen of bepaalde evenementen in de context van de coronavirus-COVID-19-pandemie te regelen (artikel 1, § 1, 4°). B.2.
- In de oorspronkelijke versie ervan stond het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 het gebruik van het CST toe om de toegang te regelen tot een proef- en pilootproject, enerzijds, en een massa-evenement, anderzijds (artikel 1, § 1, 4°, 11° en 12°), en dit tot 30 september 2021 (artikel 33, § 1, 3°). B.
- De vorderingen tot schorsing hebben betrekking op de akten waarbij instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en met het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, die het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 wijzigen, alsook op de uitvoering van dat laatste door de Vlaamse Gemeenschap, bij het CST-decreet van 29 oktober
- 19 B.4.
- Het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 corrigeert sommige materiële vergissingen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, breidt het materiële toepassingsgebied uit van de artikelen die het juridische kader van het CST definiëren en verlengt de mogelijkheid om het CST te gebruiken tot na 30 september
- Het bepaalt dat, naast de proef- en pilootprojecten, alsook de massa-evenementen, het CST kan worden gebruikt om de toegang toe te staan tot de horecavoorzieningen, de sport- en fitnesscentra, de handelsbeurzen en congressen, de voorzieningen die behoren tot de culturele, feest- en recreatieve sector, de voorzieningen voor residentiële opvang van kwetsbare personen en, ten slotte, de dancings en discotheken. In de algemene toelichting van het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 wordt vermeld : « In het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021 werd het gebruik van het COVID Safe Ticket ingevoerd voor massa-evenementen en proef- en pilootprojecten en werd tevens bepaald dat deze maatregel maar van toepassing was tot en met 30 september
- Gezien enerzijds de epidemiologische situatie in België nog altijd precair blijft en de besmettingen met het coronavirus COVID-19 in sommige delen van het land opnieuw in stijgende lijn zijn en gezien anderzijds het feit dat een heropflakkering van het virus nooit uit te sluiten valt, kan het COVID Safe Ticket op dat ogenblik een nuttig instrument zijn om te vermijden dat een hele reeks activiteiten opnieuw moet worden beperkt of sectoren dienen te worden gesloten. Inderdaad, het COVID Safe Ticket is een belangrijk instrument gebleken en is dat nog altijd voor de economische en sociale heropstart van de maatschappij. Het alternatief dat onze maatschappij weer zou dienen af te glijden in een nieuwe lockdown dient zoveel als mogelijk te worden vermeden. Het gebruik van het COVID Safe Ticket heeft dan ook als doel om uit de crisis te raken en sluitingen zoveel als mogelijk te vermijden. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om voor een periode langer dan 30 september 2021 het gebruik van het COVID Safe Ticket toe te staan ». B.4.
- Het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021 corrigeert bepaalde materiële vergissingen in het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en brengt daarin verschillende wijzigingen aan teneinde de gezondheidssituatie doeltreffender te beheren bij de afkondiging van een epidemische noodsituatie in de zin van de wet 14 augustus 2021 « betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie » (hierna : de wet van 14 augustus 2021). B.
- Het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 20 28 oktober 2021, somt op exhaustieve wijze de plaatsen op waarvan de toegang afhankelijk kan worden gemaakt van het voorleggen van het CST. Vervolgens staat het aan de deelentiteiten, of aan de federale overheid in geval van een epidemische noodsituatie in de zin van de wet van 14 augustus 2021, dat samenwerkingsakkoord ten uitvoer te leggen en in voorkomend geval te beslissen om bij wetskrachtige bepaling daadwerkelijk op te leggen dat het CST moet worden voorgelegd om toegang te hebben tot die plaatsen. B.
- Bij het CST-decreet van 29 oktober 2021 heeft de Vlaamse Gemeenschap het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2021, ten uitvoer gelegd. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.7.
- Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.7.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden akten; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 zijn natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het CST en die regelmatig een bezoek brengen aan horecavoorzieningen, waarvan de toegang afhankelijk kan worden gemaakt van het voorleggen van het CST krachtens het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021 en bij het samenwerkingsakkoord van 28 oktober
- Bij het CST-decreet van 29 oktober 2021 heeft de Vlaamse Gemeenschap het voorleggen van het CST daadwerkelijk verplicht gemaakt. Bijgevolg zouden die 21 verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig geraakt kunnen worden door de in de zaak nr. 7666 bestreden akten in zoverre zij geen toegang meer hebben tot de horecavoorzieningen in het Vlaamse Gewest. B.9.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, verklaren dat zij regelmatig de plaatsen bezoeken die worden beoogd door het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, waarvan de toegang afhankelijk kan worden gemaakt van het voorleggen van het CST, in het kader van hun vrijetijdsactiviteiten, in het kader van een beroepsopleiding, alsook om naasten te bezoeken. De vijfde verzoekende partij wordt daarnaast ertoe gebracht sommige van die plaatsen te bezoeken in het kader van haar beroepsactiviteit als zelfstandige in bijberoep. Sommige van die verzoekende partijen vermelden dat zij overigens niet gevaccineerd zijn tegen COVID-
- B.9.
- De omstandigheid dat het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, het voorleggen van het CST niet zelf verplicht maakt om toegang te hebben tot de daarin beoogde plaatsen, daar het staat aan de deelentiteiten of de federale overheid om die verplichting op te leggen bij een latere normatieve akte, belet niet dat die verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt door de door hen bestreden bepalingen, daar die bepalingen strekken tot de instemming met het samenwerkingsakkoord van 14 juli 2021, zoals gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 27 september 2021, waarin, enerzijds, de plaatsen waarvoor het voorleggen van het CST kan worden vereist exhaustief worden vermeld, en waarin, anderzijds, de wijze wordt gepreciseerd waarop de persoonsgegevens worden verwerkt, hetgeen het voorwerp uitmaakt van het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing in de onderhavige zaak. B.
- Daar in dit stadium ervan moet worden uitgegaan dat die verzoekende partijen doen blijken van een belang bij het beroep, dient niet te worden nagegaan of de vzw « Notre Bon Droit » eveneens doet blijken van een belang om in rechte op te treden. B.
- Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vorderingen tot schorsing is kunnen 22 overgaan, blijkt niet dat de beroepen tot vernietiging - en dus de vorderingen tot schorsing - onontvankelijk moeten worden geacht. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
- De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die norm. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 23 Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.14.
- De vzw « Notre Bon Droit » voert aan dat de in de zaak nr. 7658 bestreden bepalingen ernstige aantastingen van de fundamentele rechten van de Belgische burgers in het kader van de coronapandemie mogelijk maken. B.14.
- Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en waarop die beginselen en dat belang betrekking hebben. In zoverre het de schending beoogt van de grondrechten waarvan de verdediging het statutair doel van die verzoekende partij vormt, is het aangevoerde nadeel een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming van wetsbepalingen, waarvan de verzoekende partij aanvoert dat die in strijd zijn met de beginselen waarvan de verdediging haar statutair doel vormt. Dat nadeel is niet moeilijk te herstellen, daar het bij vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. B.14.
- Los van de vraag of de vzw doet blijken van het vereiste belang om in rechte op te treden (B.10), kan de vordering tot schorsing, wat haar betreft, niet worden ingewilligd. B.15.
- De andere verzoekende partijen in de zaak nr. 7658 zijn vijf natuurlijke personen. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen afbreuk doen aan het sociaal en mentaal evenwicht van de bevolking in het algemeen en aan dat van de verzoekende partijen in het bijzonder, in zoverre zij het mogelijk maken de toegang tot sommige plaatsen die essentieel zijn voor dat evenwicht, te onderwerpen aan het voorleggen van het CST. Ter illustratie verwijzen de verzoekende partijen naar plaatsen die ze wensen te bezoeken in hun vrije tijd, zoals horecazaken en theaters. Ze verwijzen tevens naar bezoeken aan kwetsbare personen die in woonzorginstellingen verblijven en naar het bezoek aan een handelsbeurs in het kader van een activiteit als zelfstandige in bijberoep. 24 B.15.
- In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar het nadeel dat de bevolking in het algemeen ingevolge de bestreden bepalingen zou ondergaan, gaat het niet om een persoonlijk nadeel en kan het bijgevolg niet worden aangevoerd ter ondersteuning van hun vordering tot schorsing. B.15.
- Weliswaar kan de invoering van het CST voor personen die er niet over beschikken tot gevolg hebben dat de toegang tot bepaalde activiteiten die zij als aangenaam, aangewezen of nuttig ervaren, tijdelijk onmogelijk is. De door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen hebben evenwel niet een dergelijke impact dat ze als ernstig kunnen worden beschouwd. B.16.
- Vervolgens voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, aan dat, ten aanzien van de personen die niet in het bezit zijn van een vaccinatie- of herstelcertificaat, zoals sommigen onder hen, de bestreden bepalingen de verplichting met zich meebrengen om frequent een PCR-test of antigeentest te ondergaan. Die verplichting houdt volgens hen bepaalde risico’s in voor de gezondheid, « daar de voormelde tests bloedingen en letsels aan het neustussenschot kunnen veroorzaken, of zelfs breuken in de anterieure schedelbasis, gepaard gaand met een risico van hersenvliesontsteking ». Die tests brengen ook extra kosten met zich. De verzoekende partijen ramen de kostprijs van die tests voor een persoon die een normaal sociaal, cultureel en sportief leven wil leiden, op 100 euro per week. B.16.
- Hoewel het ondergaan van de voormelde testen door sommige personen als onaangenaam kan worden ervaren, zijn ze niet dermate invasief dat ze een ernstig fysiek nadeel zouden berokkenen. De verzoekende partijen brengen geen precieze en concrete gegevens aan die de ernst en het risico aantonen die de voormelde tests ten gevolge zouden hebben voor hun fysieke integriteit. Het aangevoerde nadeel is derhalve te vaag en te hypothetisch om als ernstig te worden beschouwd. Het loutere risico een financieel verlies te lijden, vormt in beginsel geen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. B.17.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7658, die natuurlijke personen zijn, voeren ten slotte aan dat de bestreden bepalingen een risico inhouden voor de veiligheid van 25 de persoonsgegevens die op basis van die bepalingen worden verwerkt, daar telkens als het CST wordt voorgelegd om toegang te hebben tot de in die bepalingen beoogde plaatsen, persoonsgegevens wordt verwerkt, in voorkomend geval door verschillende personen. B.17.
- De in het CST opgenomen persoonsgegevens zijn beperkt tot de identiteitsgegevens van de houder, namelijk de naam en voornaam, en de geldigheidsduur van het CST. De verzoekende partijen voeren geen precieze en concrete gegevens aan waaruit zou blijken dat, in afwachting van de uitspraak van het Hof over de grond van de zaak, hun persoonsgegevens mogelijk zouden worden gelekt of zouden worden misbruikt. Het aangevoerde nadeel is enkel hypothetisch en kan geen schorsing van de bestreden bepalingen verantwoorden. B.18.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7666 voeren tot staving van hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de eerste plaats aan dat de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat ze zich niet langer vrij kunnen verplaatsen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, aangezien zij geen toegang of geen normale toegang meer hebben tot cafés en restaurants zonder buitenruimtes. Zij betogen dat, indien er wel buitenruimtes beschikbaar zijn, het verplicht gebruik van die ruimtes in de wind of in de koude hun lichamelijke integriteit en menselijke waardigheid zou aantasten. B.18.
- In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de dagelijkse verplaatsingen van de burgers niet noodzakelijk inhouden dat die moeten gepaard gaan met een bezoek aan een café of restaurant, althans niet in het kader van hun beroepsleven. Voor zover dat voor de verzoekende partijen wel het geval is en zij dergelijke activiteiten tijdelijk moeten missen of enkel van de buitenruimtes in de horeca kunnen gebruik maken, kan die verplichting voor hen mogelijk onaangenaam zijn. Het aangevoerde nadeel heeft evenwel niet een dergelijke impact dat het als ernstig of moeilijk te herstellen kan worden beschouwd. In geen geval kunnen de verzoekende partijen worden gevolgd wanneer die impact wordt vergeleken met de impact die fouilleringen op het lichaam hebben op de lichamelijke integriteit. Wat de onmogelijkheid om de toiletten in de horecavoorzieningen te gebruiken betreft, zoals aangeklaagd door die verzoekende partijen, dient te worden vastgesteld dat het CST- decreet van 29 oktober 2021 dat gebruik niet verbiedt, daar het preciseert dat de verplichting om het CST voor te leggen om de binnenruimte van horecavoorzieningen te betreden niet 26 geldt voor een « kortstondige toegang die niet gericht is op consumptie in de voorziening mits gebruik van een mondmasker » (artikel 5, § 2, 1°, b)). B.
- Ten slotte zet de eerste verzoekende partij geen precieze en concrete feiten uiteen die toelaten de werkelijkheid en bijgevolg de ernst te beoordelen van het nadeel dat volgens haar zou voortvloeien uit de onmogelijkheid om op minder dan een week tijd een CST op papier te verkrijgen, voor de personen die niet beschikken over een smartphone. Zij beperkt zich tot een algemene bewering die steunt op een onlinepersartikel en zij toont niet aan waarom het in haar geval onmogelijk is om zelf via een computer een CST af te drukken. B.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Daar een van de bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereiste voorwaarden niet is vervuld, kan de vordering tot schorsing niet worden ingewilligd. Bijgevolg dient evenmin uitspraak te worden gedaan over de ondergeschikte vragen van de verzoekende partijen in de zaak nr
- 27 Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.010 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.033 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.068 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.075 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.076 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div