id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.022 Arrest- Rolnummer: 22/2022 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-19 17:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping het beroep (onder voorbehoud van de in B.11.1 en B.11.3 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de artikelen 2 en 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn », in zoverre het paragraaf 5 van artikel 9ter van de voormelde wet van 2 april 1965 vervangt, ingesteld door de vzw « Medimmigrant » en anderen. Sociale zekerheid - OCMW - Dringende medische hulp - Terugvordering en terugbetaling via de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering - Controle van de naleving van de voorwaarden inzake dringende medische hulp door de controlearts van de HZIV - 1. Voorwaarden van de controles - Delegatie aan de Koning - 2. Bescherming van de persoonsgegevens. Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 22/2022 van 10 februari 2022 Rolnummer : 7444 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de artikelen 2 en 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn », in zoverre het paragraaf 5 van artikel 9ter van de voormelde wet van 2 april 1965 vervangt, ingesteld door de vzw « Medimmigrant » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune en E. Bribosia, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 september 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 oktober 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de artikelen 2 en 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 april 2020), in zoverre het paragraaf 5 van artikel 9ter van de voormelde wet van 2 april 1965 vervangt, door de vzw « Medimmigrant », de vzw « Vereniging van Wijkgezondheidscentra », de vzw « Fédération des maisons médicales et des collectifs de santé francophones », de vzw « Médecins du monde - Dokters van de Wereld », de vzw « Ligue des droits humains » en de vzw « Association pour le droit des Etrangers », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Caccamisi, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 20 oktober 2021 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 10 november 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 10 november 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.1. De verzoekende partijen verklaren dat zij een breed spectrum van personen en belangen vertegenwoordigen die rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling, die aan de controlearts van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : de HZIV) de opdracht toevertrouwt om het dringende karakter van de medische hulp door de zorgverleners in het kader van de dringende medische hulp aan illegaal verblijvende personen a posteriori te controleren en, in voorkomend geval, een financiële sanctie op te leggen aan de zorgverleners die hulp zouden hebben verstrekt die niet in overeenstemming is met de bij de wet vastgestelde criteria. Volgens de verzoekende partijen kan het risico van een financiële sanctie die zorgverleners ontmoedigen om die medische hulp te verstrekken. Als gevolg daarvan heeft dat risico een impact op de situatie van de illegaal verblijvende personen die daartoe toegang moeten hebben. A.1.2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang. Volgens hem heeft de bestreden bepaling tot doel de reeds bestaande controles doeltreffender te maken, teneinde de HZIV, die belast is met de terugbetaling, aan de zorgverleners, van de kosten in het kader van de dringende medische hulp, toe te laten om na te gaan of de dossiers volledig en nauwkeurig zijn. De dringende medische hulp is gedefinieerd bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 « betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijke welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven » (hierna : het koninklijk besluit van 12 december 1996). De bestreden bepaling doet bijgevolg geen afbreuk aan de toegang van de illegaal verblijvende personen tot die hulp. Volgens de Ministerraad gaan de verzoekende partijen ervan uit dat de controlearts van de HZIV de reglementering noodzakelijkerwijs te strikt zal interpreteren, zodat hun belang louter hypothetisch is. Er moet daarentegen ervan worden uitgegaan dat de controlearts van de HZIV in de overgrote meerderheid van de gevallen dezelfde diagnose zal stellen als die van zijn confraters. Overigens, indien de verzoekende partijen een systeem willen vrijwaren dat aanleiding geeft tot misbruiken, waarbij zorgverleners attesten afgeven die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden inzake de dringende medische hulp, moet hun belang als ongeoorloofd worden beschouwd. Volgens de Ministerraad moet het beroep dus onontvankelijk worden verklaard. A.1.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de controle waarin de bestreden bepaling voorziet, een opportuniteitscontrole is, aangezien het koninklijk besluit van 12 december 1996 slechts een kader vaststelt dat de dringende medische hulp afbakent in een medische sfeer, waarbij alle soorten mogelijke verstrekkingen worden gedekt. Volgens de verzoekende partijen kan het dringende karakter waarvan sprake is, niet worden gelijkgesteld met louter het onmiddellijke karakter van de zorgverstrekking. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, bestaat er dus geen nauwkeurige wettelijke definitie van de dringende medische hulp die 3 het voorwerp kan uitmaken van een controle, zodat de controle waarin de bestreden bepaling voorziet, noodzakelijkerwijs een opportuniteitscontrole is. Uit de besprekingen die zijn voorafgegaan aan de aanneming van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976), op grond waarvan het koninklijk besluit van 12 december 1996 is genomen, blijkt overigens dat de ontstentenis van een opportuniteitscontrole helemaal is opgenomen in het begrip « dringende medische hulp », zodat de bestreden bepaling noodzakelijkerwijs een impact heeft op de draagwijdte ervan. In tegenstelling tot wat de Ministerraad verklaart, is het belang van de verzoekende partijen bijgevolg reëel en gewettigd. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel A.2.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 23, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 33, 105 en 108, van de Grondwet. Zij verklaren allereerst dat het Hof het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet niet onderwerpt aan dezelfde « toetsingsmaatstaf » als die welke geldt voor de andere grondwetsbepalingen. De rechtspraak van het Hof past bijgevolg een vorm van « hiërarchisering » tussen de grondrechten toe die betwistbaar is in het licht van de mensenrechten op internationaal vlak. De verzoekende partijen beweren dat het ingewikkelde karakter van een materie, de techniciteit en de economische of budgettaire impact ervan niet kunnen verantwoorden dat de toetsingsmaatstaf van het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet wordt verminderd ten opzichte van die welke eigen is aan andere rechten en vrijheden. De verzoekende partijen vragen het Hof zijn rechtspraak op dat punt te wijzigen. A.2.2. In hoofdorde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling in strijd is met het wettigheidsbeginsel verankerd in artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de voormelde artikelen van de Grondwet, met toepassing van de « gemeenschappelijke toetsingsmaatstaf van de theorie van de voorbehouden aangelegenheden ». Volgens hen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling dat die laatste in werkelijkheid aan de Koning, of zelfs aan de controlearts van de HZIV, de opdracht toevertrouwt om de draagwijdte en de voorwaarden inzake de toepassing van het recht op dringende medische hulp te preciseren, hetgeen niet aanvaardbaar is in het licht van het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en de sociale en geneeskundige bijstand. De bestreden bepaling definieert immers niet het soort van controle dat aan de HZIV wordt toevertrouwd, noch het stelsel van de toepasselijke sancties. In de parlementaire voorbereiding verklaart de wetgever overigens dat hij zich niet zal mengen in de definitie van de criteria die moeten gelden in het kader van die controle, en dat de vaststelling ervan uitsluitend zal worden overgelaten aan de beoordeling door de controlearts van de HZIV, en niet aan de Koning. Echter, volgens de theorie van de aan de wet voorbehouden aangelegenheden kunnen de delegaties alleen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de door de wetgever zelf vastgestelde beginselen, waarbij de wetgever minstens de draagwijdte van de rechten en de voorwaarden inzake de toekenning ervan moet hebben geïdentificeerd, of op zijn minst de criteria of procedures moet bepalen die de gemachtigde overheid toelaten de inhoud ervan te definiëren, daar het aan de wetgever staat de wezenlijke politieke keuzes te maken. A.2.3. In ondergeschikte orde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling ook de in het middel vermelde bepalingen schendt, met toepassing van de « toetsingsmaatstaf » die het Hof verbindt aan artikel 23 van de Grondwet, volgens welke de wetgever alleen het onderwerp van de delegatie moet aangeven. Volgens de verzoekende partijen bestaat het door de wetgever nagestreefde doel erin de draagwijdte en de definitie van de dringende medische hulp te preciseren door een « rechtspraak van de Staat » in te voeren die wordt vastgesteld via de controles en de sancties waarin is voorzien op grond van de bestreden bepaling. Het doel van die delegatie blijkt echter niet uit die bepaling, zodat de delegatie geen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp helemaal heeft vastgesteld. A.3.1. De Ministerraad voert aan dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen verklaren, de bestreden bepaling voldoet aan het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet, in zoverre zij precies het onderwerp bepaalt van de maatregelen die door de Koning ten uitvoer moeten worden gelegd. De Ministerraad merkt overigens op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat punt geen bezwaar heeft geformuleerd. De bestreden bepaling vertrouwt aan de Koning de opdracht toe om de controles en de maatregelen te bepalen die ten uitvoer zullen kunnen worden gelegd om de naleving, door de zorgverleners, van de bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 vastgestelde regels te verzekeren. Het gaat niet erom aan de 4 Koning noch aan de controlearts van de HZIV de opdracht over te laten om de draagwijdte van het begrip « dringende medische hulpverlening » te bepalen, daar dat begrip reeds is gedefinieerd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 1996, maar enkel erom aan de Koning de zorg over te laten een controleprocedure te ontwikkelen waarvan de wezenlijke elementen door de bestreden bepaling zijn geregeld. A.3.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is de controle waarin de bestreden bepaling voorziet, niet onbeperkt, noch onbepaald, maar strekt zij integendeel ertoe de goede administratieve orde van de dossiers te verzekeren, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 1996, en de naleving te verzekeren van de definitie van de dringende medische hulp bedoeld in artikel 1 van dat besluit. De bestreden bepaling voorziet dus in een wettigheidscontrole en niet in een opportuniteitscontrole. Bovendien is het de wetgever die de sancties bepaalt die in geval van tekortkomingen kunnen worden opgelegd, zoals de niet-betaling van de kosten van de hulp of de terugvordering van onterechte betalingen. Om die redenen voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepaling de toegang tot de dringende medische hulp niet beperkt. Zij strekt gewoon ertoe de reeds bestaande controleprocedures, bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 februari 2014 « betreffende de controle van medische en farmaceutische kosten in het kader van artikel 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : het koninklijk besluit van 18 februari 2014), te systematiseren en de zorgverleners ertoe aan te moedigen de toepasselijke reglementering in grotere mate na te leven door de afgifte van een medisch attest waaruit het dringende karakter van de hulp blijkt. A.4. De verzoekende partijen antwoorden dat de interpretatie van de bestreden bepaling door de Ministerraad niet strookt met de parlementaire voorbereiding en de context van de hervorming. In tegenstelling tot wat hij aanvoert, kan de controle waarin is voorzien, niet worden gekwalificeerd als een wettigheidscontrole. De verzoekende partijen herinneren eraan dat de draagwijdte zelf van de dringende medische hulp verbonden is aan de beoordeling door de zorgverlener en niet het voorwerp kan uitmaken van een wettigheidscontrole. In de praktijk bevat het attest van dringende medische hulp overigens geen enkele medische diagnose, zodat de bestreden bepaling de zorgverleners niet ertoe zou kunnen aanzetten dat attest beter te staven. Ten aanzien van het tweede middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de artikelen 2, lid 1, 4 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 11 en 13 van het herziene Europees Sociaal Handvest, met artikel 31 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna : de gecoördineerde wet van 10 mei 2015), met artikel 73 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) en met artikel 144, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 « op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen » (hierna : de gecoördineerde wet van 10 juli 2008). Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling de standstill-verplichting verbonden aan het recht op bescherming van de gezondheid en op sociale en geneeskundige bijstand van de begunstigden van de dringende medische hulp, gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, en schendt zij bijgevolg de in het middel vermelde bepalingen. A.5.2. De verzoekende partijen verklaren allereerst dat de bestreden bepaling een betekenisvolle achteruitgang van de voormelde rechten van de begunstigden van de dringende medische hulp met zich meebrengt. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 1976 moet het koninklijk besluit van 12 december 1996 zo worden geïnterpreteerd dat het elke controle ten aanzien van de verantwoording van het dringende karakter van de medische hulp uitsluit. De verzoekende partijen erkennen dat, sinds de invoeging van artikel 9ter van de wet van 2 april 1965 « betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : de wet van 2 april 1965) bij de wet van 27 december 2012 « houdende diverse bepalingen inzake de toegankelijkheid van de gezondheidzorg », de HZIV bepaalde controles kan uitvoeren in het kader van de dringende medische hulp. De draagwijdte van die controles is gepreciseerd bij het koninklijk besluit van 18 februari 2014. Die controles konden evenwel alleen betrekking hebben op het bestaan van het attest van dringende medische hulp, de volledigheid en de geldigheid ervan. A.5.3. Vóór de aanneming van de bestreden bepaling waren de zorgverleners die dringende medische hulp verstrekten, aan geen enkele sanctie onderworpen in geval van behandelingen die achteraf vanuit medisch oogpunt onverantwoord werden geacht. Zij dienden evenwel hun deontologische verplichtingen na te komen. De bestreden bepaling komt op dat kader terug door aan de controlearts van de HZIV de opdracht toe te vertrouwen 5 om de medische verantwoording van de attesten van dringende medische hulp te controleren, opdracht die noodzakelijkerwijs betrekking heeft op het opportune karakter van de door de zorgverlener verstrekte zorg, en wijzigt bijgevolg de draagwijdte van de dringende medische hulp. De bestreden bepaling voorziet tevens in aanzienlijke sancties, daar die ertoe strekken de zorgverlener de bezoldiging voor de verstrekte zorg te ontzeggen. A.5.4. Volgens de verzoekende partijen leidt de combinatie van de nieuwe controles en sancties waarin de bestreden bepaling voorziet, tot een aanzienlijke achteruitgang van de rechten van de begunstigden van de dringende medische hulp, gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet. Het risico dat hun achteraf een financiële sanctie wordt opgelegd, wegens de slechte interpretatie van het begrip « dringende medische hulp », kan immers de therapeutische vrijheid van de zorgverleners in het gedrang brengen en heeft een ontradend effect. De toegang tot die hulp voor de illegaal verblijvende personen zal bijgevolg onzekerder worden, terwijl die categorie van personen reeds bijzonder kwetsbaar is. Volgens de verzoekende partijen vloeit uit die nieuwe controles, alsook uit de invoering van een « rechtspraak van de Staat » voort dat het begrip « dringende medische hulp » ingewikkelder zal worden, terwijl dat begrip reeds vóór de aanneming van de bestreden bepaling voor sommige OCMW’s, begunstigden en zorgverleners een bron van verwarring was ten aanzien van de exacte draagwijdte ervan, hetgeen leidde tot een onderbenutting van het recht op dringende medische hulp. Ten slotte vloeit de betekenisvolle achteruitgang eveneens voort uit de opdracht die impliciet door de wetgever aan de controlearts van de HZIV is toevertrouwd om de omvang van de dringende medische hulp te preciseren door de totstandkoming, door alleen die arts, van een « rechtspraak van de Staat ». Volgens de verzoekende partijen is de interpretatie die de HZIV geeft aan het begrip « dringende medische hulp » echter beperkender dan die welke voortvloeit uit het koninklijk besluit van 18 november 2016, zoals blijkt uit het door de HZIV opgestelde verslag dat heeft gediend als basis voor de hervorming die ten grondslag ligt aan de bestreden bepaling. A.5.5. Volgens de verzoekende partijen is de door de bestreden bepaling veroorzaakte betekenisvolle achteruitgang van de rechten van de begunstigden van de dringende medische hulp overigens niet verantwoord door gewettigde redenen van algemeen belang. Volgens hen bestaat het wettelijk door de wetgever nagestreefde doel immers, in tegenstelling tot wat de minister beweert die de hervorming in gang heeft gezet, niet erin misbruiken te bestrijden, maar wel het gebruik van de dringende medische hulp zonder meer te beperken en de zorgverleners te ontraden die hulp te verlenen. Dat werkelijke doel kan niet als gewettigd worden beschouwd, noch dus als gerechtvaardigd, aangezien het in strijd is met de internationale verbintenissen van België inzake de toegang tot de zorg voor de illegaal verblijvende personen. Het doel van de strijd tegen misbruiken zou overigens niet kunnen worden beschouwd als een gewettigd doel van algemeen belang, gelet op het feit dat het bestaan van dergelijke misbruiken niet is aangetoond. De wetgever heeft zich immers uitsluitend gebaseerd op een verslag van de adviserende arts van de HZIV van 18 november 2016, dat volgens de verzoekende partijen niet wetenschappelijk is. Een ander verslag, opgesteld door het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg in 2015, besluit integendeel dat thans geen objectieve elementen bestaan waaruit blijkt dat op onrechtmatige wijze gebruik wordt gemaakt van de gezondheidszorg in het kader van de dringende medische hulp. Dat verslag wijst daarnaast op een onderbenutting van de dringende medische hulp door de illegaal verblijvende personen. A.5.6. De verzoekende partijen voeren in ondergeschikte orde aan dat de bestreden bepaling niet verantwoord is in het licht van het nagestreefde doel. De uitvoering van controles ten aanzien van de medische verantwoording van de prestaties die zijn uitgevoerd in het kader van de dringende medische hulp en de daaraan verbonden sancties zijn immers niet noodzakelijk om het doel inzake de bestrijding van misbruiken te bereiken. Andere maatregelen die het recht op de bescherming van de gezondheid, alsook het recht op sociale en geneeskundige bijstand in mindere mate aantasten, konden worden overwogen, met name het systeem bepaald in de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen », alsook het uitvoeringsbesluit ervan, inzake de gezondheidszorg voor asielzoekers. In die materie bepaalt de reglementering dat de basisdekking van de medische zorg alle zorg omvat die is opgenomen in de RIZIV-nomenclatuur, met uitzondering van bepaalde door de Koning opgesomde handelingen, die als kennelijk niet noodzakelijk worden beschouwd, waaraan sommige prestaties zijn toegevoegd die niet in die nomenclatuur zijn opgenomen maar beantwoorden aan medische noden die tot het dagelijks leven behoren. Volgens de verzoekende partijen zou dat systeem kunnen worden toegepast op de dringende medische hulp en toelaten de contouren ervan duidelijk te preciseren. In tegenstelling tot het systeem waarin de bestreden bepaling 6 voorziet, zou het het voordeel bieden dat de zorgverlener niet wordt geconfronteerd met een onzekerheid ten aanzien van de terugbetaling van de dringende medische hulp. Dat systeem zou daarnaast een duidelijke controle van de werkelijkheid en van de overeenstemming van de prestaties met het begrip « dringende medische hulpverlening » mogelijk maken en bescherming bieden tegen de willekeur en de onzekerheid van een « rechtspraak van de Staat ». Volgens de verzoekende partijen is de bestreden bepaling overigens niet evenredig in de strikte zin. Zij voegt een extra moeilijkheid toe aan die waarmee de beoefenaars op het terrein worden geconfronteerd, door aan de controlearts van de HZIV de opdracht toe te vertrouwen om opportuniteitscontroles uit te voeren, waarvan de criteria niet zijn gedefinieerd door de wetgever en niet zullen worden gedefinieerd in het uitvoeringsbesluit, daar de wetgever de intentie heeft aan de controlearts de zorg over te laten om zelf een rechtspraak te ontwikkelen betreffende de contouren van de dringende medische hulp. De bestreden bepaling maakt dat begrip dus nog ingewikkelder en voert bepaalde sancties in, waardoor de zorgverleners nog terughoudender kunnen zijn om illegaal verblijvende personen te behandelen. De impact van de bestreden bepaling op de toegang tot de gezondheidszorg van die personen is dus niet evenredig met het voordeel dat hieruit zou voortvloeien op het vlak van de strijd tegen misbruiken. A.6.1. De Ministerraad voert aan dat de bestreden bepaling geen aanzienlijke achteruitgang met zich meebrengt op het vlak van de dringende medische hulp, daar zij zich ertoe beperkt de bestaande controles, waarin het koninklijk besluit van 18 februari 2014 voorziet, aan te vullen. Zij wijzigt artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 1996 niet, en bijgevolg evenmin de draagwijdte van dat begrip. Volgens de Ministerraad blijkt immers uit het verslag dat de HZIV in 2016 heeft opgesteld, dat de controles waarin het koninklijk besluit van 18 februari 2014 voorziet, niet werkzaam waren in zoverre daaraan geen sanctie was gekoppeld. Zij lieten de HZIV niet toe de controleopdracht uit te voeren die haar was toevertrouwd door artikel 9ter van de wet van 2 april 1965. Dat verslag onderstreept eveneens dat de dossiers grotendeels geen enkel attest van dringende medische hulp bevatten of slechts een onvolledig attest op grond waarvan niet kan worden nagegaan of de verstrekte zorg daadwerkelijk valt onder het begrip « dringende medische hulp ». Bovendien kan het loutere feit dat controles worden uitgevoerd en dat daaruit misbruiken blijken die aanleiding geven tot sancties, niet worden beschouwd als een betekenisvolle achteruitgang : integendeel, het betreft een eenvoudige toepassing van de geldende reglementering. Ten slotte vormt de bewering van de verzoekende partijen volgens welke de controlearts van de HZIV het begrip « dringende medische hulp » helemaal anders zal interpreteren dan de zorgverleners, een verklaring die louter hypothetisch is waaruit geenszins het bestaan van een betekenisvolle achteruitgang blijkt. A.6.2. In ondergeschikte orde verklaart de Ministerraad dat de bestreden bepaling een gewettigd doel nastreeft teneinde de door de HZIV vastgestelde misbruiken te bestrijden, zoals blijkt uit de elementen die tijdens de parlementaire debatten zijn uiteengezet. Hij voert aan dat de verzoekende partijen een intentieproces voeren jegens de overheid, daar tot op heden geen enkel koninklijk uitvoeringsbesluit is genomen. De controleprocedure waarin de bestreden bepaling voorziet, is bovendien noodzakelijk en evenredig met het nagestreefde doel, in zoverre zij de HZIV toelaat haar opdracht doeltreffend uit te voeren, om definitief een einde te maken aan de vastgestelde misbruiken. De verzoekende partijen tonen overigens niet het onevenredige karakter van die controle aan. Ten slotte kan de controlearts van de HZIV de toegang tot de medische hulp niet beperken door een restrictieve definitie van dat begrip toe te passen, daar dat laatste begrip duidelijk is gedefinieerd in het koninklijk besluit van 12 december 1996 en de wetgever, wanneer hij de bestreden bepaling heeft aangenomen, de draagwijdte ervan niet heeft willen beperken. Ten aanzien van het derde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 31 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, met artikel 73 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, met artikel 144, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 en met de beginselen van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid. Volgens hen is de bestreden bepaling discriminerend, in zoverre zij de zorgverleners die worden geconfronteerd met behoeftige personen wier zorg ten laste wordt genomen in het kader van de dringende medische hulp, minder gunstig behandelt, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat, dan de zorgverleners die niet met dat publiek worden geconfronteerd. De verzoekende partijen voeren aan dat iedere zorgverlener de 7 vereiste zorg moet kunnen verstrekken teneinde de waardigheid van iedere patiënt te waarborgen zonder discriminatie, in alle onafhankelijkheid en in alle diagnostische en therapeutische vrijheid. De bestreden bepaling beperkt die vrijheid evenwel door de opportuniteitscontrole waarin zij voorziet, die de zorgverlener plaatst in een situatie van financiële onzekerheid wanneer hij optreedt in het kader van de dringende medische hulp. Die beperking bestaat niet buiten de praktijk van die hulp, daar de zorgverleners die andere zorg verstrekken, geen beperking van hun onafhankelijkheid kennen door een opportuniteitscontrole, gepaard gaand met de dreiging van een financiële sanctie. A.7.2. Volgens de verzoekende partijen is dat verschil in behandeling niet evenredig met het nagestreefde doel. Zij verwijzen in dat verband naar de elementen die zij hebben uiteengezet in hun tweede middel in verband met de standstill-verplichting, en in het bijzonder naar die betreffende de niet-verantwoording van de vastgestelde betekenisvolle achteruitgang. De bestreden bepaling voert onder de zorgverleners een verschil in behandeling in dat niet redelijk verantwoord is. A.8. De Ministerraad voert aan dat de door de verzoekende partijen beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. Hij ziet niet in hoe de zorgverleners die actief zijn in het kader van de dringende medische hulp op nuttige wijze zouden kunnen worden vergeleken met de zorgverleners die geen dergelijke zorg verstrekken, in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel. Volgens de Ministerraad verplicht het gegeven dat de wetgever een bijzonder domein van de medische sector wil reglementeren en controleren, die laatste niet ertoe een identiek systeem in alle andere domeinen in te voeren, op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.9. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad niet aantoont in welke zin de zorgverleners die worden geconfronteerd met een behoeftige persoon die illegaal in het land verblijft en wiens zorg ten laste wordt genomen in het kader van de dringende medische hulp, niet vergelijkbaar zijn met de zorgverleners die niet met dat publiek worden geconfronteerd. In beide gevallen moeten de zorgverleners immers de nodige zorg kunnen verstrekken, overeenkomstig hun deontologie en in alle onafhankelijkheid, aan een patiënt teneinde diens waardigheid zonder discriminatie te waarborgen. Ten aanzien van het vierde middel A.10.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 5 en 9 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) », met de artikelen 5 en 6 van het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa van 28 januari 1981 « tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens », gelezen in het licht van de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens », en met artikel 458 van het Strafwetboek. A.10.2. Volgens de verzoekende partijen vormt de bestreden bepaling een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de begunstigden van de dringende medische hulp, in zoverre zij een controle invoert ten aanzien van de medische verantwoording van de prestaties in het kader van die hulp, waarvan de terugbetaling gebeurt via de toepassing Mediprima. Om zijn controle te organiseren en de sancties toe te passen, zal de controlearts immers toegang moeten hebben tot persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de behandelde patiënten, hetgeen een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven in de zin van de rechtspraak van Europees Hof voor de rechten van de mens. A.10.3. Die inmenging is overigens niet bepaald bij de wet, aangezien de bestreden bepaling een ruime machtiging toekent aan de Koning, zonder de wezenlijke elementen van die machtiging vast te stellen, en met name de specifieke doelstellingen van het verzamelen en verwerken van de gegevens, het soort van informatie dat kan worden bewaard, of nog, de omstandigheden waarin de maatregelen inzake het verzamelen en het bewaren van de gegevens kunnen worden genomen. De inmenging is dus niet vastgesteld bij een voldoende toegankelijke en voorzienbare wet. A.10.4. Ten slotte voeren de verzoekende partijen in ondergeschikte orde aan dat de inmenging niet redelijk verantwoord is in het licht van een gewettigd doel van algemeen belang. In dat verband verwijzen zij 8 opnieuw naar de elementen die zij hebben uiteengezet in het tweede middel betreffende de standstill-verplichting, en inzonderheid naar die betreffende de niet-verantwoording van de vastgestelde betekenisvolle achteruitgang. A.11. De Ministerraad verklaart dat het recht op eerbiediging van het privéleven geen absoluut recht is en dat daarvan kan worden afgeweken mits bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. Te dezen voldoet de maatregel aan het wettigheidsbeginsel, daar hij is vastgesteld bij de bestreden bepaling. Bovendien is hij beperkt tot de controle van de controlearts van de HZIV, die, als arts, gehouden is tot het beroepsgeheim. Die controle heeft overigens alleen betrekking op de minimale medische gegevens vermeld in het attest van dringende medische hulp, zodat geen sprake ervan is toegang te hebben tot het volledige medische dossier, maar uitsluitend tot het medisch attest bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 1996, dat, volgens het verslag van de adviserende arts van de HZIV van november 2016, in veel gevallen ontbreekt of kennelijk onvolledig is. A.12. De verzoekende partijen antwoorden dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad verklaart, de bestreden bepaling ertoe strekt aan de controlearts van de HZIV toegang te verlenen tot het medisch verslag van de patiënt, daar het attest van dringende medische hulp alleen de gegevens bevat betreffende de identificatie van de begunstigde en van de zorgverlener, het soort van ten laste te nemen prestaties en de datum van de aanvang van de prestatie. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.1. Artikel 9ter van de wet van 2 april 1965 « betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : de wet van 2 april 1965), ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 « houdende diverse bepalingen inzake de toegankelijkheid van de gezondheidzorg » (hierna : de wet van 27 december 2012), maakt deel uit van hoofdstuk II van de wet van 2 april 1965, dat betrekking heeft op de « terugvordering en terugbetaling van onderstandskosten ». Het voormelde artikel 9ter voorziet in een procedure voor de terugvordering en terugbetaling van de onderstandskosten via de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : de HZIV) « wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een beslissing neemt betreffende de medische en farmaceutische hulp, met of zonder hospitalisatie, in een verplegingsinstelling, toegekend aan behoeftige personen die niet over een ziektekostenverzekering beschikken die de risico's in België dekt en die niet verzekerd kunnen worden op basis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering ervan » (§ 1, eerste lid). 9 B.1.2. Het voormelde artikel 9ter past in het kader van « de hervorming van de terugbetaling van de geneeskundige hulp via de OCMW’s en de vervanging ervan door een vereenvoudigd systeem via de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (HZIV) en later de ziekenfondsen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2524/004, p. 26). B.2.1. De procedure bepaald in artikel 9ter van de wet van 2 april 1965 is van toepassing op de dringende medische hulp bedoeld in artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de wet van 8 juli 1976), die de enige hulp is waarop een illegaal in België verblijvende persoon aanspraak kan maken (artikel 57, § 2, eerste lid, 1°). Uit artikel 1 van de wet van 8 juli 1976 volgt dat die persoon, alvorens de dringende medische hulp te kunnen genieten, moet aantonen dat hij, zonder die hulp, niet in staat zal zijn een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het staat aan het OCMW dat element na te gaan door middel van een maatschappelijk onderzoek. De dringende medische hulp is niet verschuldigd wanneer uit dat onderzoek zou blijken dat de betrokkene onder de Belgische ziekteverzekering of onder die van zijn land van herkomst valt of dat hij over een verzekering zou beschikken die de ziektekosten in het land volledig dekken. Hetzelfde geldt wanneer de betrokkene over andere bestaansmiddelen beschikt. De wet van 8 juli 1976, na de wijziging ervan bij de wet van 15 juli 1996 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : de wet van 15 juli 1996) kent aan de Koning de bevoegdheid toe om, in voorkomend geval, te bepalen « wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden » (artikel 57, § 2, derde lid). Artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 1996 « betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven » (hierna : het koninklijk besluit van 12 december 1996), genomen op grond van die machtiging, bepaalt : « De dringende medische hulp, bedoeld in artikel 57, § 2, lid 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, betreft hulp die een uitsluitend medisch karakter vertoont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Deze hulp kan geen financiële steunverlening, huisvesting of andere maatschappelijke dienstverlening in natura zijn. 10 Dringende medische hulp kan zowel ambulant worden verstrekt als in een verplegingsinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Dringende medische hulp kan zorgverstrekking omvatten van zowel preventieve als curatieve aard. In geval van besmettelijke ziekten die door de bevoegde overheden als zodanig erkend zijn en onderworpen zijn aan profylactische maatregelen, moet de dringende medische hulp die aan de patiënt verstrekt wordt de nazorg inhouden die noodzakelijk is voor de algemene volksgezondheid ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 juli 1996 wordt, in verband met de contouren van de dringende medische hulp, gepreciseerd : « Verschillende leden hebben vragen in verband met de notie ‘ dringende medische hulp ’ die wordt gehanteerd in het voorgestelde artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het tweede lid van deze paragraaf geeft de Koning de bevoegdheid te bepalen wat onder het begrip dient te worden verstaan. De sprekers zien niet hoe ‘ dringende medische hulp ’ in een reglementaire tekst kan worden gevat. Zij vragen hoe de staatssecretaris het begrip opvat en waarom het nodig werd geacht ter zake een machtiging aan de Koning in het ontwerp in te schrijven. De staatssecretaris antwoordt dat ook hij niet ziet hoe de notie ‘ dringende medische hulp ’ in een wettelijke omschrijving zou kunnen worden gevat. Zoals zij in de voorliggende tekst wordt opgevat, is het uitsluitend de behandelende geneesheer die, vanuit zijn deontologische verantwoordelijkheid, bepaalt welke verzorging hij noodzakelijk en dringend acht. Indien de arts een behandeling als dringende hulpverlening attesteert, wordt die door het ministerie van Volksgezondheid terugbetaald aan het O.C.M.W. In de praktijk betekent dit dat de hulp niet beperkt is tot opname in een ziekenhuis of een spoedafdeling, maar een ruim spectrum van zorgverlening kan omvatten, inclusief preventieve behandelingen, prothesen en dergelijke meer. De staatssecretaris merkt op dat er thans ook binnen het geneesherenkorps en de ziekenhuizen in dit verband nogal wat onzekerheid is. Die moet worden weggenomen via een koninklijk besluit waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat dringende medische hulp ruimer is dan de intramurale zorgverlening. 11 Anderzijds echter zal in het besluit worden vereist dat de hulpverlening een medisch karakter heeft. Een bepaalde rechtspraak heeft het begrip verruimd tot zaken zoals huisvesting of het toekennen van bestaansmiddelen. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn. Een lid stelt vast dat de staatssecretaris de dringende medische hulp op een ruime wijze opvat. Uiteindelijk bepaalt de arts, vanuit zijn deontologische code, wat al dan niet kan. Zij vraagt in het licht hiervan waarom het nog nodig werd geacht de beperking in de wet in te schrijven. De staatssecretaris antwoordt dat het begrip ‘ dringende medische hulp ’ wel degelijk een restrictie inhoudt. Louter kosmetische ingrepen, bijvoorbeeld, kunnen niet ‘ dringend ’ geacht worden. De verantwoordelijkheid om te bepalen of een preventieve of curatieve ingreep dringend is, wordt evenwel bij de arts gelegd en die moet ter zake in eer en geweten oordelen ». (Parl. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-310/4, pp. 7 en 8). B.2.2. Vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling, luidde artikel 9ter, § 5, van de wet van 2 april 1965 : « In het in paragraaf 1 bedoelde geval wordt de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ermee belast om controles en de terugbetaling van de kosten van voormelde hulp, te verrichten in naam en voor rekening van de Staat. Een voorschot zal worden betaald aan de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Elke maand betaalt de Staat de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de gestorte bedragen terug op basis van een elektronisch maandoverzicht. De Koning bepaalt de nadere regels van de controles en de terugbetalingen. Op voorstel van het Verzekeringscomité van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaalt de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid de instructies betreffende de facturatie op elektronische drager van toepassing op de facturatie van de in paragraaf 1 bedoelde medische en farmaceutische hulp ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2012 wordt gepreciseerd : « De Staat belast de HZIV met de uitvoering van controles en de betaling aan de zorgverstrekkers van de medische en farmaceutische kosten in overeenstemming met de voorwaarden vermeld in de wet van 2 april 1965. De HZIV voert deze taak uit in naam en voor rekening van de Staat. 12 Om zich van deze taak te kunnen kwijten, wordt de HZIV een voorschot toegekend. De Koning is belast met het bepalen van de modaliteiten van de controles en de terugbetalingen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2524/001, pp. 23 en 24). B.2.3. Genomen op grond van die machtiging bepaalt artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 18 februari 2014 « betreffende de controle van medische en farmaceutische kosten in het kader van artikel 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : het koninklijk besluit van 18 februari 2014) : « Overeenkomstig artikel 9ter, § 5, eerste lid van de wet is de HZIV belast met de uitvoering van de controles op de elektronische facturen van de zorgverstrekkers bedoeld in het artikel 9ter, § 1, eerste lid van de wet. Het betreft de volgende controles : 1° technische controles op het niveau van de elektronische zending van de factuur; 2° controles op het al dan niet aanwezig zijn van een beslissing tot tenlasteneming overeenkomstig artikel 9ter, § 1, eerste lid van de wet; 3° controles op het bestaan van een ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de patiënt; 4° controles op de toepassing van de reglementering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering; 5° controles, wat betreft de vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven, met betrekking tot de attesten dringende medische hulp ». B.3.1. Artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 « tot wijziging van de artikelen 2 en 9ter van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (hierna : de wet van 29 maart 2018), die de bestreden bepaling is, vervangt artikel 9ter, § 5, van de wet van 2 april 1965, dat voortaan bepaalt : « In het in paragraaf 1 bedoelde geval wordt de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ermee belast om, in naam en voor rekening van de Staat :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.