← België

ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.016 Arrest- Rolnummer: 16/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 809 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals dat artikel vervangen werd bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », in samenhang gelezen met artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de voormelde wet van 16 maart 1968, gesteld door de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Verviers. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Rijden onder alcoholische invloed - Grenswaarden - Ademanalyse / Bloedproef Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 16/2022 van 3 februari 2022 Rolnummer : 7532 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals dat artikel vervangen werd bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », in samenhang gelezen met artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de voormelde wet van 16 maart 1968, gesteld door de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 februari 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2021, heeft de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 37/1, § 1, derde lid, zoals ingevoegd in de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer bij de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, in samenhang gelezen met artikel 37/1, § 1, tweede lid, van diezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre : - voor de overtreders die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2, met een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of met een bloedanalyse die een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, bij een tweede overtreding die wordt vastgesteld binnen drie jaar na de genoemde veroordeling, een adem vertonen waarbij een alcoholgehalte van 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt gemeten, de rechter in elk geval ertoe is gehouden de geldigheid van hun rijbewijs te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als die bedoeld in het eerste lid van artikel 37/1, § 1, 2 - terwijl, voor de overtreders die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2, met een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of met een bloedanalyse die een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, bij een tweede overtreding die wordt vastgesteld binnen drie jaar na de genoemde veroordeling, een alcoholgehalte vertonen van 1,14 tot 1,19 gram alcohol in het bloed, dat nochtans gelijk is aan ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, die sanctie facultatief is ? ». Memories zijn ingediend door : - N.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schmits, advocaat bij de balie te Verviers; - de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Verviers; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 24 november 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 december 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 december 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 10 februari 2019 wordt N.D. gecontroleerd in staat van dronkenschap aan het stuur. Hij vertoont een alcoholgehalte van 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna : mg/l UAL). Dat gehalte wordt vastgesteld via een ademtest en een ademanalyse. N.D. bevindt zich in staat van wettelijke herhaling. De Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Verviers, stelt vast dat artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » haar verplicht om de geldigheid van het rijbewijs van N.D. te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, aangezien uit de ademanalyse die werd uitgevoerd bij die laatstgenoemde een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 mg/l UAL is gebleken. De Rechtbank merkt op dat het gehalte van 0,50 mg/l UAL dat tijdens de ademanalyse op 10 februari 2019 werd gemeten, niet overeenstemt met het gehalte van 1,2 gram alcohol per liter bloed (hierna : promille), maar met een gehalte van 1,14 promille. De Rechtbank leidt daaruit af dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de overtreders die, na te zijn veroordeeld met toepassing van artikel 34, § 2, van de voormelde wet van 16 maart 1968, worden veroordeeld wegens overtreding van artikel 36 van dezelfde wet, naargelang zij, bij de tweede overtreding, hetzij een adem vertonen waarbij 0,50 mg/l UAL wordt gemeten, in geval van een ademanalyse, hetzij een alcoholgehalte van 1,14 tot 1,19 promille, dat gelijk is aan ten minste 0,50 mg/l UAL, in geval van een bloedanalyse. Terwijl de rechter, in het eerste geval, verplicht is om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken tot alle 3 motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, is die sanctie in het tweede geval slechts facultatief, overeenkomstig artikel 37/1, § 1, eerste lid, van dezelfde wet. De Rechtbank stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De beklaagde voor de verwijzende rechter merkt op dat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing is op het geschil. Artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », geldt enkel voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan (artikel 26, tweede lid, van dezelfde wet). Volgens de parlementaire voorbereiding moeten in geval van recidive beide feiten evenwel zijn gepleegd na de inwerkingtreding van de wet, hetgeen te dezen niet het geval is. Daaruit vloeit voort dat de rechter niet ertoe is gehouden de geldigheid van het rijbewijs van de beklaagde te beperken tot de motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. A.
  2. De procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers, voert aan dat de prejudiciële vraag foutief op één enkele verhouding berust, aangezien er, volgens de gegevens in de wetenschappelijke literatuur, geen unieke wetenschappelijke correlatie bestaat tussen het alcoholgehalte in de uitgeademde alveolaire lucht en het alcoholgehalte in het bloed. De verhouding tussen de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht en die in het bloed is immers vrij ruim en wordt vastgesteld tussen 1/1000 en 1/3500 (gemiddelde waarde : 1/2300). Volgens de procureur des Konings heeft de wetgever klaarblijkelijk gekozen voor de gemiddelde verhouding (zijnde 2,3) door die drempel vast te leggen in artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart
  3. De voor de in het geding zijnde bepaling gekozen verhouding bedraagt 2,
  4. Het is evenwel duidelijk dat de wetgever de gemiddelde verhouding van 2,3 heeft toegepast op het referentiegehalte van 1,2 promille. Aangezien het resultaat van die deling 0,52173913 mg/l UAL bedraagt, heeft de wetgever gekozen voor een « afgerond » gehalte van 0,50 mg/l UAL, om evidente redenen van leesbaarheid en van duidelijkheid. De procureur des Konings is van oordeel dat de toepassing van twee verschillende verhoudingen in het kader van het voormelde artikel 37/1, § 1, niet discriminerend is, rekening houdend met de mogelijkheid voor de overtreder die zich aan een ademtest heeft onderworpen om te verzoeken dat wordt overgegaan tot een bloedanalyse, recht waarover de wet bepaalt dat hij ervan in kennis moet worden gesteld. De rechtzoekende heeft dus het recht zich te beroepen op het gehalte dat in alle omstandigheden het gunstigst voor hem is. A.3.
  5. Vooraf preciseert de Ministerraad dat artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968 niet van toepassing is op de voor de verwijzende rechter hangende zaak en dat er geen beroep op wordt gedaan in de door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking. Die bepaling dient bijgevolg niet te worden opgenomen in het onderzoek van de prejudiciële vraag. A.3.
  6. De Ministerraad voert aan dat het in de prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat. Er bestaat wetenschappelijke onzekerheid bij de omzetting van gram per liter bloed in milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht. De omzettingsfactor vloeit dus voort uit een benadering. Bovendien leidt het bepalen van grenswaarden tot de toepassing van afrondingsregels. Aldus wordt het aantal milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht afgerond tot twee cijfers na de komma, terwijl het aantal gram per liter bloed wordt afgerond tot één cijfer na de komma. Indien de wetgever steeds stopt bij één cijfer na de komma met betrekking tot het aantal gram per liter bloed, is dat omdat hij afrondt nadat hij het aantal milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft omgezet in gram per liter bloed. Te dezen, aangezien het gehalte van 0,50 mg/l UAL overeenstemt met 1,15 promille, dient dat resultaat te worden afgerond tot één cijfer na de komma, hetgeen gelijk is aan 1,
  7. A.3.
  8. De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling hoe dan ook redelijk verantwoord is en op een objectieve omzettingsmethode berust. Volgens hem dient de grenswaarde van alcoholopname, met andere woorden de waarde waarboven de gecontroleerde persoon in overtreding is, duidelijk te zijn voor de agenten die 4 ertoe worden gebracht controles te verrichten aan de hand van de ene of de andere test. De gekozen omzettingsmethode is objectief en zij is noodzakelijk voor het verkrijgen van een dergelijke vaste grenswaarde. De keuze van een andere omzettingsmethode zou weliswaar leiden tot verschillende gehaltes. De keuze van de wetgever kan evenwel niet worden bekritiseerd en brengt voor de betrokken overtreders geen onevenredige gevolgen met zich mee. -B- B.
  9. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de wet van 16 maart 1968), zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », in samenhang gelezen met artikel 37/1, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepaling zou doen ontstaan tussen de overtreders die, na te zijn veroordeeld met toepassing van artikel 34, § 2, van de wet van 16 maart 1968, worden veroordeeld wegens overtreding van artikel 36 van dezelfde wet, naargelang zij, bij de vaststelling van de tweede overtreding, hetzij een adem vertonen waarbij 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht (hierna : mg/l UAL) wordt gemeten, in geval van een ademanalyse, hetzij een alcoholgehalte van 1,14 tot 1,19 gram alcohol per liter bloed (hierna : promille), dat gelijk is aan ten minste 0,50 mg/l UAL, in geval van een bloedproef. Terwijl de rechter, in het eerste geval, verplicht is om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, is die sanctie in het tweede geval slechts facultatief, overeenkomstig artikel 37/1, § 1, eerste lid, van dezelfde wet. B.
  10. Zoals de Ministerraad beklemtoont, is het tweede lid van artikel 37/1, § 1, van de wet van 16 maart 1968 niet van toepassing op het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil en wordt er geen beroep op gedaan in de door hem gemaakte vergelijking. Het dient dus niet te worden opgenomen in het onderzoek van de prejudiciële vraag. B.3.
  11. De beklaagde voor de verwijzende rechter voert aan dat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing is op het geschil, aangezien zij enkel geldt voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan (artikel 26, tweede lid, van de wet van 6 maart 2018 « ter 5 verbetering van de verkeersveiligheid »). Volgens de parlementaire voorbereiding moeten in geval van recidive beide feiten gepleegd zijn na de inwerkingtreding van de wet, hetgeen te dezen niet het geval is. B.3.
  12. Het staat aan de verwijzende rechter de bepalingen vast te stellen die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing zijn; de partijen zijn niet ertoe gemachtigd die keuze ter discussie te stellen voor het Hof. Het Hof zou zich overigens enkel van een antwoord op de gestelde vraag kunnen onthouden indien het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor de oplossing van dat geschil. B.3.
  13. Wat de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling betreft, bepaalt artikel 26, tweede lid, van de voormelde wet van 6 maart 2018 : « Artikel 37/1, § 1, van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals vervangen bij artikel 10, geldt enkel voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan ». In de memorie van toelichting wordt vermeld : « Voor redenen van rechtszekerheid wordt bovendien bepaald dat de nieuwe bepalingen inzake het alcoholslot (artikel 37/1, § 1) enkel van toepassing zijn op feiten begaan na de inwerkingtreding van de wet. In geval van recidive moeten beide feiten gepleegd zijn na de inwerkingtreding van de wet » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 32). B.3.
  14. De precisering dat « in geval van recidive […] beide feiten gepleegd [moeten] zijn na de inwerkingtreding van de wet », komt niet voor in de bewoordingen van artikel 26, tweede lid, van de voormelde wet van 6 maart
  15. Daarenboven is de interpretatie volgens welke enkel de feiten met betrekking tot de tweede overtreding moeten zijn gepleegd na de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling, overigens verenigbaar met de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Dat heeft herhaalde malen geoordeeld dat, teneinde het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere strafwet in acht te nemen, de wet die een zwaardere straf bepaalt in geval van herhaling, van toepassing moet zijn op het ogenblik dat het nieuwe misdrijf wordt gepleegd, maar het is niet vereist dat het eerdere misdrijf, dat de grondslag van de herhaling uitmaakt, ook na de inwerkingtreding van de wet werd gepleegd (Cass., 10 januari 2018, P.17.0661.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.2; 27 maart 2018, P.17.1061.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3). 6 B.3.
  16. De in het geding zijnde bepaling is dus niet klaarblijkelijk niet van toepassing op het voor de verwijzende rechter hangende geschil en het antwoord op de prejudiciële vraag is nuttig voor de oplossing van dat geschil. B.
  17. Artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968, zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018, bepaalt : « In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6 ». B.
  18. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat de verwijzende rechter de gelijkwaardigheid van de twee gehaltes van alcoholconcentratie in die bepaling in vraag stelt. Volgens hem stemt het gehalte van 0,50 mg/l UAL dat in geval van een ademanalyse wordt gemeten, niet overeen met het gehalte van 1,2 promille dat in geval van een bloedproef wordt gemeten, maar met een gehalte van 1,14 promille. Uit dat gebrek aan gelijkwaardigheid zou het in B.1 vermelde verschil in behandeling voortvloeien. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de vraag of de twee gehaltes van alcoholconcentratie die in de in het geding zijnde bepaling worden vermeld, als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd. B.6.
  19. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 1990 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen » was de bloedproef de enige geldige techniek om de alcoholconcentratie te meten. De wetsbepalingen die een te hoge alcoholconcentratie strafbaar stelden, bevatten toen bijgevolg alleen grenswaarden die waren uitgedrukt in gram per liter bloed. Gelet op de praktische moeilijkheden bij het uitvoeren van een dergelijke proef, zoals het opvorderen van een geneesheer en het lange wachten op het resultaat, verving die wet de 7 bloedproef door de ademanalyse als primaire wijze van vaststelling van dergelijke overtredingen (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1062/7, p. 16). Sinds de inwerkingtreding van die wet is de bloedproef een ondergeschikte techniek geworden, die slechts wordt gebruikt indien een ademanalyse niet mogelijk is of geen resultaat oplevert of indien de bestuurder bij wijze van tegenexpertise om een bloedproef verzoekt (artikel 63 van de wet van 16 maart 1968). B.6.
  20. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 134/2021 van 7 oktober 2021 heeft opgemerkt, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever wel degelijk een vaste omzettingsfactor gelijk aan 2,30 heeft gehanteerd om de verhouding tussen de resultaten van een ademanalyse, uitgedrukt in mg/l UAL, en het promillegehalte, uitgedrukt in g/l bloed, te bepalen. Die omzettingsfactor werd bepaald op grond van wetenschappelijke gegevens. De wetgever heeft de in g/l bloed uitgedrukte waarden verkregen door de in mg/l UAL uitgedrukte waarden te vermenigvuldigen met 2,30 en door het resultaat af te ronden tot één cijfer na de komma, volgens de gebruikelijke afrondingsregels : - 0,22 mg/l UAL x 2,30 = 0,506 promille  0,5 promille; - 0,35 mg/l UAL x 2,30 = 0,805 promille  0,8 promille; - 0,50 mg/l UAL x 2,30 = 1,15 promille  1,2 promille; - 0,78 mg/l UAL x 2,30 = 1,794 promille  1,8 promille. B.6.
  21. Uit het voorgaande blijkt dat het gehalte van 0,50 mg/l UAL overeenstemt met 1,15 promille, en niet met 1,14 promille zoals de verwijzende rechter aanvoert. Het feit dat de in het geding zijnde bepaling 1,2 promille vermeldt, vloeit voort uit de toepassing van de gebruikelijke afrondingsregels en uit het feit dat de in g/l bloed uitgedrukte waarden worden vermeld met een nauwkeurigheid van één cijfer na de komma. Die methodologische keuzes van de wetgever kunnen op zich niet worden bekritiseerd. Zoals het Hof in zijn voormelde arrest nr. 134/2021 heeft opgemerkt, werd de berekeningswijze op identieke wijze toegepast op alle in de artikelen 34 en 37/1 van de wet van 16 maart 1968 vermelde verhoudingen tussen promillegehaltes en aantallen mg/l UAL. Aldus heeft de 8 wetgever de grenswaarden van beide procedés voldoende accuraat op elkaar afgestemd aan de hand van een objectief criterium. Het feit dat de in g/l bloed uitgedrukte waarden worden vermeld met een nauwkeurigheid van één cijfer na de komma, terwijl de in mg/l UAL uitgedrukte waarden worden vermeld met een nauwkeurigheid van twee cijfers na de komma, kan evenmin worden bekritiseerd. Voor het overige leidt de door de wetgever gekozen omzettingsmethode maar tot een gering verschil tussen de in g/l bloed uitgedrukte waarden vóór en na de toepassing van de gebruikelijke afrondingsregels. Dat verschil heeft immers betrekking op een maximumwaarde van 0,05 promille. Die waarde vormt slechts een fractie van een alcoholische consumptie. B.
  22. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in de in het geding zijnde bepaling opgenomen cijfers redelijkerwijs als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd. Bijgevolg worden de overtreders in staat van herhaling niet gediscrimineerd naargelang zij een bloedproef of een ademanalyse ondergaan. De overtreder in staat van herhaling die, bij de tweede overtreding, een aan de hand van een bloedproef gemeten alcoholgehalte van maximaal 1,19 promille vertoont, bevindt zich objectief gezien immers niet in dezelfde situatie als de overtreder in staat van herhaling die een aan de hand van een ademanalyse gemeten alcoholgehalte vertoont dat gelijk is aan 0,50 mg/l UAL. Het is dus redelijk verantwoord dat de rechter in het eerste geval niet verplicht is om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot en dat hij dat in het tweede geval wel is. Voor het overige, zoals in B.6.1 is vermeld, kan de bestuurder die wordt gecontroleerd aan de hand van een ademanalyse waaruit een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 mg/l UAL blijkt, steeds verzoeken om bij wijze van tegenexpertise een bloedproef te ondergaan. B.
  23. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 37/1, § 1, derde lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals vervangen bij artikel 10 van de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 februari
  24. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.016 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.