id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.014 Arrest- Rolnummer: 14/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 948 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968, in de interpretatie dat de verzoeker geen afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen) - Geen schending (dezelfde bepaling, in de interpretatie dat de verzoeker afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gelezen in samenhang met de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Strafvordering - Politie over het wegverkeer - Bevel tot betalen - Afstand van het beroep tegen het bevel tot betalen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 14/2022 van 3 februari 2022 Rolnummer : 7502 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gelezen in samenhang met de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 januari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2021, heeft de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 65/1, § 2 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals ingevoegd door art. 45 van de Programmawet van 25 december 2016, samen gelezen met art. 187 § 7 en art. 206 Wetboek van Strafvordering, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in de interpretatie dat deze bepaling, niet toelaat om afstand te doen van het beroep tegen het bevel tot betalen ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 24 november 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 december 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 december 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil De procedure voor de verwijzende rechter betreft een ontvankelijk beroep tegen een bevel tot betalen op grond van artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet). Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dat zij afstand wenst te doen van haar beroep tegen het bevel tot betalen, nu zij intussen de geldboete volledig heeft betaald en enkel beroep had aangetekend wegens financiële problemen, met de bedoeling een afbetalingsplan te verkrijgen van de rechter. De verwijzende rechter stelt allereerst vast dat er in de rechtspraak discussie bestaat over de vraag of de rechtbank bij een ontvankelijk beroep tegen een bevel tot betalen bevoegd is om als strafrechter ten gronde, met volheid van bevoegdheid, uitspraak te doen, dan wel enkel bevoegd is om het bevel tot betalen voor niet-bestaande te houden. De verwijzende rechter stelt vervolgens vast dat artikel 65/1 van de Wegverkeerswet niet voorziet in een mogelijkheid voor de verzoekende partij om afstand te doen van haar beroep tegen het bevel tot betalen, terwijl in de mogelijkheid tot afstand wel wordt voorzien in de artikelen 187 en 206 van het Wetboek van strafvordering. Voormelde vaststelling is, volgens de verwijzende rechter, een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad merkt op dat de interpretatie van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet geen probleem vormt, aangezien in de parlementaire voorbereiding van die bepaling uitdrukkelijk is aangegeven dat, indien de overtreder beroep indient tegen het bevel tot betalen, de zaak ten gronde wordt behandeld door de politierechtbank (Parl. St. Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 31). De Ministerraad erkent dat ook in die interpretatie de vraag kan worden gesteld naar de mogelijkheid om afstand te doen van het beroep dat door de verzoekster is ingediend tegen een bevel tot betalen. A.2.
- Allereerst voert de Ministerraad aan dat de door de verwijzende rechter vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De persoon die afstand kan doen van zijn beroep met toepassing van artikel 187, § 7, dan wel van artikel 206 van het Wetboek van strafvordering, bevindt zich in de situatie waarbij een rechtbank zich reeds heeft gebogen over zijn schuldvraag en de straftoemeting, waarbij het openbaar ministerie zelf beroep kan instellen en waarbij de afstand van het beroep door de overtreder niet betekent dat ook het openbaar ministerie automatisch afstand zou moeten doen. De persoon die een beroep instelt tegen een bevel tot betalen met toepassing van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, heeft nog geen rechterlijke toetsing ondergaan en het openbaar 3 ministerie kan niet zelf in beroep gaan. Derhalve beschikt die persoon over de mogelijkheid om zelf te beslissen de zaak al dan niet voor de rechterlijke macht te brengen, namelijk door beroep aan te tekenen tegen het bevel tot betalen, terwijl voor de eerste categorie de zaak reeds behandeld is geweest door de rechterlijke macht. A.2.
- In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat het verschil in behandeling objectief is en redelijk te verantwoorden. In geval van het indienen van een beroep tegen een bevel tot betalen is het de verzoeker zelf die de rechtbank adieert, terwijl dit niet het geval is bij een verzoeker die beroep indient met toepassing van de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering. Daarnaast kan in geval van beroep met toepassing van de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering, ook het openbaar ministerie beroep indienen, waardoor die categorie van personen niet de zekerheid heeft dat het door hen ingediende beroep geen reactie van het openbaar ministerie zal uitlokken om evenzeer in beroep te gaan, waardoor het hoger beroep niet zal vervallen wanneer de verzoeker zijn beroep naderhand zou intrekken. Het in het geding zijnde artikel van de Wegverkeerswet, zoals ingevoerd bij de programmawet van 25 december 2016, heeft als doelstelling de ontlasting van de politierechtbanken. Proceseconomie was één van de ratio’s van de wijziging van de Wegverkeerswet : wie niet betaalt, wie niet ingaat op een minnelijke schikking, ontvangt een bevel tot betalen en daarmee moet de zaak kunnen worden afgehandeld. Maar het staat de verzoeker steeds vrij om de rechterlijke macht te adiëren. Wanneer dit gebeurt, primeert het recht op een eerlijk proces boven de proceseconomie. Maar dit kan, volgens de Ministerraad, niet in omgekeerde zin werken; zodra de rechter is geadieerd, kan niet lukraak worden teruggeschakeld, door afstand te doen van het beroep tegen het bevel tot betalen. Bovendien komt de verzoeker die de politierechter heeft geadieerd, met toepassing van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, wanneer hij een vonnis verkrijgt van de politierechter, in dezelfde situatie terecht als de categorie van personen waarmee hij wordt vergeleken, aangezien het desbetreffende vonnis vatbaar is voor hoger beroep, met toepassing van de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering, waarvan de verzoeker naderhand afstand zou kunnen doen. A.2.
- Een bijkomende toetsing aan artikel 13 van de Grondwet verandert, volgens de Ministerraad, hieraan niets. De verzoeker verliest in geen geval de rechten die de wet hem toekent. -B- B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegwerkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt in de interpretatie dat die bepaling niet toelaat afstand te doen van het beroep tegen het bevel tot betalen, terwijl een persoon die hoger beroep instelt tegen een vonnis of er verzet tegen aantekent wel afstand kan doen van zijn beroep, overeenkomstig de artikelen 187, § 7, en 206 van het Wetboek van strafvordering. B.2.
- Artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals van toepassing voor de verwijzende rechter, bepaalt : 4 « De overtreder of diens advocaat kan binnen de dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de bevoegde politierechtbank. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Op straffe van onontvankelijkheid vermeldt het verzoekschrift het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis. De overtreder wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief of per aangetekende zending opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee. De griffier deelt onverwijld de definitieve beslissing inzake de ontvankelijkheid van het beroep mee aan de procureur des Konings. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd ». B.2.
- Het in het geding zijnde artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet werd evenwel in zijn geheel vervangen bij artikel 29, 2°, van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken » (Belgisch Staatsblad, 30 november 2021, inwerkingtreding op 10 december 2021) en bepaalt thans : « De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat kan binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift : 1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de partij die beroep aantekent; 5 2° het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer dat wordt vermeld op het bevel tot betalen; 3° dat het om een beroep tegen het bevel tot betalen gaat; 4° de redenen van het beroep. Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde register. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis. De verzoeker wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee. Het beroep maakt de zaak in zijn geheel aanhangig voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd. De rechtbank beoordeelt de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde en maakt, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing van de strafwet. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering. Tegen de beslissing van de politierechtbank kan hoger beroep worden ingesteld volgens de bepalingen opgenomen in het Wetboek van strafvordering ». De voormelde wijziging laat het in de prejudiciële vraag opgeworpen grondwettigheidsprobleem onverlet. B.2.
- Artikel 187, § 7, van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « De partij die verzet heeft gedaan kan ervan afstand doen of dat beperken volgens de nadere regels inzake afstand of beperking in hoger beroep, verduidelijkt in artikel 206 ». Artikel 206 van hetzelfde Wetboek bepaalt : 6 « De partijen in het geding kunnen afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken, met een verklaring, ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen. De verklaring kan in voorkomend geval ook worden gedaan op de griffie van de gevangenis of van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt in het daartoe bestemd register. Bij de in het tweede lid voorziene gevallen geven de bestuurders van de inrichtingen van die verklaring onmiddellijk bericht aan het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen en stelt hem, binnen vierentwintig uren, een uitgifte van het proces-verbaal in handen. Bericht en uitgifte worden bij het dossier gevoegd. Van de afstand of beperking door het openbaar ministerie gedaan, worden de beklaagde, en in voorkomend geval de burgerlijke partij, of hun advocaten, binnen de vierentwintig uren op de hoogte gesteld. De partijen in het geding kunnen ook op de zitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken. De afstand of beperking van het ingesteld hoger beroep kan worden ingetrokken totdat er akte van is verleend door het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen. Ingeval van hoger beroep met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering, kan de partij tegen wie het hoger beroep gericht is, evenwel beslissen de afstand niet te aanvaarden indien incidenteel beroep is ingesteld ». B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
- De Ministerraad doet gelden dat de in de prejudiciële vraag beoogde personen niet vergelijkbaar zijn. De persoon die afstand kan doen van zijn hoger beroep, met toepassing van artikel 206 van het Wetboek van strafvordering, bevindt zich in de situatie waarbij een rechtbank zich reeds gebogen heeft over zijn schuldvraag en de straftoemeting, waarbij het 7 openbaar ministerie zelf hoger beroep kan instellen en waarbij de afstand van zijn hoger beroep niet automatisch de afstand door het openbaar ministerie inhoudt. De persoon die beroep instelt tegen het bevel tot betalen, met toepassing van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, heeft daarentegen nog geen rechterlijke toetsing ondergaan en het openbaar ministerie kan niet zelf in beroep gaan. B.4.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De verschillen waarnaar de Ministerraad verwijst, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. De verschillen tussen een verzoeker die beroep instelt tegen een bevel tot betalen en een verzoeker die hoger beroep instelt tegen een vonnis sluiten niet uit dat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen met elkaar worden vergeleken ten aanzien van de mogelijkheid om al dan niet afstand te doen van het door hen ingediende beroep. B.
- Het bevel tot betalen is initieel ingevoerd bij de wet van 22 april 2012 en had tot doel « te voorkomen dat boetes onbetaald zouden blijven en de politieparketten te ontlasten » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2074/002, p. 3) : « Het bevel tot betalen wordt na de onmiddellijke inning en eventueel de minnelijke schikking en vóór de dagvaarding voor de politierechtbank geschoven zonder dat de overtreder enig recht verliest of de bevoegdheden van de rechtbank worden ingekort » (ibid.). De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december 2016 vermeldt : « Het […] is de laatste stap in de procedure van een eventueel verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28). B.6.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 april 2012 en de programmawet van 25 december 2016 kan niet worden afgeleid dat het niet voorzien in de mogelijkheid om afstand te doen van het ingediende beroep tegen het bevel tot betalen, doelbewust dan wel een vergetelheid is. Dit impliceert niet dat er hierdoor geen redelijke verantwoording is voor het in het geding zijnde verschil in behandeling. Het Hof kan niet tot 8 een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie besluiten om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de objectieve en redelijke verantwoording van het verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit immers niet uit dat aan een maatregel een doelstelling van algemeen belang ten grondslag kan liggen die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden. B.6.
- Zoals in B.5 is vermeld, vormt de proceseconomie één van de redenen tot het invoeren van het bevel tot betalen in de Wegverkeerswet. De overtreder die niet betaalt en niet ingaat op een voorstel tot minnelijke schikking, ontvangt een van rechtswege uitvoerbaar bevel tot betalen. De overtreder heeft evenwel steeds de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen dat bevel tot betalen, waardoor de politierechter wordt geadieerd. B.7.
- Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de beslissing waartegen een beroep wordt ingesteld, zijnde een bevel tot betalen dan wel een vonnis. B.7.
- Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde aanmaning tot betalen. « De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 29). De verzoeker heeft derhalve reeds op verschillende ogenblikken de kans gehad de strafvordering te doen vervallen door het betalen van de verkeersboete. Echter, de zaak zal pas voor het eerst door een rechter kunnen worden beoordeeld, zowel wat betreft de schuldvraag als wat betreft de straftoemeting, wanneer een beroep tegen het bevel tot betalen wordt ingediend. B.7.
- De vaststelling dat bij een bevel tot betalen enkel de overtreder een beroep kan instellen en niet het openbaar ministerie, terwijl bij een vonnis ook het openbaar ministerie ook hoger beroep kan instellen, kan niet verantwoorden waarom de overtreder geen mogelijkheid zou hebben om afstand te doen van zijn ingesteld beroep. 9 Daarnaast kan de doelstelling « politieparketten te ontlasten » verantwoorden waarom de adiëring van de rechterlijke macht pas mogelijk is nadat het bevel tot betalen ontvangen is, maar niet verantwoorden waarom, in geval van beroep door de overtreder, hij naderhand niet de mogelijkheid zou hebben om van dat beroep afstand te doen. B.7.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie dat afstand van beroep tegen het bevel tot betalen niet mogelijk is, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Gelet op het voorgaande is het niet noodzakelijk de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te onderzoeken. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.8.
- De in het geding zijnde bepaling kan evenwel op een andere, grondwetsconforme wijze worden geïnterpreteerd. Er dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat het recht op beroep heel nauw samenhangt met het recht op afstand van dit beroep. Overeenkomstig artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn « de in dit wetboek gestelde regels […] van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek ». Zo werd er terecht opgemerkt dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek « het gemeen recht van de rechtspleging » uitmaken, met inbegrip van de strafrechtspleging (memorie van toelichting van het ontwerp van wet houdende het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St., Senaat, 1963-1964, nr. 60, p. IV, en het verslag van de koninklijk commissaris van de gerechtelijke hervorming, ibid., p. 60). Daarnaast bepaalt artikel 823, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat afstand van geding geoorloofd is in alle zaken. Er kan bijgevolg worden aangenomen dat wanneer iemand de bevoegdheid heeft om een beroep in te dienen tegen een bevel tot betalen, dit ook de bevoegdheid moet inhouden om afstand te doen van dat beroep. 10 B.8.
- In de interpretatie dat afstand van beroep tegen het bevel tot betalen mogelijk is, is het in het geding zijnde verschil in behandeling onbestaande. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verzoeker geen afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de verzoeker afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.014 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.050 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.060 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.095 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div