← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.015

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.015 Arrest- Rolnummer: 15/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 846 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende boek I en artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent. Strafrechtspleging - Opsporingsonderzoek / Gerechtelijk onderzoek - Ambtshalve toezicht door de kamer van inbeschuldigingstelling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 15/2022 van 3 februari 2022 Rolnummer : 7525 In zake : de prejudiciële vragen betreffende boek I en artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J.-P. Moerman, R. Leysen, Y. Kherbache, T. Detienne en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 25 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 maart 2021, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), in zoverre het aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon niet het recht toekent om in een opsporingsonderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten aan de kamer van inbeschuldigingstelling als een onafhankelijke rechtsinstantie te vragen een controle uit te oefenen op de voortgang van dit opsporingsonderzoek, terwijl een verdachte die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten wel deze mogelijkheid geniet ? »; « Schendt artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), om reden dat een verdachte die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten de kamer van inbeschuldigingstelling niet kan vatten teneinde controle uit te oefenen op de voortgang van de procedure, terwijl een verdachte die 2 het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten wel deze mogelijkheid geniet ? ». Memories zijn ingediend door : - L.G., N.J., B.J., T.J. en S.J., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent, en door Mr. G. D. Goyvaerts, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 november 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Detienne te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 december 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 december 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil Verscheidene personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten, richten zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling bij het Hof van Beroep te Gent teneinde controle uit te oefenen op de voortgang van de procedure op basis van artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering. Ze zijn er zich van bewust dat die bepaling enkel toepassing vindt in het kader van een gerechtelijk onderzoek, maar zijn van oordeel dat het ontbreken van dat formele controlerecht door de kamer van inbeschuldigingstelling op langdurige opsporingsonderzoeken discriminerend is en in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Om die reden verzoeken zij het verwijzende rechtscollege om het Hof hierover te ondervragen. Het verwijzende rechtscollege acht het antwoord onontbeerlijk om een oordeel te vellen over de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid door het openbaar ministerie tegen het ingediende verzoekschrift tot controle van het langdurige opsporingsonderzoek, evenals om aan een eventuele vastgestelde ongrondwettigheid een einde te kunnen maken door artikel 136 van het Wetboek van strafvordering aan te vullen. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. De verzoekers in het bodemgeschil, die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek dat opgestart is in 2018, stellen dat beide vragen in essentie betrekking hebben op dezelfde rechtsvraag. Zij bekritiseren dat in het kader van een opsporingsonderzoek er geen enkel rechterlijk optreden mogelijk is dat ertoe bijdraagt dat het strafrechtelijk onderzoek binnen een redelijke termijn wordt afgerond. Dit klemt des te meer nu het openbaar ministerie volledig autonoom en naar eigen goeddunken kan beslissen om al dan niet een strafvordering aanhangig te maken met het vorderen van een gerechtelijk onderzoek. Het bekritiseerde onderscheid berust dan ook op willekeur die bijzonder verstrekkende gevolgen kent voor de rechten van rechtzoekenden. A.1.
  2. De verschillen tussen een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk onderzoek zijn niet van die aard dat het redelijk verantwoord zou zijn dat enkel bij een gerechtelijk onderzoek een controle op de voortgang van het onderzoek bestaat door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Ten eerste kan de mate van indringendheid van onderzoekshandelingen in het kader van een opsporingsonderzoek het onderscheid niet verantwoorden, aangezien dit losstaat van een controle op de voortgang van het onderzoek. Overigens komen ook in een opsporingsonderzoek dwangmaatregelen en inbreuken op fundamentele rechten voor. Ten tweede kan de vaststelling dat de onderzoeksrechter het onderzoek à charge en à décharge dient te voeren het bekritiseerde onderscheid evenmin verantwoorden, aangezien dit ook geldt voor het openbaar ministerie bij het voeren van een opsporingsonderzoek (zoals bijvoorbeeld weergegeven in de artikelen 28bis, § 3, en 37, § 1, van het Wetboek van strafvordering). A.1.
  3. Daarenboven dient het belang van de onmogelijkheid voor de kamer van inbeschuldigingstelling om controle uit te oefenen op de voortgang van het opsporingsonderzoek te worden begrepen in het licht van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een verdedigbare klacht over de schending van de redelijke termijn. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 13 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens de overheid toelaat te kiezen voor een rechtsmiddel dat hangende procedures kan versnellen, zoals de in het geding zijnde bepaling, of een post factum rechtsmiddel voor vertragingen die reeds hebben plaatsgevonden. De voorkeur gaat evenwel uit naar preventieve rechtsmiddelen die een schending van de redelijke termijn kunnen voorkomen. De verzoekers in het bodemgeschil wijzen erop dat reeds wetgevende initiatieven ondernomen zijn om die ongelijke behandeling te verhelpen. Zij zijn dan ook van oordeel dat de twee prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. A.2.
  4. De Ministerraad is eveneens van oordeel dat beide vragen samen dienen te worden beoordeeld. Allereerst wijst de Ministerraad op het onderscheid tussen het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek en stelt dat dit ook erkend wordt in recente rechtspraak van het Hof. Zo heeft het Hof bij zijn arrest nr. 97/2020 van 25 juni 2020 geoordeeld dat het niet discriminerend is dat personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek niet het recht hebben om bijkomende opsporingshandelingen te vragen, terwijl personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek wel het recht hebben om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen. De voorliggende prejudiciële vragen op een ander wijze beantwoorden, zou een moeilijk verklaarbare inconsistentie doen ontstaan. Het valt immers niet in te zien waarom de mogelijkheid om bijkomende opsporingshandelingen te vragen op grondwettige wijze kan worden ontzegd aan de personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de mogelijkheid om te verzoeken rechterlijk toezicht uit te oefenen op opsporingsonderzoeken die na verloop van een jaar nog niet zijn afgerond. Dat is des te meer het geval aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling, mocht ze geadieerd kunnen worden tijdens het opsporingsonderzoek overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling, bijkomende opsporingsdaden zou kunnen bevelen met toepassing van artikel 235 van het Wetboek van strafvordering. A.2.
  5. De afweging van de publieke belangen die ten grondslag liggen aan de inrichting van de strafprocedure komt aan de wetgever toe. Die beschikt over een brede beoordelingsvrijheid, die slechts wordt beperkt wanneer de gemaakte keuzes kennelijk onredelijk zijn, wat in casu niet het geval is. Het criterium van onderscheid tussen beide categorieën is objectief : in het ene geval worden personen onderworpen aan een opsporingsonderzoek, in het andere geval aan een gerechtelijk onderzoek. Het toekennen van een rechtsmiddel aan personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek dat na een jaar niet is afgesloten, dient een wettig doel. Het maakt de controle van de voortgang van het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling mogelijk, waardoor de rechten van de betrokkenen worden gewaarborgd. 4 A.2.
  6. In het licht van de verschillende aard en modaliteiten die gepaard gaan met beide vormen van onderzoek, is het een pertinente keuze van de wetgever om dat rechtsmiddel niet ter beschikking te stellen van personen die slechts het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek. Het ruimere voorwerp en doel van het opsporingsonderzoek hebben de wetgever immers ertoe gebracht te oordelen dat het openbaar ministerie tijdens een dergelijk onderzoek niet louter op eigen initiatief dwangmaatregelen kan opleggen en ook geen handelingen kan stellen die een schending van individuele rechten en vrijheden inhouden. Vermits de gevolgen uit hun aard zelf minder verregaand zijn, bestaat geenszins dezelfde nood om de kamer van inbeschuldigingstelling, na verloop van een tijdsperiode van een jaar waarin bepaalde onderzoeksdaden zijn gesteld, toezicht te laten houden op de afronding van het onderzoek. A.2.
  7. De keuze van de wetgever is bovendien evenredig. De gevolgen zijn niet zo verregaand als de verzoekers in het bodemgeschil suggereren. Reeds tijdens het opsporingsonderzoek genieten zij die er het voorwerp van uitmaken een aantal procedurele garanties. Bovendien rust op de procureur des Konings wel degelijk de plicht om te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld. Indien dit niet zou zijn gebeurd, zal de vonnisrechter daar ook de gepaste conclusies aan verbinden ten aanzien van de ontvankelijkheid van de strafvordering of de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksdaden te bevelen. Rekening houdend met die procedurele waarborgen is het recht op een eerlijk proces van de betrokkenen afdoende gewaarborgd. Van een schending van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens kan dan ook geen sprake zijn. A.2.
  8. Tot slot is het kennelijk onjuist dat de overschrijding van de redelijke termijn in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zonder gevolg zou blijven. Het overschrijden van de redelijke termijn dient nog niet te worden beoordeeld door een rechter tijdens het vooronderzoek. Indien het vooronderzoek een redelijke termijn zou hebben overschreden, kan rechtsherstel worden verkregen met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Indien de duur van de strafvordering de redelijke termijn overschrijdt, kan de vonnisrechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. De prejudiciële vragen moeten bijgevolg ontkennend worden beantwoord. -B- B.1.
  9. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of boek I van het Wetboek van strafvordering en artikel 136 van hetzelfde Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij niet voorzien in het recht voor de verdachte in een opsporingsonderzoek om de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken controle uit te oefenen op de voortgang van dat onderzoek, als het na een jaar nog niet is afgesloten. B.1.
  10. Het Hof wordt verzocht die situatie te vergelijken met die van de inverdenkinggestelde in het kader van een gerechtelijk onderzoek die wel een dergelijk recht geniet. Als het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak immers bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 136 van het Wetboek van strafvordering, dat bepaalt : 5 « De kamer van inbeschuldigingstelling houdt ambtshalve toezicht op het verloop van de onderzoeken, kan verslag vragen over de stand van zaken en kan kennis nemen van de dossiers. Zij kan een van haar leden machtigen en uitspraak doen overeenkomstig de artikelen 235 en 235bis. Als het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij. De kamer van inbeschuldigingstelling treedt op overeenkomstig het vorige lid en artikel 136bis. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing ». B.
  11. De voormelde bepaling werd in het Wetboek van strafvordering ingevoegd bij artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 « tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek ». Met betrekking tot artikel 136 van het Wetboek van strafvordering vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het werd […] noodzakelijk geacht een zekere vorm van toezicht uit te oefenen op het verloop van de onderzoeken. Dit stemt overeen met de voornamelijkste functie die het ontwerp aan de kamer van inbeschuldigingstelling wil toeschrijven, en met de oorsprong van deze instelling die ‘ constitue le centre d'instruction des affaires criminelles et correctionnelles ’. Het ontwerp beoogt dus, in artikel 136, de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid te verlenen om ambtshalve toezicht te houden op de afhandeling van de onderzoeken, verslag te vragen over de stand van de lopende zaken, kennis te nemen van de dossiers en uitspraak te doen overeenkomstig de bepalingen betreffende de inbeschuldigingstelling (hoofdstuk 1 van titel II van boek II). Bovendien werd aan de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de mogelijkheid gegeven de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren indien het gerechtelijk onderzoek na een jaar niet wordt gesloten. De kamer van inbeschuldigingstelling zal daarnaast ook beschikken over de bevoegdheden opgenomen in het huidige artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering (evocatierecht). Er zijn redenen om vast te houden aan de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om dit toezicht ambtshalve uit te oefenen » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 66-67). En : « Voorts kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zodra het onderzoek meer dan een jaar duurt, ook worden geadieerd door de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij. Die mogelijkheid wordt ingevoerd voor het geval dat de procureur-generaal de kamer van inbeschuldigingstelling niet zou adiëren. De termijn van een jaar is bepaald om te voorkomen dat de partijen het werk van de onderzoeksrechter zouden bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/17, p. 16). 6 B.
  12. In de huidige wettelijke regeling kan de voorbereidende fase van het strafproces de vorm aannemen van ofwel een opsporingsonderzoek, ofwel een gerechtelijk onderzoek. In zoverre het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van het stadium waarin de strafprocedure zich bevindt in haar voorbereidende fase, berust het op een objectief criterium van onderscheid. Onderzocht dient nog te worden of dat criterium pertinent is in het licht van de bij artikel 136 van het Wetboek van strafvordering nagestreefde doelstelling om partijen de mogelijkheid te geven te waken over de afronding van de strafprocedure binnen een redelijke termijn, zonder dat ze hiermee het strafonderzoek zouden bemoeilijken of onmogelijk maken. B.4.
  13. Het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn is van toepassing op de gehele procedure en kan al op onherstelbare wijze geschonden worden tijdens de fase van het strafrechtelijk vooronderzoek (EHRM, 15 juli 2002, Stratégies et communications en Dumoulin t. België, § 39). B.4.
  14. De periode die in beschouwing moet worden genomen voor de redelijke termijn neemt een aanvang zodra een persoon zich bewust wordt van de vervolging, in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, of ingrijpend geraakt wordt door maatregelen genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek (zie onder meer EHRM, 27 februari 1980, Deweer t. België, §§ 42-46; 22 juni 2000, Coeme e.a. t. België, § 133; 15 juli 2002, Stratégies et communications en Dumoulin t. België, § 42; 25 september 2007, De Clerck t. België, § 49). B.4.
  15. De redelijke termijn van een strafprocedure dient steeds te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak, rekening houdend met de volgende criteria : de complexiteit van de zaak, het gedrag van de verdachte en het gedrag van de bevoegde autoriteiten (zie onder meer EHRM, grote kamer, 25 maart 1999, Pélissier en Sassi t. Frankijk, § 67; 28 oktober 2014, Panju t. België, § 81; 24 januari 2017, J.R. t. België, § 59; 14 september 2021, Brus t. België, § 41). B.5.
  16. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 6 ervan, waarborgt het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie in geval van een verdedigbare klacht over de onredelijke duurtijd van een 7 strafrechtelijke procedure. Het komt aan de bevoegde rechter toe, rekening houdend met de feitelijke elementen die eigen zijn aan het geschil, na te gaan of de duurtijd van het strafrechtelijk onderzoek prima facie een verdedigbare klacht uitmaakt (EHRM, 28 oktober 2014, Panju t. België, § 52). B.5.
  17. Een preventief rechtsmiddel geniet de voorkeur, aangezien een compensatoir rechtsmiddel louter toelaat een schadevergoeding te krijgen voor vertragingen die reeds hebben plaatsgevonden en de procedure niet bespoedigt (EHRM, 28 oktober 2014, Panju t. België, § 53; 24 januari 2017, J.R. t. België, § 71; 24 januari 2017, Hiernaux t. België, § 50). B.6.
  18. De mogelijkheid die artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering biedt aan de inverdenkinggestelde in een gerechtelijk onderzoek om de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten, vormt een preventief rechtsmiddel dat erop gericht is een lopend gerechtelijk onderzoek te doen versnellen (EHRM, 24 januari 2017, Hiernaux t. België, § 51; 24 januari 2017, J.R. t. België, § 77). B.6.
  19. Bij het toezicht op langdurige onderzoeken kan de kamer van inbeschuldigingstelling maatregelen nemen om de procedure te bespoedigen, overeenkomstig de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis van het Wetboek van strafvordering. Dit houdt onder meer in dat zij de onderzoeksrechter kan opdragen bepaalde maatregelen te nemen of, in ernstige situaties, de zaak aan zich kan trekken (artikel 235 van het Wetboek van strafvordering) en het dossier kan zuiveren (artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering). Voorts kan zij de onderzoeksrechter, evenals de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun advocaten horen (artikel 136bis, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering). B.6.
  20. Een dergelijk rechtsmiddel kan doeltreffend zijn bij een verdedigbare klacht over de onredelijke duurtijd van een strafrechtelijk onderzoek, al dient de doeltreffendheid ervan om een lopend onderzoek te bespoedigen, in de omstandigheden van het voorliggende geval, te worden aangetoond (EHRM, 24 januari 2017, Hiernaux t. België, § 52; 24 januari 2017, J.R. t. België, §§ 78-79). B.7.
  21. Het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn kan op onherstelbare wijze worden geschonden tijdens de voorbereidende fase van het strafproces (cf. B.3), ongeacht of zulks de vorm aanneemt van een opsporingsonderzoek dan wel van een gerechtelijk 8 onderzoek. In beide gevallen kan dat onderzoek immers ingrijpende gevolgen hebben voor de fundamentele rechten van de beoogde personen, wat des te meer het geval zal zijn indien het niet wordt afgerond binnen een redelijke termijn. B.7.
  22. Daarenboven kan niet worden aangenomen dat opsporingsonderzoeken per definitie minder complex van aard zijn en daardoor geen onredelijk lange duurtijd zouden kunnen kennen. Zo kan de procureur des Konings, krachtens artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, dat het zogenoemde « mini-onderzoek » invoert, van de onderzoeksrechter vorderen onderzoekshandelingen te verrichten waarvoor alleen die rechter bevoegd is, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. B.7.
  23. Het ontbreken van een preventief rechtsmiddel voor de verdachte bij een langdurig opsporingsonderzoek, terwijl wel daarin voorzien is voor de inverdenkinggestelde in het kader van een gerechtelijk onderzoek, is bijgevolg niet pertinent. B.8.
  24. Het komt bijgevolg de wetgever toe te voorzien in een dergelijk preventief rechtsmiddel waarbij hij in het bijzonder erop dient toe te zien dat het doeltreffend is en dat de maatregelen die kunnen worden genomen in het kader van een langdurig strafrechtelijk onderzoek, specifiek gericht zijn op het bespoedigen van de voortgang van het lopende onderzoek (zie EHRM, 28 oktober 2014, Panju t. België, § 72). B.8.
  25. Aangezien de in B.7.3 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, komt het evenwel, in afwachting van het optreden van de wetgever, het verwijzende rechtscollege toe een einde te maken aan de schending van die normen, door artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bij analogie toe te passen in het kader van een opsporingsonderzoek. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 februari
  26. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.015 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.